Hospice verricht belaste prestaties en heeft recht op aftrek voorbelasting

0
137
Hospice

Hospice verricht belaste prestaties en heeft recht op aftrek voorbelasting

Belanghebbende exploiteert een low-care hospice ten behoeve van palliatieve zorg. In de activiteiten zijn twee elementen te onderkennen:
1. verstrekken van logies en verteer
2. dienstverlening door vrijwilligers

De rechtbank ziet onvoldoende reden om in dit geval af te wijken van het uitgangspunt dat elke dienstverrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.

De dienstverlening door de vrijwilligers vindt om niet plaats en daarom wordt niet toegekomen aan de vraag of die dienstverlening onder enige vrijstelling kan worden gerangschikt. Dat het tegen vergoeding bieden van logies en het verteer niet onder één van de vrijstellingen valt, is niet in geschil.

Hieruit volgt dat de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht en daarom geen recht heeft op aftrek van btw.

Belanghebbende heeft onweersproken verklaard dat de teruggevraagde btw uitsluitend betrekking heeft op kosten die zien op de aanschaf en de verbouwing van de hoeve. Vaststaat dat de hoeve is aangeschaft en verbouwd om daarin een hospice te exploiteren en aldus een economische activiteit uit te oefenen. Dat de hoeve ook wordt gebruikt voor de dienstverlening om niet door de vrijwilligers, neemt niet weg dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verbouwing van de hoeve en de belaste prestaties. Verder is gesteld noch gebleken dat het gebruik door de vrijwilligers als meer dan verwaarloosbaar moet worden beschouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het recht op aftrek van btw in te perken.

Rechtbank
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
AWB – 18 _ 6930
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Hospice verricht geen vrijgestelde prestaties. Eiseres heeft recht op teruggaaf van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/6930, SGR 18/6931, SGR 18/6932 en SGR 18/6933

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaken tussen

[EISERES], gevestigd te [PLAATS], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. R. Brouwer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft verzocht om teruggaaf van omzetbelasting voor het tijdvak 5 november 2015 tot en met 31 december 2015 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2016 (de teruggaafverzoeken).

Bij beschikkingen van respectievelijk 23 september 2016 en 30 december 2016 heeft verweerder de teruggaven vastgesteld op nihil (de teruggaafbeschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 4 en 7 september 2018 de teruggaafbeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [A], [B],

[C], [D] en [E]. Namens verweerder zijn verschenen

[F], [G] en [H].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een low-care hospice te [PLAATS] en handelt aldus als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting1968 (de Wet).

2. Volgens haar statuten heeft eiseres ten doel:

“a. het in stand houden en exploiteren van een hospice in [PLAATS] genaamd (…) ten behoeve van palliatieve zorg binnen de regio (…).

b. het faciliteren en organiseren van hulp (ondersteuning en palliatieve zorg) in een hospice aan mensen in de terminale fase van hun bestaan waar de mogelijkheid wordt geboden om in een bijna thuis situatie verzorgd en begeleid deze laatste levensfase door te brengen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, in de ruimste zin des woords.”

3. Eiseres heeft een hoeve gekocht en deze in 2015 en 2016 laten verbouwen. In de hoeve zijn zes gastenkamers gerealiseerd. Deze kamers zijn volledig gestoffeerd en gemeubileerd en voorzien van een eigen badkamer met douche, toilet en wastafel en een kitchenette. Daarnaast zijn er diverse gemeenschappelijke ruimten, te weten:

– een woonkamer met twee aparte zitgedeelten;

– een badkamer met hoog-laag-bad;

– een linnenkamer;

– een logeerruimte voor naasten van de gasten.

Verder beschikt de hoeve over een kantoorruimte, een keuken en een gemeenschappelijke tuin.

4. De medische zorg aan de gasten wordt in beginsel door de eigen huisarts van de gast verleend en verder door huisartsen uit de regio. De specialistische verpleegkundige zorg wordt verleend door het palliatief thuiszorgteam van Stichting [L] (Stichting L) waarmee eiseres een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Een kopie van de samenwerkingsovereenkomst van 18 juli 2016, die met ingang van 8 juli 2017 voor onbepaalde tijd is verlengd, behoort tot de gedingstukken.

5. Eiseres maakt gebruik van vrijwilligers. De taken van de vrijwilligers bestaan onder meer uit het optreden als gastheer of gastvrouw van het hospice, huishoudelijke taken zoals koken voor de gasten en hun naasten en bedden verschonen, het onderhouden van de gemeenschappelijke tuin, licht verzorgende taken zoals het bieden van hulp bij het nuttigen van een maaltijd, bij de mondverzorging en bij de toiletgang van de gasten, en het bieden emotionele en sociale ondersteuning. De vrijwilligers doen dit onder leiding van een coördinator die in dienst is bij Stichting L, maar om niet is gedetacheerd bij eiseres. De vrijwilligers ontvangen geen vergoeding voor hun werkzaamheden.

6. Voor het verblijf in een gastenkamer brengt eiseres € 35 per dag in rekening. Dit bedrag is inclusief verteer. Eventuele familieleden of naasten die in het hospice willen verblijven, betalen € 35 per dag voor het verblijf. Zij betalen daarnaast een afzonderlijk bedrag voor verteer.

7. Aan eiseres is de ter zake van de aankoop en verbouwing van de hoeve omzetbelasting in rekening gebracht, wat heeft geleid tot de volgende verzoeken om teruggaaf:

– voor het tijdvak 5 november 2015 tot en met 31 december 2015: € 5.048;

– voor het eerste kwartaal van 2016: € 16.071;

– voor het tweede kwartaal van 2016: € 159.985;

– voor het derde kwartaal van 2016: € 28.230.

8. Bij brief van 8 augustus 2016 is aan eiseres meegedeeld dat de verzochte teruggaven niet zullen worden verleend.

Geschil 
9.In geschil is of eiseres recht heeft op aftrek van omzetbelasting. Meer in het bijzonder is in geschil of de diensten van eiseres vallen onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter c, van de Wet, de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet of de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter g, van de Wet. Indien de diensten onder één van deze vrijstellingen vallen, is subsidiair in geschil of bij eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zij met het exploiteren van het hospice een belaste handeling verricht, waarvoor een recht op aftrek bestaat. In het geval dat de rechtbank oordeelt dat de prestaties van eiseres niet zijn vrijgesteld, is tussen partijen niet in geschil dat op de prestaties het verlaagde tarief van toepassing is. De bedragen zijn op zichzelf niet in geschil.

10. Eiseres stelt dat zij recht heeft op aftrek van omzetbelasting en dat de verzoeken om teruggaaf daarom ten onrechte zijn afgewezen. Primair voert zij daartoe aan dat zij in feite alleen onroerend goed exploiteert. Er is echter geen sprake van vrijgestelde verhuur. De diensten bestaan uit de tijdelijke verhuur van volledig gestoffeerde en gemeubileerde gastenkamers en daarom is de uitzondering van artikel 11, eerste lid, letter b, ten tweede, van de Wet van toepassing. Subsidiair voert eiseres aan dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat zij belaste diensten verricht en aldus recht op aftrek van omzetbelasting heeft.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres vrijgestelde diensten verricht als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter c, van de Wet, dan wel artikel 11, eerste lid, letter g, van de Wet of artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet. Zij heeft daarom geen recht op aftrek van omzetbelasting. Ook is er geen sprake van gewekt vertrouwen. Er is daarom terecht geen teruggaaf verleend.

Beoordeling van het geschil

12. Verweerder stelt dat eiseres tegen vergoeding aan haar gasten één enkele prestatie verricht bestaande uit zorg met verblijf en dat die prestatie is vrijgesteld. Het is aan hem om dit aannemelijk te maken.

13. De rechtbank stelt vast dat in de activiteiten van eiseres twee elementen zijn te onderkennen: enerzijds het verstrekken van logies en verteer en anderzijds de dienstverlening door de vrijwilligers

14. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt dat voor de toepassing van de btw elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd (HvJ 25 februari 1999, C-349/96, ECLI:EU:C:1999:93, CPP, r.o. 29; HvJ 19 november 2009, C‑461/08, ECLI:EU:C:2009:722, Don Bosco, r.o. 35; HvJ 27 september 2012, C‑392/11, ECLI:EU:C:2012:597, Field Fisher, r.o. 14). Dit is anders, indien de handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen (CPP, r.o. 29; HvJ 27 oktober 2005, C‑41/04, ECLI:EU:C:2005:649, Levob, r.o. 22; Field Fisher, r.o. 16). Verder volgt uit de rechtspraak van het HvJ dat sprake is van één voor de btw in aanmerking te nemen prestatie, indien één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende diensten (absorptie). In die situatie delen de bijkomende elementen het fiscale lot van de hoofddienst (CPP r.o. 30).

15. De dienstverlening door de vrijwilligers is niet zodanig verweven met het verstrekken van logies en verteer dat die niet afzonderlijk in beschouwing kan worden genomen. Verder is enerzijds voor het bieden van logies en verteer de aanwezigheid van de vrijwilligers niet onontbeerlijk, anderzijds zouden de vrijwilligers ook buiten het kader van het hospice hun diensten kunnen verlenen aan terminaal zieken. De vrijwilligers verrichten hun werkzaamheden ook niet onder leiding van eiseres maar onder leiding van de coördinator van Stichting L. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat uit de stukken van het geding en de verklaringen van eiseres ter zitting volgt dat de vrijwilligers materieel de taken van de reguliere mantelzorgers van de gast overnemen, maar dat die mantelzorgers ook zelf binnen het hospice als zodanig actief kunnen blijven. Gezien het voorgaande is in onderhavig geval noch sprake van een zodanige verwevenheid dat splitsing kunstmatig zou zijn, noch van absorptie.

16. Eén en ander betekent dat er onvoldoende reden is om in dit geval af te wijken van het uitgangspunt dat elke dienstverrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Er is dan ook sprake van twee, afzonderlijk in aanmerking te nemen diensten: enerzijds het bieden van logies met verteer en anderzijds de dienstverlening door de vrijwilligers.

17. Eiseres heeft verklaard dat de vergoeding van € 35 die zij aan haar gasten in rekening brengt uitsluitend betrekking heeft op logies en verteer. De rechtbank acht die verklaring ook aannemelijk, gezien het feit dat aan familieleden van gasten die blijven logeren eveneens een bedrag van € 35 in rekening wordt gebracht, te vermeerderen met een vergoeding voor eventuele verteer. Ook vindt de rechtbank hiervoor steun in het feit dat eiseres, zoals zij onweersproken heeft gesteld, slechts marginaal kosten maakt voor het trainen van de vrijwilligers en dat die kosten worden voldaan uit door haar ontvangen subsidies. Daaruit volgt dat de dienstverlening door de vrijwilligers om niet plaatsvindt en dat daarom niet wordt toegekomen aan de vraag of die dienstverlening onder enige vrijstelling kan worden gerangschikt. Dat het tegen vergoeding bieden van logies en het verteer niet onder één van de door verweerder genoemde vrijstellingen valt, is niet in geschil.

18. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht en daarom geen recht heeft op aftrek van omzetbelasting. De beroepen zijn dan ook in zoverre gegrond. De subsidiaire stelling van eiseres behoeft daarom geen behandeling.

19. Eiseres heeft onweersproken verklaard dat de door haar voor onderhavige tijdvakken teruggevraagde omzetbelasting uitsluitend betrekking heeft op kosten die zien op de aanschaf en de verbouwing van de hoeve. Vaststaat dat eiseres de hoeve heeft aangeschaft en verbouwd teneinde daarin een hospice te exploiteren en aldus een economische activiteit uit te oefenen. Dat de hoeve tevens wordt gebruikt ten behoeve van de dienstverlening om niet door de vrijwilligers, neemt niet weg dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verbouwing van de hoeve en de belaste prestaties van eiseres. Verder is gesteld noch gebleken dat het gebruik door de vrijwilligers als meer dan verwaarloosbaar moet worden beschouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het recht op aftrek van omzetbelasting in te perken.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.298 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512, en een wegingsfactor 1,5 voor vier of meer samenhangende zaken en factor 1 voor de zwaarte van de zaken).

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart de beroepen gegrond;

– vernietigt de uitspraken op bezwaar;

– vernietigt de teruggaafbeschikkingen en bepaalt dat eiseres recht heeft op de door

haar berekende teruggaven zoals vermeld onder 7;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.298;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en

mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

ECLI:NL:RBDHA:2019:9205