belasting berekenen aftrek voorbelasting

HvJ 07-03-2018 Dobre C-159/17

HvJ Dobre arrest

Dobre was van 13 juli 2011 tot en met 31 juli 2012 in Roemenië voor btw-doeleinden geïdentificeerd. Dobre heeft geen btw-aangiften voor het 4e kwartaal van 2011 en het 1e kwartaal van 2012 ingediend, waardoor zijn btw-identificatie met ingang van 1 augustus 2012 werd ingetrokken. Van 1 augustus 2012 tot en met 31 juli 2013 is Dobre facturen inclusief btw blijven uitreiken, zonder btw-aangiften te doen. Op 30 januari 2014 heeft Dobre de btw-aangiften voor het 4e kwartaal van 2011 en het 1e en 2e kwartaal van 2012 ingediend.

Na belastingcontrole (in juli/augustus 2015) heeft de belastingdienst een belastingaanslag opgelegd voor ongeveer € 39.982 voor de btw die Dobre heeft geïnd in de periode waarin Dobre niet voor btw-doeleinden was geïdentificeerd. Dobre heeft verzocht om hiervan een bedrag af te mogen trekken van ongeveer € 26.887 aan voorbelasting die hij in die periode had betaald. Dit is door de belastingdienst geweigerd.

Volgens het HvJ mag de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van voorbelasting weigeren als vaststaat dat de belastingdienst vanwege aan de belastingplichtige verweten niet-nakomingen niet heeft kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat voldaan is aan de materiële voorwaarden die die belastingplichtige recht geven op aftrek van de door hem betaalde voorbelasting, dan wel dat de belastingplichtige frauduleus heeft gehandeld om over dit recht te kunnen beschikken.

DictumArrestVerzoek

De artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van belasting over de toegevoegde waarde kan weigeren wanneer vaststaat dat deze dienst vanwege aan de belastingplichtige verweten niet-nakomingen niet heeft kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat voldaan is aan de materiële voorwaarden die die belastingplichtige recht geven op aftrek van de door hem betaalde voorbelasting, dan wel dat de belastingplichtige frauduleus heeft gehandeld om over dit recht te kunnen beschikken, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

7 maart 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Intrekking van de btw-identificatie – Verplichting om de btw te betalen die is geïnd in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer is ingetrokken – Niet-erkenning van het recht op aftrek van btw over de in dat tijdvak verrichte aankopen”

In zaak C‑159/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Constanţa (rechter in tweede aanleg Constanța, Roemenië) bij beslissing van 10 maart 2017, ingekomen bij het Hof op 29 maart 2017, in de procedure

Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius

tegen

Ministerul Finanţelor Publice – A.N.A.F. – D.G.R.F.P. Galaţi – Serviciul Soluţionare Contestaţii,

A.N.A.F. – D.G.R.F.P. Galaţi – A.J.F.P. Constanţa –Serviciul Inspecţie Fiscală Persoane Fizice 2Constanța,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: E. Levits (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R.‑H. Radu, C.‑M. Florescu en E. Gane als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en G.‑D. Balan als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, onder a), en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals deze, wat de factureringsregels betreft, is gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 (PB 2010, L 189, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2006/112”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius (eenpersoonsbedrijf Dobre M. Marius; hierna: „Dobre”) enerzijds, en de Ministerul Finanțelor Publice – Agenția Națională de Administrare Fiscală Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Serviciul Soluționare Contestații (ministerie van Openbare Financiën – nationaal bureau van de belastingdienst – directoraat-generaal openbare financiën van Galați – dienst geschillenbehandeling) en de Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța – Serviciul Inspecție Fiscală Persoane Fizice 2 Constanța (nationaal bureau van de belastingdienst – directoraat-generaal openbare financiën van Galați – dienst openbare financiën van het district Constanța – dienst nr. 2 van de belastinginspectie natuurlijke personen van Constanţa) (hierna tezamen: „belastingdienst”) anderzijds, over het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) over de aankopen die Dobre heeft verricht in het tijdvak waarin zijn btw-identificatie was ingetrokken.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2006/112

3        Artikel 167 van richtlijn 2006/112 bepaalt:

„Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.”

4        In artikel 168 van die richtlijn, dat is opgenomen in titel X („Aftrek”), wordt bepaald:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a)       de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

[…]”

5        Overeenkomstig artikel 178, onder a), van die richtlijn moet de belastingplichtige, om het recht op aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten te kunnen uitoefenen, onder meer aan de volgende voorwaarde voldoen:

„[…] in het bezit zijn van een overeenkomstig titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 6, opgestelde factuur;”

6        Artikel 179, eerste alinea, van diezelfde richtlijn bepaalt:

„De belastingplichtige past de aftrek toe door op het totale bedrag van de over een belastingtijdvak verschuldigde belasting het totale bedrag van de btw in mindering te brengen waarvoor in hetzelfde tijdvak het recht op aftrek is ontstaan en krachtens artikel 178 wordt uitgeoefend.”

7        In artikel 213, lid 1, van richtlijn 2006/112 wordt bepaald:

„Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige.

[…]”

8        Artikel 214 van die richtlijn preciseert:

„1.       De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de identificatie onder een individueel nummer van de volgende personen:

a)      iedere belastingplichtige, uitgezonderd de in artikel 9, lid 2, bedoelde, die op hun respectieve grondgebied goederenleveringen of diensten verricht welke recht op aftrek doen ontstaan, andere dan de goederenleveringen of de diensten waarvoor overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 uitsluitend de afnemer of degene voor wie de goederen of de diensten bestemd zijn, de btw verschuldigd is;

[…]”

9        Artikel 250, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt:

„Iedere belastingplichtige moet een btw-aangifte indienen waarop alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen, daarbij inbegrepen, voor zover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is, het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben, alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen.”

10      Artikel 252 van diezelfde richtlijn preciseert:

„1.       De btw-aangifte moet worden ingediend binnen een door de lidstaten vast te stellen termijn. Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden na het verstrijken van ieder belastingtijdvak.

2.       Het belastingtijdvak wordt door de lidstaten vastgesteld op een, twee of drie maanden.

De lidstaten kunnen evenwel andere belastingtijdvakken bepalen, die echter niet langer dan een jaar mogen zijn.”

11      Artikel 273 van richtlijn 2006/112 luidt:

„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.

[…]”

Roemeens recht

12      Artikel 11, lid 1 quater, van Legea nr. 571/2003 privind Codul fiscal (wet nr. 571/2003 houdende het belastingwetboek) (Monitorul Oficial al României,nr. 927 van 23 december 2003) bepaalt:

„In Roemenië gevestigde belastingplichtigen van wie de btw-identificatie overeenkomstig artikel 153, lid 9, onder b) tot en met e), en h), is ingetrokken, hebben voor het betrokken tijdvak geen recht op aftrek van de btw over aankopen, maar zijn wel gehouden tot betaling van de, overeenkomstig de bepalingen van titel VI, geïnde btw over belastbare handelingen die in dat tijdvak zijn verricht. Voor de goederen- en/of dienstenaankopen die zijn verricht in het tijdvak waarin de betrokkene geen geldig btw-nummer had, die zijn bestemd voor handelingen die zullen worden verricht na de datum van de btw-identificatie en waarvoor overeenkomstig titel VI een recht op btw-aftrek bestaat, vindt door opname in de eerste belastingaangifte in de zin van artikel 156 ter die de belastingplichtige na de btw-identificatie heeft ingediend of, in voorkomend geval, in een latere btw-aangifte ten gunste van de belastingplichtige een aanpassing plaats van de belasting over:

a)      opgeslagen goederen en diensten die op het moment van identificatie niet worden gebruikt, vastgesteld op basis van een inventaris;

b)      materiële vaste activa, inclusief investeringsgoederen waarvoor de periode van aanpassing van de aftrek niet is verstreken en lopende materiële vaste activa, vastgesteld op basis van een inventaris, waarvan de betrokkene houder is op het moment van de identificatie. In het geval van materiële vaste activa die geen investeringsgoederen zijn, wordt de belasting over waarden die nog niet zijn afgeschreven, aangepast op het moment van identificatie. Artikel 149 is van toepassing op investeringsgoederen;

c)      aankopen van te verkrijgen goederen en diensten, te weten die waarover overeenkomstig artikel 134 ter, lid 2, onder a) en b), vóór de datum van identificatie belasting verschuldigd is geworden, en waarvan het belastbaar feit, te weten de levering of dienstverlening, zich na die datum heeft voorgedaan.”

13      Artikel 153, lid 9, onder d), van die wet preciseert:

„De bevoegde belastingautoriteiten trekken de btw-identificatie van een persoon in overeenstemming met dit artikel in:

[…]

d)      met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op het lopende kalenderhalfjaar wanneer deze persoon in een kalenderhalfjaar geen enkele btw-aangifte heeft ingediend als bedoeld in artikel 156 ter, maar zich niet bevindt in de onder a) of b) bedoelde situatie. Deze bepalingen zijn alleen van toepassing op personen van wie het belastingtijdvak de maand of het kwartaal is. Met ingang van de aangifte over de maand juli 2012 (in het geval van personen van wie het belastingtijdvak de kalendermaand is) of met ingang van de aangifte over het derde kwartaal van 2012 (in het geval van personen van wie het belastingtijdvak het kalenderkwartaal is) trekken de bevoegde belastingautoriteiten met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de termijn voor indiening van de zesde aangifte is verstreken respectievelijk met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de termijn voor indiening van de tweede aangifte is verstreken de btw-identificatie van de betrokken persoon in wanneer die persoon voor zes achtereenvolgende maanden (in het geval van personen van wie het belastingtijdvak de kalendermaand is) dan wel voor twee opeenvolgende kalenderkwartalen (in het geval van belastingplichtigen van wie het belastingtijdvak het kalenderkwartaal is) geen enkele belastingaangifte in de zin van artikel 156 ter heeft ingediend maar zich niet bevindt in de situatie bedoeld in punt a) of punt b).”

14      Artikel 153, lid 9 bis, van die wet bepaalt:

„De procedure tot intrekking van een btw-identificatie wordt bepaald door de geldende procedureregels. Na de intrekking van de btw-identificatie overeenkomstig lid 9, onder a) tot en met e) en h), identificeren de bevoegde belastingautoriteiten de btw-plichtigen door lid 7 bis als volgt toe te passen:

[…]

c)      op verzoek van de belastingplichtige, in de in lid 9, onder d), bedoelde situatie, met ingang van de datum van kennisgeving van het besluit tot btw-identificatie, op basis van de volgende door de belastingplichtige verstrekte informatie of documenten:

1.      niet binnen de gestelde termijnen ingediende btw-aangiften;

2.      een gemotiveerd verzoek waarin wordt aangegeven dat de belastingplichtige zich ertoe verbindt de btw-aangiften binnen de wettelijke termijnen in te dienen;

[…]”

15      In artikel 156 quater, lid 10, van diezelfde wet wordt bepaald:

„De belastingplichtigen van wie het btw-identificatienummer overeenkomstig artikel 153, lid 9, onder a) tot en met e), is ingetrokken, moeten overeenkomstig artikel 11, leden 1 bis en 1 quater, een aangifte indienen betreffende de geïnde, verschuldigde belasting, en wel uiterlijk op de 25e dag van de maand die volgt op de maand waarin de belasting verschuldigd wordt over de verrichte goederenleveringen of dienstverleningen dan wel aankopen van goederen of diensten waarvoor zij belastingplichtig zijn, die zijn verricht in het tijdvak waarin de belastingplichtige geen geldig btw-identificatienummer heeft. […] […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

16      Dobre was in het tijdvak van 13 juli 2011 tot en met 31 juli 2012 in Roemenië voor btw-doeleinden geïdentificeerd.

17      Dobre heeft bij de belastingdienst geen btw-aangiften voor het vierde kwartaal van 2011 en het eerste kwartaal van 2012 ingediend, hetgeen ertoe heeft geleid dat zijn btw-identificatie met ingang van 1 augustus 2012 werd ingetrokken.

18      Van 1 augustus 2012 tot en met 31 juli 2013 is Dobre facturen inclusief btw blijven uitreiken, zonder de desbetreffende btw-aangiften te doen.

19      Op 30 januari 2014 heeft Dobre de btw-aangiften voor het vierde kwartaal van 2011 en het eerste en tweede kwartaal van 2012 ingediend.

20      Na een belastingcontrole, die plaatsvond tussen 1 juli en 4 augustus 2015, heeft de belastingdienst een belastingaanslag opgelegd waarbij Dobre werd verplicht tot betaling van, onder meer, het bedrag van 183 301 Roemeense leu (RON) (ongeveer 39 982 EUR), zijnde het bedrag van de btw die hij heeft geïnd voor het tijdvak waarin hij niet voor btw-doeleinden was geïdentificeerd (hierna: „belastingaanslag”).

21      Dobre heeft verzocht om van het uit hoofde van de btw gevorderde bedrag een bedrag af te mogen trekken van 123 266 RON (ongeveer 26 887 EUR), zijnde de btw die hij in het tijdvak waarin hij niet voor btw-doeleinden was geïdentificeerd, had betaald voor de goederen en diensten waarvan hij gebruik had gemaakt met het oog op het verlenen van binnen zijn maatschappelijk doel vallende diensten aan rechtspersonen, welke aftrek door de belastingdienst is geweigerd.

22      Dobre heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingaanslag en de afwijzing van zijn verzoek om aftrek, welk bezwaar is verworpen.

23      Dobre heeft bij de Tribunal Constanţa (rechter in eerste aanleg Constanţa, Roemenië) beroep ingesteld tegen met name de belastingaanslag, dat eveneens is verworpen.

24      Dobre heeft tegen de uitspraak van de Tribunal Constanţa hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter, de Curte de Apel Constanţa (rechter in tweede aanleg Constanţa, Roemenië).

25      De verwijzende rechter merkt op dat de weigering om een belastingplichtige aftrek toe te staan van de btw die hij als voorbelasting heeft betaald met het oog op het verrichten van zijn activiteiten, alsmede de hem opgelegde verplichting om de btw die hij in verband met de door hem verleende diensten heeft geïnd terwijl hij niet langer voor btw-doeleinden geïdentificeerd was, er overeenkomstig artikel 273 van richtlijn 2006/112 toe strekt belastingontwijking te bestrijden. Hij betwijfelt echter of een dergelijke regel in overeenstemming is met het fundamentele beginsel van het recht op aftrek.

26      In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel Constanţa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, onder a), en artikel 273 van richtlijn [2006/112] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een belastingplichtige van wie de btw-identificatie is ingetrokken, in omstandigheden als in het hoofdgeding, aan de staat de btw moet betalen die is geïnd in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer ingetrokken was, maar geen recht heeft op aftrek van de btw over de in dat tijdvak verrichte aankopen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

27      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van btw kan weigeren wanneer zijn btw-identificatienummer is ingetrokken omdat hij gedurende een bepaald tijdvak heeft nagelaten binnen de wettelijke termijn btw-aangiften in te dienen.

28      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die in eerdere stadia was verschuldigd of voldaan over de aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel vormt van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, C‑101/16, EU:C:2017:775, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft benadrukt, is het recht op aftrek waarin de artikelen 167 en volgende van richtlijn 2006/112 voorzien, een integrerend deel van de btw-regeling en kan het, in beginsel, niet worden beperkt. Het wordt in het bijzonder onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt (arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, C‑101/16, EU:C:2017:775, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, C‑101/16, EU:C:2017:775, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Volgens vaste rechtspraak eist het fundamentele beginsel van btw-neutraliteit dan ook dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele vereisten (arrest van 28 juli 2016, Astone, C‑332/15, EU:C:2016:614, punt 45).

32      Inzonderheid betreffen de in artikel 214 van richtlijn 2006/112 bedoelde btw-identificatie en de in artikel 213 van de richtlijn neergelegde verplichting voor de belastingplichtige om opgave te doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteiten, slechts formele vereisten met het oog op controle, die geen afbreuk mogen doen aan met name het recht op aftrek van de btw, voor zover is voldaan aan de materiële voorwaarden voor deze rechten (arrest van 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C‑183/14, EU:C:2015:454, punt 60).

33      Bijgevolg mag een btw-plichtige niet worden gehinderd in de uitoefening van zijn recht op aftrek op grond dat hij niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd alvorens de aangekochte goederen te gebruiken voor zijn belaste activiteit (arrest van 21 oktober 2010, Nidera Handelscompagnie, C‑385/09, EU:C:2010:627, punt 51).

34      Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de bestraffing van de niet-nakoming door de belastingplichtige van de verplichtingen betreffende het voeren van de boekhouding en het indienen van aangiften met een weigering van het recht op aftrek duidelijk verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling om de juiste toepassing van die verplichtingen te verzekeren, aangezien het Unierecht de lidstaten niet verhindert in voorkomend geval een geldboete of geldelijke sanctie op te leggen die evenredig is met de ernst van de inbreuk (arrest van 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C‑183/14, EU:C:2015:454, punt 63).

35      Dit zou anders kunnen liggen wanneer de niet-naleving van dergelijke formele vereisten het leveren van het zekere bewijs dat de materiële voorwaarden zijn vervuld, heeft verhinderd (arrest van 28 juli 2016, Astone, C‑332/15, EU:C:2016:614, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De weigering van het recht op aftrek hangt immers meer af van het ontbreken van de nodige gegevens om vast te stellen dat aan deze inhoudelijke vereisten is voldaan dan van de niet-naleving van een formeel vereiste (zie in die zin arrest van 11 december 2014, Idexx Laboratories Italia, C‑590/13, EU:C:2014:2429, punten 44 en 45).

36      Het recht op aftrek kan ook worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat op dit recht aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, C‑101/16, EU:C:2017:775, punt 43).

37      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing, ten eerste, dat de btw-identificatie van Dobre krachtens artikel 153, lid 9, onder d), van wet nr. 571/2003 is ingetrokken vanwege het feit dat deze belastingplichtige niet binnen de wettelijke termijn zijn btw-aangiften voor het vierde kwartaal van 2011 en het eerste en tweede kwartaal van 2012 had ingediend. Ten tweede heeft die belastingplichtige geen btw-aangiften gedaan voor de maanden augustus 2012 tot en met juli 2013, hoewel hij wel facturen inclusief btw is blijven uitreiken, zodat de belastingdienst hem voor dat tijdvak geen recht op btw-aftrek heeft verleend.

38      Gelet op de overwegingen in punt 35 van dit arrest staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de belastingdienst over de nodige informatie beschikte om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële vereisten die recht geven op aftrek van de door Dobre betaalde voorbelasting, ondanks de aan laatstgenoemde verweten niet-nakoming van de formele voorwaarden.

39      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de betrokkene uit hoofde van artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 slechts recht op aftrek kan genieten indien, ten eerste, hij een belastingplichtige in de zin van deze richtlijn is en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn geleverd of verricht (zie in die zin met name arresten van 22 oktober 2015, PPUH Stehcemp, C‑277/14, EU:C:2015:719, punt 28, en 19 oktober 2017, Paper Consult, C‑101/16, EU:C:2017:775, punt 39).

40      Hoe dan ook heeft het Hof geoordeeld dat op grond van de niet-nakoming van deze formele verplichtingen, zelfs als zij niet verhinderen dat het zekere bewijs wordt geleverd dat de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek zijn vervuld, het eenvoudigste geval van belastingfraude kan worden aangetoond, waarbij de belastingplichtige bewust nalaat zijn formele verplichtingen na te komen om aan betaling van de belasting te ontsnappen (arrest van 28 juli 2016, Astone, C‑332/15, EU:C:2016:614, punt 55).

41      Met name het uitblijven van een btw-aangifte – die anders de toepassing van de btw en de controle daarop door de belastingdienst mogelijk zou maken – kan beletten dat de belasting juist wordt geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in het gedrang komt. Bijgevolg staat het Unierecht er niet aan in de weg dergelijke verzuimen als belastingfraude te beschouwen en in dergelijke gevallen recht op aftrek te weigeren (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, Astone, C‑332/15, EU:C:2016:614, punt 56).

42      Gelet op deze overwegingen moeten de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, en artikel 273 van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van btw kan weigeren wanneer vaststaat dat de belastingdienst vanwege aan de belastingplichtige verweten niet-nakomingen niet heeft kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat voldaan is aan de materiële voorwaarden die die belastingplichtige recht geven op aftrek van de door hem betaalde voorbelasting, dan wel dat de belastingplichtige frauduleus heeft gehandeld om over dit recht te kunnen beschikken, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

Kosten

43      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van belasting over de toegevoegde waarde kan weigeren wanneer vaststaat dat deze dienst vanwege aan de belastingplichtige verweten niet-nakomingen niet heeft kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat voldaan is aan de materiële voorwaarden die die belastingplichtige recht geven op aftrek van de door hem betaalde voorbelasting, dan wel dat de belastingplichtige frauduleus heeft gehandeld om over dit recht te kunnen beschikken, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Roemeens.

ECLI:EU:C:2018:161

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Constanţa (Roemenië) op 29 maart 2017 – Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius / Ministerul Finanțelor Publice – Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Serviciul Soluționare Contestații, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța – Serviciul Inspecție Fiscală Persoane Fizice

(Zaak C-159/17)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Constanţa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius

Verwerende partijen: Ministerul Finanțelor Publice – Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Serviciul Soluționare Contestații, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța – Serviciul Inspecție Fiscală Persoane Fizice

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, onder a), en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG1 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een belastingplichtige wiens identificatie voor btw-doeleinden nietig is verklaard, in omstandigheden als in het hoofdgeding, aan de Staat de btw moet afdragen die is geïnd in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer was geschrapt, maar geen recht heeft op aftrek van de btw over de in dat tijdvak verrichte aankopen?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

 

Getagd , , .