HvJ 06-03-2014 Dresser-Rand C-606/12

0
53
Turboventilator Compressor Fima

HvJ Dresser-Rand arrest

De verzending of het vervoer van een goed kan enkel dan niet als overbrenging naar een andere lidstaat worden aangemerkt, wanneer dat goed na bewerking in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer opnieuw wordt verzonden naar de belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd.

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

6 maart 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Btw – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 17, lid 2, sub f – Voorwaarde dat goed opnieuw wordt verzonden naar lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd”

In de gevoegde zaken C‑606/12 en C‑607/12,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Genova (Italië) bij beslissingen van 30 oktober 2012, ingekomen bij het Hof op 24 december 2012, in de procedures

Dresser-Rand SA

tegen

Agenzia delle Entrate, Direzione Provinciale, Ufficio Controlli di Genova,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), kamerpresident, G. Arestis en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Dresser-Rand SA, vertegenwoordigd door P. Centore, avvocato,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door A. De Stefano, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia en C. Soulay als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 17, lid 2, sub f, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1; hierna „btw-richtlijn”).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap naar Frans recht Dresser-Rand SA (hierna: „Dresser-Rand France”) en het Agenzia delle Entrate, Direzione Provinciale, Ufficio Controlli di Genova, betreffende naheffingsaanslagen in de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) die voor de belastingjaren 2007 en 2008 onbetaald was gebleven.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 14 van de btw-richtlijn luidt:

„1.      Als ‚levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.

2.      Naast de in lid 1 bedoelde handeling worden de volgende handelingen als een levering van goederen beschouwd:

[…]

c)      de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot koop of verkoop in commissie.

[…]”

4        Artikel 17 van die richtlijn luidt:

„1.      Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat.

Als ‚overbrenging naar een andere lidstaat’ wordt beschouwd iedere verzending of ieder vervoer van een roerende lichamelijke zaak voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten het grondgebied van de lidstaat waar het goed zich bevindt, maar binnen de Gemeenschap.

2.      Als overbrenging naar een andere lidstaat wordt niet beschouwd, de verzending of het vervoer van een goed voor zover het daarbij om een van de volgende handelingen gaat:

[…]

f)      de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na bewerking opnieuw wordt verzonden naar deze belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd;

[…]

3.      Wanneer niet meer wordt voldaan aan een van de voorwaarden voor de toepassing van lid 2, wordt het goed als overgebracht naar een andere lidstaat beschouwd. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop deze voorwaarde niet meer vervuld is.”

5        Artikel 20 van die richtlijn bepaalt:

„Als ‚intracommunautaire verwerving van goederen’ wordt beschouwd het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een roerende lichamelijke zaak die door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed.

Wanneer door een niet-belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd en door deze niet-belastingplichtige rechtspersoon worden ingevoerd in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, worden de goederen geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van invoer. Deze lidstaat verleent aan de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, teruggaaf van de uit hoofde van de invoer betaalde btw, voor zover de importeur aantoont dat zijn verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen aan de btw onderworpen is geweest.”

6        Overeenkomstig artikel 21 van dezelfde richtlijn wordt met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld „het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat waar het is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, aangekocht, verworven in de zin van artikel 2, lid 1, sub b, of door de belastingplichtige in het kader van zijn bedrijf in die andere lidstaat is ingevoerd.”

Italiaans recht

7        Artikel 38 („Intracommunautaire verwerving”) van wetsbesluit nr. 331 van 30 augustus 1993 inzake harmonisatie van de belastingmaatregelen op verschillende gebieden (GURI nr. 203 van 30 augustus 1993, blz. 12) bepaalt:

„1.      [Btw] is verschuldigd over de intracommunautaire verwerving van goederen die op het grondgebied van de Staat wordt verricht in het kader van de uitoefening van een bedrijf, een vak of een beroep dan wel, hoe dan ook, door rechtspersonen, verenigingen of andere organisaties als bedoeld in artikel 4, vierde alinea, van besluit nr. 633 van de president van de Republiek van 26 oktober 1972 [(gewoon supplement bij GURI nr. 292 van 11 november 1972; hierna: ‚besluit nr. 633’)], die in de Staat btw dienen te betalen.

2.      Als ‚intracommunautaire verwerving’ wordt beschouwd de verkrijging onder bezwarende titel van de eigendom van een goed of van ieder ander zakelijk recht van genot van dat goed, dat door de leverancier als btw-plichtige, de afnemer of een voor hun rekening handelende derde naar de Staat is verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat.

3.      Als intracommunautaire verwerving wordt voorts beschouwd:

[…]

b)      het binnenbrengen van goederen uit een andere lidstaat in de Staat door of voor rekening van een btw-plichtige. De onderhavige bepaling geldt ook wanneer goederen vanuit een andere onderneming die door dezelfde persoon in een andere lidstaat wordt geëxploiteerd, voor bedrijfsdoeleinden naar de Staat worden verzonden of vervoerd;

c)      verwerving in de zin van lid 2 door niet btw-plichtige rechtspersonen, verenigingen en andere organisaties als bedoeld in artikel 4, vierde alinea, van [besluit nr. 633];

d)      het binnenbrengen in de Staat, door of voor rekening van de sub c vermelde personen, van goederen die zij voordien vanuit een andere lidstaat hebben ingevoerd;

[…]

5.      Als intracommunautaire verwerving wordt niet beschouwd:

a)      het binnenbrengen in de Staat van goederen die zullen worden onderworpen aan veredelingshandelingen of gebruikelijke behandelingen in de zin van respectievelijk artikel 1, lid 3, sub h, van verordening [(EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling (PB L 188, blz. 1)] en artikel 18 van verordening [(EEG) nr. 2503/88 van de Raad van 25 juli 1988 betreffende de douane-entrepots (PB L 225, blz. 1)], wanneer die goederen nadien worden vervoerd of verzonden naar de btw-plichtige afnemer in de lidstaat van oorsprong dan wel voor diens rekening naar een andere lidstaat of naar een plaats buiten van de Gemeenschap; het binnenbrengen in de Staat van goederen die tijdelijk worden gebruikt voor het verrichten van diensten of die, indien zij zouden zijn ingevoerd, onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten zouden worden geplaatst;

[…]

7.      Geen btw is verschuldigd over een intracommunautaire verwerving van goederen in de Staat door een in een andere lidstaat btw-plichtige persoon die deze goederen in een andere lidstaat heeft verworven en vervolgens naar de Staat heeft verzonden of vervoerd met als bestemming zijn eigen btw-plichtige cessionarissen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 4, vierde alinea, van [besluit nr. 633], die btw moeten betalen over de verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover die cessionarissen of rechtspersonen zijn aangewezen als schuldenaren van de belasting over de levering.

8.      Intracommunautaire verwervingen door commissionairs zonder vertegenwoordiging worden geacht voor eigen rekening te zijn verricht.”

8        Artikel 8 („Exportleveringen”) van besluit nr. 633 bepaalt:

„Als niet-belastbare exportleveringen worden beschouwd:

a)      leveringen, waaronder leveringen via commissionairs, van goederen met vervoer of verzending naar een plaats buiten het grondgebied van de Europese Economische Gemeenschap door of namens de leveranciers of de commissionairs, ook in opdracht van hun eigen cessionarissen of commissionairs. De goederen kunnen voor rekening van de cessionaris en door de leverancier zelf of door derden worden onderworpen aan bewerkings-, verwerkings-, montage- of assemblagewerkzaamheden dan wel aan werkzaamheden ter aanpassing ervan aan andere goederen […]

b)      leveringen met vervoer of verzending naar een plaats buiten het grondgebied van de Europese Economische Gemeenschap binnen een termijn van 90 dagen na de overdracht van de goederen, door of voor rekening van de niet-ingezeten cessionaris, met uitzondering van goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van plezierboten of -vaartuigen, sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, alsook goederen die als onderdeel van persoonlijke bagage naar een plaats buiten de Europese Economische Gemeenschap moeten worden vervoerd; de uitvoer moet blijken uit een door het douane- of het postkantoor op een exemplaar van de factuur aan te brengen stempel;

c)      leveringen, waaronder leveringen via commissionairs, van andere goederen dan gebouwen en bouwterreinen en diensten ten behoeve van personen die exportleveringen of intracommunautaire handelingen hebben verricht en uit hoofde daarvan gebruikmaken van de mogelijkheid om goederen en diensten te verwerven, ook via commissionairs, of te importeren zonder betaling van btw.

De sub c bedoelde leveringen en diensten worden zonder betaling van btw verricht ten behoeve van de sub a vermelde personen, indien het ingezetenen betreft, en ten behoeve van personen die leveringen in de zin van de vorige alinea, sub b, verrichten, op basis van hun schriftelijke verklaring en onder hun verantwoordelijkheid, ten hoogste ten belope van het totale bedrag van de in die punten bedoelde leveringen die door die personen in het vorige kalenderjaar zijn verricht. Cessionarissen en commissionairs kunnen dat bedrag volledig aanwenden voor de verwerving van goederen die binnen zes maanden na levering naar hun staat van oorsprong worden geëxporteerd, of voor de verwerving van andere goederen of diensten, maar dan hoogstens ten belope van het verschil tussen dat bedrag en het bedrag van de goederenleveringen die datzelfde jaar overeenkomstig het bepaalde sub a ten behoeve van hen zijn gedaan […]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        Dresser-Rand France produceert industriële aardgascompressoren.

10      In het kader daarvan heeft zij een overeenkomst voor de levering van samengestelde goederen gesloten met een eindafnemer, een Spaanse vennootschap. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft zij compressoren gebruikt die vanuit haar Chinese vestigingen waren geïmporteerd door Dresser-Rand Italia Srl (hierna: „Dresser-Rand Italië”).

11      Dresser-Rand France heeft bepaalde onderdelen die nodig zijn om de ingevoerde compressoren te kunnen gebruiken, in Italië binnengebracht vanuit Frankrijk. Vervolgens heeft zij met FB ITMI SpA (hierna: „FB ITMI”), een in Italië gevestigde toeleverancier, een overeenkomst gesloten voor de levering van verdere onderdelen die nodig zijn om de betrokken goederen bij de eindafnemer te installeren en bedrijfsklaar te maken. Ten slotte heeft FB ITMI die geassembleerde goederen rechtstreeks aan de eindafnemer verzonden op naam en voor rekening van Dresser-Rand Italië, die als fiscaal vertegenwoordiger van Dresser-Rand France optreedt.

12      FB ITMI heeft de nevendiensten inzake assemblage en aanpassing alsook levering van de betrokken goederen in rekening gebracht aan Dresser-Rand Italië. Als fiscaal vertegenwoordiger van Dresser-Rand France heeft Dresser-Rand Italië alle aan de eindafnemer verzonden goederen gefactureerd.

13      Met een beroep op haar hoedanigheid van exporteur die veelvuldig uitvoertransacties verricht, was Dresser-Rand Italië, als fiscaal vertegenwoordiger van Dresser-Rand France, van mening dat zij overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, sub c, en tweede alinea, van besluit nr. 633 de door FB ITMI verstrekte goederen en diensten kon verwerven zonder betaling van btw, hetgeen de belastingdienst betwist. Of een persoon kan worden aangemerkt als een exporteur die veelvuldig uitvoertransacties verricht, hangt af van de wijze waarop de overbrengingen van goederen van Frankrijk naar Italië moeten worden gekwalificeerd. Partijen in het hoofdgeding zijn het oneens over laatstbedoelde kwalificatie.

14      Dresser-Rand France stelt zich namelijk op het standpunt dat de overbrenging van compressoren van Frankrijk naar Italië „op grond van artikel 17, lid 1, van [de btw-richtlijn] een met een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde handeling is”. Zij preciseert verder dat de verkoop van de geassembleerde goederen aan de eindafnemer, vanuit Italië, een intracommunautaire levering vormt.

15      Het Agenzia delle Entrate, Direzione Provinciale, Ufficio Controlli di Genova, betoogt daarentegen dat de overbrenging van goederen vanuit Frankrijk naar Italië wordt geregeld door artikel 17, lid 2, sub f, van die richtlijn en derhalve onderworpen is aan de opschortende regeling van artikel 38, lid 5, sub a, van wetsbesluit nr. 331 van 30 augustus 1993 inzake harmonisatie van de belastingmaatregelen op verschillende gebieden. Volgens het Agenzia heeft de tussen Dresser-Rand France en FB ITMI gesloten overeenkomst namelijk niet de levering van een nieuw goed tot voorwerp, maar een dienstverrichting. Bijgevolg kan de verrichting waarin die overeenkomst voorziet niet worden gelijkgesteld met een goederenlevering in de zin van artikel 17, lid 1, van die richtlijn.

16      Dresser-Rand France stelt dat die opschortende regeling in het hoofdgeding geen toepassing vindt op grond dat de activiteit van FB ITMI hoofdzakelijk bestaat in de productie en de levering van goederen, en dat de in Italië binnengebrachte goederen, anders dan de btw-richtlijn voor toepassing van een dergelijke regeling voorschrijft, niet opnieuw naar de lidstaat van oorsprong worden verzonden.

17      Daarop heeft de Commissione tributaria provinciale di Genova (provinciale commissie voor belastingzaken te Genua) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de zaken C‑606/12 en C‑607/12 identiek zijn geformuleerd:

„1)      Valt de overbrenging van goederen van een lidstaat naar Italië, zodat aldaar kan worden gecontroleerd of zij kunnen worden aangepast aan andere in Italië verkregen goederen, zonder dat de in Italië binnengebrachte goederen worden bewerkt, onder de uitdrukking ‚werkzaamheden betreffende dat goed’ van artikel 17, lid 2, sub f, van [de btw-richtlijn], en is het in dit verband dienstig de aard van de handelingen tussen FB ITMI en [Dresser-Rand Italië] te beoordelen?

2)      Moet artikel 17, lid 2, sub f, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in hun wettelijke regeling of praktijk niet kunnen bepalen dat de verzending of het vervoer van goederen niet als een overbrenging naar een andere lidstaat wordt behandeld, tenzij in het geval dat de goederen terugkeren naar de lidstaat waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd?”

18      Bij beschikking van de president van het Hof van 28 januari 2013 zijn de zaken C‑606/12 en C‑607/12 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

19      Zowel uit de verwijzingsbeslissingen als uit de opmerkingen van partijen blijkt dat het in artikel 14 van de btw-richtlijn omschreven begrip „levering van goederen” mogelijkerwijs wordt verward met het in artikel 20 daarvan vastgestelde begrip „intracommunautaire verwerving”.

20      Zoals in punt 14 van het onderhavige arrest wordt bevestigd, wordt het begrip „intracommunautaire verwerving” namelijk meermaals gekoppeld aan artikel 17, lid 1, van die richtlijn, terwijl dat begrip aan de orde is in artikel 21 daarvan.

21      Artikel 17, lid 1, van de btw-richtlijn stelt bepaalde overbrengingen van goederen gelijk met intracommunautaire leveringen en heeft geenszins betrekking op intracommunautaire verwervingen.

22      Bijgevolg zij vastgesteld dat de in casu gestelde vragen niet zien op het begrip „intracommunautaire verwerving”, maar op het begrip „overbrenging van goederen” in de zin van artikel 17 van de btw-richtlijn.

Tweede vraag

23      Met zijn tweede vraag, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaten in hun wettelijke regeling of praktijk de verzending of het vervoer van goederen naar een andere lidstaat niet als een overbrenging naar die lidstaat behandelen, tenzij in het geval dat de betrokken goederen terugkeren naar de lidstaat waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd.

24      Om te beginnen moet worden verwezen naar de bewoordingen zelf van artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn, aangezien daarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verzending van een goed met het oog op de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige niet als overbrenging naar een andere lidstaat wordt beschouwd, voor zover dat goed nadien opnieuw wordt verzonden naar de belastingplichtige in de lidstaat van oorsprong, dat wil zeggen de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden.

25      De toepassing van artikel 17, lid 2, sub f, van die richtlijn wordt dus uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat het goed opnieuw naar zijn lidstaat van oorsprong wordt verzonden.

26      Voorts zij erop gewezen dat artikel 17, lid 2, van de btw-richtlijn een aantal gevallen noemt, waaronder het sub f uiteengezette geval, die niet als „overbrenging naar een andere lidstaat” in de zin van artikel 17, lid 1, van die richtlijn kunnen worden aangemerkt.

27      Aldus blijkt uit de structuur zelf alsook uit de bewoordingen van artikel 17 van de btw-richtlijn dat lid 2 van dat artikel een uitputtende lijst van uitzonderingen bevat die bijgevolg eng moeten worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 16 mei 2013, TNT Express Worldwide, C‑169/12, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Ten slotte zij in herinnering gebracht dat de op de intracommunautaire handel toepasselijke overgangsregeling inzake de btw, die bij deze richtlijn is ingevoerd, tot doel heeft de belastingopbrengst te doen toekomen aan de lidstaat waar het eindverbruik van de geleverde goederen plaatsvindt (zie met name arresten van 22 april 2010, X en fiscale eenheid Facet-Facet Trading, C‑536/08 en C‑539/08, Jurispr. blz. I‑3581, punt 30, en 18 november 2010, X, C‑84/09, Jurispr. blz. I‑11645, punten 22 en 31). De in artikel 17, lid 2, sub f, van die richtlijn vervatte uitzondering moet dus met name in het licht van dat doel worden uitgelegd.

29      Krachtens het in het vorige punt van het onderhavige arrest uiteengezette beginsel van belasting in de lidstaat van bestemming moet artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn derhalve aldus worden uitgelegd dat het enkel toestaat dat de overbrenging van een goed naar een andere lidstaat niet als een intracommunautaire levering wordt aangemerkt, voor zover dat goed tijdelijk in die lidstaat blijft en nadien opnieuw naar de lidstaat van oorsprong zal worden verzonden.

30      Uitsluitend wanneer de overbrenging van een goed naar een andere lidstaat niet geschiedt met het oog op het eindverbruik van dat goed in die lidstaat maar teneinde het aldaar te laten bewerken en het nadien opnieuw naar de lidstaat van oorsprong te verzenden, mag zij namelijk niet als intracommunautaire levering worden gekwalificeerd.

31      Gelet op het voorgaande moet de terugzending van het goed naar de belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd, worden geacht een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn te zijn.

32      Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de verzending of het vervoer van een goed enkel dan niet als overbrenging naar een andere lidstaat kan worden aangemerkt, wanneer dat goed na bewerking in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer opnieuw wordt verzonden naar de belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd.

Eerste vraag

33      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de controle of goederen die vanuit een eerste lidstaat naar een tweede lidstaat zijn overgebracht, kunnen worden aangepast aan andere in laatstbedoelde staat verworven goederen, zonder dat de overgebrachte goederen worden bewerkt, onder het in die bepaling vervatte begrip „werkzaamheden betreffende dat goed” valt.

34      In herinnering zij gebracht dat het Hof, in het kader van de door artikel 267 VWEU beoogde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof, weliswaar uitspraak doet op een verzoek om een prejudiciële beslissing zonder dat het in beginsel behoeft te onderzoeken wat de nationale rechter ertoe heeft gebracht de vragen te stellen, en welke toepassing hij denkt te geven aan de bepaling van Unierecht die hij het Hof verzoekt uit te leggen, maar dat dit anders ligt wanneer met name duidelijk is dat de aan het Hof ter uitlegging voorgelegde bepaling geen toepassing kan vinden (zie in die zin arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi, C‑297/88 en C‑197/89, Jurispr. blz. I‑3763, punten 39 en 40, en 14 juni 2007, Telefónica O2 Czech Republic, C‑64/06, Jurispr. blz. I‑4887, punten 22 en 23).

35      Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is benadrukt, is terugzending van het goed naar de belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd, een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn.

36      Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde goederen, na bewerking in Italië, niet opnieuw naar de lidstaat van oorsprong, te weten de Franse Republiek, zijn verzonden.

37      Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde dat het goed opnieuw naar de lidstaat van oorsprong wordt verzonden, is artikel 17, lid 2, sub f, van de btw-richtlijn niet van toepassing op de hoofdgedingen.

38      Derhalve behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

39      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 17, lid 2, sub f, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat de verzending of het vervoer van een goed enkel dan niet als overbrenging naar een andere lidstaat kan worden aangemerkt, wanneer dat goed na bewerking in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer opnieuw wordt verzonden naar de belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd.

ondertekeningen


* Procestaal: Italiaans.

ECLI:EU:C:2014:125