HvJ 06-10-1982 CILFIT C-283/81

0
60
bolletjes wol in verschillende kleuren in mand met breinaalden

HvJ CILFIT arrest

De verplichting om prejudiciële vragen te stellen van art 267 VWEU moet worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het HvJ, ter verzekering van de juiste toepassing en eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht. Art 267 VWEU is geen rechtsmiddel ten behoeve van de partijen in een bij de nationale rechter aanhangig geschil.

Als de nationale vaststelt dat een beroep op het gemeenschapsrecht noodzakelijk is voor de oplossing van het bij hen aanhangige geschil dan moet de nationale recht elke uitleggingsvraag die zich voordoet aan het HvJ voorleggen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het HvJ is uitgelegd (acte éclairé) of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte clair). Bij de vraag of zich een dergelijk geval voordoet, moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de gemeenschap:

  1. In aanmerking moet worden genomen dat de teksten van gemeenschapsrecht in verschillende talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn. De uitlegging van een bepaling vereist dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies.
  2. Zelfs wanneer de taalversies volledig overeenstemmen, bezigt het gemeenschapsrecht een eigen terminologie. Bovendien hebben de rechtsbegrippen in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde inhoud als in de verschillende nationale rechtsstelsels.
  3. Elke bepaling van gemeenschapsrecht moet in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.
DictumArrestConclusie

Art. 177 , 3e alinea , EEG-verdrag moet aldus worden uitgelegd , dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag van gemeenschapsrecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan; bij de vraag of zich een dergelijk geval voordoet, moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de gemeenschap.

ARREST VAN HET HOF VAN 6 OKTOBER 1982. – S. R. L. CILFIT EN LANIFICIO DI GAVARDO S. P. A. TEGEN MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID. – (” VERPLICHTING TOT PREJUDICIELE VERWIJZING “). – (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE). – ZAAK NO. 283/81.

Trefwoorden

1 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEROEP OP HOF – UITLEGGINGSVRAGEN – VERPLICHTING TOT VERWIJZING – VOORWERP – DRAAGWIJDTE – CRITERIA

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA )

2 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEROEP OP HOF – UITLEGGINGSVRAGEN – BESTAAN – VASTSTELLING – BEOORDELINGSBEVOEGDHEID VAN NATIONALE RECHTER – AMBTSHALVE BEROEP OP HOF – TOELAATBAARHEID

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 )

3 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEROEP OP HOF – UITLEGGINGSVRAGEN – VERPLICHTING TOT VERWIJZING – GRENZEN – RELEVANTIE VAN VRAGEN – BEGRIP – BEOORDELING DOOR NATIONALE RECHTER IN LAATSTE AANLEG

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA )

4 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEROEP OP HOF – UITLEGGINGSVRAGEN – GEEN VERPLICHTING TOT VERWIJZING – VOORWAARDEN – EERDERE UITLEGGING DOOR HOF VAN RECHTSPUNT IN GEDING – GEVOLGEN – MOGELIJKHEID TOT VERWIJZING VOOR ELKE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA )

5 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEROEP OP HOF – UITLEGGINGSVRAGEN – GEEN VERPLICHTING TOT VERWIJZING – AFWEZIGHEID – VOORWAARDE – AFWEZIGHEID VAN REDELIJKE TWIJFEL – CRITERIA

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA )

Samenvatting

1 . DE VERPLICHTING OM ZICH MET VRAGEN OVER DE UITLEGGING VAN HET VERDRAG EN VAN DE DOOR DE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP VERRICHTE HANDELINGEN TOT HET HOF VAN JUSTITIE TE WENDEN , DOOR ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG OPGELEGD AAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , MOET WORDEN GEZIEN IN HET KADER VAN DE SAMENWERKING TUSSEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES – IN HUN HOEDANIGHEID VAN RECHTERS BELAST MET DE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT – EN HET HOF VAN JUSTITIE , TER VERZEKERING VAN DE JUISTE TOEPASSING EN DE EENVORMIGE UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT IN ALLE LID-STATEN . VOORNOEMDE BEPALING BEOOGT MET NAME TE VOORKOMEN DAT IN DE GEMEENSCHAP UITEENLOPENDE RECHTSPRAAK OVER VRAGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT ONTSTAAT . DE DRAAGWIJDTE VAN DEZE VERPLICHTING MOET BIJGEVOLG AAN DEZE DOELSTELLINGEN WORDEN GETOETST , REKENING HOUDEND MET DE RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN VAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES EN VAN HET HOF VAN JUSTITIE .

2 . ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG IS GEEN RECHTSMIDDEL TEN BEHOEVE VAN DE PARTIJEN IN EEN BIJ DE NATIONALE RECHTER AANHANGIG GESCHIL . HET ENKELE FEIT DAT EEN PARTIJ STELT DAT HET GESCHIL EEN VRAAG VAN UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT DOET RIJZEN , IS VOOR DE BETROKKEN RECHTER DUS GEEN DWINGENDE REDEN OM AAN TE NEMEN DAT EEN VRAAG IS OPGEWORPEN IN DE ZIN VAN DIT ARTIKEL . HET STAAT INTEGENDEEL AAN DE RECHTER ZICH IN VOORKOMEND GEVAL AMBTSHALVE TOT HET HOF TE WENDEN .

3 . UIT HET VERBAND TUSSEN DE TWEEDE EN DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 EEG- VERDRAG VOLGT , DAT DE IN DE DERDE ALINEA BEDOELDE RECHTERLIJKE INSTANTIES OVER DEZELFDE BEOORDELINGSBEVOEGDHEID BESCHIKKEN ALS ELKE ANDERE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE BIJ DE VRAAG OF EEN BESLISSING OP EEN PUNT VAN GEMEENSCHAPSRECHT NOODZAKELIJK IS VOOR HET WIJZEN VAN HUN VONNIS . ZIJ ZIJN DERHALVE NIET GEHOUDEN EEN VOOR HEN OPGEWORPEN VRAAG VAN UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT TE VERWIJZEN WANNEER DIE VRAAG NIET TER ZAKE DIENEND IS , DAT WIL ZEGGEN WANNEER HET ANTWOORD EROP , HOE HET OOK LUIDT , GEEN INVLOED KAN HEBBEN OP DE OPLOSSING VAN HET GESCHIL . STELLEN ZIJ DAARENTEGEN VAST , DAT EEN BEROEP OP HET GEMEENSCHAPSRECHT NOODZAKELIJK IS VOOR DE OPLOSSING VAN HET BIJ HEN AANHANGIGE GESCHIL , DAN LEGT ARTIKEL 177 HUN DE VERPLICHTING OP ELKE UITLEGGINGSVRAAG DIE ZICH VOORDOET , AAN HET HOF VAN JUSTITIE VOOR TE LEGGEN .

4 . ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG LEGT WELISWAAR DE NATIONALE INSTANTIES WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , ZONDER ENIGE BEPERKING DE VERPLICHTING OP OM ZICH MET VRAGEN VAN UITLEGGING TOT HET HOF TE WENDEN ZODRA ZULK EEN VRAAG VOOR HEN WORDT OPGEWORPEN , DOCH HET GEZAG VAN EEN DOOR HET HOF GEGEVEN UITLEGGING KAN DEZE VERPLICHTING VAN HAAR GROND BEROVEN EN DERHALVE VAN HAAR INHOUD ONTDOEN ; DIT IS MET NAME HET GEVAL , WANNEER DE OPGEWORPEN VRAAG ZAKELIJK GELIJK IS AAN EEN VRAAG WELKE REEDS IN EEN GELIJKSOORTIG GEVAL VOORWERP VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING IS GEWEEST , OF WANNEER ER AL EEN VASTE RECHTSPRAAK VAN HET HOF BESTAAT OVER HET PUNT WAAROP HET GEDING BETREKKING HEEFT ; DAARBIJ IS NIET VAN BELANG , WELKE DE AARD WAS VAN DE PROCEDURES DIE AANLEIDING TOT DIE RECHTSPRAAK HEBBEN GEGEVEN , EN EVENMIN DAT DE VRAAGPUNTEN IN GESCHIL NIET STRIKT IDENTIEK ZIJN . HET SPREEKT EVENWEL VANZELF , DAT HET IN AL DIE GEVALLEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES , DAARONDER BEGREPEN DIE BEDOELD IN DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 , VOLLEDIG BLIJFT VRIJSTAAN ZICH TOT HET HOF TE WENDEN INDIEN ZIJ DIT WENSELIJK ACHTEN .

5 . ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BE ROEP , GEHOUDEN IS EEN VRAAG VAN GEMEENSCHAPSRECHT DIE VOOR HAAR RIJST , TE VERWIJZEN , TENZIJ ZIJ HEEFT VASTGESTELD DAT DE JUISTE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ZO EVIDENT IS , DAT REDELIJKERWIJZE GEEN RUIMTE VOOR TWIJFEL KAN BESTAAN ; BIJ DE VRAAG OF ZICH EEN DERGELIJK GEVAL VOORDOET , MOET REKENING WORDEN GEHOUDEN MET DE EIGEN KENMERKEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT , DE BIJZONDERE MOEILIJKHEDEN BIJ DE UITLEGGING ERVAN EN HET GEVAAR VAN UITEENLOPENDE RECHTSPRAAK BINNEN DE GEMEENSCHAP .

Partijen

IN ZAAK 283/81 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE ( EERSTE BURGERLIJKE KAMER ), IN DE ALDAAR AANHANGIGE GEDINGEN TUSSEN

CILFIT SRL , IN LIQUIDATIE , EN 54 ANDERE VENNOOTSCHAPPEN , TE ROME ,

EN

MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID , IN DE PERSOON VAN DE MINISTER , TE ROME ,

EN TUSSEN

LANIFICIO DI GAVARDO SPA , TE MILAAN ,

EN

MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID , IN DE PERSOON VAN DE MINISTER , TE ROME ,

Onderwerp

OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG ,

Overwegingen van het arrest

1 BIJ BESCHIKKING VAN 27 MAART 1981 , INGEKOMEN TEN HOVE OP 31 OKTOBER DAAROPVOLGENDE , HEEFT DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG EEN PREJUDICIELE VRAAG GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG .

2 DEZE VRAAG IS GEREZEN IN EEN GESCHIL TUSSEN EEN AANTAL VENNOOTSCHAPPEN , IMPORTEURS VAN WOL , EN HET ITALIAANSE MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID BETREFFENDE DE BETALING VAN EEN VAST RECHT VOOR SANITAIRE KEURING VAN UIT DERDE LANDEN INGEVOERDE WOL . BEDOELDE VENNOOTSCHAPPEN BERIEPEN ZICH OP VERORDENING NR . 827/68 VAN 28 JUNI 1968 HOUDENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN VOOR BEPAALDE IN BIJLAGE II VAN HET VERDRAG VERMELDE PRODUKTEN ( PB L 151 VAN 1968 , BLZ . 16 ). INGEVOLGE ARTIKEL 2 , LID 2 , VAN DEZE VERORDENING IS HET DE LID-STATEN VERBODEN , HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN TOE TE PASSEN OP DE ‘ ‘ PRODUKTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG ‘ ‘ , NIET ELDERS GENOEMD , VAN POST 05.15 VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF . HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID BRACHT HIERTEGEN IN , DAT WOL NIET IN BIJLAGE II VAN HET VERDRAG IS VERMELD EN DERHALVE NIET ONDER EEN GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTORDENING VALT .

3 HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID LEIDT HIERUIT AF , DAT DE OPLOSSING VAN DE VRAAG BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN DE HANDELING DER GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN ZO EVIDENT IS , DAT VAN MOGELIJKE TWIJFEL OMTRENT DE UITLEGGING GEEN SPRAKE KAN ZIJN EN DAT DERHALVE EEN PREJUDICIELE VERWIJZING NAAR HET HOF VAN JUSTITIE NIET VEREIST IS . HIERTEGENOVER STELLEN DE BETROKKEN VENNOOTSCHAPPEN , DAT NU EEN VRAAG BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN EEN VERORDENING IS OPGEWORPEN VOOR DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE – EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP – , DEZE ZICH INGEVOLGE DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 NIET MAG ONTTREKKEN AAN DE VERPLICHTING ZICH TOT HET HOF VAN JUSTITIE TE WENDEN .

4 GEZIEN DEZE TEGENGESTELDE OPVATTINGEN , HEEFT DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE HET HOF DE VOLGENDE VRAAG GESTELD :

‘ ‘ WANNEER ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG BEPAALT DAT , INDIEN EEN VRAAG ZOALS BEDOELD IN DE EERSTE ALINEA VAN DAT ARTIKEL WORDT OPGEWORPEN IN EEN ZAAK AANHANGIG BIJ EEN NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , DEZE INSTANTIE GEHOUDEN IS ZICH TOT HET HOF VAN JUSTITIE TE WENDEN , IS DAT DAN EEN VERWIJZINGSVERPLICHTING DIE DE NATIONALE RECHTER NIET TOESTAAT DE NOODZAAK VAN DE VERWIJZING TE BEOORDELEN , OF IS DIE VERPLICHTING AFHANKELIJK – EN ZO JA , IN HOEVERRE – VAN HET BESTAAN VAN EEN REDELIJKE TWIJFEL OMTRENT DE UITLEGGING?

‘ ‘

5 VOOR DE OPLOSSING VAN DIT PROBLEEM DIENT REKENING TE WORDEN GEHOUDEN MET HET STELSEL VAN ARTIKEL 177 , DAT HET HOF VAN JUSTITIE DE BEVOEGDHEID VERLEENT UITSPRAAK TE DOEN OVER , ONDER MEER , DE UITLEGGING VAN HET VERDRAG EN VAN DE DOOR DE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP VERRICHTE HANDELINGEN .

6 INGEVOLGE DE TWEEDE ALINEA VAN DIT ARTIKEL KAN ELKE RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN EEN LID-STAAT , INDIEN ZIJ EEN BESLISSING OVER EEN UITLEGGINGSVRAAG NOODZAKELIJK ACHT VOOR HET WIJZEN VAN HAAR VONNIS , HET HOF VAN JUSTITIE VERZOEKEN OVER DEZE VRAAG EEN UITSPRAAK TE DOEN . VOLGENS DE DERDE ALINEA IS , WANNEER EEN UITLEGGINGSVRAAG WORDT OPGEWORPEN IN EEN ZAAK AANHANGIG BIJ EEN NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , DEZE INSTANTIE GEHOUDEN ZICH TOT HET HOF VAN JUSTITIE TE WENDEN .

7 DEZE VERWIJZINGSVERPLICHTING MOET WORDEN GEZIEN IN HET KADER VAN DE SAMENWERKING TUSSEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES – IN HUN HOEDANIGHEID VAN RECHTERS BELAST MET DE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT – EN HET HOF VAN JUSTITIE , TER VERZEKERING VAN DE JUISTE TOEPASSING EN DE EENVORMIGE UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT IN ALLE LID-STATEN . DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 BEOOGT INZONDERHEID TE VOORKOMEN DAT IN DE GEMEENSCHAP UITEENLOPENDE RECHTSPRAAK OVER VRAGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT ONTSTAAT . DE DRAAGWIJDTE VAN DEZE VERPLICHTING MOET BIJGEVOLG AAN DEZE DOELSTELLINGEN WORDEN GETOETST , REKENING HOUDEND MET DE RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN VAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES EN VAN HET HOF VAN JUSTITIE WANNEER EEN DERGELIJKE UITLEGGINGSVRAAG WORDT OPGEWORPEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 .

8 IN DIT VERBAND MOET WORDEN GEPRECISEERD , WAT NAAR GEMEENSCHAPSRECHT IS TE VERSTAAN ONDER DE ZINSNEDE ‘ ‘ WANNEER EEN VRAAG TE DIEN AANZIEN WORDT OPGEWORPEN ‘ ‘ , TEN EINDE VAST TE STELLEN ONDER WELKE VOORWAARDEN EEN NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , GEHOUDEN IS ZICH TOT HET HOF VAN JUSTITIE TE WENDEN .

9 IN DE EERSTE PLAATS ZIJ EROP GEWEZEN , DAT ARTIKEL 177 GEEN RECHTSMIDDEL IS TEN BEHOEVE VAN DE PARTIJEN IN EEN BIJ DE NATIONALE RECHTER AANHANGIG GESCHIL . HET ENKELE FEIT DAT EEN PARTIJ STELT DAT HET GESCHIL EEN VRAAG VAN UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT DOET RIJZEN , IS VOOR DE BETROKKEN RECHTER DUS GEEN DWINGENDE REDEN OM AAN TE NEMEN DAT ER ‘ ‘ EEN VRAAG IS OPGEWORPEN ‘ ‘ IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 . HET STAAT INTEGENDEEL AAN DE RECHTER ZICH IN VOORKOMEND GEVAL AMBTSHALVE TOT HET HOF TE WENDEN .

10 IN DE TWEEDE PLAATS VOLGT UIT HET VERBAND TUSSEN DE TWEEDE EN DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 , DAT DE IN DE DERDE ALINEA BEDOELDE RECHTERLIJKE INSTANTIES OVER DEZELFDE BEOORDELINGSBEVOEGDHEID BESCHIKKEN ALS ELKE ANDERE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE BIJ DE VRAAG OF EEN BESLISSING OP EEN PUNT VAN GEMEENSCHAPSRECHT NOODZAKELIJK IS VOOR HET WIJZEN VAN HUN VONNIS . ZIJ ZIJN DERHALVE NIET GEHOUDEN EEN VOOR HEN OPGEWORPEN VRAAG VAN UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT TE VERWIJZEN WANNEER DIE VRAAG NIET TER ZAKE DIENEND IS , DAT WIL ZEGGEN WANNEER HET ANTWOORD EROP , HOE HET OOK LUIDT , GEEN INVLOED KAN HEBBEN OP DE OPLOSSING VAN HET GESCHIL .

11 STELLEN ZIJ DAARENTEGEN VAST , DAT EEN BEROEP OP HET GEMEENSCHAPSRECHT NOODZAKELIJK IS VOOR DE OPLOSSING VAN HET BIJ HEN AANHANGIGE GESCHIL , DAN LEGT ARTIKEL 177 HUN DE VERPLICHTING OP ELKE UITLEGGINGSVRAAG DIE ZICH VOORDOET , AAN HET HOF VAN JUSTITIE VOOR TE LEGGEN .

12 DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE WENST MET HAAR VRAAG TE VERNEMEN OF ONDER BEPAALDE OMSTANDIGHEDEN DE VERPLICHTING VAN ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , NIETTEMIN GRENZEN KENT .

13 DIENAANGAANDE ZIJ ERAAN HERINNERD , DAT HET HOF IN ZIJN ARREST VAN 27 MAART 1963 ( GEVOEGDE ZAKEN 28-30/62 , DA COSTA EN SCHAAKE , JURISPR . 1963 , BLZ . 67 ) HEEFT OVERWOGEN ‘ ‘ DAT ARTIKEL 177 , LAATSTE ALINEA , DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES . . . WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGERE VOORZIENING , ZONDER ENIGE BEPERKING DE VERPLICHTING OPLEGT OM ZICH MET VRAGEN VAN UITLEGGING TOT HET HOF TE WENDEN ZODRA ZULK EEN VRAAG VOOR HEN WORDT OPGEWORPEN , DOCH DAT MOET WORDEN TOEGEGEVEN DAT HET GEZAG VAN EEN DOOR HET HOF REEDS KRACHTENS ARTIKEL 177 GEGEVEN UITLEGGING DEZE VERPLICHTING VAN HAAR GROND KAN BEROVEN EN DERHALVE VAN HAAR INHOUD KAN ONTDOEN ; DAT DIT MET NAME HET GEVAL IS , WANNEER DE OPGEWORPEN VRAAG ZAKELIJK GELIJK IS AAN EEN VRAAG WELKE REEDS IN EEN GELIJKSOORTIG GEVAL VOORWERP VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING IS GEWEEST ‘ ‘ .

14 DE VERPLICHTING VAN ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , KAN ZIJN ABSOLUUT KARAKTER OOK VERLIEZEN WANNEER ER AL EEN VASTE RECHTSPRAAK VAN HET HOF BESTAAT OVER HET PUNT WAAROP HET GEDING BETREKKING HEEFT ; DAARBIJ IS NIET VAN BELANG , WELKE DE AARD WAS VAN DE PROCEDURES DIE AANLEIDING TOT DIE RECHTSPRAAK HEBBEN GEGEVEN , EN EVENMIN DAT DE VRAAGPUNTEN IN GESCHIL NIET VOLSTREKT IDENTIEK ZIJN .

15 HET SPREEKT EVENWEL VANZELF , DAT HET IN AL DIE GEVALLEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES , DAARONDER BEGREPEN DIE BEDOELD IN DE DERDE ALINEA VAN ARTIKEL 177 , VOLLEDIG BLIJFT VRIJSTAAN ZICH TOT HET HOF TE WENDEN INDIEN ZIJ DIT WENSELIJK ACHTEN .

16 TENSLOTTE KAN DE JUISTE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ZO EVIDENT ZIJN , DAT REDELIJKERWIJZE GEEN TWIJFEL KAN BESTAAN OMTRENT DE WIJZE WAAROP DE GESTELDE VRAAG MOET WORDEN OPGELOST . ALVORENS TOT HET BESLUIT TE KOMEN DAT DIT HET GEVAL IS , DIENT DE NATIONALE RECHTER ERVAN OVERTUIGD TE ZIJN DAT DIE OPLOSSING EVEN EVIDENT ZOU ZIJN VOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES VAN DE ANDERE LID-STATEN EN VOOR HET HOF VAN JUSTITIE . ENKEL WANNEER AAN DEZE VOORWAARDEN IS VOLDAAN , KAN DE NATIONALE RECHTER ERVAN AFZIEN DE VRAAG AAN HET HOF VOOR TE LEGGEN , EN ZE OP EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID OPLOSSEN .

17 BIJ DE VRAAG OF ZICH EEN DERGELIJK GEVAL VOORDOET , MOET ECHTER REKENING WORDEN GEHOUDEN MET DE KENMERKEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT EN DE BIJZONDERE MOEILIJKHEDEN BIJ DE UITLEGGING ERVAN .

18 VOOREERST MOET IN AANMERKING WORDEN GENOMEN , DAT DE TEKSTEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT IN VERSCHEIDENE TALEN ZIJN OPGESTELD EN DAT DE VERSCHILLENDE TAALVERSIES GELIJKELIJK AUTHENTIEK ZIJN ; DE UITLEGGING VAN EEN BEPALING VAN GEMEENSCHAPSRECHT VEREIST DAN OOK EEN VERGELIJKING VAN DE VERSCHILLENDE TAALVERSIES .

19 VOORTS ZIJ OPGEMERKT DAT , ZELFS WANNEER DE TAALVERSIES VOLLEDIG OVEREENSTEMMEN , HET GEMEENSCHAPSRECHT EEN EIGEN TERMINOLOGIE BEZIGT . BOVENDIEN HEBBEN DE RECHTSBEGRIPPEN IN HET GEMEENSCHAPSRECHT NIET NOODZAKELIJKERWIJS DEZELFDE INHOUD ALS IN DE VERSCHILLENDE NATIONALE RECHTSSTELSELS .

20 TENSLOTTE MOET ELKE BEPALING VAN GEMEENSCHAPSRECHT IN HAAR CONTEXT WORDEN GEPLAATST EN WORDEN UITGELEGD IN HET LICHT VAN DIT RECHT IN ZIJN GEHEEL , ZIJN DOELSTELLINGEN EN ZIJN ONTWIKKELINGSSTAND OP HET OGENBLIK WAAROP DE BETROKKEN BEPALING MOET WORDEN TOEGEPAST .

21 GELET OP HET VORENOVERWOGENE , MOET OP DE VRAAG VAN DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE WORDEN GEANTWOORD , DAT ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG ALDUS MOET WORDEN UITGELEGD , DAT EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , GEHOUDEN IS EEN VRAAG VAN GEMEENSCHAPSRECHT DIE VOOR HAAR RIJST , TE VERWIJZEN , TENZIJ ZIJ HEEFT VASTGESTELD DAT DE OPGEWORPEN VRAAG NIET RELEVANT IS OF DAT DE BETROKKEN GEMEENSCHAPSBEPALING REEDS DOOR HET HOF IS UITGELEGD OF DAT DE JUISTE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ZO EVIDENT IS , DAT REDELIJKERWIJZE GEEN RUIMTE VOOR TWIJFEL KAN BESTAAN ; BIJ DE VRAAG OF ZICH EEN DERGELIJK GEVAL VOORDOET , MOET REKENING WORDEN GEHOUDEN MET DE EIGEN KENMERKEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT , DE BIJZONDERE MOEILIJKHEDEN BIJ DE UITLEGGING ERVAN EN HET GEVAAR VAN UITEENLOPENDE RECHTSPRAAK BINNEN DE GEMEENSCHAP .

Beslissing inzake de kosten

KOSTEN

22 DE KOSTEN DOOR DE REGERING VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK , DE REGERING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN EN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN .

TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN VOOR DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DEZE LAATSTE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE ,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR DE CORTE SUPREMA DI CASSAZIONE BIJ BESCHIKKING VAN 27 MAART 1981 GESTELDE VRAAG , VERKLAART VOOR RECHT :

ARTIKEL 177 , DERDE ALINEA , EEG-VERDRAG MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARVAN DE BESLISSINGEN VOLGENS HET NATIONALE RECHT NIET VATBAAR ZIJN VOOR HOGER BEROEP , GEHOUDEN IS EEN VRAAG VAN GEMEENSCHAPSRECHT DIE VOOR HAAR RIJST , TE VERWIJZEN , TENZIJ ZIJ HEEFT VASTGESTELD DAT DE OPGEWORPEN VRAAG NIET RELEVANT IS OF DAT DE BETROKKEN GEMEENSCHAPSBEPALING REEDS DOOR HET HOF IS UITGELEGD OF DAT DE JUISTE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ZO EVIDENT IS , DAT REDELIJKERWIJZE GEEN RUIMTE VOOR TWIJFEL KAN BESTAAN ; BIJ DE VRAAG OF ZICH EEN DERGELIJK GEVAL VOORDOET , MOET REKENING WORDEN GEHOUDEN MET DE EIGEN KENMERKEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT , DE BIJZONDERE MOEILIJKHEDEN BIJ DE UITLEGGING ERVAN EN HET GEVAAR VAN UITEENLOPENDE RECHTSPRAAK BINNEN DE GEMEENSCHAP .

ECLI:EU:C:1982:335