HvJ 03-03-2021 FGSZ C-507/20

Failliet faillissement schulden niet-betalen

HvJ FGSZ beschikking

FGSZ heeft aan EMFESZ verschillende facturen met btw gestuurd. FGSZ heeft deze btw aangegeven bij en afgedragen aan de Hongaarse belastingdienst. Voordat die facturen werden betaald, zijn tegen EMFESZ liquidatieprocedures ingeleid. FGSZ heeft aangifte gedaan van de uit deze facturen voortvloeiende schuldvordering en de vereffenaar van de schuldplichtige vennootschap heeft deze schuldvordering erkend en daarna vastgesteld dat de schuldvordering oninbaar was geworden. Meer dan 5 jaar daarna heeft FGSZ verzocht om teruggaaf van de btw over voormelde facturen en om betaling van vertragingsrente. De belastingdienst heeft de teruggaaf geweigerd, omdat de nationale wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar ruimschoots was verstreken.

In het geval waarin een lidstaat een verjaringstermijn vaststelt na afloop waarvan het recht van een belastingplichtige met een definitief oninbaar geworden schuldvordering op verlaging van de maatstaf van heffing vervalt, gaat volgens het HvJ op grond van artikel 90 btw-richtlijn (in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel) deze verjaringstermijn niet in op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

DictumBeschikkingVerzoek

In het geval waarin een lidstaat een verjaringstermijn vaststelt na afloop waarvan een belastingplichtige met een definitief oninbaar geworden schuldvordering zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing niet langer kan doen gelden, moet artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel – aldus worden uitgelegd dat deze verjaringstermijn niet moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

3 maart 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 90 – Verlaging van de maatstaf van heffing – Gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de prijs – Schuldvordering die definitief oninbaar is geworden – Verjaringstermijn om te verzoeken de maatstaf van heffing van de btw naderhand te verlagen – Tijdstip waarop de termijn ingaat”

In zaak C‑507/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Pécsi Törvényszék (rechter in eerste aanleg Pécs, Hongarije) bij beslissing van 17 september 2020, ingekomen bij het Hof op 8 oktober 2020, in de procedure

FGSZ Földgázszállító Zrt.

tegen

Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Zesde kamer, C. Toader (rapporteur) en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,

de navolgende

Beschikking

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen FGSZ Földgázszállító Zrt. (hierna: „FGSZ”), een Hongaarse handelsvennootschap, en de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága (afdeling bezwaren van de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije; hierna: „afdeling bezwaren”) over de weigering van deze instantie om FGSZ het recht toe te kennen de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) te verminderen met het bedrag van de btw over de tegenprestatie die deze vennootschap niet heeft ontvangen wegens insolventie van de schuldenaar.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 90 van de btw-richtlijn luidt:

„1. In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.

2. In geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling kunnen de lidstaten van lid 1 afwijken.”

4 In artikel 185 van deze richtlijn staat te lezen:

„1. De herziening vindt met name plaats indien zich na de btw-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten.

2. In afwijking van lid 1 vindt geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal, alsmede in geval van de in artikel 16 bedoelde onttrekking voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters.

In geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en in geval van diefstal, kunnen de lidstaten evenwel herziening eisen.”

5 In artikel 273, eerste alinea, van die richtlijn is bepaald:

„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.”

Hongaars recht

6 De az adózás rendjéről 2003. évi XCII. törvény (wet nr. XCII van 2003 houdende het wetboek fiscaal procesrecht) [Magyar Közlöny 2003/131. (XI. 14., blz. 9990)] – die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding – bepaalt in § 4, lid 3, onder b), in wezen dat de teruggaaf van de btw moet worden aangemerkt als financiële steun en dus onderworpen is aan de verjaringstermijnen die gelden voor financiële steun.

7 § 164, lid 1, van wet nr. XCII van 2003 bepaalt in wezen dat het recht om financiële steun aan te vragen verjaart na het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het jaar waarin het recht om een dergelijke aanvraag in te dienen is ontstaan.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8 FGSZ heeft voor het tijdvak van oktober 2010 tot januari 2011 aan EMFESZ Kft. – een partnervennootschap (hierna: „schuldplichtige vennootschap”) – verschillende facturen met btw gestuurd. In 2011 heeft FGSZ de btw over deze facturen aangegeven bij en afgedragen aan de belastingdienst.

9 Voordat die facturen werden betaald, zijn tegen de schuldplichtige vennootschap liquidatieprocedures ingeleid, waaronder de procedure die op 28 januari 2014 is geopend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije). FGSZ heeft aangifte gedaan van de uit deze facturen voortvloeiende schuldvordering en de vereffenaar van de schuldplichtige vennootschap heeft deze schuldvordering op 7 mei 2018 erkend. Op 13 december 2019 heeft die vereffenaar vastgesteld dat de schuldvordering oninbaar was geworden.

10 Op 19 december 2019 heeft FGSZ verzocht om teruggaaf van de btw over voormelde facturen en om betaling van vertragingsrente.

11 Bij besluit van 24 januari 2020 heeft de belastingdienst in eerste aanleg geweigerd dit verzoek in te willigen, op grond dat de in de nationale wettelijke regeling vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken op 31 december 2016.

12 FGSZ is tegen dat weigeringsbesluit opgekomen bij de afdeling bezwaren, maar haar bezwaar is op 3 maart 2020 afgewezen. De afdeling bezwaren heeft in herinnering gebracht dat in artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn weliswaar is bepaald dat de maatstaf van heffing wordt verlaagd wanneer – zoals in het hoofdgeding – de btw over facturen niet is voldaan, maar dat het aan de lidstaten is om vast te stellen onder welke voorwaarden deze verlaging moet plaatsvinden. In dit verband heeft zij overwogen dat de lidstaten kunnen bepalen dat er een verjaringstermijn geldt voor het recht op verlaging van de maatstaf van heffing. Volgens haar zou deze termijn moeten ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting moet worden nagekomen, te weten de datum die wordt vermeld op de facturen.

13 FGSZ heeft tegen het besluit van 3 maart 2020 beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Onder verwijzing naar de arresten van 21 maart 2018, Volkswagen (C‑533/16, EU:C:2018:204), en 12 april 2018, Biosafe – Indústria de Reciclagens (C‑8/17, EU:C:2018:249), heeft zij in wezen betoogd dat de verjaringstermijn niet moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering oninbaar is geworden.

14 De Pécsi Törvényszék (rechter in eerste aanleg Pécs, Hongarije) was van mening dat de zaak aanleiding geeft tot moeilijkheden bij de uitlegging van het Unierecht. Daarom heeft die rechter behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is het – met name gelet op punt 63 van de conclusie van [advocaat-generaal Kokott in de zaak Biosafe – Indústria de Reciclagens (C‑8/17, EU:C:2017:927)], punt 27 van het arrest [van 23 november 2017, Di Maura (C‑246/16, EU:C:2017:887)], en punt 36 van het arrest [van 22 februari 2018, T‑2 (C‑396/16, EU:C:2018:109)], alsmede op het feit dat een lidstaat geen hoger bedrag aan btw mag heffen dan het bedrag dat de leverancier of de dienstverrichter daadwerkelijk voor de geleverde goederen of de verrichte diensten heeft ontvangen – verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van fiscale neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel dat een lidstaat er een praktijk op na houdt waarbij ten eerste, onder verwijzing naar de ex-tuncwerking van de verlaging van de maatstaf van heffing die van toepassing is in het in artikel 90, lid 1, van [de btw-richtlijn] geregelde geval van definitieve niet-betaling, de in de algemene regeling van de betrokken lidstaat vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar waarbinnen de verlaging van de maatstaf van heffing mogelijk is, ingaat op het tijdstip waarop de levering oorspronkelijk is verricht en niet op het tijdstip waarop een bepaalde schuldvordering oninbaar is geworden, en waarbij ten tweede een te goeder trouw handelende belastingplichtige wegens het verstrijken van deze verjaringstermijn het recht om de maatstaf van heffing bij definitieve oninbaarheid van zijn schuldvordering te verlagen wordt ontzegd, in omstandigheden waarin mogelijkerwijs meerdere jaren zijn verstreken tussen het tijdstip waarop de levering is verricht en het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden, en waarin de regeling van de lidstaat ten tijde van de levering van de goederen – in strijd met het Unierecht – niet toestond om de maatstaf van heffing te verlagen in het geval van een schuldvordering die definitief oninbaar was geworden?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

15 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in het geval waarin een lidstaat een verjaringstermijn vaststelt na afloop waarvan een belastingplichtige met een definitief oninbaar geworden schuldvordering zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing niet langer kan doen gelden, artikel 90 van de btw-richtlijn – gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel – aldus moet worden uitgelegd dat deze verjaringstermijn moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, dan wel aldus dat die verjaringstermijn moet ingaan op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

16 Krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, met name wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

17 In casu dient deze bepaling te worden toegepast.

18 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn ziet op annulering, verbreking, ontbinding, gehele dan wel gedeeltelijke niet-betaling en prijsvermindering nadat de handeling is verricht die aanleiding heeft gegeven tot voldoening van de belasting. Deze bepaling verplicht de lidstaten om de maatstaf van heffing en dus het door de belastingplichtige verschuldigde btw-bedrag te verlagen telkens wanneer de belastingplichtige na het sluiten van een overeenkomst de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt. Die bepaling vormt de uitdrukking van het beginsel van fiscale neutraliteit, een fundamenteel beginsel van de btw-richtlijn dat inhoudt dat de maatstaf van heffing de daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie is en dat als logisch gevolg heeft dat de belastingdienst uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd [beschikking van 24 oktober 2019, Porr Építési Kft., C‑292/19, niet gepubliceerd, EU:C:2019:901, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 15 oktober 2020, E. (Btw – Verlaging van de maatstaf van heffing), C‑335/19, EU:C:2020:829, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

19 Gelet op de bewoordingen van artikel 90, lid 1, juncto artikel 273 van de btw-richtlijn en op het beginsel van fiscale neutraliteit is het van belang dat de formaliteiten die belastingplichtigen moeten vervullen om ten aanzien van de belastingautoriteiten het recht op verlaging van de maatstaf van heffing van de btw te kunnen uitoefenen, beperkt zijn tot formaliteiten die de mogelijkheid bieden om aan te tonen dat na het aangaan van een transactie de tegenprestatie definitief geheel of gedeeltelijk niet zal worden ontvangen [zie in die zin arrest van 15 oktober 2020, E. (Btw – Verlaging van de maatstaf van heffing), C‑335/19, EU:C:2020:829, punten 22‑25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

20 Voorts staat artikel 90, lid 2, van de btw-richtlijn de lidstaten toe om in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de prijs van de handeling af te wijken van de in artikel 90, lid 1, van die richtlijn neergelegde regel. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat deze afwijkingsmogelijkheid niet impliceert dat de lidstaten die ervan gebruikmaken, de verlaging van de maatstaf van heffing van de btw in geval van niet-betaling gewoonweg kunnen uitsluiten. Die afwijkingsmogelijkheid heeft enkel tot doel de lidstaten in staat te stellen om een einde te maken aan de onzekerheid over de niet-betaling van een factuur of over het definitieve karakter van deze niet-betaling, en geeft geen antwoord op de vraag of het mogelijk is verlaging van de maatstaf van heffing in geval van niet-betaling niet toe te staan [zie in die zin arrest van 15 oktober 2020, E. (Btw – Verlaging van de maatstaf van heffing), C‑335/19, EU:C:2020:829, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

21 In casu is op 13 december 2019 vastgesteld dat de schuldvordering van FGSZ oninbaar was wegens de gehele niet-betaling van de facturen in kwestie door de schuldplichtige vennootschap. Op 19 december 2019 heeft FGSZ verzocht om teruggaaf van de btw over deze facturen.

22 Daaruit volgt dat op het tijdstip van dit verzoek vaststond dat de schuldvordering definitief oninbaar was.

23 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de mogelijkheid om zonder enige beperking in de tijd een verzoek om teruggaaf van de btw in te dienen indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat de fiscale situatie van een belastingplichtige – gelet op zijn rechten en verplichtingen jegens de belastingdienst – niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft. Voor zover het bestaan van een verjaringstermijn waarvan het verstrijken tot gevolg heeft dat een schuldeiser niet langer kan verzoeken om verlaging van de maatstaf van heffing van de btw in verband met bepaalde schuldvorderingen, niet onverenigbaar met de btw-richtlijn kan worden geacht, is de bepaling van het tijdstip waarop die verjaringstermijn ingaat een aangelegenheid van nationaal recht, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (zie in die zin arresten van 21 januari 2010, Alstom Power Hydro, C‑472/08, EU:C:2010:32, punten 16 en 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 april 2018, Biosafe – Indústria de Reciclagens, C‑8/17, EU:C:2018:249, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over gegevens die twijfel doen rijzen over de overeenstemming van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dat beginsel.

25 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, heeft het Hof met betrekking tot artikel 185 van de btw-richtlijn – ten aanzien waarvan het Hof heeft beklemtoond dat het moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 90 van die richtlijn (arrest van 22 februari 2018, T‑2, C‑396/16, EU:C:2018:109, punt 35) – geoordeeld dat voor zover de belastingplichtige geen blijk heeft gegeven van onzorgvuldig gedrag en er geen misbruik of frauduleuze samenspanning in het spel is, een termijn die ingaat op de datum van uitreiking van de oorspronkelijke facturen en die voor bepaalde handelingen verstrijkt vóór de herziening, niet op rechtsgeldige wijze aan die belastingplichtige kan worden tegengeworpen wanneer hij zijn recht op btw-aftrek wenst uit te oefenen (zie in die zin arrest van 12 april 2018, Biosafe – Indústria de Reciclagens, C‑8/17, EU:C:2018:249, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Dergelijke methoden voor de berekening van de termijn worden immers niet gerechtvaardigd door de noodzaak om rekening te houden met de onzekerheid over de vraag of de schuldvordering definitief oninbaar is [zie in die zin arrest van 15 oktober 2020, E. (Btw – Verlaging van de maatstaf van heffing), C‑335/19, EU:C:2020:829, punten 33‑35 en punt 44].

27 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het Unierecht in de weg staat aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan aan de belastingplichtige het recht op teruggaaf van de btw wordt ontzegd omdat de in die regeling voor de uitoefening van dat recht vastgestelde vervaltermijn ofwel is ingegaan op het tijdstip waarop de goederen zijn geleverd en is verstreken voordat het verzoek om teruggaaf is ingediend (arrest van 21 maart 2018, Volkswagen, C‑533/16, EU:C:2018:204, punt 51), ofwel is ingegaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke facturen zijn uitgereikt en intussen is verstreken (arrest van 12 april 2018, Biosafe – Indústria de Reciclagens, C‑8/17, EU:C:2018:249, punt 44).

28 Hieruit volgt dat wanneer een lidstaat heeft bepaald dat er een verjaringstermijn geldt voor het recht van een schuldeiser op verlaging van de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 90 van de btw-richtlijn, die termijn niet moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

29 In casu voorziet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in een verjaringstermijn van vijf jaar te rekenen vanaf het jaar waarin het recht om een verzoek tot teruggaaf van de btw in te dienen is ontstaan. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt evenwel dat FGSZ een verzoek tot teruggaaf van de btw heeft ingediend op 19 december 2019, dat wil zeggen zes dagen nadat de curator van de schuldplichtige vennootschap had vastgesteld dat de schuldvordering in kwestie oninbaar was.

30 Derhalve moet worden vastgesteld dat de belastingplichtige, doordat hij zijn verzoek binnen de termijn heeft ingediend, blijk heeft gegeven van zorgvuldigheid en dat hem zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing niet mag worden ontnomen.

31 Ten slotte moet nog in herinnering worden gebracht dat artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking en dat het beginsel van voorrang van het Unierecht impliceert dat iedere rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, als orgaan van een lidstaat verplicht is om elke nationale bepaling die in strijd is met een bepaling van het Unierecht die rechtstreekse werking heeft, buiten toepassing te laten in het bij hem aanhangige geding. Wanneer een belastingplichtige als FGSZ niet voldoet aan de in de nationale regeling gestelde voorwaarden die niet in overeenstemming zijn met artikel 90, lid 1, van richtlijn 2016/112, kan die belastingplichtige zich dan ook jegens de betrokken lidstaat voor de nationale rechter op deze Unierechtelijke bepaling beroepen om een verlaging van zijn maatstaf van heffing te verkrijgen [arrest van 15 oktober 2020, E. (Btw – Verlaging van de maatstaf van heffing), C‑335/19, EU:C:2020:829, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat in het geval waarin een lidstaat een verjaringstermijn vaststelt na afloop waarvan een belastingplichtige met een definitief oninbaar geworden schuldvordering zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing niet langer kan doen gelden, artikel 90 van de btw-richtlijn – gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel – aldus moet worden uitgelegd dat deze verjaringstermijn niet moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

Kosten

33 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) beschikt:

In het geval waarin een lidstaat een verjaringstermijn vaststelt na afloop waarvan een belastingplichtige met een definitief oninbaar geworden schuldvordering zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing niet langer kan doen gelden, moet artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit en het doeltreffendheidsbeginsel – aldus worden uitgelegd dat deze verjaringstermijn niet moet ingaan op het tijdstip waarop de betalingsverplichting oorspronkelijk behoorde te worden nagekomen, maar op het tijdstip waarop de schuldvordering definitief oninbaar is geworden.

ondertekeningen

* Procestaal: Hongaars.

ECLI:EU:C:2021:157

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Pécsi Törvényszék (Hongarije) op 8 oktober 2020 – FGSZ Földgázszállító Zrt. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

(Zaak C-507/20)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Pécsi Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: FGSZ Földgázszállító Zrt.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

Prejudiciële vraag

Is − met name gelet op punt 63 van de conclusie van de advocaat-generaal in zaak C-8/17, Biosafe, punt 27 van het arrest in zaak C-246/16, Di Maura, en punt 36 van het arrest in zaak C-396/16, T-2, alsook op het feit dat de lidstaat geen hoger bedrag aan btw mag heffen dan het bedrag dat de leverancier daadwerkelijk voor een bepaalde transactie heeft ontvangen − de praktijk van een lidstaat waarbij, aangezien de verlaging van de maatstaf van heffing die van toepassing is in geval van definitieve niet-betaling overeenkomstig artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn1 , een ex tunc-werking heeft, de door deze lidstaat vastgestelde algemene verjaringstermijn van vijf jaar waarbinnen de verlaging van de maatstaf van heffing mogelijk is, wordt berekend vanaf de datum waarop de levering oorspronkelijk is verricht en niet vanaf de datum waarop een bepaalde schuld oninbaar is geworden, en waarbij, onder verwijzing naar het verstrijken van deze verjaringstermijn, een te goeder trouw handelende belastingplichtige het recht wordt ontzegd om de maatstaf van heffing te verminderen wanneer de schuld definitief oninbaar wordt, in omstandigheden waarin meerdere jaren kunnen verstrijken tussen het tijdstip waarop de levering wordt verricht en het tijdstip waarop de schuld definitief oninbaar wordt, en waarin de wetgeving van de lidstaat op het moment dat de schuld definitief oninbaar werd, in strijd met het gemeenschapsrecht niet toestond de maatstaf van heffing te verlagen in het geval van schulden die definitief oninbaar zijn geworden, verenigbaar met de beginselen van evenredigheid, fiscale neutraliteit en doeltreffendheid?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).