HvJ 01-07-1982 Bausystem 222/81

0
76
Parkeergarage

HvJ BAZ Bausystem arrest

Bij rechterlijke uitspraak toegekende rente niet in grondslag.

De belastinggrondslag omvat niet de bij rechterlijke uitspraak aan de ondernemer toegekende rente, wanneer deze rente hem is toegekend op grond dat het restbedrag van de tegenwaarde van de dienstverrichting niet op de vervaldag is betaald.

ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 1 JULI 1982. – B. A. Z. BAUSYSTEM AG TEGEN FINANZAMT MUENCHEN FUER KOERPERSCHAFTEN. – (” BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE – MORATOIRE INTERESSEN “). – (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET FINANZGERICHT MUENCHEN). – ZAAK NO. 222/81.

Trefwoorden


FISCALE BEPALINGEN – HARMONISATIE VAN WETGEVING – OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER TOEGEVOEGDE WAARDE – DIENSTEN – BELASTINGGRONDSLAG – TEGENWAARDE VAN PRESTATIE – BEGRIP – BIJ RECHTERLIJKE UITSPRAAK TOEGEKENDE MORATOIRE INTERESSEN NIET DAARONDER BEGREPEN

( RICHTLIJN NR . 67/228 VAN DE RAAD , ARTIKEL 8 , SUB A )

Samenvatting


DE BELASTINGGRONDSLAG BEDOELD IN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 , BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING , OMVAT NIET DE BIJ RECHTERLIJKE UIT SPRAAK AAN DE ONDERNEMER TOEGEKENDE RENTE , WANNEER DEZE RENTE HEM IS TOEGEKEND OP GROND DAT HET RESTBEDRAG VAN DE TEGENWAARDE VAN DE DIENSTVERRICHTING NIET OP DE VERVALDAG IS BETAALD .

Partijen


IN ZAAK 222/81 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET FINANZGERICHT MUNCHEN , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

BAZ BAUSYSTEM AG , TE ZURICH ( ZWITSERLAND ),

EN

FINANZAMT MUNCHEN FUR KORPERSCHAFTEN ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN HET BEGRIP ‘ ‘ TEGENWAARDE ‘ ‘ IN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( 67/228/EEG , PB 1967 VAN 14 . 4 . 1967 , BLZ . 1303 ),

Overwegingen van het arrest


1 BIJ BESCHIKKING VAN 30 JUNI 1981 , INGEKOMEN TEN HOVE OP 22 JULI DAAROPVOLGEND , HEEFT HET FINANZGERICHT MUNCHEN KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG EEN PREJUDICIELE VRAAG GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN HET BEGRIP ‘ ‘ TEGENWAARDE ‘ ‘ IN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( 67/228/EEG , PB 1967 VAN 14 . 4 . 1967 , BLZ . 1303 ).

2 HET HOOFDGEDING BETREFT DE OPNEMING VAN VERTRAGINGSRENTE IN DE GRONDSLAG VAN DE OMZETBELASTING WAARVOOR VERZOEKSTER , DE FIRMA BAUSYSTEM TE ZURICH , WERD AANGESLAGEN .

3 VERZOEKSTER WAS DOOR EEN UIT VIER DUITSE ONDERNEMINGEN BESTAAND CONSORTIUM BELAST MET DE UITVOERING VAN WERKZAAMHEDEN AAN EEN PARKEERGARAGE TE WEST-BERLIJN . TOEN BLEEK DAT EEN GEDEELTE VAN DE WERKZAAMHEDEN , DAT BAUSYSTEM AAN EEN ONDERAANNEMER HAD UITBESTEED , ONDEUGDELIJK WAS UITGEVOERD , ZEGDE HET CONSORTIUM OP 2 JULI 1973 DE OVEREENKOMST MET BAUSYSTEM OP EN WEIGERDE DE VORDERING VAN BAUSYSTEM TOT BETALING VAN DE UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN TE VOLDOEN . OP APPEL VAN HET CONSORTIUM TEGEN DE UITSPRAAK IN EERSTE AANLEG VAN HET LANDGERICHT , STELDE HET OBERLANDESGERICHT MUNCHEN BIJ ARREST VAN 24 NOVEMBER 1978 DE VORDERING VAN BAUSYSTEM VAST OP DM 584 249,63 , VERMEERDERD MET VIJF PROCENT RENTE , TE REKENEN VANAF 15 JANUARI 1974 , OP WELKE DATUM BAUSYSTEM DE HOOGTE VAN HAAR VORDERING HAD BEREKEND .

4 NA EEN CONTROLE STELDE DE DUITSE BELASTINGDIENST DE DOOR BAUSYSTEM OVER 1973 VERSCHULDIGDE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE VAST OP DM 191 050,85 , WAARBIJ ZIJ DE KRACHTENS HET ARREST VAN HET OBERLANDESGERICHT BETAALDE RENTE AD DM 143 628 IN DE BELASTINGGRONDSLAG BETROK .

5 TOEN HET BEZWAARSCHRIFT VAN BAUSYSTEM TEGEN DE BTW-AANSLAG AD DM 14 233,40 OVER DE DOOR HET CONSORTIUM BETAALDE RENTE VRUCHTELOOS BLEEF , STELDE ZIJ BEROEP IN BIJ HET FINANZGERICHT MUNCHEN DAT DE VOLGENDE VRAAG HEEFT GESTELD :

‘ ‘ MOET HET BEGRIP ‘ TEGENWAARDE ‘ VAN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( PB 1967 , BLZ . 1303 ) ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT DAARTOE OOK PRESTATIES BEHOREN DIE DE ONDERNEMER NAAST DE VOOR DE LEVERING OF DE DIENST OVEREENGEKOMEN VERGOEDING ONTVANGT OMDAT DEZE VERGOEDING NIET OP DE VERVALDAG WORDT BETAALD , WAARBIJ DE AANVULLENDE PRESTATIE BESTAAT IN RENTE OVER DE UITSTAANDE VORDERING TER VERGOEDING AAN DE SCHULDEISER VAN DE DOOR DE VERTRAAGDE BETALING VEROORZAAKTE SCHADE?

‘ ‘

6 ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD LUIDT ALS VOLGT :

‘ ‘ DE BELASTINGGRONDSLAG IS :

A ) VOOR LEVERINGEN EN DIENSTEN : ALLES WAT DE TEGENWAARDE VORMT VOOR DE LEVERING VAN HET GOED OF VOOR DE DIENST , MET INBEGRIP VAN ALLE KOSTEN EN BELASTINGEN , DOCH MET UITZONDERING VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ZELF ;

. . . ‘ ‘

7 BIJLAGE A DIE EEN ONDERDEEL VAN DE RICHTLIJN VORMT , BEPAALT ONDER NR . 13 :

‘ ‘ ONDER ‘ TEGENWAARDE ‘ DIENT TE WORDEN VERSTAAN AL HETGEEN ALS TEGENPRESTATIE WORDT ONTVANGEN VOOR DE LEVERING VAN HET GOED OF VOOR DE DIENST , MET INBEGRIP VAN DE BIJKOMENDE KOSTEN ( VERPAKKING , VERVOER , VERZEKERING ENZ .), DAT WIL ZEGGEN NIET ALLEEN DE ONTVANGEN BEDRAGEN , DOCH BIJVOORBEELD OOK DE WAARDE VAN DE IN RUIL ONTVANGEN GOEDEREN OF , IN GEVAL VAN VORDERING DOOR OF NAMENS DE OVERHEID , HET BEDRAG VAN DE ONTVANGEN VERGOEDING . ‘ ‘

8 GEZIEN VOORNOEMDE BEPALINGEN MOET WORDEN VASTGESTELD DAT DE RENTE , WAAROM HET IN HET HOOFDGEDING GAAT , GEEN VERBAND HOUDT MET DE PRESTATIE OF MET DE ONTVANGST DAARVAN EN GEEN VERGOEDING ( ‘ ‘ ENTGELT ‘ ‘ ) VOOR EEN HANDELSTRANSACTIE VORMT . ZIJ IS DAARENTEGEN ENKEL EEN KOSTENVERGOEDING , OFWEL EEN SCHADELOOSSTELLING VOOR DE VERTRAAGDE BETALING .

9 DE OPVATTING VAN DE DUITSE BELASTINGDIENST DAT DEZE RENTE TOT DE IN PUNT 13 VAN BIJLAGE A BEDOELDE ‘ ‘ BIJKOMENDE KOSTEN ‘ ‘ BEHOORT , OMDAT HET KOSTEN BETREFT DIE DE ONTVANGER VAN DE PRESTATIE NAAST DE EIGENLIJKE VERGOEDING BETAALT , EN ALS EEN BIJZONDERE TEGENPRESTATIE VOOR DE PRESTATIE VAN DE ONDERNEMER MOET WORDEN BESCHOUWD , KAN NIET WORDEN AANVAARD .

10 DE ONDERNEMER WERD IMMERS GEDWONGEN DE ONTVANGER VAN DE DIENSTVERRICHTING EEN NIET IN DE OVEREENKOMST VOORZIEN UITSTEL VAN BETALING TE VERLENEN . DE RENTE DIE DE TEGENPRESTATIE VORMT VOOR DIT UITSTEL , IS VASTGESTELD DOOR DE RECHTER MET TOEPASSING VAN DE BEPALINGEN VAN HET BURGERLIJK WETBOEK EN VAN HET WETBOEK VAN KOOPHANDEL . ONDER DEZE OMSTANDIGHEDEN BESTAAT ER SLECHTS EEN VERWIJDERD VERBAND TUSSEN DE VERLENING VAN EEN KREDIET EN DE HOOFDPRESTATIE . DE MET DIT KREDIET VERBONDEN RENTE KAN DERHALVE NIET ALS EEN BIJKOMENDE PRESTATIE WORDEN AANGEMERKT .

11 OP GROND VAN DEZE OVERWEGINGEN MOET OP DE VRAAG VAN DE NATIONALE RECHTER WORDEN GEANTWOORD DAT DE BELASTINGGRONDSLAG BEDOELD IN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREF FENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING NIET DE BIJ RECHTERLIJKE UITSPRAAK AAN DE ONDERNEMER TOEGEKENDE RENTE OMVAT , WANNEER DEZE RENTE HEM IS TOEGEKEND OP GROND DAT HET RESTBEDRAG VAN DE TEGENWAARDE VAN DE DIENSTVERRICHTING NIET OP DE VERVALDAG IS BETAALD .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

12 DE KOSTEN DOOR DE DEENSE REGERING EN DE COMMISSIE VAN EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( EERSTE KAMER ),

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET FINANZGERICHT MUNCHEN BIJ BESCHIKKING VAN 30 JUNI 1981 GESTELDE VRAAG , VERKLAART VOOR RECHT :

DE BELASTINGGRONDSLAG BEDOELD IN ARTIKEL 8 , EERSTE ALINEA , SUB A , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING OMVAT NIET DE BIJ RECHTERLIJKE UITSPRAAK AAN DE ONDERNEMER TOEGEKENDE RENTE , WANNEER DEZE RENTE HEM IS TOEGEKEND OP GROND DAT HET RESTBEDRAG VAN DE TEGENWAARDE VAN DE DIENSTVERRICHTING NIET OP DE VERVALDAG IS BETAALD .

ECLI:EU:C:1982:256