HvJ 08-03-2012 Commissie-Frankrijk C-596/10

HvJ Commissie-Frankrijk arrest

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

8 maart 2012 ( * )

“Niet-nakoming – Belasting over toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112 / EG – Toepassing verlaagd BTW over de paarden activiteiten, met inbegrip van paarden”

In zaak C-596/10,

gericht inbreukprocedure op grond van artikel 258 VWEU, ingesteld op 16 december 2010

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Dintilhac en M me Mr. Afonso als gemachtigden, domicilie in Luxemburg,

aanvrager,

tegen

Franse Republiek, vertegenwoordigd door. G. de Bergues en JS Pilczer en door M me B. Beaupère-Manokha, als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door:

Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, en N. Travers en M me G. Clohessy, barristers,

interveniënt,

HET HOF (Zevende kamer)

samengesteld J. Malenovský, kamerpresident, M me R. Silva de Lapuerta en D. Šváby (rapporteur), rechters,

Advocaat-generaal: me E. Sharpston

Griffier: MM-A. Gaudissart, hoofd van de eenheid,

ten aanzien van de stukken en na de terechtzitting op 12 januari 2012,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal, om de zaak zonder conclusie,

het navolgende

stop

1         Met haar verzoekschrift, de Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat, door de toepassing van een verlaagd tarief van BTW (hierna: “BTW”) met betrekking tot de paarden operaties, met inbegrip van paarden bij zijn niet normaal bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen of in de landbouwproductie, is de Franse Republiek de krachtens de artikelen 96-99 en bijlage III van richtlijn 2006/112 op haar rustende verplichtingen / EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1, hierna: de “btw-richtlijn”).

Het wettelijk kader

De EU-wetgeving

2         Artikel 96 van de btw-richtlijn bepaalt:

“De lidstaten passen een normaal btw-tarief door elke lidstaat vastgesteld op een percentage van de belastinggrondslag die dezelfde is voor de levering van goederen en diensten toe te passen.”

3         Op grond van artikel 98 van de richtlijn:

“1. De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.

2. De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op leveringen van goederen en diensten van de in bijlage III genoemde categorieën.

[…]

3. Bij de toepassing van de verlaagde tarieven als bedoeld in paragraaf 1 naar de categorieën die betrekking hebben op de goederen, kunnen de lidstaten de gecombineerde nomenclatuur te gebruiken om nauwkeurig vast te stellen de betreffende klasse. ”

4         van bijlage III van de btw-richtlijn, met name in de volgende categorieën:

“1) Levensmiddelen (met inbegrip van dranken, maar met uitsluiting van alcoholhoudende dranken) voor menselijke en dierlijke consumptie, levende dieren, zaaigoed, planten en ingrediënten die gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik in de voedselbereiding; producten die gewoonlijk bestemd zijn ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen;

[…]

11) de levering van goederen en diensten die normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw, met uitzondering van kapitaalgoederen zoals machines of gebouwen;

[…] ”

5         Artikel 99, paragraaf 1 van de richtlijn luidt als volgt:

“De verlaagde tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, die niet minder dan 5% mag zijn.”

6         Artikel 110 van de richtlijn bepaalt:

“De lidstaten die op 1 st januari 1991 vrijstellingen verlenen van met aftrekbaarheid van betaalde BTW voorbelasting of het toepassen van verlaagde tarieven lager zijn dan de in artikel 99 vastgestelde minimumeisen mogen blijven toepassen.

De vrijstellingen en in de eerste paragraaf bedoelde verlaagde tarieven moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving en hebben al duidelijk omschreven redenen van maatschappelijk belang en voor eindgebruikers zijn vastgesteld. ”

nationaal recht

de Wetgeving

7         artikel 278 bis van de CGI (hierna: “CGI”) bepaalt:

“De [btw] wordt geheven tegen het verlaagde tarief van 5,50% ten aanzien van de aankoop, de invoer, de intracommunautaire verwerving, verkoop, aflevering, commissie, brokerage en ga zo maar door de volgende producten:

1. Water en non-alcoholische dranken;

2. Producten bestemd voor menselijke consumptie […]

3. Producten van landbouw, visserij, visteelt en pluimvee heeft geen enkele verwerking ondergaan;

[…] ”

8         artikel 281 sexies van de CGI bepaalt:

“De [btw] wordt geheven tegen het tarief van 2,10% ten opzichte van levende dieren De verkoop van vlees en worst gemaakt aan personen die niet aan deze belasting onderworpen zijn.”

9         Artikel 278 ter van de CGI luidt als volgt:

“De [btw] wordt geheven tegen het tarief van 5,50% voor de in genoemde bedragen [paragraaf] 19 van sectie 257.”

10       Punt 19 van sectie 257 van de CGI is “het door racen corporaties voor de race winsten gemaakt door coaches voor de paarden zij bezitten toegewezen bedragen.”

De administratieve doctrine

11       De administratieve documentatie DB 3 C-212 het begrip “landbouwproducten” onder het verlaagde btw-tarief van 5,50% op grond van artikel 278 bis van de CGI als volgt toe:

“Onderafdeling 1: Producten en bijproducten van de landbouw

A. De producten van het dierenrijk

1. onderworpen zijn aan 5,50% voor de producten en bijproducten hieronder wanneer ze geen verandering hebben ondergaan.

I. levende of dode dieren

2. betreft in het bijzonder:

– Dieren van vlees en worst;

Voor dieren van vlees en worst, betekent:

– Paarden: paarden en merries, ezels, muildieren en muilezels, ezels en ezels, ezels, hengsten,

– Het vee: ossen en stieren, koeien, kalveren, ossen, vaarzen en tijdschriften,

– De Ovidae: rammen, schapen, schapen en grijze lammeren zogende lammeren,

– Varkens: mannelijke en vrouwelijke varkens, biggen,

– Geiten: geiten en geiten en de kinderen waarvan het gewicht na het slachten is groter dan 7 kg vlees net (CGI, ann III, artikel 65, A ..);

– Pluimvee (hanen, kippen, kapoenen, kippen, kuikens, eenden, ganzen, gander, parelhoenders, kalkoenen), duiven, konijnen;

– Sea vis, rivier of meer, geheel of gefileerd of in andere staat aangeboden, ongeacht hun voorbereiding;

– Shellfish;

– Game “.

12       De administratieve documentatie DB 3 I-113, # 17, op het btw-tarief van toepassing is op “hippische activiteiten,” zegt het volgende:

“Er wordt aan herinnerd dat het tarief van 5,50% van toepassing is:

– De verkoop van paardachtigen (het tarief van 2,10% als bedoeld in artikel 281 sexies van de CGI is in het geval van verkoop aan personen die niet btw-plichtig toepassing.) (Particulieren, gemeenten) of boeren onderworpen aan de agrarische vergoedingsregeling flat-rate;

– Operaties van stijgingen of projectie die belasting behandeld als de landbouw wegen zijn (zie DB 3 I-1, No. 7);

– Reverse repurchase agreements uitgevoerd in groeicyclus van het dier.

Daarnaast is dit percentage geldt ook voor inkomsten en premies door de eigenaars (boeren of niet) van renpaarden ter gelegenheid van het paard wedstrijden verzameld. ”

13       Volgens de administratieve documentatie DB 3 I-1326, nr 1, artikel 281 sexies van de CGI “onderworpen aan de BTW tegen het tarief van 2,10%, levende dieren de verkoop van vlees en worst, met inbegrip verkoop van paarden met een hoge waarde, gemaakt door te betalen BTW aan niet-belastingplichtigen. […] Dit apparaat, dat van kracht is sinds 1 ste juli 1986, toen hij werd geïntroduceerd op verzoek van de Europese Commissie om de oude bekleding toelage systeem te vervangen wordt bestendigd uit 1 st januari 2001 krachtens artikel 36 van de wet tot wijziging van Financiën voor het jaar 2000 n ° 2000-1353 van 30 december 2000 “.

14       administratieve instructie nr 118 van 26 juli 2004 (3 I-2-04), bepaalt dat onder voorbehoud van verlaagde btw-tarief van 5,50% diverse bewerkingen op paarden, waaronder:

– De training, voorbereiding en paarden inkoop, gezamenlijk of afzonderlijk uitgeoefend, in het bijzonder met betrekking tot de paarden racen (afdeling I, A, punt 1) en

– Het berijden van het onderwijs, paarden terug te kopen, leasen voor doeleinden van wandelingen of trektochten [activiteiten genaamd “preparaat” paardachtigen, speciaal gemaakt door maneges (titel I, B.1)].

15       Bovendien, titel I, D, paragraaf 2, tweede alinea van dit specifieke instructie dat “[t] orsqu’elles zijn gemaakt ten behoeve van personen die niet aan de BTW of de marktdeelnemers die aan de agrarische vergoedingsregeling forfaitaire onderwerp , paard verkopen kunnen profiteren van het tarief van 2,10% als bedoeld in artikel 281 sexies [CGI], die van toepassing is, met inbegrip van waardevolle paarden verkopen (DB 3 I-1326, n os 1 en 2) “.

De precontentieuze procedure en de procedure voor het Hof

16       Bij aanmaningsbrief van 23 oktober 2007 heeft de Commissie de Franse Republiek meegedeeld dat zij van oordeel dat de toepassing van een verlaagd BTW-tarief voor transacties van bepaalde levende dieren, zoals paarden, wanneer ze zijn niet normaal bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van voedsel, zou een schending van de verplichtingen vormen het kader van de btw-richtlijn, en met name de artikelen 96 tot 99 en bijlage III daarvan.

17       In haar antwoord van 22 januari 2008 heeft de Franse Republiek van mening dat de nationale wettelijke regeling in overeenstemming was met de beginselen van de btw-richtlijn. Zij betoogde in het bijzonder dat het paard is een dier normaal worden gebruikt in de landbouw, overeenkomstig punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn, evenals in de bereiding van voedsel, zoals gedefinieerd in de categorie van punt 1 deze bijlage III. Zij betoogde verder dat de bepaling van artikel 281 sexies van de CGI, die voorziet in de toepassing van een verlaagd btw-tarief van 2,10% voor levende dieren de overbrenging van vlees en worst personen die niet aan de BTW in werking op 1 onderwerp st januari 1991.

18       De 1 ste december 2008 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek, waarin zij stelde haar bewering dat deze lidstaat niet aan verplichtingen die voor hem de artikelen 96 tot 99 en van bijlage III de btw-richtlijn, met het verzoek de nodige maatregelen om te voldoen aan het advies binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van deze kennisgeving maatregelen te nemen.

19       De Franse Republiek op dit advies geantwoord bij brief van 19 februari 2009, waarin zij bleef het bestaan van de vermeende schending aan te vechten.

20       Het argument van de Franse Republiek te zetten is niet overtuigd door de Commissie, zij het onderhavige beroep ingesteld.

21       Bij beschikking van de president van het Hof van 2 december 2011, Ierland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de Franse Republiek. Echter, het verzoek tot tussenkomst is ingediend bij het Hof na de in artikel 93, periode, paragraaf 1, het Hof van het reglement van orde, de deelname van Ierland was beperkt tot het maken van voorstellingen op de hoorzitting.

de actie

De eerste grief

Argumenten van de partijen

22       Op grond van de eerste grief betoogt de Commissie dat het verzoek van de Franse Republiek voor een verlaagd btw-tarief van 5,50% voor de paarden daarmee samenhangende activiteiten en in het bijzonder voor paarden, bij normaal voor gebruik maken van andere dan de bereiding van voedsel of agrarische productie, in strijd met de bepalingen van de btw-richtlijn, en met name de artikelen 96 tot 99 en bijlage III daarvan.

23       De Franse Republiek is van mening dat de toepassing van een verlaagd btw-tarief voor transacties met paarden is toegestaan op basis van de punten 1 en 11 van bijlage III van de btw-richtlijn.

– Aan punt 1 van bijlage III van de btw-richtlijn

24       De Commissie is van oordeel dat de paarden onder paragraaf 1 van bijlage III van de btw-richtlijn alleen als zij bestemd zijn voor de bereiding van voedsel in de strikte zin. Nu de lichtgewicht Type paarden (raspaarden, ras of zadel), die het grootste deel van de paarden vormen worden gebruikt voor wedstrijden en wedstrijden, alsook voor recreatie, en slechts enkele van deze paarden worden gebruikt einde van het leven om te eten.

25       In haar verweerschrift stelt de Franse Republiek concludeert dat het paard een deel van levende dieren die gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van voedsel, zoals gedefinieerd in punt 1 van bijlage III van de btw-richtlijn, de toepassing van een verlaagd tarief voor transacties met betrekking tot niet in strijd is met de richtlijn. Echter, in dupliek erkent de arresten van 3 maart 2011, Commissie / Nederland (C-41/09, nog niet gepubliceerd); 12 mei 2011, Commissie / Oostenrijk (C-441/09) en Commissie / Duitsland (C-453/09).

– In punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn

26       Volgens de Commissie, punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn niet de toepassing van een verlaagd BTW-tarief op leveringen van goederen en van een type diensten die normaal bestemd zijn voor gebruik in mogelijk agrarische productie, namelijk de voorraden en de landbouw, niet de producten van dezelfde agrarische activiteiten en die deel uitmaken van de fokkerij activiteit, veulens uit deze activiteit, tenzij deze producten in te voeren hen -dezelfde, tijdens een operatie in het kader van punt 11 van deze bijlage III.

27       Met betrekking tot het standpunt van de Franse autoriteiten om te assimileren de genoemde 11 operaties te wijzen aan die uitgevoerd als onderdeel van bijlage VII van de btw-richtlijn, die de agrarische productie-activiteiten geeft audit waarop sectie 295 van deze richtlijn verwijst, en te concluderen dat het fokken van paarden kunnen profiteren van de in hetzelfde punt 11 genoemde uitzondering, stelt de Commissie dat artikel 295, met betrekking tot de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten maakt deel uit van titel XII van de btw-richtlijn “bijzondere regelingen”, en worden de voorwaarden voor de toepassing van dit systeem, dat aparte regels voor normale voeding die aan de orde zijn in dit geval.

28       Bovendien is in elk geval, de Commissie benadrukt dat de formulering van punt 2 van bijlage VII van de btw-richtlijn is “vee in verband met de exploitatie van de bodem,” het concept van de fokkerij als een landbouwactiviteit is de betekenis van de btw-richtlijn, worden beperkt tot deze vorm van landbouw. Maar het zou niet worden vastgesteld dat alle soorten dieren, met name paarden, kan worden beschouwd als “in verband met de exploitatie van de bodem,” met name wat fokpaarden geslacht die in wezen, voor wederverkoop aan recreatief gebruik of wedstrijd.

29       De Commissie is van oordeel dat, in bepaalde situaties, de aankoop van paarden of een dienst met behulp van deze onder de uitzondering als bedoeld in punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn kan komen zou het geval zijn, bijvoorbeeld als onderdeel van de culturele activiteiten, bosbouw (logging), vissen en het fokken van paarden.

30       De Commissie is van oordeel dat in een Franse kudde bestaat uit 800.000 hoofden, zijn er 170 000 fokken mannen en vrouwen, waarvan er slechts 100.000 actieve en verspreid onder 43.547 boeren. Slechts 24% van deze zou trekpaarden produceren en sommige paarden uit deze categorie zijn waarschijnlijk alleen worden gebruikt voor de exploitatie van de bodem.

31       De structuur van de Franse paard-industrie en de cijfers met betrekking tot de organisatie van de laatste leidt tot duidelijk onderscheid hippische activiteiten voor recreatie van die van het fokken van een paardenrace, is het twijfelachtig dat de activiteiten hippische centra kunnen systematisch veredelingsactiviteiten en dus worden in verband met agrarische activiteiten.

32       In het licht van al deze elementen, stelt de Commissie dat zij niet kan worden beschouwd dat de paarden zijn een hele dieren die normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw. Ze gelooft het paard in het algemeen, en in het bijzonder het licht paard, dat staat voor de overgrote meerderheid van de paarden is meer bestemd voor andere doeleinden dan landbouw of voedsel, namelijk vrije tijd, sport, competitie en toepassingen de race.

33       De Franse Republiek wijst erop dat het gebruik van paarden in de landbouw bestrijkt een breed spectrum van activiteiten. Inderdaad, moet het begrip “eigendom van een normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw”, overeenkomstig punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn worden uitgelegd in het licht van andere relevante bepalingen van de wet van de Unie, en met name die van de richtlijn.

34       Deze lidstaat van oordeel is dat het fokken van paarden valt in de agrarische productie-activiteiten in het kader van de EU-wetgeving en de toepassing van een verlaagd BTW-tarief, onder punt 11 van bijlage III de btw-richtlijn moet betrekking hebben op alle activiteiten met betrekking tot het fokken van paarden.

35       De Franse Republiek wijst er in dit verband op dat bijlage VII van de btw-richtlijn bepaalt in punt 2, dat het fokken van dieren in verband met de exploitatie van de bodem is een agrarische productie activiteit, die noodzakelijkerwijs de paardenfokkerij.

36       In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, de term “landbouw samen met de exploitatie van de bodem” kan gelezen worden als alleen verwijzend naar het fokken van dieren die worden gebruikt voor de exploitatie van de grond.

37       Ook de Franse Republiek is van mening dat de verwijzing naar bijlage VII van de btw-richtlijn is niet alleen van belang bij het bepalen van de lijst van landbouwproducten als bedoeld in artikel 295 bedoelde productie-activiteiten, paragraaf 1 punt 4 van deze richtlijn, maar kan ook nuttig zijn voor de uitlegging van het begrip “agrarische productie” te zijn, voor zover het moeilijk zou zijn om te accepteren dat dit begrip verschillend geïnterpreteerd kunnen worden, afhankelijk van de vraag of de bepalingen van titel VIII van btw-richtlijn of de titel XII daarvan.

38       In dit verband heeft de instelling wijst erop dat artikel 38 VWEU omschrijft landbouwproducten als “de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, en primaire verwerking van producten die direct gerelateerd zijn aan deze producten “.

39       Zo is het fokken van paarden, met inbegrip van renpaarden, per se vallen voor gebruik in de landbouw in de zin van de btw-richtlijn.

40       Bovendien is het fokken van paarden beslaan een breed spectrum van activiteiten, die rechtstreeks voortvloeien uit de bijzondere kenmerken van het paard, die zouden moeten profiteren van dezelfde verlaagde BTW-tarief.

41       Deze activiteiten zouden met name de aankoop van hengsten en merries voor reproductieve doeleinden, het verrichten van diensten, zoals operaties boven of projectie, evenals paard terug te kopen tijdens hun groeicyclus, met inbegrip in maneges.

42       Tot slot, hippische activiteiten, zowel in maneges in de paardensport boerderijen, een bijdrage leveren, door de ontwikkeling van landschappen en de ontwikkeling van activiteiten op het platteland ze induceren in de doelen het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Beoordeling door het Hof

43       Wat in de eerste plaats de reikwijdte van paragraaf 1 van bijlage III van de btw-richtlijn, dient te worden opgemerkt dat deze bepaling machtigt de toepassing van een verlaagd btw-tarief voor levende dieren normaal bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen (Commissie / Oostenrijk, paragraaf 40).

44       Door het gebruik van het bijwoord “normaliter” in de tweede zin van deze paragraaf 1, de wetgever van de Unie bedoeld om dieren te verwijzen, gewoonlijk en over het algemeen bestemd zijn om gedurende de komende menselijke en dierlijke voedselketen (Commissie / Oostenrijk, paragraaf 41).

45       Bovendien, paarden niet gewoonlijk en algemeen bestemd voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen, hoewel sommige van hen ook daadwerkelijk worden gebruikt voor menselijke of dierlijke consumptie (Commissie / Oostenrijk paragraaf 42).

46       Said punt 1 niet toe dat een lidstaat een verlaagd btw-tarief van toepassing op alle leveringen van levende paarden, en ongeacht de bestemming van deze (Commissie / Nederland, reeds , paragraaf 59).

47       Wat in de tweede, het toepassingsgebied van punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn, dient te worden opgemerkt, in tegenstelling tot het argument van de Franse Republiek dat alle paard gerelateerde activiteiten moeten worden onderworpen aan een verlaagd BTW-tarief op grond van deze bepaling, die in de lidstaten, de paarden worden niet gebruikt op een regelmatige basis en in het algemeen in de landbouwproductie. Dit betekent dat een soortgelijke redenering dient te gelden voor die volgden in de punt 1 van de bijlage, namelijk dat alleen paarden leveringen of het verrichten van diensten met betrekking tot het oog op hun gebruik in de landbouw kan worden onderworpen aan een verlaagd BTW-tarief. Nog meer dan dit ene, aldus punt 11 maakt het dus mogelijk om een verlaagd BTW-tarief op alle transacties met paarden toe te passen (zie in die zin arrest Commissie / Nederland, paragraaf 65).

48       Partijen verschillen van mening over het concept van de levering van paarden of verlening van diensten in verband met het gebruik ervan in de landbouw.

49       Zoals de Commissie heeft erkend, kunnen de lidstaten, onder punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn, een verlaagd BTW-tarief voor transacties met betrekking tot paarden, voor culturele activiteiten , bosbouw en visserij, in de mate dat ze leveringen of diensten vormen voor gebruik in de landbouw.

50       Ook heeft de Commissie niet betwist dat de verwerving van hengsten en merries voor de voortplanting en activiteiten stijgt of projectie, kunnen profiteren van een verlaagd btw-tarief in de mate dat ze inputs boerderij voor paard boerderijen. Op de vraag tijdens de hoorzitting, verklaarde de Commissie dat het voordeel van deze verlaagde tarief geldt niet alleen voor het ontwerp van de boerderij met paarden, maar ook voor bedrijven van alle soorten paarden, met inbegrip van renpaarden.

51       Volgens de Franse Republiek, alle diensten die betrekking hebben op de boerderij met paarden, met inbegrip van paard terug te kopen binnen de hippische kringen tijdens de groeicyclus van deze, moeten ook profiteren van het verlaagde tarief van BTW.

52       Dit argument kan niet worden aanvaard.

53       Benadrukt moet worden, de eerste plaats, dat uit de bewoordingen van punt 11 van bijlage III van de btw-richtlijn dat het de lidstaten toestaat een verlaagd BTW-tarief niet van toepassing op de landbouwproductie zelf, maar alleen om de levering van goederen en van een type van de diensten om te worden gebruikt in de landbouwproductie, dat wil zeggen alleen voor leveringen of de landbouw.

54       Er zij aan herinnerd, toen, dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen die het karakter van een uitzondering op een beginsel strikt moeten worden uitgelegd (zie met name arresten van 12 december 1995 Oude Luttikhuis, C -399 / 93, Jurispr. blz. I-4515, paragraaf 23, en van 17 juni 2010, Commissie / Frankrijk, C-492/08, Jurispr. blz. I-5471, paragraaf 35). Nu, laat de toepassing van een verlaagd btw-tarief voor alle activiteiten die verband houden met het fokken van paarden zou inhouden behoud van een ruime interpretatie van paragraaf 11 van bijlage III.

55       In het bijzonder alle activiteiten in verband met paardenraces en activiteiten maneges in de competitie, sport, recreatie en toerisme, geen gebruik van paarden in de landbouwproductie in de zin van punt 11.

56       Bovendien is het feit dat de hippische activiteiten in het algemeen bijdragen aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in dat ze laten een verbetering van de landelijke landschappen en de ontwikkeling van activiteiten op het platteland kan onjuiste toepassing van de niet te rechtvaardigen btw-richtlijn.

57       Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief gegrond is.

De tweede grief

Argumenten van de partijen

58       In de tweede grief betoogt de Commissie dat de Franse administratieve praktijk van de toepassing van een verlaagd btw-tarief van 2,10%, een percentage onder het minimumtarief van 5% in artikel 99 van de btw-richtlijn , verkoop aan niet BTW-geregistreerde personen, dieren niet voor gebruik in vlees en worst bedoeld, en met name renpaarden, de concurrentie, licenties en rijden niet gedekt door de uitzondering van artikel 110 van de btw-richtlijn of in overeenstemming is met de artikelen 96 tot 99 en bijlage III daarvan.

59       Said administratieve praktijk zou inderdaad verder dan wat wordt vermeld in artikel 281 sexies van de CGI, reeds van kracht op 1 ste januari 1991, die voorziet in de toepassing van een verlaagd btw-tarief van 2,10% alleen te “leven de verkoop van vlees en worst,” termen die redelijkerwijs niet kan worden gekarakteriseerd paardachtigen, met inbegrip van paarden, die normaal bestemd zijn op het moment van de transactie, voor andere doeleinden dan voedsel.

60       De Commissie merkt op dat de administratieve documentatie DB 3 I-1326 verwijst naar “live-verkoop van vlees en worst, waaronder waardevolle paarden verkopen,” het gebruik van de uitdrukking “met inbegrip “wat betekent dat het duidelijk uitsluitend betrekking heeft op dieren die voor de slacht en de paarden niet voor een ander gebruik.

61       Verder wijst de Commissie erop dat, in ieder geval, de toepassing van de verlaagde tarieven is onderworpen, op grond van artikel 110 van de btw-richtlijn, onder bepaalde voorwaarden. Sterker nog, in aanvulling dat deze tarieven in moeten worden vastgesteld “overeenkomstig de communautaire wetgeving,” ze moeten worden “om duidelijk omschreven redenen van maatschappelijk belang en voor eindgebruikers.”

62       De Commissie is van oordeel dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 110 van de btw-richtlijn zijn cumulatief en dat ze kunnen worden in het geval van renpaarden verkoop, de concurrentie, manege of plezier, deze over het algemeen welzijn van hoogwaardige dieren, of van een bepaalde waarde, die niet aan een kritische maatschappelijke behoefte en die kunnen worden overgenomen door een zeer klein deel van de behoeften van de bevolking eigen land. De toepassing van een super verlaagde tarief niet gerechtvaardigd is om paard te verkopen voor gebruik in maneges, in het kader van sport of recreatieve activiteiten of voor hippische wedstrijd.

63       Tot slot merkt de Commissie op dat deze dieren niet in bijlage III van de btw-richtlijn zijn opgenomen.

64       De Franse Republiek stelt dat de voorwaarden van artikel 110 van de btw-richtlijn, die onderworpen is aan de toepassing van een verlaagd btw-tarief van 2,10% voor het paard verkopen aan personen die niet aan dit onderwerp gelegd belasting, wordt voldaan.

65       Deze lidstaat stelt in dit verband de eerste plaats dat in overeenstemming met de bepalingen van artikel 110 van de btw-richtlijn, de 1 ste januari 1991 paste hij dit verlaagde BTW-tarief van 2,10% voor de leveringen levende dieren voor vlees en worst aan personen die niet aan deze belasting onderworpen, met name wat betreft de paarden, waaronder die van hoge waarde.

66       Said verlaagd BTW-tarief, van kracht sinds 1 ste juli 1986 werd ingevoerd bij artikel 66 van de wet nr 85-1403 van 30 december 1985 betreffende de begrotingswet voor 1986, dat is de ontstaansgeschiedenis van artikel 281 sexies van de CGI en artikel 1 st van besluit nr 86-414 van 13 maart 1986.

67       De Commissie ten onrechte stelt dat de administratieve documentatie DB 3 I-1326, in werking op 1 ste november 1989, waarin wordt gesteld, in de sub-afdeling 6, B, over “equine sales,” het verlaagde tarief BTW van 2,10% geldt voor waardevolle paarden verkoop sinds 1 ste juli 1986 geldt alleen voor paarden die bestemd zijn voor de slacht en vleeswaren, niet bestemd voor een ander gebruik.

68       De Commissie herinnert er in dit verband op dat het begrip “voedseldieren en worst” wordt gedefinieerd in het Franse recht in artikel 65 A van bijlage III van de CGI, van besluit nr 51-1454 van 21 december 1951 en de wet nr 68-1043 van 29 november 1968 waarin wordt gesteld dat er onder de dieren van vlees en worst in het bijzonder onder meer paardachtigen zoals paarden en merries, ezels, muildieren en muilezels ezels en ezels, de ezels en hengsten. Dus, door de wet, de paarden zou worden bevestigd, in het algemeen, en ongeacht het daadwerkelijke gebruik gemaakt van hen in de categorie van dieren van vlees en worst.

69       In de tweede plaats zou het verlaagde btw-tarief van 2,10% in overeenstemming is met het EU-recht zijn, is de toepassing van een verlaagd tarief voor transacties met paarden is toegestaan op grond van de punten 1 en 11 van bijlage III van de btw-richtlijn.

70       In de derde plaats zou de maatregel sociale doelstellingen te richten door bij te dragen aan de ontwikkeling en diversificatie van de economische activiteiten op het platteland, diversificatie van de activiteiten en de bronnen van inkomsten voor de boeren, het onderhoud van de activiteit en de werkgelegenheid op het platteland en het behoud van ruimte en landschappen. De Franse Republiek merkt op dat de maneges zelf deel te nemen aan het fokken van paarden en direct bijdragen aan de diversificatie van de activiteiten op boerderijen en sympathiek beheer van de ruimte en landschappen.

71       Ten vierde, het verlaagde btw-tarief van 2,10% zou helpen de eindgebruiker, omdat het alleen van toepassing op personen die niet aan de btw onderworpen, dat wil zeggen tegen mensen die zijn niet in staat om deze belasting af te trekken wanneer deze uitgaven hecht.

72       Ierland, dat de Franse Republiek in haar argumenten ondersteund, benadrukte tijdens de hoorzitting dat de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de sociale redenen waarom een verlaagd BTW-tarief wordt goedgekeurd.

Beoordeling door het Hof

73       De Commissie betwist de uitslag in het Franse administratieve praktijk van een verlaagd BTW-tarief van 2,10% te verkopen aan personen die niet onderworpen aan de BTW, niet voor gebruik in vlees en worst bedoeld en met name renpaarden, licenties en de concurrentie arena.

74       Het verlaagde tarief van 2,10% lager is dan de in artikel 99 van de btw-richtlijn vastgestelde minimum, is het passend om te bepalen of, zoals gehandhaafd door de Franse Republiek, de voorwaarden van artikel 110 van die gelegd richtlijn wordt voldaan.

75       Zoals blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, de mogelijkheid voor de lidstaten om lager in dat artikel 99 vastgestelde minimum gereduceerd tarief van toepassing is onderworpen aan de bijeenkomst van de vier cumulatieve voorwaarden, met inbegrip van die waarin de verlaagde tarieven moeten voldoen aan de EU-wetgeving.

76       Zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste klacht, de toepassing van een verlaagd btw-tarief voor paarden leveringen als ze niet voor gebruik bij het bereiden van voedsel of de productie bestemd zijn landbouw in strijd met de artikelen 96 tot 99 en van bijlage III van de btw-richtlijn.

77       Daarom, zonder dat behoeft te worden onderzocht of de andere in artikel 110 van de btw-richtlijn vastgestelde voorwaarden is voldaan, is het duidelijk dat de afwijking in die bepaling van de omstreden regeling niet kan rechtvaardigen.

78       Hieruit volgt dat de tweede grief gegrond is.

79       Uit al het voorgaande volgt dat het beroep van de Commissie moet worden beschouwd als gegrond.

80       Er moet dan ook dat bij de toepassing van verlaagde btw-tarieven om verwante operaties paarden en in het bijzonder voor paarden, als ze niet normaal bestemd zijn voor gebruik bij voedselbereiding of landbouwproductie, de Franse Republiek de krachtens de artikelen 96 tot en met 99 van de btw-richtlijn op haar rustende verplichtingen, in samenhang met bijlage III.

kosten

81       Ingevolge artikel 69, paragraaf 2 van het reglement van orde, in het ongelijk gestelde partij in de kosten, indien processtukken. De Commissie heeft gevorderd en de Franse Republiek en het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in de kosten.

82       Ingevolge artikel 69, paragraaf 4, eerste paragraaf, van het reglement, Ierland, dat in het geding, haar eigen kosten dragen.

Om deze redenen, het Hof (Zevende kamer) verklaart:

1)       Bij de toepassing van verlaagd belastingtarief op de toegevoegde waarde gerelateerde bewerkingen paarden en in het bijzonder voor paarden, als ze niet normaal bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen of in de landbouw, Franse Republiek de krachtens de artikelen op haar rustende verplichtingen 96-99 van richtlijn 2006/112 / EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang met bijlage III.

2)       De Franse Republiek in de kosten.

3)       Ierland zal zijn eigen kosten dragen.

handtekeningen

ECLI:EU:C:2012:130

Getagd , , .