Gerecht 25-03-2026 TUI Belgium T-221/25

Gerecht TUI Belgium arrest

TUI Belgium en de andere vennootschappen van Travel4You organiseren reizen buiten de EU en maken hiervoor gebruik van goederenleveringen en diensten van derden, zoals hotels en luchtvaartmaatschappijen. Zij verzochten de Belgische Belastingdienst om teruggaaf van btw over de periode november 2004 tot en met december 2014, met het argument dat deze diensten vrijgesteld zouden moeten zijn sinds een wijziging in het Belgische btw-wetboek. Vóór 1 januari 2000 sloot de Belgische wet reisbureaus expliciet uit van de btw-vrijstelling voor tussenkomsten bij diensten in het buitenland. Bij een wetswijziging die in 2000 in werking trad, is de bepaling met deze expliciete afwijking geschrapt. De handelingen van reisbureaus werden daardoor niet langer gelijkgesteld aan die van tussenpersonen, maar uit de bepalingen vloeide impliciet voort dat de diensten nog steeds aan btw onderworpen bleven.

De Belgische Belastingdienst weigerde de gevraagde btw-teruggaven. TUI betoogde in de procedure dat de Belgische wet, door het ontbreken van een expliciete afwijking van de vrijstelling vanaf 2000, de diensten van reisbureaus voor reizen buiten de EU niet langer aan de btw mocht onderwerpen zonder het Unierecht te schenden. De verwijzende rechter vroeg zich af of de zogenaamde standstillbepaling in het Unierecht – die lidstaten toestaat om diensten die zij op 1 januari 1978 belastten te blijven belasten – vereist dat er een uitdrukkelijke nationale wet is geformuleerd die afwijkt van de btw-vrijstelling. Ook wilde de rechter weten of de overgang van een expliciete naar een impliciete nationale uitsluiting betekent dat de nieuwe wet wezenlijk afwijkt van de vroegere hoofdgedachte.

Het Gerecht stelt vast dat de standstillbepaling geen expliciete nationale afwijkingsbepaling vereist om de diensten aan de btw te blijven onderwerpen. Lidstaten mogen de wetgevingstechniek kiezen die zij het meest geschikt achten, mits de gekozen techniek duidelijk en nauwkeurig is (waarbij het Gerecht verwijst naar HvJ arresten PIGI, C‑550/11 en T-2, C‑396/16). Onder verwijzing naar jurisprudentie inzake de standstillbepaling en het reisbureauregime (Jetair en BTWE Travel4you, C‑599/12, alsmede Puffer, C‑460/07 en EV, C‑685/16), concludeert het Gerecht dat het vervangen van een expliciete uitsluiting door bepalingen waaruit slechts impliciet de blijvende belastingplicht volgt, er niet automatisch toe leidt dat de wetgeving is gewijzigd op haar voornaamste punten of uitgaat van een wezenlijk andere hoofdgedachte.

DictumArrestVerzoek

1) Artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en bijlage X, deel A, punt 4, erbij

moeten aldus worden uitgelegd dat

de daarin neergelegde afwijkende regeling niet vereist dat een nationale wettelijke bepaling expliciet voorziet in de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388) en artikel 309 van richtlijn 2006/112 bedoelde afwijking van de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie.

2) Artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388) en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van richtlijn 2006/112 en bijlage X, deel A, punt 4, erbij

moeten aldus worden uitgelegd dat

een na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn (77/388) doorgevoerde wetswijziging waarbij de expliciete wetsbepaling op grond waarvan de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet van btw waren vrijgesteld, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat dergelijke diensten belastbaar blijven, niet louter om die reden moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat.

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

25 maart 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Aan btw onderworpen handelingen – Verrichting van diensten onder bezwarende titel – Vrijstellingen – Standstillbepaling – Bevoegdheid van lidstaten om bij wijze van overgangsmaatregel bepaalde belastingen te handhaven – Artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG en artikel 370 van richtlijn 2006/112/EG – Diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie – Bijlage E, punt 15, bij de Zesde richtlijn (77/388) en bijlage X, deel A, punt 4, bij richtlijn 2006/112 – Latere wijziging van de nationale wetgeving – Geen expliciete afwijking van de vrijstelling ”

In zaak T‑221/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 28 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2025, in de procedure

TUI Belgium NV,

TUI Belgium Retail NV,

TUI Airlines Belgium NV,

TUIFLY Academy Brussels NV,

Tec4Jets NV,

Pats NV,

TUI Travel Belgium NV,

TUI Technology NV,

TUI Belgian Real Estate NV,

BTW-eenheid Travel4You

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull, president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu (rapporteur) en W. Valasidis, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: V. Di Bucci,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 3 april 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– TUI Belgium, TUI Belgium Retail, TUI Airlines Belgium, TUIFLY Academy Brussels, Tec4Jets, Pats, TUI Travel Belgium, TUI Technology, TUI Belgian Real Estate, BTW-eenheid Travel4You, vertegenwoordigd door J. Lejeune, advocaat,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en P. Vanden Heede als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”) en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede van artikel 370 van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”) en bijlage X, deel A, punt 4, erbij.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen negen vennootschappen naar Belgisch recht die samen Travel4You vormen – een groep die wordt gevormd door deze negen vennootschappen en die voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) als één enkele belastingplichtige wordt beschouwd –, vertegenwoordigd door TUI Belgium NV, en de Belgische Staat over de afwijzing van het door TUI Belgium en Travel4You ingediende verzoek om teruggaaf van btw dat betrekking had op diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Europese Unie.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Zesde richtlijn

3 Artikel 26 van de Zesde richtlijn had als opschrift „Bijzondere regeling voor reisbureaus” en luidde:

„1. De lidstaten passen de belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen van reisbureaus toe overeenkomstig het bepaalde in dit artikel, voor zover de reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger optreden en zij voor de totstandbrenging van de reizen gebruikmaken van leveringen en diensten van andere belastingplichtigen. Dit artikel is niet van toepassing op reisbureaus die alleen optreden als tussenpersoon en waarop artikel 11, A, lid 3, [onder] c), van toepassing is […] […]

3. Indien de handelingen waarvoor het reisbureau een beroep doet op andere belastingplichtigen door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht, wordt de dienst van het reisbureau gelijkgesteld met een krachtens artikel 15, punt 14, vrijgestelde handeling van tussenpersoon. […] […]”

4 Artikel 28 van de Zesde richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk XVI met het opschrift „Overgangsbepalingen”, bepaalde:

„[…]

3. Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de lidstaten:

a) de in de lijst van bijlage E genoemde handelingen die krachtens artikel 13 of artikel 15 zijn vrijgesteld, blijven belasten;

[…]

4. De overgangsperiode duurt aanvankelijk vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1978. Uiterlijk zes maanden vóór het einde van deze periode, en nadien voor zover nodig, beziet de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de toestand met betrekking tot de afwijkingen, zoals bedoeld in lid 3 opnieuw, en beslist hij, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie over de eventuele intrekking van deze afwijkingen of van een gedeelte daarvan.

[…]”

5 De in artikel 15, punt 14, van de Zesde richtlijn bedoelde handelingen die in bijlage E bij die richtlijn zijn genoemd, omvatten „[d]iensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger [handelden], voor reizen buiten de Gemeenschap”.

Btw-richtlijn

6 Artikel 153 van de btw-richtlijn bepaalt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de diensten van tussenpersonen die handelen in naam en voor rekening van derden, wanneer hun diensten betrekking hebben op de in de hoofdstukken 6, 7 en 8 bedoelde handelingen of op buiten de Gemeenschap verrichte handelingen.

[…]”

7 Hoofdstuk 3 van titel XII („Bijzondere regelingen”) van de btw-richtlijn heeft als opschrift „Bijzondere regeling voor reisbureaus” en bevat de artikelen 306 tot en met 310.

8 Artikel 306, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten passen overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk een bijzondere regeling voor de btw op de handelingen van reisbureaus toe, voor zover de reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger handelen en zij voor de totstandbrenging van de reizen gebruikmaken van goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen.

Deze bijzondere regeling is niet van toepassing op reisbureaus die alleen handelen als tussenpersoon en waarop artikel 79, eerste alinea, punt c), van toepassing is om de maatstaf van heffing te berekenen.”

9 Artikel 309 van de btw-richtlijn bepaalt:

„Indien de handelingen waarvoor het reisbureau een beroep doet op andere belastingplichtigen, door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht, wordt de dienst van het reisbureau gelijkgesteld met een krachtens artikel 153 vrijgestelde handeling van een tussenpersoon.

[…]”

10 Artikel 370 van de btw-richtlijn bepaalt:

„De lidstaten die op 1 januari 1978 de in de lijst van bijlage X, deel A, genoemde handelingen belastten, mogen deze blijven belasten.”

11 Deel A van bijlage X bij de btw-richtlijn heeft als opschrift „Handelingen die de lidstaten mogen blijven belasten” en vermeldt in punt 4 „diensten van reisbureaus bedoeld in artikel 306 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen, voor reizen buiten de Gemeenschap”.

Belgisch recht

12 Uit de verwijzingsbeslissing en uit het dossier dat aan het Gerecht is overgelegd, blijkt dat het relevante Belgische recht is neergelegd in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie (hierna: „btw‑wetboek”).

13 Tussen 1 december 1977 en 31 december 1999 bepaalde artikel 20, lid 2, van het btw-wetboek:

„Wanneer een reisbureau tussenkomst verleent bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van één of meer van deze in artikel 18 bedoelde diensten, wordt het geacht te handelen in naam en voor rekening van de reiziger, welke ook de modaliteiten van de tussenkomst zijn behalve in de mate waarin het die diensten zelf rechtstreeks met eigen middelen verricht of wanneer het handelt in naam en voor rekening van de verrichter van die diensten.

Voor de toepassing van dit Wetboek wordt onder reisbureau verstaan eenieder wiens werkzaamheid erin bestaat reizen of verblijven, onder meer logies inbegrepen, tegen een vaste som te organiseren en te verkopen, ofwel, als tussenpersoon, zodanige reizen of verblijven, vervoerbiljetten, logies of maaltijdbons te verkopen.”

14 Tussen 1 januari 1978 en 31 december 1999 bepaalde artikel 41, lid 2, van het btw-wetboek:

„Van de belasting zijn vrijgesteld, de diensten door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen of dienstverrichtingen die niet in het binnenland plaatsvinden of die vrijgesteld zijn ingevolge de artikelen 39 tot 42.

Die vrijstelling is niet van toepassing op de diensten van reisbureaus die tussenkomst verlenen bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van één of meer van deze in artikel 18 bedoelde diensten, tenzij wanneer het reisbureau handelt in naam en voor rekening van de verrichter van die diensten.”

15 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat het btw-wetboek is gewijzigd bij koninklijk besluit van 28 december 1999 (Belgisch Staatsblad, 31 december 1999, blz. 50507; hierna: „koninklijk besluit van 28 december 1999”), dat op 1 januari 2000 in werking is getreden. Uit hoofde van dit koninklijk besluit werden diensten van reisbureaus die betrekking hebben op reizen buiten de Unie niet langer gelijkgesteld aan de handelingen van tussenpersonen. Desondanks bleven deze handelingen aan de btw onderworpen.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 TUI Belgium verkoopt in eigen naam vakantiereizen waarvoor zij een beroep doet op de diensten van derden, waaronder hotels en luchtvaartmaatschappijen.

17 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verzoeksters in het hoofdgeding verschillende verzoeken hebben ingediend om teruggaaf van btw die is geheven over door TUI Belgium verrichte diensten met betrekking tot reizen buiten de Unie. Zij hebben voor de belastingdienst aangevoerd dat deze diensten sinds de wijziging van het btw-wetboek bij koninklijk besluit van 28 december 1999, dat op 1 januari 2000 in werking is getreden, vrijgesteld waren van btw, en hebben dan ook verzocht om teruggaaf van de btw die zij voor de periode van november 2004 tot en met december 2014 ten onrechte over die diensten hebben betaald.

18 De belastingdienst heeft deze teruggaaf geweigerd.

19 Naar aanleiding van deze weigering hebben verzoeksters in het hoofdgeding beroep ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België), die bij vonnis van 7 januari 2020 het beroep heeft verworpen op grond dat verzoeksters in het hoofdgeding geen recht hadden op teruggaaf van de btw over de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie in bovengenoemde periode.

20 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen dit arrest hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Gent (België).

21 Bij arrest van 22 maart 2022 heeft het hof van beroep Gent in essentie geoordeeld dat de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie vanaf 1 januari 2000, in afwijking van artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn, aan btw onderworpen bleven.

22 Het hof van beroep Gent heeft onder meer opgemerkt dat de Belgische Staat, wat de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie betreft, toepassing heeft gemaakt van de standstillbepaling van artikel 28, lid 3, onder a), van de Zesde richtlijn, en artikel 370 van de btw-richtlijn, op grond waarvan de lidstaten de handelingen die zij reeds op 1 januari 1978 belastten, aan btw konden blijven onderwerpen, voor zover zij waren opgenomen in bijlage E bij de Zesde richtlijn en bijlage X bij de btw-richtlijn.

23 Voorts bepaalde het btw-wetboek met ingang van 1 januari 2000, datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 28 december 1999, dat reisbureaus overeenkomstig artikel 306, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn in eigen naam handelen. Bijgevolg is artikel 41, lid 2, tweede alinea, van het btw-wetboek, dat reisbureaus uitdrukkelijk uitsluit van de btw-vrijstelling voor makelaars en lasthebbers met betrekking tot leveringen van goederen en dienstverrichtingen in het buitenland, geschrapt. Die bepaling bleek namelijk overbodig in de context waarin het wettelijke vermoeden van artikel 20, lid 2, eerste alinea, van het btw-wetboek, volgens welk artikel deze reisbureaus, in hun hoedanigheid als lasthebber van de reiziger, werden „geacht te handelen in naam en voor rekening van de reiziger”, eveneens was geschrapt. Door aldus te handelen had de Belgische wetgever enkel de bedoeling om tegemoet te komen aan de ingebrekestelling van de Europese Commissie naar aanleiding van een klacht volgens welke de Belgische wetgeving op grond van dat wettelijk vermoeden tot dubbele belasting had kunnen leiden. Deze regeling, die vanaf 1 januari 2000 van kracht was, was in overeenstemming met de standstillbepaling van artikel 28, lid 3, onder a), van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn, aangezien diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie, die reeds vóór 1 januari 1978 aan de btw waren onderworpen, daaraan onderworpen bleven.

24 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen het arrest van het hof van beroep Gent cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie (België), de verwijzende rechter. Zij betogen in wezen dat het Belgische recht vanaf 1 januari 2000 geen uitdrukkelijke bepaling meer bevat waarmee voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie wordt afgeweken van de btw-vrijstelling. Ten eerste beantwoordt het louter definiëren van een reisbureau als handelend in eigen naam namelijk aan de definitie in de Zesde richtlijn. Ten tweede voorziet het btw-wetboek door de schrapping van artikel 41, lid 2, tweede alinea, van dit wetboek vanaf 1 januari 2000 niet langer in een expliciete afwijking van de btw-vrijstelling voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie. Zonder een dergelijke expliciete bepaling zou de Belgische Staat vanaf 1 januari 2000 niet meer in staat zijn geweest om deze diensten aan de btw te onderwerpen zonder artikel 26, lid 3, juncto artikel 15, punt 14, van de Zesde richtlijn, alsook artikel 309 en artikel 153, eerste alinea, van de btw-richtlijn te schenden. Hoe dan ook gaan de bij het koninklijk besluit van 28 december 1999 in het btw-wetboek ingevoerde bepalingen met betrekking tot de onderwerping van deze diensten aan de btw uit van een andere hoofdgedachte dan de vroegere wettelijke regeling, aangezien zij slechts impliciet bepalen dat diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet kunnen worden gelijkgesteld met krachtens artikel 15, punt 14, van de Zesde richtlijn en artikel 153, eerste alinea, van de btw-richtlijn vrijgestelde handelingen van een tussenpersoon.

25 De verwijzende rechter is van oordeel dat de bestaande rechtspraak van het Hof niet toelaat om met zekerheid te bepalen of in de voormelde omstandigheden een expliciete wettelijke bepaling vereist is om diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie aan btw te blijven onderwerpen, overeenkomstig artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn, en evenmin of de bij het koninklijk besluit van 28 december 1999 ingevoerde nieuwe regeling „op de voornaamste punten identiek” is aan de vroegere wetgeving, hoewel zij niet langer voorziet in een expliciete afwijking van de btw-vrijstelling voor deze diensten.

26 Daarop heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Is voor de toepassing van de stand-stillbepaling van artikel 28, lid 3, a) en vierde lid en bijlage [E], punt [15], [van de Zesde richtlijn], thans artikel 370 en bijlage X, deel A, sub 4, [van de btw-richtlijn], een uitdrukkelijke wettelijke bepaling vereist waarmee wordt afgeweken van de in artikel 26, lid 3, [van de Zesde richtlijn], thans artikel 309 [van de btw-richtlijn], bepaalde btw-vrijstelling van reisbureaus voor reisdiensten buiten de Europese Unie?

2) Dient artikel 28, lid 3, a), en lid 4 en bijlage E, punt 15, [van de Zesde richtlijn], thans artikel 370 en bijlage X, deel A, sub 4, [van de btw-richtlijn], aldus te worden uitgelegd dat een na de inwerkingtreding van [de Zesde richtlijn] aan de bestaande wetgeving aangebrachte wijziging waarbij de uitdrukkelijke wetsbepaling die de belastbaarheid van door reisbureaus verrichte reisdiensten buiten de EU tot gevolg had, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat reisdiensten buiten de EU belastbaar blijven, moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

27 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van de btw-richtlijn en bijlage X, deel A, punt 4, erbij aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin neergelegde afwijkende regeling vereist dat een nationale wettelijke bepaling expliciet voorziet in de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn bedoelde afwijking van de btw-vrijstelling voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie.

28 In dit verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn, indien de handelingen waarvoor een reisbureau een beroep doet op andere belastingplichtigen door laatstgenoemden buiten de Unie worden verricht, de dienst van dit reisbureau wordt gelijkgesteld met een krachtens artikel 15, punt 14, van de Zesde richtlijn en artikel 153, eerste alinea, van de btw-richtlijn vrijgestelde handeling van een tussenpersoon.

29 Bij artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn is evenwel een afwijkende regeling ingevoerd volgens welke de lidstaten gedurende de in artikel 28, lid 4, van deze richtlijn bedoelde overgangsperiode de handelingen die krachtens artikel 15 van deze richtlijn van btw zijn vrijgesteld en waarvan de lijst in bijlage E is opgenomen, waaronder met name „[d]iensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen, voor reizen buiten de Gemeenschap”, aan btw kunnen blijven onderwerpen.

30 Voorts zijn in artikel 370 van de btw-richtlijn in wezen de bewoordingen van artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn overgenomen en wordt in dat artikel bepaald dat de lidstaten die op 1 januari 1978 de in de lijst van bijlage X, deel A, bij de btw-richtlijn genoemde handelingen belastten, deze mogen blijven belasten. In punt 4 van deel A van deze bijlage X worden de diensten genoemd van reisbureaus die in naam en voor rekening van reizigers handelen voor reizen buiten de Unie.

31 Het Hof heeft in dit verband reeds geoordeeld dat artikel 370 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage X, deel A, punt 4, bij deze richtlijn, het recht van de Unie niet schendt door de lidstaten de mogelijkheid te bieden diensten van reisbureaus in verband met reizen buiten de Unie te blijven belasten (arrest van 13 maart 2014, Jetair en BTWE Travel4you, C‑599/12, EU:C:2014:144, punt 51).

32 Met betrekking tot de wijze waarop de lidstaten gebruik kunnen maken van de hun geboden mogelijkheid om de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie te blijven belasten, moet worden vastgesteld dat niets in de bewoordingen van artikel 28, lid 3, onder a), van de Zesde richtlijn, noch in die van artikel 370 van de btw-richtlijn erop wijst dat de Uniewetgever heeft geëist dat een nationale wettelijke bepaling werd vastgesteld die uitdrukkelijk voorzag in een afwijking van de vrijstelling van artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn, op grond waarvan dergelijke diensten aan btw onderworpen konden blijven.

33 Uit de bewoordingen van artikel 28, leden 3 en 4, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 15, punt 14, van die richtlijn en bijlage E erbij, en artikel 370 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 153, eerste alinea, van die richtlijn en bijlage X, deel A, erbij, volgt namelijk dat de Uniewetgever de lidstaten de bevoegdheid heeft verleend om af te wijken van de verplichting om de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn bedoelde diensten vrij te stellen, mits zij voldoen aan de voorwaarde van artikel 28, lid 3, onder a), van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn, te weten dat deze diensten volgens de nationale wettelijke regeling vóór 1 januari 1978 werden belast.

34 In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de lidstaten bij de uitoefening van de hun door artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn verleende bevoegdheid de wetgevingstechniek mogen kiezen die hun het meest geschikt lijkt (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2012, PIGI, C‑550/11, EU:C:2012:614, punt 33).

35 Het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is, vereist echter dat de gekozen wetgevingstechniek duidelijk en nauwkeurig is met betrekking tot de rechtssituaties waarop zij van toepassing is (zie in die zin arrest van 22 februari 2018, T‑2, C‑396/16, EU:C:2018:109, punten 50‑53).

36 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie, die vanaf 1 december 1977 in België aan de btw waren onderworpen, na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 28 december 1999, dat van toepassing was vanaf 1 januari 2000, aan btw onderworpen bleven op grond van de bepalingen van het btw-wetboek, waaruit impliciet voortvloeit dat deze diensten aan btw onderworpen blijven, aangezien het btw-wetboek niet voorziet in een btw-vrijstelling voor die diensten.

37 Niets wijst erop dat een dergelijke keuze van wetgevingstechniek in strijd zou zijn met artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn. Het feit dat na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn en de btw-richtlijn, een nationale wettelijke regeling van kracht bleef die vóór 1 januari 1978 niet voorzag in de btw-vrijstelling voor de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309, eerste alinea, van de btw-richtlijn bedoelde diensten en waaruit impliciet voortvloeit dat deze diensten aan btw zijn onderworpen, moet namelijk worden beschouwd als het resultaat van de uitoefening door de betrokken lidstaat van de hem krachtens artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn verleende bevoegdheid om in een afwijking te voorzien.

38 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van de btw-richtlijn en bijlage X, deel A, punt 4, erbij aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin neergelegde afwijkende regeling niet vereist dat een nationale wettelijke bepaling expliciet voorziet in de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 309 van de btw-richtlijn bedoelde afwijking van de btw-vrijstelling voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie.

Tweede vraag

39 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van de btw-richtlijn en bijlage X, deel A, punt 4, erbij aldus moeten worden uitgelegd dat een na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn doorgevoerde wetswijziging waarbij de expliciete wetsbepaling op grond waarvan de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet van btw waren vrijgesteld, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat dergelijke diensten belastbaar blijven, moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat.

40 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een nationale maatregel die na een bepaalde datum is vastgesteld, niet om die reden alleen automatisch van de bij de betrokken Uniehandeling ingevoerde uitzonderingsregeling is uitgesloten. De uitzondering geldt immers ook voor een bepaling die op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving of die alleen een belemmering voor de uitoefening van de Unierechtelijke rechten en vrijheden in de vroegere wetgeving versoepelt of opheft. Daarentegen kan een wettelijke regeling die uitgaat van een andere hoofdgedachte dan de vorige en nieuwe procedures invoert, niet worden gelijkgesteld met de wettelijke regeling die bestaat op het door de betrokken Uniehandeling bepaalde tijdstip (zie in die zin arresten van 23 april 2009, Puffer, C‑460/07, EU:C:2009:254, punten 85‑87, en 20 september 2018, EV, C‑685/16, EU:C:2018:743, punt 75).

41 In casu blijkt uit het aan het Gerecht overgelegde dossier dat artikel 20, lid 2, eerste alinea, van het btw-wetboek met ingang van 1 januari 1978 een wettelijk vermoeden invoerde op grond waarvan het reisbureau dat tussenkomst verleende bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van andere diensten, werd geacht in naam en voor rekening van de reiziger te handelen als diens lasthebber, behalve in de mate dat dit reisbureau de diensten zelf rechtstreeks met eigen middelen verricht of wanneer het handelt in naam en voor rekening van de verrichter van die diensten. Niettemin voorzag artikel 41, lid 2, tweede alinea, van het btw-wetboek enerzijds in de btw-vrijstelling voor in het buitenland verrichte diensten van makelaars en lasthebbers en anderzijds in een uitzondering op deze vrijstelling voor reisbureaus die tussenkomst verlenen bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van andere diensten, tenzij zij handelden in naam en voor rekening van de dienstverrichter.

42 Na de wetswijziging van 1 januari 2000 bepaalt het btw-wetboek dat reisbureaus in eigen naam optreden tegenover de reiziger wanneer zij, in eigen naam, reizen organiseren en verkopen die zij tot stand brengen door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hen verstrekte goederen en diensten, en niet als lasthebber van de reiziger. Aangezien artikel 41, lid 2, eerste alinea, van het btw-wetboek bovendien enkel betrekking had op makelaars en lasthebbers, is artikel 41, lid 2, tweede alinea, van dat wetboek, dat reisbureaus van de btw-vrijstelling uitsloot op grond van het wettelijke vermoeden dat de door hen verrichte diensten werden gelijkgesteld aan de handelingen van tussenpersonen, geschrapt.

43 Zoals in de verwijzingsbeslissing is aangegeven, heeft de afschaffing van dit wettelijk vermoeden met ingang van 1 januari 2000 niet tot gevolg gehad dat de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet langer aan btw zijn onderworpen. Uit de bepalingen van het btw-wetboek vloeit namelijk impliciet voort dat deze diensten aan btw onderworpen zijn gebleven, aangezien het btw-wetboek niet voorziet in een btw-vrijstelling voor die diensten.

44 Deze omstandigheid levert geen grond op om te stellen dat na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 28 december 1999, dat van toepassing was vanaf 1 januari 2000, het stelsel waarin diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie aan btw zijn onderworpen, is gewijzigd of uitgaat van een andere hoofdgedachte dan de wettelijke bepalingen die van kracht waren tussen 1 december 1977 en 31 december 1999.

45 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de schriftelijke opmerkingen van TUI Belgium en de Commissie, hadden de wijzigingen van het btw-wetboek vanaf 1 januari 2000 namelijk tot doel het wettelijk vermoeden af te schaffen dat de diensten van reisbureaus werden gelijkgesteld met handelingen van tussenpersonen, en was de opneming in dit wetboek van een definitie van het begrip „reisbureau” gebaseerd op het begrip in artikel 26, lid 1, van de Zesde richtlijn (thans artikel 306, lid 1, van de btw-richtlijn). Deze wijzigingen hadden tot doel om het gevaar van dubbele belastingheffing te voorkomen. In deze context weerspiegelt de afschaffing van de uitzondering op de btw-vrijstelling voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie, zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, uitsluitend een keuze van wetgevingstechniek die de Belgische wetgever heeft gemaakt om te voorkomen dat een afwijking die zonder voorwerp is geraakt, wordt gehandhaafd, zonder dat dit gevolgen heeft voor de btw-heffing over deze diensten of voor de hoofdgedachte van de toepasselijke regeling. De wetswijzigingen hebben niet geleid tot een uitbreiding van het aantal belastbare activiteiten of tot een wijziging van de aard van die activiteiten.

46 Voorts heeft het Hof in de context van de wijzigingen die na 1 januari 2000 aan het btw-wetboek zijn aangebracht, geoordeeld dat een lidstaat artikel 309 van de btw-richtlijn niet schond door diensten van reisbureaus die betrekking hadden op reizen buiten de Unie, niet gelijk te stellen aan vrijgestelde handelingen van tussenpersonen en deze diensten te onderwerpen aan de btw, indien zij in de betrokken lidstaat op 1 januari 1978 werden belast (arrest van 13 maart 2014, Jetair en BTWE Travel4you, C‑599/12, EU:C:2014:144, punt 43).

47 Bijgevolg lijken oude en nieuwe wettelijke regelingen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, in wezen identieke resultaten te bewerkstelligen, namelijk dat de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie aan btw worden onderworpen, lijken zij niet uit te gaan van een andere hoofdgedachte noch verschillende procedures te hebben ingevoerd, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om vast te stellen.

48 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van de btw-richtlijn en bijlage X, deel A, punt 4, erbij aldus moeten worden uitgelegd dat een na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn doorgevoerde wetswijziging waarbij de expliciete wetsbepaling op grond waarvan de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet van btw waren vrijgesteld, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat dergelijke diensten belastbaar blijven, niet louter om die reden moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat.

Kosten

49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

verklaart voor recht:

1) Artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en bijlage X, deel A, punt 4, erbij

moeten aldus worden uitgelegd dat

de daarin neergelegde afwijkende regeling niet vereist dat een nationale wettelijke bepaling expliciet voorziet in de in artikel 26, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388) en artikel 309 van richtlijn 2006/112 bedoelde afwijking van de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie.

2) Artikel 28, lid 3, onder a), en lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388) en bijlage E, punt 15, erbij, alsmede artikel 370 van richtlijn 2006/112 en bijlage X, deel A, punt 4, erbij

moeten aldus worden uitgelegd dat

een na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn (77/388) doorgevoerde wetswijziging waarbij de expliciete wetsbepaling op grond waarvan de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie niet van btw waren vrijgesteld, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat dergelijke diensten belastbaar blijven, niet louter om die reden moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat.

Sampol Pucurull

Pynnä

Laitenberger

Stancu

Valasidis

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 maart 2026.

De griffier

De president

V. Di Bucci

M. van der Woude

 

* Procestaal: Nederlands.

ECLI:EU:T:2026:217

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie (België) op 17 maart 2025 – TUI Belgium e.a. tegen Belgische Staat

(Zaak T-221/25, TUI Belgium)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Cassatie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: TUI Belgium NV e.a.

Verwerende partij: Belgische Staat

Prejudiciële vragen

Is voor de toepassing van de stand-stillbepaling van artikel 28, lid 3, a), en lid 4 en bijlage E, punt 15, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 370 en bijlage X, deel A, sub 4, Richtlijn 2006/112/EG, een uitdrukkelijke wettelijke bepaling vereist waarmee wordt afgeweken van de in artikel 26, lid 3, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 309 Richtlijn 2006/112/EG, bepaalde btw-vrijstelling van reisbureaus voor reisdiensten buiten de Europese Unie?

Dient artikel 28, lid 3, a), en lid 4 en bijlage E, punt 15, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 370 en bijlage X, deel A, sub 4, Richtlijn 2006/112/EG, aldus te worden uitgelegd dat een na de inwerkingtreding van Richtlijn 77/388/EEG aan de bestaande wetgeving aangebrachte wijziging waarbij de uitdrukkelijke wetsbepaling die de belastbaarheid van door reisbureaus verrichte reisdiensten buiten de EU tot gevolg had, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat reisdiensten buiten de EU belastbaar blijven, moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat?

____________

Scroll naar boven