Gerecht Cavert arrest
Fiscale eenheid X is een btw-groep die bestaat uit stichtingen en vennootschappen die zorg verlenen aan personen met een verstandelijke beperking. Slechts één van de stichtingen binnen deze groep beschikt over de juiste wettelijke erkenning als zorginstelling voor het toepassen van de btw-vrijstellingen voor medische verzorging en diensten van sociale aard. Vennootschap Y, een van de vennootschappen in de groep die deze erkenning ontbeert, levert aan derden toezichtdiensten op afstand. Fiscale eenheid X claimde vervolgens de medische en sociale btw-vrijstellingen voor deze door Vennootschap Y verleende diensten.
De Nederlandse Belastingdienst wees de toepassing van de vrijstelling af, omdat Vennootschap Y niet zelfstandig was erkend als zorginstelling of instelling van sociale aard. Nadat de fiscale eenheid in hoger beroep gelijk kreeg van het gerechtshof (dat oordeelde dat het voldoende was dat één lid van de btw-groep de erkenning had), stelde de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie in. De Hoge Raad besloot hierop prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ om helderheid te krijgen of subjectgebonden vrijstellingsvoorwaarden op groepsniveau of op individueel niveau moeten worden getoetst.
Het Gerecht oordeelt dat een fiscale eenheid zich alleen op de btw-vrijstellingen voor zorg en sociaal werk (art. 132, lid 1, onder b en g, Btw-richtlijn) kan beroepen als het specifieke groepslid dat de diensten verricht zelf individueel aan alle voorwaarden voldoet, inclusief de vereiste instellingserkenning. Hoewel de entiteiten samen als één belastingplichtige worden beschouwd (zoals eerder bepaald in o.a. de arresten C-184/23 Finanzamt T II en C-77/19 Kaplan International colleges UK), moeten de termen voor vrijstellingen strikt worden uitgelegd (arrest C-228/20 (Btw-vrijstelling voor ziekenhuisdiensten)). Toekenning van de vrijstelling aan onerkende groepsleden zou in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit (arrest C-216/97 Gregg), omdat een onerkende vennootschap binnen een fiscale eenheid dan een ongerechtvaardigd voordeel zou genieten ten opzichte van onerkende concurrenten buiten een fiscale eenheid.
Artikel 132, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met artikel 11 van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat
een op grond van artikel 11 opgerichte btw-groep zich alleen op de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn kan beroepen ingeval de betrokken diensten jegens derden worden verricht door een lid van die groep dat zelf voldoet aan alle toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstellingen, met inbegrip van de voorwaarden dat de dienstverlener, wanneer deze geen publiekrechtelijk lichaam is, de hoedanigheid heeft van een door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging en van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard.
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met
vijf rechters)
10 juni 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Belastingplichtigen – Btw-groep – Artikel 11 van richtlijn 2006/112/EG – Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang – Artikel 132, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2006/112 – Diensten van een btw-groep die worden verricht door een lid van deze groep dat niet aan alle vrijstellingsvoorwaarden voldoet”
In zaak T‑444/25 [Cavert] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 28 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 23 juni 2025, in de procedure
Staatssecretaris van Financiën
tegen
Fiscale Eenheid Stichting X c.s.,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 9 juli 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
Fiscale Eenheid Stichting X c.s., vertegenwoordigd door F. Manzoni en F. Soetens als gemachtigden,
–
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door P. Huurnink en J. Langer als gemachtigden,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en W. Roels als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, artikel 132, lid 1, onder b) en g), en artikel 133, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Fiscale Eenheid Stichting X c.s. (hierna: „fiscale eenheid X”) en de Staatssecretaris van Financiën (Nederland) over de belastingplicht van deze eenheid voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) over diensten die door een van haar leden zijn verricht in het tijdvak 1 april tot en met 30 juni 2016.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 11 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Na raadpleging van het raadgevend Comité voor de Belasting op de toegevoegde waarde […] kan elke lidstaat personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat gevestigd zijn en die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aanmerken.
Een lidstaat die de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid toepast, kan alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en ‑ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen.”
4
Artikel 132 van de btw-richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 („Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang”) van titel IX van die richtlijn, bepaalt in lid 1 het volgende:
„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
[…]b)
ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;
[…]g)
diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
[…]”5
Artikel 133 van de btw-richtlijn bepaalt:
„De lidstaten kunnen de verlening van elk der in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:
a)
de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht;
[…]”Nederlands recht
6
Artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 van 28 juni 1968 (Stb. 1968, 329), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet op de omzetbelasting”), geeft uitvoering aan de door artikel 11 van de btw-richtlijn aan de lidstaten geboden mogelijkheid om een groep van personen die juridisch gezien zelfstandig zijn maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, aan te merken als één belastingplichtige (btw-groep).
7
Artikel 11, lid 1, aanhef en onder c) en f), van de wet op de omzetbelasting, waarbij artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn is omgezet, luidt als volgt:
„Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:
[…]c.
het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen, alsmede de handelingen die daarmee nauw samenhangen, waaronder begrepen het verstrekken van spijzen en dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan die personen;
[…]f.
de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen”.
8
Volgens artikel 7, lid 1, en bijlage B, onder b), punt 13, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (Stb. 1968, 423), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, zijn eveneens vrijgesteld van omzetbelasting de goederenleveringen en diensten van sociale aard die als zodanig worden verricht door ziekenhuizen, poliklinieken, psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen, voor zover deze diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, lid 1, onder c), van de wet op de omzetbelasting.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9
Fiscale eenheid X is een btw-groep die bestaat uit twee stichtingen en drie vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid naar Nederlands recht. Deze vijf rechtspersonen houden zich elk bezig met verschillende aspecten van zorg voor personen met een verstandelijke beperking die zijn opgenomen in speciaal ingerichte tehuizen dan wel verblijven in een andere woonvorm.
10
Slechts een van de twee stichtingen die behoren tot fiscale eenheid X is voor de vrijstelling voor verzorging en verpleging van artikel 11, lid 1, onder c), van de wet op de omzetbelasting naar behoren erkend als een instelling die personen in een inrichting opneemt met het oog op verzorging en verpleging. Deze stichting is bovendien de enige van de tot fiscale eenheid X behorende rechtspersonen die als instelling van sociale aard is erkend met het oog op de vrijstelling van goederenleveringen en diensten van sociale aard als bedoeld in artikel 11, lid 1, onder f), van deze wet.
11
Een van de drie tot fiscale eenheid X behorende vennootschappen (hierna: „vennootschap Y”) verleent diensten die bestaan in het dag en nacht, op afstand van de zorglocatie en met gebruikmaking van diverse technische middelen, houden van toezicht op personen met een verstandelijke beperking die verblijven in een zorginstelling of een andere woonvorm waarbij zorgondersteuning wordt geboden.
12
Fiscale eenheid X heeft over het tijdvak 1 april tot en met 30 juni 2016 omzetbelasting aangegeven en voldaan over diensten die vennootschap Y heeft verricht jegens niet tot die fiscale eenheid behorende derden. Fiscale eenheid X heeft vervolgens tegen het aldus voldane bedrag bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft aangevoerd dat de door vennootschap Y aan derden verleende diensten op grond van artikel 11, lid 1, onder c) en f), van de wet op de omzetbelasting waren vrijgesteld van omzetbelasting.
13
De Nederlandse belastingdienst heeft dit bezwaar afgewezen op grond dat vennootschap Y niet was erkend als instelling die personen in een inrichting opneemt met het oog op verzorging en verpleging of als instelling van sociale aard, zodat zij niet voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in die bepalingen vermelde vrijstellingen. Fiscale eenheid X heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Nederland) en vervolgens hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (Nederland). Deze rechter heeft het hoger beroep van fiscale eenheid X toegewezen, waarbij hij in essentie heeft geoordeeld dat vennootschap Y deel uitmaakte van een btw-groep en deze vrijstellingsvoorwaarden daarom moesten worden beoordeeld op het niveau van die btw-groep en niet op het niveau van haar afzonderlijke leden, en dat het voor de groep in haar geheel volstond dat één lid van die groep erkend was als instelling die personen in een inrichting opneemt met het oog op verzorging en verpleging of als instelling van sociale aard.
14
De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat de vraag of de vrijstellingen van artikel 11, lid 1, onder c) en f), van de wet op de omzetbelasting toepasselijk waren, anders dan de rechter in tweede aanleg had geoordeeld, niet moest worden beoordeeld op het niveau van de fiscale eenheid maar in samenhang met de specifieke rechtspersoon die de betrokken diensten verricht.
15
De verwijzende rechter is van oordeel dat in het bij hem aanhangige beroep de vraag aan de orde is hoe nationale vrijstellingsbepalingen ter omzetting van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn moeten worden toegepast wanneer de belastingplichtige een btw-groep is in de zin van artikel 11 van deze richtlijn waarvan een van de leden voldoet aan de in die bepalingen vastgestelde vrijstellingsvoorwaarden, en de diensten voor derden waarvoor om vrijstelling wordt verzocht, worden verricht door een groepslid dat zelf niet aan die voorwaarden voldoet. Hij is van mening dat het antwoord op deze vraag niet buiten redelijke twijfel uit de btw-richtlijn en de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid. In het bijzonder kan uit deze rechtspraak niet worden afgeleid of de gelijkstelling van een btw-groep met één enkele belastingplichtige ook geldt voor een vrijstelling onder subjectgebonden voorwaarden, zodat de groep wordt vrijgesteld indien één groepslid aan deze voorwaarden voldoet. Hij merkt op dat een dergelijke uitlegging mogelijk niet verenigbaar is met de aard van de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn, die zijn voorbehouden aan rechtspersonen die naar behoren zijn erkend. In het geval dat deze uitlegging wordt aanvaard en de lidstaat gebruik heeft gemaakt van de in artikel 133, aanhef en onder a), van de btw-richtlijn geboden mogelijkheid om deze vrijstellingen afhankelijk te stellen van de voorwaarde van het ontbreken van een winstoogmerk, vraagt hij zich bovendien af of het volstaat dat slechts één lid van de btw-groep aan deze voorwaarde voldoet of dat zij ook geldt voor het groepslid dat de diensten verricht.
16
Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 11 van btw-richtlijn 2006 in samenhang gelezen met artikel 132, lid 1, letters b en g, van btw-richtlijn 2006 aldus worden uitgelegd dat de hier bedoelde vrijstellingen slechts van toepassing zijn voor zover de in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding worden verricht door een juridisch zelfstandig lid van de btw-groep dat, individueel bezien, voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van deze vrijstellingen?
2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, volstaat dan voor de toepasbaarheid van artikel 132, lid 1, letters b en g, en artikel 133, aanhef en letter a, van btw-richtlijn 2006 ter zake van alle in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding, dat slechts één juridisch zelfstandig lid van de btw-groep voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van die vrijstellingsbepalingen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
17
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een op grond van artikel 11 opgerichte btw-groep zich alleen op de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn kan beroepen ingeval de betrokken diensten voor derden worden verricht door een lid van die groep dat zelf voldoet aan alle toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstellingen, met inbegrip van de voorwaarden dat de dienstverlener, wanneer deze geen publiekrechtelijk lichaam is, de hoedanigheid heeft van een door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging en van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard.
18
Voor de beantwoording van deze vraag moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat elke lidstaat op grond van artikel 11, eerste alinea, van de btw-richtlijn meerdere personen als één belastingplichtige kan aanmerken wanneer zij op het grondgebied van die lidstaat zijn gevestigd en juridisch gezien zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn.
19
Wat de doelstellingen van artikel 11 van de btw-richtlijn betreft, heeft de wetgever van de Europese Unie met deze bepaling de lidstaten de mogelijkheid willen bieden om de hoedanigheid van belastingplichtige niet systematisch te verbinden aan het strikt juridische begrip „zelfstandigheid”, hetzij omwille van administratieve vereenvoudiging, hetzij om bepaalde gevallen van misbruik tegen te gaan, zoals de splitsing van een onderneming in verscheidene belastingplichtigen teneinde van een bijzondere regeling te kunnen profiteren (zie arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C‑868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Voorts impliceert de uitvoering van de regeling van artikel 11 van de btw-richtlijn dat de op grond daarvan vastgestelde nationale regelgeving entiteiten die financieel, economisch en organisatorisch nauw verbonden zijn, het recht verleent om voor de btw niet langer te worden aangemerkt als afzonderlijke belastingplichtigen maar als één enkele belastingplichtige, en dat de afhankelijke entiteiten in de zin van die bepaling niet als belastingplichtigen in de zin van artikel 9, lid 1, van deze richtlijn kunnen worden aangemerkt wanneer een lidstaat deze bepaling toepast (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Finanzamt T II, C‑184/23, EU:C:2024:599, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Hieruit volgt dat wanneer een lidstaat een dergelijke regeling heeft ingesteld, een tot een btw-groep behorende dienstverlener niet individueel kan worden beschouwd als een andere belastingplichtige dan de belastingplichtige die wordt gevormd door de btw-groep (zie arrest van 11 juli 2024, Finanzamt T II, C‑184/23, EU:C:2024:599, punt 40).
22
Daaruit volgt ook dat diensten die een derde voor een lid van een btw-groep verricht, voor de btw niet moeten worden geacht te zijn verricht jegens dat lid maar jegens de btw-groep waartoe dat lid behoort (zie arrest van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C‑77/19, EU:C:2020:934, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Evenzo geldt dat diensten die een lid van een btw-groep jegens een derde verricht, voor de btw moeten worden geacht te zijn verricht door de btw-groep waartoe de dienstverlener behoort.
24
Het feit dat een tot een btw-groep behorende persoon individueel niet kan worden beschouwd als een andere belastingplichtige dan de btw-groep, sluit niet uit dat moet worden vastgesteld of die persoon voldoet aan de voorwaarden inzake de hoedanigheid van ondernemer die de in artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn bedoelde diensten verricht, ingeval de btw-groep zich beroept op de in die bepalingen opgenomen vrijstellingen. De vraag of een dergelijke persoon kan worden beschouwd als een andere belastingplichtige dan de btw-groep, verschilt namelijk van de vraag onder welke voorwaarden een dergelijke groep zich op die vrijstellingen kan beroepen.
25
De bewoordingen van artikel 11 van de btw-richtlijn geven geen uitsluitsel over het antwoord op deze vraag. In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat de doelstellingen van de in artikel 11 opgenomen regeling betrekking hebben op administratieve vereenvoudiging en het voorkomen van misbruik (zie punt 19 hierboven). Deze doelstellingen pleiten niet voor uitbreiding tot een btw-groep van de betrokken vrijstellingen, die zonder btw-groep niet van toepassing zouden zijn aangezien het gaat om diensten die jegens derden worden verricht door een lid van de groep dat niet aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet.
26
Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat de bewoordingen waarin de btw-vrijstellingen van artikel 132 van de btw-richtlijn zijn omschreven, in het bijzonder de bewoordingen die betrekking hebben op de hoedanigheid of de identiteit van de ondernemer die onder een vrijstelling vallende diensten verricht, strikt moeten worden uitgelegd, aangezien die vrijstellingen uitzonderingen vormen op het algemene beginsel dat iedere dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, aan de btw is onderworpen [zie arrest van 7 april 2022, I (Btw-vrijstelling voor ziekenhuisdiensten), C‑228/20, EU:C:2022:275, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
27
De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door die vrijstellingen nagestreefde doelstellingen en stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 132 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat deze vrijstellingen geen effect meer sorteren en in de praktijk bijna onmogelijk toe te passen zijn (zie in die zin arrest van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C‑77/19, EU:C:2020:934, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Uit de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn blijkt dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of „onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn” met de voorwaarden die gelden voor deze lichamen, door „ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard”.
29
Volgens de bewoordingen van deze bepaling gelden twee cumulatieve voorwaarden voor de btw-vrijstelling voor de door een andere entiteit dan een publiekrechtelijk lichaam aangeboden diensten in verband met ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmee nauw samenhangen. De eerste voorwaarde heeft betrekking op de verrichte diensten en vereist dat deze worden verricht onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden die gelden voor publiekrechtelijke lichamen. De tweede voorwaarde heeft betrekking op de hoedanigheid van de inrichting die deze diensten verricht en vereist dat de ondernemer een ziekenhuis, een centrum voor medische verzorging en diagnose of een andere naar behoren erkende inrichting van dezelfde aard is [zie arrest van 7 april 2022, I (Btw-vrijstelling voor ziekenhuisdiensten), C‑228/20, EU:C:2022:275, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
Daarnaast verlenen de lidstaten overeenkomstig artikel 132, lid 1, onder g), van de btw-richtlijn vrijstelling voor diensten en goederenleveringen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen de diensten en goederenleveringen die worden verricht door bejaardentehuizen, publiekrechtelijke lichamen of andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend.
31
In dit verband blijkt uit de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder g), van de btw-richtlijn dat ook de vrijstelling van deze bepaling afhankelijk is gesteld van twee cumulatieve voorwaarden, te weten, ten eerste, een voorwaarde aangaande de aard van de verrichte diensten, die nauw moeten samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, en ten tweede, een voorwaarde betreffende de dienstverlener, die een publiekrechtelijke instelling moet zijn of een andere organisatie die door de betrokken lidstaat als instelling van sociale aard wordt erkend (arrest van 11 mei 2023, MOMTRADE RUSE, C‑620/21, EU:C:2023:395, punt 43).
32
Gelet hierop moet worden opgemerkt dat uit de tekst van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn voortvloeit dat de lidstaten btw-vrijstelling verlenen voor bepaalde handelingen die worden verricht door naar behoren erkende „inrichtingen” of „instellingen”. Zoals de Europese Commissie en de Nederlandse regering terecht opmerken, wordt in deze bepalingen niet verwezen naar het begrip „belastingplichtige” bedoeld in artikel 11 van deze richtlijn.
33
Hieruit volgt dat een letterlijke uitlegging van de bepalingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn, die strikt moeten worden uitgelegd (zie punt 26 hierboven), ervoor pleit dat bij de beoordeling van de voorwaarden inzake de hoedanigheid van de dienstverlener van de relevante diensten rekening wordt gehouden met het feit dat de persoon die deze diensten verricht, lid is van een btw-groep. In dit verband moet worden benadrukt dat een dergelijke uitlegging, wat de diensten van een btw-groep betreft, er niet toe kan leiden dat de betrokken vrijstellingen in de praktijk bijna onmogelijk toe te passen zijn (zie punt 27 hierboven).
34
Bovendien moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12; zie ook arrest van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C‑77/19, EU:C:2020:934, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Wat de context van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 2 („Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang”) van titel IX van deze richtlijn, dat de artikelen 132 tot en met 134 ervan omvat. Uit het opschrift van dit hoofdstuk blijkt dat voor de btw-vrijstelling van de daarin bedoelde handelingen volgens de Uniewetgever bepalend is dat zij van algemeen belang zijn (arrest van 11 mei 2023, MOMTRADE RUSE, C‑620/21, EU:C:2023:395, punt 46).
36
Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 133 van de btw-richtlijn de lidstaten toestaat om de verlening van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder b) of g), van deze richtlijn afhankelijk te stellen van een of meer van de voorwaarden van artikel 133, onder a) tot en met d). Deze voorwaarden hebben met name betrekking op de doelstellingen van de in artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn bedoelde particuliere inrichtingen en instellingen, het beheer ervan en de door hen toegepaste prijzen.
37
In dit verband stelt de erkenning van een inrichting of een instelling die op grond van artikel 132, lid 1, onder b) of g), van de btw-richtlijn van btw kan worden vrijgesteld, de lidstaten in staat om zich ervan te vergewissen dat alleen de inrichtingen en instellingen die activiteiten uitoefenen die beantwoorden aan de doelstellingen van elk van deze bepalingen, in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling, en voorts die vrijstelling afhankelijk te stellen van de naleving van de overeenkomstig artikel 133 van de btw-richtlijn gestelde voorwaarden [zie in die zin arrest van 7 april 2022, I (Btw-vrijstelling voor ziekenhuisdiensten), C‑228/20, EU:C:2022:275, punt 56].
38
De context van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn bevat dus elementen op grond waarvan de diensten van een persoon die lid is van een btw-groep en zelf niet voldoet aan alle toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstellingen, met inbegrip van de voorwaarden dat de dienstverlener de hoedanigheid heeft van een door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging en van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard, van de betrokken vrijstellingen kunnen worden uitgesloten. De in punt 37 hierboven vermelde doelstellingen van de erkenning van een inrichting of instelling op grond van artikel 132, lid 1, onder b) of g), van de btw-richtlijn zouden immers in het gedrang komen indien een btw-groep zich op de daarin bedoelde vrijstellingen zou kunnen beroepen wanneer de betreffende diensten jegens derden zouden worden verricht door een lid van die groep dat niet naar behoren door de betrokken lidstaat is erkend, zelfs wanneer een ander lid van die groep als zodanig is erkend.
39
Wat de doelstelling van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepalingen ertoe strekken bepaalde activiteiten van algemeen belang in de sector gezondheidszorg en maatschappelijk werk en in de sector sociale zekerheid van btw vrij te stellen, om de toegang tot de levering van relevante goederen en diensten te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken goederenleveringen en diensten aan de btw werden onderworpen (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, Idealmed III, C‑211/18, EU:C:2020:168, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
De met deze bepalingen nagestreefde doelstelling van algemeen belang is onlosmakelijk verbonden met de daarin gestelde vrijstellingsvoorwaarden, die betrekking hebben op de hoedanigheid van de inrichting of instelling die de betrokken diensten verricht. In dit verband stelt de erkenning van een inrichting of een instelling die op grond van artikel 132, lid 1, onder b) of g), van de btw-richtlijn van btw kan worden vrijgesteld, de lidstaten in staat om zich ervan te vergewissen dat alleen de inrichtingen en instellingen die activiteiten uitoefenen die beantwoorden aan de doelstellingen van elk van deze bepalingen in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling (zie punt 37 hierboven). Gezien de nauwkeurig geformuleerde vrijstellingsvoorwaarden zou een uitlegging van deze bepalingen die de draagwijdte ervan verruimt tot diensten van tot een btw-groep behorende inrichtingen of instellingen die zelf niet aan die voorwaarden voldoen, onverenigbaar zijn met het doel van deze bepalingen (zie naar analogie arrest van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C‑77/19, EU:C:2020:934, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Een dergelijke uitlegging zou voorts niet stroken met het beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich er meer in het bijzonder tegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, bij de btw-heffing verschillend worden behandeld [arrest van 7 september 1999, Gregg, C‑216/97,EU:C:1999:390, punt 20; zie ook arrest van 7 april 2022, I (Btw-vrijstelling voor ziekenhuisdiensten), C‑228/20, EU:C:2022:275, punten 57-59 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zoals de Commissie en de Nederlandse regering terecht opmerken, zou een uitlegging van artikel 132, lid 1, onder b) of g), van de btw-richtlijn die ertoe zou leiden dat de diensten van een vennootschap die lid is van een btw-groep van btw zijn vrijgesteld, terwijl dezelfde diensten van een andere belastingplichtige ondernemer die niet tot een btw-groep behoort niet van btw zijn vrijgesteld omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden inzake de hoedanigheid van door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging of van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard, een ongerechtvaardigd verschil in behandeling voor de btw-plicht inhouden.
42
Bijgevolg moet artikel 132, lid 1, onder b) en g), van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 11 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat een op grond van artikel 11 opgerichte btw-groep zich alleen op de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn kan beroepen ingeval de betrokken diensten jegens derden worden verricht door een lid van die groep dat zelf voldoet aan alle toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstellingen, met inbegrip van de voorwaarden dat de dienstverlener, wanneer deze geen publiekrechtelijk lichaam is, de hoedanigheid heeft van een door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging en van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard.
Tweede vraag
43
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
rechtdoende, verklaart:
Artikel 132, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met artikel 11 van deze richtlijn,
moet aldus worden uitgelegd dat
een op grond van artikel 11 opgerichte btw-groep zich alleen op de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, onder b) en g), van deze richtlijn kan beroepen ingeval de betrokken diensten jegens derden worden verricht door een lid van die groep dat zelf voldoet aan alle toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstellingen, met inbegrip van de voorwaarden dat de dienstverlener, wanneer deze geen publiekrechtelijk lichaam is, de hoedanigheid heeft van een door de betrokken lidstaat naar behoren erkende inrichting voor medische verzorging en van een door die lidstaat erkende instelling van sociale aard.
Półtorak
Hesse
Steinfatt
Petrlík
Dimitrakopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2026.
De griffier
V. Di Bucci
De president
S. Kingston
( *1 ) Procestaal: Nederlands.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
C/2025/4888
15.9.2025
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 23 juni 2025 – Staatssecretaris van Financiën tegen Fiscale Eenheid Stichting X c.s.
(Zaak T-444/25, Cavert (1) )
(C/2025/4888)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Staatssecretaris van Financiën
Verwerende partij: Fiscale Eenheid Stichting X c.s.
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 11 van BTW-richtlijn 2006 (2) in samenhang gelezen met artikel 132, lid 1, letters b en g, van BTW-richtlijn 2006 aldus worden uitgelegd dat de hier bedoelde vrijstellingen slechts van toepassing zijn voor zover de in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding worden verricht door een juridisch zelfstandig lid van de btw-groep dat, individueel bezien, voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van deze vrijstellingen?
2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, volstaat dan voor de toepasbaarheid van artikel 132, lid 1, letters b en g, en artikel 133, aanhef en letter a, van BTW-richtlijn 2006 ter zake van alle in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding, dat slechts één juridisch zelfstandig lid van de btw-groep voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van die vrijstellingsbepalingen?
(1) De naam van de onderhavige zaak is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB. 2006, L 347, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4888/oj