X N.V. beheert en exploiteert onroerende zaken. Het bedrijf verricht zowel vrijgestelde prestaties (zoals de verhuur van onroerend goed) als belaste prestaties. In 2018 voerde de Belastingdienst een boekenonderzoek uit naar de omzetbelastingaangiften van 2015 en 2016. Tijdens dit onderzoek werd ontdekt dat X onterecht btw had afgetrokken die haar in rekening was gebracht voor goederen en diensten die uitsluitend werden gebruikt voor de vrijgestelde verhuur van onroerende zaken, waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Als gevolg hiervan legde de Belastingdienst een naheffingsaanslag op. Daarnaast werden twee vergrijpboeten opgelegd. De eerste boete (de artikel 67f-boete) betrof 25% van de onterecht afgetrokken omzetbelasting, wegens het te weinig betalen van belasting. De tweede boete (de artikel 10a-boete) was eveneens 25% van het onterecht afgetrokken bedrag en werd opgelegd omdat X, in strijd met artikel 10a, lid 3, AWR in combinatie met artikel 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, geen suppleties (vrijwillige meldingen van onjuistheden) had ingediend. De Belastingdienst stelde dat het feit dat te weinig belasting was betaald en dat geen suppleties waren gedaan, te wijten was aan grove schuld van X.
De vraag voor Gerechtshof Den Haag was of de twee vergrijpboeten terecht waren opgelegd, en dan met name of er sprake was van grove schuld bij X. Het Hof stelde voorop dat grove schuld betekent dat de belastingplichtige een “in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid” kan worden verweten; de belastingplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn handelen tot gevolg kon hebben dat te weinig btw zou worden geheven of betaald. Het Hof benadrukte verder dat de Belastingdienst een zware bewijslast heeft en op basis van feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel moet aantonen dat aan de vereisten voor grove schuld is voldaan, conform HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526. Het Hof oordeelde dat de Belastingdienst in dit bewijs was geslaagd. Voor de artikel 67f-boete achtte het Hof grove schuld bewezen omdat van een ervaren exploitant van onroerende zaken zoals X verwacht mocht worden dat zij haar administratie zo inricht dat onterechte aftrek van aan vrijgestelde verhuur toerekenbare voorbelasting wordt voorkomen. Het Hof vond dat X door de aftrek van deze voorbelasting “dusdanig lichtvaardig en laakbaar slordig” had gehandeld dat dit aan grove schuld te wijten was. Ook voor de artikel 10a-boete concludeerde het Hof tot grove schuld, stellende dat X als ervaren exploitant had moeten beseffen dat de voorbelasting niet in aftrek mocht worden gebracht en dat zij ruim de tijd had gehad om suppleties in te dienen. X ging in cassatie en klaagde dat het oordeel van het Hof niet in overeenstemming was met het eerder genoemde arrest van 8 april 2022, en dat het bewijs voor grove schuld slechts gebaseerd was op aannames in plaats van concrete feiten, ondanks de zware bewijslast die op de Belastingdienst rust.
De Hoge Raad heeft de klacht van X dat het Hof zijn oordelen op aannames heeft gebaseerd, ongegrond verklaard. De Hoge Raad stelde dat de opvatting dat bewijs van grove schuld niet mag steunen op een bewijsvermoeden onjuist is en niet kan worden afgeleid uit het arrest van 8 april 2022. De Hoge Raad legde uit dat de oordelen van het Hof over grove schuld feitelijk gebaseerd waren op
(i) de vaststelling dat belanghebbende een ervaren exploitant van onroerende zaken is, en
(ii) het uitgangspunt dat zij haar administratie niet zo had ingericht dat werd voldaan aan de regels voor de aftrek van voorbelasting die rechtstreeks toerekenbaar is aan vrijgestelde prestaties.
Deze feitelijke oordelen waren in cassatie niet bestreden. Verder baseerde het Hof zijn oordeel op het juiste normatieve uitgangspunt dat van een ervaren exploitant verwacht mag worden dat deze zijn administratie correct inricht. Het oordeel van het Hof dat het X duidelijk had moeten zijn dat aftrek van voorbelasting bij vrijgestelde prestaties niet is toegestaan, zag de Hoge Raad als een normatief oordeel dat aansluit bij het begrip grove schuld zoals eerder gedefinieerd (wat de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten begrijpen). Dit normatieve oordeel berust niet op bewijsvermoedens. De Hoge Raad concludeerde dat de oordelen van het Hof geen blijk gaven van een onjuiste opvatting over het begrip grove schuld en voldoende waren gemotiveerd.
Bron: ECLI:NL:HR:2025:1169