kattenvoer in bakje in de vorm van kattenhoofd huisdierenvoer brokjes voor de poes

HvJ 08-11-2018 C&D Foods Acquisition C-502/17

HvJ C&D Foods Acquisition arrest

De Deense vennootschap C&D Foods maakt deel uit van de internationale Arovit-groep. Vóór 1 maart 2007 was C&D Foods hoofdzakelijk actief als moedermaatschappij van Arovit Holding. Op die datum sloot C&D Foods met haar kleindochteronderneming Arovit Petfood (die op haar beurt de andere vennootschappen van de groep in handen had) een managementovereenkomst ter zake van de levering van diensten van beheer en IT. Op grond van deze overeenkomst factureerde de eerste van die twee ondernemingen maandelijks haar diensten aan de tweede op basis van het bedrag van haar personeelskosten, vermeerderd met 10 % plus btw.

Op 13 augustus 2008 werd de IJslandse kredietinstelling Kaupthing Bank eigenaar van de Arovit-groep tegen betaling van één euro wegens het niet-voldoen van betalingsverplichtingen op een verstrekte lening. Aangezien Kaupthing Bank voornemens was alle aandelen in Arovit Petfood te verkopen om niet langer de schuldeiser van die groep te zijn, sloot zij tussen december 2008 en maart 2009, voor rekening van C&D Foods, consultancyovereenkomsten in het kader van deze voorgenomen verkoop.

C&D Foods heeft de kosten in verband met deze voorgenomen verkoop in de loop van 2009 betaald en vervolgens de bijbehorende btw afgetrokken. Aangezien er geen potentiële koper was gevonden, werd het verkoopproces in de herfst of tegen het einde van 2009 beëindigd.

De Deense belastingdienst weigerde de btw-aftrek, onder meer omdat de uitgaven geen voldoende verband hielden met de belaste handelingen van C&D Foods. De Deense rechter twijfelde of een holdingmaatschappij recht heeft op aftrek van voorbelasting over de kosten van een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een kleindochteronderneming ten behoeve waarvan deze holdingmaatschappij diensten op het gebied van beheer en IT verricht. Daarom zijn prejudiciële vragen gesteld.

Een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen, die zijn uitsluitende directe oorzaak niet vindt in de belastbare economische activiteit van de betrokken vennootschap of die geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van deze economische activiteit vormt, valt volgens het HvJ niet binnen de werkingssfeer van de btw. De btw is dus niet aftrekbaar.

DictumArrestConclusieVerzoek

De artikelen 2, 9 en 168 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelstel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen als die in het hoofdgeding, die zijn uitsluitende directe oorzaak niet vindt in de belastbare economische activiteit van de betrokken vennootschap of die geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van deze economische activiteit vormt, niet binnen de werkingssfeer van de belasting over de toegevoegde waarde valt.

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

8 november 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Voorgenomen verkoop van aandelen in een kleindochteronderneming – Uitgaven voor diensten waarvan gebruik is gemaakt in verband met deze verkoop – Niet-gerealiseerde verkoop – Verzoek om aftrek van voorbelasting – Werkingssfeer van de btw”

In zaak C‑502/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Vestre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Westen van Denemarken) bij beslissing van 15 augustus 2017, ingekomen bij het Hof op 18 augustus 2017, in de procedure

C&D Foods Acquisition ApS

tegen

Skatteministeriet,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Arabadjiev en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        C&D Foods Acquisition ApS, vertegenwoordigd door T. Frøbert en K. Bastian, advokater,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Nymann-Lindegren als gemachtigde, bijgestaan door D. Auken, advokat,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en N. Gossement als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C&D Foods Acquisition ApS (hierna: „C&D Foods”) en het Skatteministerium (ministerie van Financiën, Denemarken) betreffende de weigering van laatstgenoemde om die vennootschap aftrek van de in een eerder stadium betaalde belasting over de toegevoegde waarde (btw) toe te staan in verband met consultancydiensten waarvan deze vennootschap gebruik heeft gemaakt in het kader van een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een kleindochteronderneming, ten behoeve waarvan C&D Foods diensten op het gebied van beheer en IT heeft verricht.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/112 bepaalt:

„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

[…]

c)      de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4        Artikel 9, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

„Als ‚belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ‚economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5        Artikel 168 van richtlijn 2006/112 bepaalt:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a)      de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

[…]”

Deens recht

6        Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding stonden de toepasselijke bepalingen van de momslov (btw‑wet) in geconsolideerde wet nr. 966 van 14 oktober 2005, zoals gewijzigd (hierna: „btw‑wet”).

7        § 3, lid 1, van de btw‑wet luidt:

„Belastingplichtig zijn natuurlijke en rechtspersonen die zelfstandig een economische activiteit verrichten.”

8        § 4, lid 1, van deze wet bepaalt:

„Als ,levering van een goed’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”

9        § 13, lid 1, punt 11, van deze wet luidt:

„De volgende goederen en diensten zijn van btw vrijgesteld:

11.      De volgende financiële verrichtingen:

[…]

e)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en andere documenten die bepaalde rechten toekennen, meer bepaald het gebruiksrecht, op onroerend goed, en van aandelen waarvan het bezit feitelijk of rechtens het eigendoms‑ of gebruiksrecht inzake een onroerend goed of een deel van een onroerend goed verleent.”

10      § 37, lid 1, van diezelfde wet luidt:

„De krachtens de §§ 47, 49, 51 of 51a ingeschreven ondernemingen kunnen bij het berekenen van de verschuldigde voorbelasting in de zin van § 56, lid 3, de in deze wet voorziene belasting op door de onderneming verrichte aankopen en handelingen met betrekking tot goederen en diensten die uitsluitend worden gebruikt voor niet van belasting vrijgestelde leveringen van de onderneming, in aftrek brengen op grond van § 13, met name voor leveringen in het buitenland, echter onder voorbehoud van lid 6.”

11      De verwijzende rechter zet uiteen dat volgens de praktijk van de SKAT (Deense douane‑ en belastingautoriteit), een moedermaatschappij (holding) die betrokken is bij het beheer van een dochteronderneming geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting over de consultancykosten die zijn gemaakt bij de verkoop van de aandelen die het kapitaal van die dochteronderneming vertegenwoordigen, zelfs in het geval van verkoop van al deze aandelen, aangezien een dergelijke verkoop krachtens § 13, lid 1, punt 11, onder e), van de btw‑wet is vrijgesteld.

12      Hoewel de eerdere verwerving en het bezit van aandelen in de dochteronderneming een economische activiteit vormde, is de SKAT van mening dat de verkoop door de holdingmaatschappij van de aandelen in de dochteronderneming een vrijgestelde handeling vormt. Bijgevolg is de voorbelasting over kosten in verband met de verkoop niet aftrekbaar.

13      Een recht op aftrek van de btw die in het kader van de verkoop van aandelen in een dochteronderneming over de consultancykosten is betaald, kan echter worden toegekend indien die kosten kunnen worden aangemerkt als onderdeel van de algemene kosten van de economische activiteit van de belastingplichtige. Daartoe is vereist dat de gemaakte kosten kunnen worden beschouwd als elementen van de prijs van de handelingen die worden verricht in het kader van de economische activiteit van die belastingplichtige. Indien deze kosten in de prijs van de verkochte aandelen kunnen worden opgenomen, wordt er echter geen recht op aftrek toegekend. Volgens de SKAT hangt het recht op aftrek af van een concrete beoordeling van de vraag of de gemaakte kosten kunnen worden opgenomen in de prijs van de verkochte aandelen, dan wel of zij uitsluitend deel uitmaken van de elementen van de prijs van de handelingen die inherent zijn aan de gehele economische activiteit van de belastingplichtige.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      De vennootschap naar Deens recht C&D Foods maakt deel uit van de internationale groep Arovit (hierna: „Arovit-groep”). Zij was de moedermaatschappij van Arovit Holding A/S, ook een vennootschap naar Deens recht, die volledig eigenaar was van Arovit Petfood, die op haar beurt de andere vennootschappen van de groep in handen had.

15      Vóór 1 maart 2007 was C&D Foods hoofdzakelijk actief als moedermaatschappij van Arovit Holding. Op die datum sloot C&D Foods met haar kleindochteronderneming Arovit Petfood een managementovereenkomst ter zake van de levering van diensten van beheer en IT. Op grond van deze overeenkomst factureerde de eerste van die twee ondernemingen maandelijks haar diensten aan de tweede op basis van het bedrag van haar personeelskosten, vermeerderd met 10 % plus btw.

16      Op 13 augustus 2008 werd de IJslandse kredietinstelling Kaupthing Bank eigenaar van de Arovit-groep tegen betaling van één euro omdat de toenmalige eigenaar van de groep zijn betalingsverplichtingen jegens Kaupthing Bank uit een hem toegekende lening niet nakwam. Aangezien Kaupthing Bank voornemens was alle aandelen in Arovit Petfood te verkopen om niet langer de schuldeiser van die groep te zijn, sloot zij tussen december 2008 en maart 2009, voor rekening van C&D Foods, consultancyovereenkomsten in het kader van deze voorgenomen verkoop (hierna: „litigieuze diensten”).

17      C&D Foods heeft de kosten in verband met deze voorgenomen verkoop in de loop van 2009 betaald en vervolgens de bijbehorende btw afgetrokken. Aangezien er geen potentiële koper was gevonden, werd het verkoopproces in de herfst of tegen het einde van 2009 beëindigd.

18      Bij beschikking van 26 januari 2012 weigerde de SKAT C&D Foods de btw-aftrek op uitgaven in verband met de litigieuze diensten toe te staan. Deze beschikking werd door de Landsskatteret (hoogste bestuurlijke instantie voor fiscale aangelegenheden, Denemarken) in stand gelaten, onder meer op grond dat deze uitgaven geen voldoende verband hielden met de belaste handelingen van C&D Foods.

19      C&D Foods heeft beroep ingesteld bij de Ret i Esbjerg (rechter in eerste aanleg Esbjerg, Denemarken), die de zaak wegens de principiële vragen die de zaak volgens hem opwerpt heeft verwezen naar de Vestre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Westen van Denemarken).

20      De Vestre Landsret twijfelt of een holdingmaatschappij recht heeft op aftrek van voorbelasting over de kosten van een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een kleindochteronderneming ten behoeve waarvan deze holdingmaatschappij diensten op het gebied van beheer en IT verricht.

21      De Vestre Landsret heeft de behandeling van de zaak dan ook geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 168 van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat een holdingmaatschappij in omstandigheden als in het hoofdgeding recht heeft op de volledige aftrek van de btw over de kosten van diensten in een eerder stadium die verband houden met ,due diligence’-onderzoeken die zijn uitgevoerd in het vooruitzicht van een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een dochteronderneming ten behoeve waarvan de holding btw-plichtige diensten op het gebied van beheer en IT verricht?

2)      Is het voor de beantwoording van de voorgaande vraag van belang dat de prijs voor de belaste diensten op het gebied van beheer en IT die de holdingmaatschappij in het kader van haar economische activiteiten verricht, een vast bedrag is dat overeenkomt met de loonkosten van de holdingmaatschappij, vermeerderd met 10 %?

3)      Ongeacht hoe de voorgaande vragen worden beantwoord: kan sprake zijn van een recht op aftrek van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde consultancykosten als algemene kosten en, zo ja, onder welke voorwaarden?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

22      In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat, volgens de verwijzende rechter, de gestelde vragen geen betrekking hebben op de vraag wie nu precies de schuldenaar was van de kosten in verband met de litigieuze diensten, maar alleen betrekking hebben op het recht op aftrek van de btw in verband met die kosten in omstandigheden als die van het hoofdgeding.

23      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 16 van haar conclusie, volgens artikel 168 van richtlijn 2006/112 het recht op aftrek veronderstelt dat de belastingplichtige de ontvanger is van de betrokken goederen of diensten.

24      In het hoofdgeding blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat Kaupthing Bank ter voorbereiding van de verkoop van aandelen in Arovit Petfood, voor rekening van C&D Foods om consultancydiensten heeft gevraagd. Het was de bedoeling dat Kaupthing Bank met de opbrengst van deze voorgenomen verkoop niet langer de schuldeiser van de Arovit-groep zou zijn.

25      Aangezien uit de prejudiciële verwijzing naar voren komt dat C&D Foods de ontvangster van ten minste een deel van de betrokken litigieuze diensten is en de verwijzende rechter bovendien heeft uiteengezet waarom hij de beantwoording van de gestelde vragen noodzakelijk acht, blijken die vragen niet hypothetisch van aard te zijn.

26      Om vervolgens de gestelde vragen te beantwoorden, moet vooraf worden bepaald of een verkoop van aandelen als aan de orde in het hoofdgeding, een economische activiteit vormt die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/112 valt.

27      Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of de artikelen 2, 9 en 168 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen als die in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/112 valt en dat, indien dit het geval is, moet worden nagegaan of deze bepalingen een vennootschap het recht op aftrek van de voorbelasting verlenen over uitgaven die zijn gemaakt in het kader van de verkoop van aandelen in een kleindochteronderneming waarvoor die vennootschap aan btw onderworpen managementdiensten verricht, terwijl het voornemen bestaat de opbrengst van deze verkoop te bestemmen voor de terugbetaling van een schuld en, in voorkomend geval, wat de omvang is van die aftrek.

28      Vooraf moet worden vastgesteld dat bij richtlijn 2006/112, die op 1 januari 2007 in werking is getreden, de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), is ingetrokken zonder dat daarbij inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van laatstgenoemde richtlijn. De relevante bepalingen van richtlijn 2006/112 hebben in wezen dezelfde draagwijdte als de bepalingen van de Zesde richtlijn (77/388), zodat de rechtspraak van het Hof inzake deze richtlijn ook geldt voor richtlijn 2006/112.

29      Uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/112, waarin de werkingssfeer van de btw is bepaald, volgt dat in de lidstaten binnenslands enkel de activiteiten met een economisch karakter aan deze belasting zijn onderworpen. Krachtens artikel 9 van deze richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Bovendien blijkt uit artikel 9 dat het begrip economische activiteit betrekking heeft op alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, en meer in het bijzonder op de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie in die zin arrest van 29 oktober 2009, SKF, C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 27).

30      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een vennootschap wier enig doel erin bestaat een deelneming te nemen in andere vennootschappen, zonder dat zij zich direct of indirect mengt in het beheer van die vennootschappen, niet de hoedanigheid van btw-plichtige in de zin van artikel 9 van richtlijn 2006/112 heeft en evenmin recht op aftrek volgens artikel 168 van die richtlijn geniet. De enkele aankoop en het enkele aanhouden van aandelen vormen op zich namelijk geen economische activiteit in de zin van richtlijn 2006/112, die de aankoper of houder de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen; deze handelingen zijn namelijk geen exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat de enige opbrengst ervan voortspruit uit eventuele winst bij de verkoop van deze aandelen (zie in die zin arresten van 29 oktober 2009, SKF, C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 oktober 2018, Ryanair, C‑249/17, EU:C:2018:834, punt 16).

31      In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat alleen betalingen die de tegenprestatie van een handeling of van een economische activiteit vormen, binnen de werkingssfeer van de btw vallen en dat zulks niet het geval is voor die welke voortvloeien uit de enkele eigendom van de zaak, zoals het geval is met dividenden en andere opbrengsten uit aandelen (arrest van 29 oktober 2009, SKF, C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Volgens het Hof ligt dit evenwel anders wanneer een financiële deelneming in een andere vennootschap gepaard gaat met een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschap waarin wordt deelgenomen, onverminderd de rechten die de houder van de deelneming als aandeelhouder of vennoot heeft, daar een dergelijke inmenging gepaard gaat met handelingen die op grond van artikel 2 van richtlijn 2006/112 aan btw zijn onderworpen, zoals het verrichten van administratieve, boekhoudkundige en informaticadiensten (zie in die zin arrest van 29 oktober 2009, SKF, C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Voorts vallen handelingen inzake aandelen of deelnemingen in een vennootschap blijkens de rechtspraak van het Hof binnen de werkingssfeer van de btw wanneer zij worden verricht in het kader van een bedrijfsmatig handelen in effecten dan wel met het oog op een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, of wanneer zij het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit vormen (arrest van 29 oktober 2009, SKF, C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Wat betreft de vraag of de uitgaven in verband met een aandelenoverdracht binnen de werkingssfeer van de btw vallen, zij eraan herinnerd dat het Hof de vraag betreffende de uitgaven die zijn gedaan door een moedermaatschappij in het kader van een verkoop van de aandelen in een dochtermaatschappij en in een gecontroleerde vennootschap waaraan eerstgenoemde vennootschap, als moedermaatschappij, met btw belaste diensten leverde, al heeft moeten onderzoeken in zijn arrest van 29 oktober 2009, SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665).

35      Het Hof heeft in punt 33 van het arrest van 29 oktober 2009, SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665), opgemerkt dat in een dergelijke context een aandelenoverdracht met het oog op de herstructurering van een groep vennootschappen door de moedermaatschappij van die groep, kon worden beschouwd als een handeling die bestaat in het verkrijgen van duurzame opbrengsten uit activiteiten die verder gaan dan de enkele verkoop van aandelen. Het Hof heeft derhalve geoordeeld dat deze handeling rechtstreeks samenhing met de organisatie van de activiteit van de groep en dus het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit van de belastingplichtige vormde en daarmee binnen de werkingssfeer van de btw viel.

36      Daarenboven blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat aan de hand van hun objectieve inhoud moet worden nagegaan of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gebruikte goederen of diensten en een belastbare handeling in een later stadium of, bij wijze van uitzondering, een belastbare handeling in een eerder stadium (arrest van 21 februari 2013, Becker, C‑104/12, EU:C:2013:99, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      Het Hof heeft er in dit verband op gewezen dat rekening moet worden gehouden met de uitsluitende oorzaak van de betrokken handeling, die moet worden beschouwd als een criterium ter bepaling van de objectieve inhoud. Wanneer vaststaat dat een handeling niet ten behoeve van de belastbare activiteit van een belastingplichtige is verricht, kan niet worden aangenomen dat tussen deze handeling en deze activiteit een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat in de zin van de rechtspraak van het Hof, ook al is deze handeling gelet op de objectieve inhoud ervan aan de btw onderworpen (arrest van 21 februari 2013, Becker, C‑104/12, EU:C:2013:99, punt 29).

38      Hieruit volgt dat, wil een aandelenoverdracht binnen de werkingssfeer van de btw kunnen vallen, deze handeling haar uitsluitende directe oorzaak in beginsel moet hebben in een belastbare economische activiteit van de betrokken moedermaatschappij of het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van die activiteit moet vormen. Dit is het geval wanneer die handeling wordt verricht met het oogmerk om de opbrengst van die verkoop rechtstreeks toe te wijzen aan de belastbare economische activiteit van de betrokken moedermaatschappij of aan de economische activiteit van de groep waarvan zij de moedermaatschappij is.

39      In dit geval blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de aandelenoverdracht als aan de orde in het hoofdgeding tot doel had de opbrengst van die overdracht te gebruiken voor het aflossen van de schulden jegens Kaupthing Bank, de nieuwe eigenaar van de Arovit-groep. Een dergelijke verkoop kan, zoals uiteengezet in het vorige punt, noch worden beschouwd als een handeling die haar uitsluitende directe oorzaak in de belastbare economische activiteit van C&D Foods heeft, noch als een handeling die het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare economische activiteit van deze vennootschap vormt. In deze omstandigheden vormt een dergelijke overdracht geen handeling die bestaat in het verkrijgen van duurzame opbrengsten uit activiteiten die verder gaan dan de enkele verkoop van aandelen, en valt bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van de btw. Hieruit volgt dat de btw over de litigieuze diensten niet aftrekbaar is.

40      Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de enkele omstandigheid dat een eventuele verkoop van aandelen in Arovit Petfood zou hebben geleid tot de overdracht van de diensten op het gebied van beheer en IT die door C&D Foods voor deze eerste vennootschap werden verricht. Uit het dossier voor het Hof blijkt immers dat Kaupthing Bank in ieder geval voornemens was de aandelen in Arovit Petfood te verkopen. Aldus blijkt dat de uitgaven in verband met de litigieuze diensten toch zouden zijn gemaakt, zelfs als C&D Foods geen diensten op het gebied van beheer en IT aan Arovit Petfood had geleverd. Een eventuele overdracht van de diensten aan de orde in het hoofdgeding kan zijn uitsluitende directe oorzaak dus niet vinden in de economische activiteit van C&D Foods.

41      Ten slotte moet ook worden benadrukt dat evenmin aan deze conclusie wordt afgedaan door het feit dat de voorgenomen overdracht niet is gerealiseerd. In deze context is immers van belang dat indien deze overdracht had plaatsgevonden, de uitgaven in verband met de litigieuze diensten in ieder geval niet binnen de werkingssfeer van de btw zouden zijn gevallen en dus geen recht op aftrek hadden kunnen doen ontstaan.

42      Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 2, 9 en 168 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen als die in het hoofdgeding, die zijn uitsluitende directe oorzaak niet vindt in de belastbare economische activiteit van de betrokken vennootschap of die geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van deze economische activiteit vormt, niet binnen de werkingssfeer van de btw valt.

Kosten

43      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 2, 9 en 168 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelstel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen als die in het hoofdgeding, die zijn uitsluitende directe oorzaak niet vindt in de belastbare economische activiteit van de betrokken vennootschap of die geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van deze economische activiteit vormt, niet binnen de werkingssfeer van de belasting over de toegevoegde waarde valt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Deens.

ECLI:EU:C:2018:888

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 6 september 2018 (1)

Zaak C‑502/17

C&D Foods Acquisition ApS

tegen

Skatteministeriet

[verzoek van de Vestre Landsret (rechter in tweede aanleg voor West-Denemarken) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Holdingmaatschappij – Aftrek van voorbelasting – Uitgaven voor diensten waarvan gebruik is gemaakt in verband met de voorgenomen verkoop van aandelen in een dochteronderneming”

 

I.      Inleiding

1.        Het Hof heeft zich reeds herhaaldelijk uitgesproken over het recht van een holdingmaatschappij op aftrek van de voorbelasting in verband met de verwerving van aandelen in een vennootschap.(2) In het onderhavige geval is het spiegelbeeld van een dergelijke transactie te zien, namelijk de vervreemding van vennootschapsaandelen door een holdingmaatschappij. Deze feitelijke constellatie is tot dusver minder vaak in de kijker gekomen.(3)

2.        In deze procedure heeft het Hof derhalve de gelegenheid zijn rechtspraak inzake het recht op btw-aftrek van holdingmaatschappijen te verfijnen. Met name kan thans ook worden verduidelijkt onder welke voorwaarden sprake is van een voor de btw-aftrek vereist rechtstreeks en onmiddellijk verband met een specifieke in een later stadium verrichte handeling.

II.    Toepasselijke bepalingen

3.        Op Unierechtelijk niveau zijn de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG (hierna: „btw-richtlijn”) van toepassing.(4)

4.        Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:

„Als ,belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ,economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5.        Artikel 135 van de btw-richtlijn bepaalt onder meer:

„1.      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

d)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten of effecten; […]”

6.        Overeenkomstig artikel 167 van de btw-richtlijn ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. Artikel 168 bepaalt het volgende:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a)      de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

[…]”

7.        De relevante nationale rechtsvoorschriften zijn te vinden in Lovbekendtgørelse nr. 966 van 14 oktober 2005 (btw-wet), zoals van toepassing in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvak.

III. Feiten en hoofdgeding

8.        De Deense vennootschap C&D Foods maakt deel uit van de internationale groep Arovit. C&D Foods hield gedurende het in het hoofdgeding relevante tijdvak 100 % van de aandelen in Arovit Holding, die op haar beurt alle aandelen in Arovit Petfood in handen had. Tot de groep behoren nog eens 13 in verschillende Europese landen gevestigde vennootschappen waarvan de aandelen in handen zijn van Arovit Petfood.

9.        Vanaf 2007 verrichtte C&D Foods ten behoeve van haar kleindochter, Arovit Petfood, op basis van een managementovereenkomst verschillende aan btw onderworpen diensten op het gebied van beheer en IT, waaronder boekhouding, crediteuren‑ en debiteurenadministratie en budgettering. Als vergoeding ontving C&D Foods een bedrag dat overeenkwam met de loonkosten, vermeerderd met een winstmarge van 10 % en de Deense btw tegen het tarief van 25 %. Wat de andere vennootschappen van de groep aangaat, bleef de rol van C&D Foods beperkt tot het bezit van de aandelen in die vennootschappen.

10.      In 2009 verwierf de IJslandse financiële instelling Kaupthing Bank de groep Arovit, die in economische moeilijkheden was verzeild. Kaupthing Bank gaf verschillende accountantskantoren en het advocatenkantoor Holst Advokater opdracht te onderzoeken in hoeverre een herstructurering van de groep Arovit mogelijk was. In deze context sloot Kaupthing Bank consultancyovereenkomsten met de betrokken adviseurs, wier honoraria, vermeerderd met btw, betaald werden door C&D Foods.

11.      In het kader van dat onderzoek werd door Holst Advokater ten behoeve van C&D Foods ook ten minste één ontwerpovereenkomst opgesteld voor de verkoop van de aandelen van C&D Foods in Arovit Holding en Arovit Petfood aan een destijds niet bij naam genoemde koper. Voor die consultancywerkzaamheden factureerde Holst Advokater aan C&D Foods het dienovereenkomstige honorarium vermeerderd met btw. Van het voornemen om de aandelen te verkopen werd in de herfst van 2009 echter afgezien omdat geen koper kon worden gevonden.

12.      C&D Foods verzocht om aftrek van de aan Holst Advokater en de accountantskantoren over het honorarium betaalde btw. Zowel de SKAT (Deense douane‑ en belastingautoriteit) als, nadat administratief beroep was ingesteld, de Landsskatteret (hoogste bestuurlijke instantie voor fiscale aangelegenheden, Denemarken) weigerde echter de aftrek van de btw. Ter motivering voerden zij aan dat de consultancydiensten niet waren verricht ten behoeve van C&D Foods en voorts dat voor de uitgaven niet was voldaan aan het vereiste dat zij verband houden met de belaste handelingen van C&D Foods in een later stadium.

13.      Tegen deze beslissingen heeft C&D Foods beroep in rechte ingesteld, dat gezien het fundamentele belang ervan in eerste aanleg aanhangig is bij de Vestre Landsret (rechter in tweede aanleg voor West-Denemarken). Bij beslissing van 15 augustus 2017, ingekomen ter griffie van het Hof op 18 augustus 2017, heeft de Vestre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)       Moet artikel 168 van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat een holdingmaatschappij in omstandigheden als in het hoofdgeding recht heeft op de volledige aftrek van de btw over de kosten van diensten in een eerder stadium die verband houden met ‚due diligence’-onderzoeken die zijn uitgevoerd in het vooruitzicht van een voorgenomen, maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een dochteronderneming ten behoeve waarvan de holding belaste diensten op het gebied van beheer en IT verricht?

2)       Is het voor de beantwoording van de voorgaande vraag van belang dat de prijs voor de belaste diensten op het gebied van beheer en IT die de holdingmaatschappij in het kader van haar economische activiteiten verricht, een vast bedrag is dat overeenkomt met de loonkosten van de holdingmaatschappij, vermeerderd met een winstmarge van 10 %?

3)       Ongeacht hoe de voorgaande vraag wordt beantwoord: kan sprake zijn van een recht op aftrek van voorbelasting over de in het hoofdgeding aan de orde zijnde consultancykosten als algemene kosten en, zo ja, onder welke voorwaarden?”

14.      In de procedure voor het Hof hebben het Koninkrijk Denemarken en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.

IV.    Juridische beoordeling

15.      Met zijn drie vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een holdingmaatschappij die een economische activiteit uitoefent, recht heeft op aftrek van de voorbelasting over uitgaven in verband met de voorgenomen vervreemding van aandelen. De economische activiteit van de holdingmaatschappij bestaat met name in het verrichten van managementdiensten ten behoeve van haar kleindochter(5), waarvan de aandelen samen met die van de dochteronderneming zouden worden verkocht.

A.      Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

16.      Een belastingplichtige heeft volgens artikel 168 van de btw-richtlijn recht op btw-aftrek voor zover de goederen en diensten waarover btw is geheven worden gebruikt voor zijn belaste handelingen. Voorwaarde is dat de belastingplichtige de ontvanger is van de betrokken goederen en diensten.(6) Dat betekent dat C&D Foods slechts recht heeft op aftrek van de btw die is betaald in verband met consultancydiensten waarvan zij zelf de ontvangster was. Het is daarentegen a priori uitgesloten dat C&D Foods de btw in aftrek brengt die in rekening is gebracht over de ten behoeve van Kaupthing Bank verrichte diensten.

17.      Weliswaar merkt de verwijzende rechter op dat zijn verzoek om een prejudiciële beslissing niet ziet op de vraag wie in feite uiteindelijk de uitgaven heeft gedragen voor de consultancykosten waarover btw in rekening is gebracht. Het Hof is inderdaad niet bevoegd om uitspraak te doen op hypothetische prejudiciële vragen.(7) De hierna volgende overwegingen hebben derhalve uitsluitend betrekking op de aftrek van de aan Holst Advokater betaalde voorbelasting, aangezien enkel voor dit geval uit de prejudiciële verwijzing duidelijk blijkt dat C&D Foods de ontvangster van de consultancydiensten was.

B.      Beantwoording van de prejudiciële vragen

18.      De eerste prejudiciële vraag heeft in het algemeen betrekking op het recht van C&D Foods op aftrek van de voorbelasting die in rekening is gebracht over de consultancydiensten van Holst Advokater waarvan gebruik is gemaakt in verband met de voorgenomen verkoop van de aandelen in Arovit Petfood.

19.      De tweede en de derde prejudiciële vraag zien meer in het bijzonder op het „rechtstreekse en onmiddellijke verband” tussen de betrokken uitgaven en de concrete respectievelijk voorgenomen handelingen in een later stadium, dat wil zeggen de handelingen in het kader van de managementovereenkomst met Arovit Petfood respectievelijk de voorgenomen aandelenverkoop.

20.      Aangezien het verband met de economische activiteit een voorwaarde is voor het in de eerste vraag aan de orde gestelde recht op btw-aftrek, dienen de drie prejudiciële vragen gezamenlijk te worden beantwoord.

21.      De twijfels van de verwijzende rechter omtrent het recht op btw-aftrek van C&D Foods worden in wezen ingegeven door twee overwegingen.

22.      Allereerst is het de vraag of de voorgenomen aandelenverkoop überhaupt kan worden beschouwd als een economische activiteit en dus binnen de werkingssfeer van de btw valt [zie onder 1)]. Vervolgens rijst de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, kan worden bevestigd dat de handelingen in een eerder stadium rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met een belaste activiteit. Indien de handelingen in een eerder stadium rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met een vrijgestelde handeling, bestaat immers ook geen recht op aftrek van de voorbelasting [zie onder 2)].

23.      Subsidiair zal ik ten slotte nog onderzoeken onder welke omstandigheden een verband met de algehele economische activiteit van C&D Foods moet worden vastgesteld [zie onder 3)].

1.      De verkoop van de aandelen in Arovit Petfood als een economische activiteit

24.      Het enkele verwerven en houden van deelnemingen in andere ondernemingen vormt volgens vaste rechtspraak van het Hof geen economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn.(8) Dit geldt echter niet voor een situatie waarin de verwerving respectievelijk het houden van de aandelen geschiedt met het oog op de directe of indirecte inmenging in het beheer van de onderneming.(9) Typische vormen van inmenging in het beheer van een onderneming zijn volgens de rechtspraak administratieve, financiële of commerciële diensten (zogenoemde managementdiensten).(10)

25.      Het verrichten van managementdiensten moet ook in een situatie als in het hoofdgeding, waarin nog een zogenaamde tussenholding bestaat, worden aangemerkt als een economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn. Doorslaggevend voor de kwalificatie als een economische activiteit is namelijk het gegeven dat C&D Foods belaste handelingen verricht. Dit blijkt duidelijk uit het recente arrest van het Hof in de zaak Marle Participations.(11)

26.      De hierboven uiteengezette beginselen zijn volgens de rechtspraak van het Hof ook van toepassing op gevallen van vervreemding van deelnemingen waarmee de belaste inmenging in het beheer van de dochteronderneming weer wordt beëindigd.(12)

27.      Weliswaar vormt de verkoop van vennootschapsaandelen op zich geen economische activiteit. Doch de beëindiging en het begin van een economische activiteit moeten volgens de rechtspraak met het oog op de fiscale neutraliteit gelijk worden behandeld.(13) Zoals de verwerving van aandelen onder bepaalde omstandigheden een handeling kan zijn ter voorbereiding van een economische activiteit die binnen de werkingssfeer van de btw valt, moet dit ook gelden voor de verkoop van aandelen waarmee een economische activiteit wordt beëindigd. Anders zou een willekeurig onderscheid tussen beide scenario’s worden gemaakt.(14) Die gedachte is ook door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt.

28.      Specifiek met betrekking tot de verkoop van vennootschapsaandelen heeft het Hof in de zaak SKF bevestigd dat een holdingmaatschappij die door de vervreemding van al haar aandelen in een dochteronderneming haar deelneming in die dochteronderneming had beëindigd, een economische activiteit had verricht.(15) Daarmee kwam namelijk ook een einde aan de economische activiteit die daaraan voorafgaand had bestaan in het verrichten van managementdiensten ten behoeve van die dochteronderneming.(16)

29.      Een soortgelijke situatie ligt ten grondslag aan het hoofdgeding: door de verkoop van de aandelen in Arovit Holding met de aandelen in Arovit Petfood beoogde C&D Foods namelijk haar economische activiteit, bestaande in het verrichten van belaste managementdiensten ten behoeve van Arovit Petfood, te beëindigen.

30.      Aan deze vaststelling wordt evenmin afbreuk gedaan door het feit dat de opbrengst uit de aandelenverkoop volgens de plannen zou worden gebruikt om schulden af te lossen bij de nieuwe eigenaar van de groep, Kaupthing Bank, terwijl de zaak SKF betrekking had op de herstructurering van de ondernemingsgroep. Anders dan in de zaak SKF waren dus in het hoofdgeding geen toekomstige belaste handelingen meer gepland. Dit is echter om de volgende drie redenen niet relevant.

31.      Ten eerste heeft het Hof verduidelijkt dat het recht op aftrek van voorbelasting zelfs dan bestaat wanneer de belastingplichtige, na gebruik te hebben gemaakt van de betrokken diensten, geheel geen handelingen meer verricht omdat hij zijn economische activiteit definitief staakt.(17) Dit dient dus ook te gelden voor een situatie waarin de belastingplichtige de tegenprestatie voor zijn handelingen waarmee zijn economische activiteit wordt beëindigd, gebruikt om schulden af te lossen.

32.      Ten tweede moet het begrip economische activiteit – net als andere begrippen die de volgens de btw-richtlijn belastbare handelingen omschrijven – objectief worden gedefinieerd(18) en is het uiteindelijke doel dat een belastingplichtige met een uitgave nastreeft, dus niet relevant.(19) Om welke economische redenen een belastingplichtige een handeling verricht, kan derhalve niet doorslaggevend zijn.

33.      Ten derde kan evenmin uit het arrest in de zaak BLP Group worden opgemaakt dat bij handelingen die worden verricht met het oog op de aflossing van schulden, een recht op aftrek van voorbelasting algemeen zou zijn uitgesloten.

34.      In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had een holdingmaatschappij aandelen verkocht in een dochteronderneming ten behoeve waarvan zij geen belaste handelingen verrichtte. BLP Group betoogde dat een verband met haar andere belaste activiteiten bestond voor zover zij de opbrengst van de aandelenverkoop zou gebruiken om schulden af te lossen en daardoor indirect haar overige economische activiteiten te versterken. Dat argument werd door het Hof echter niet aanvaard. Dat het Hof het recht op aftrek van voorbelasting niet erkende, hield dus geen verband met het feit dat de opbrengst zou worden gebruikt voor de aflossing van schulden, maar met het feit dat er geen sprake was van een rechtstreeks en onmiddellijk verband met een belaste activiteit.(20)

35.      Uit het voorgaande volgt dat de voorgenomen aandelenverkoop in omstandigheden als in het hoofdgeding – namelijk met het doel een belaste activiteit te beëindigen – moet worden beschouwd als een economische activiteit en dus binnen de werkingssfeer van de btw valt.

2.      Rechtstreeks en onmiddellijk verband met een belaste activiteit?

36.      Recht op aftrek van de voorbelasting bestaat echter uitsluitend voor uitgaven die rechtstreeks en onmiddellijk verband(21) houden met een belaste handeling in een later stadium. Volgens de rechtspraak van het Hof hangen dergelijke uitgaven rechtstreeks en onmiddellijk samen met bepaalde handelingen in een later stadium voor zover ze in de prijs ervan zijn opgenomen.(22) Daarnaast kan de aftrek van voorbelasting geldend worden gemaakt voor de algemene kosten van een onderneming die in de prijs van alle producten van die onderneming zijn verrekend.(23)

37.      In de regel(24) bestaat echter geen recht op btw-aftrek wanneer sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband met een vrijgestelde activiteit.(25)

38.      Nu bepaalt artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn echter dat de lidstaten vrijstelling dienen te verlenen voor „handelingen […] inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren”. Die bepaling is door artikel 13, lid 1, punt 11, van de Deense btw-wet omgezet in nationaal recht.

39.      Onder deze Unierechtelijke bepaling vallen volgens de rechtspraak van het Hof handelingen die de rechten en verplichtingen van de partijen inzake waardepapieren kunnen doen ontstaan, wijzigen of doen tenietgaan, maar die verder gaan dan het enkele (op zichzelf staand) verwerven en verkopen van waardepapieren, hetgeen helemaal niet als een economische activiteit kan worden beschouwd.(26) Zoals reeds uiteengezet, is dit bij de in het hoofdgeding voorgenomen verkoop van de aandelen in Arovit Petfood het geval.(27)

40.      Dat betekent dat de voorgenomen handeling volgens artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn zou zijn vrijgesteld van btw.

41.      Derhalve moet worden onderzocht of de betrokken consultancydiensten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de voorgenomen vrijgestelde handeling.

42.      Het is niet altijd mogelijk een concrete handeling in een later stadium af te bakenen van de overige handelingen die de algehele economische activiteit van een belastingplichtige uitmaken. Is dat wel het geval, dan dient om te beginnen het rechtstreekse en onmiddellijke verband met deze specifieke handeling onder de loep te worden genomen.(28) Pas daarna moet worden onderzocht of de betrokken uitgaven als kostenelement van alle diensten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele economische activiteit van de onderneming (de zogenoemde algemene kosten).

43.      In geval van een aandelenvervreemding hanteert het Hof voor de vaststelling of een handeling in een eerder stadium rechtstreeks en onmiddellijk verband houdt met die transactie, het criterium dat de gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de aandelen of deelnemingen.(29)

44.      Tegen die achtergrond is de verwijzende rechter kennelijk van oordeel dat geen rechtstreeks en onmiddellijk verband met de voorgenomen aandelenverkoop kan worden gelegd, omdat de kosten van de consultancydiensten geen gevolgen konden hebben voor de prijs van de aandelen. Derhalve vraagt hij in de tweede en de derde vraag meteen onder welke omstandigheden de uitgaven voor de consultancydiensten als algemene kosten kunnen worden aangemerkt.

45.      Relevant in deze context is dat de vaststelling van het Hof dat de gedane uitgaven hun neerslag moeten vinden in de prijs van de aandelen, echter niet betekent dat een daadwerkelijke prijsverhoging vereist is, bijvoorbeeld doordat een bepaald bedrag bij de verkoopprijs wordt opgeteld.

46.       Het voorbeeld van beursgenoteerde aandelenvennootschappen is in dit opzicht bijzonder illustratief: de aandelenkoers wordt daar namelijk in de regel bepaald aan de hand van de actuele beurskoers en niet door onderhandelingen tussen verkoper en koper. Daarom moet de vaststelling van het Hof aldus worden opgevat dat de uitgaven een direct negatief effect moeten hebben op de winst uit een specifieke aandelentransactie en niet alleen op de totale winst van de onderneming. De handelingen in een eerder stadium moeten derhalve zo nauw verband houden met de aandelenverkoop dat zij uit economisch oogpunt rechtstreeks een kostenelement van de voorgenomen handeling vormen.

47.      Bovendien kan – anders dan C&D Foods aanvoert – niet louter op grond van het feit dat de verkoop uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, worden uitgesloten dat er een verband bestaat met de vrijgestelde aandelenverkoop. Aangezien wordt erkend dat voorbereidende handelingen als een economische activiteit kunnen worden beschouwd, is in dergelijke gevallen namelijk ook in het kader van de aftrek van voorbelasting het verband met de voorgenomen handelingen in een later stadium doorslaggevend.(30)

48.      Een dergelijk verband bestaat kennelijk wel degelijk tussen de door de Holst Advokater verrichte consultancydiensten en de voorgenomen verkoop van de aandelen in Arovit Petfood – hetgeen ook door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen wordt benadrukt. Het door Holst Advokater verstrekte advies had namelijk juist betrekking op een ontwerpovereenkomst voor de aandelenverkoop. Dat impliceert dat de uitgaven voor de betrokken diensten zeer rechtstreeks verband hielden met de voorgenomen vrijgestelde handeling.

49.      Aan de toepasselijkheid van die beoordelingsmaatstaf wordt evenmin afbreuk gedaan door het arrest Iberdrola, waarin het Hof met betrekking tot de rechtstreeksheid van de samenhang is uitgegaan van een uiterst ruime maatstaf. In die context heeft het Hof echter geen uitspraak gedaan over de toerekening aan een specifieke handeling in een later stadium: de uitspraak van het Hof had uitsluitend betrekking op het verband met de algehele economische activiteit van de belastingplichtige.(31)

50.      Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van deze overwegingen vast te stellen(32) of de betrokken consultancydiensten rechtstreeks en onmiddellijk verband hielden met de krachtens artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn vrijgestelde verkoop van de aandelen in Arovit Petfood. In dat geval heeft C&D Foods geen recht op aftrek van de voorbelasting.

3.      Verband met de algehele economische activiteit

51.      Slechts voor het geval dat de verwijzende rechter geen rechtstreeks en onmiddellijk verband met de vrijgestelde handelingen in verband met de voorgenomen aandelenverkoop kan vaststellen, moet worden onderzocht of er een verband bestaat met de algehele economische activiteit van de onderneming.(33) Dit wordt ook door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen onderstreept.

52.      In die context zijn in wezen dezelfde beginselen van toepassing. In zoverre het Hof namelijk ook voor de aftrekbaarheid van voorbelasting in de context van de algemene kosten verlangt dat de kosten voor de handelingen in een eerder stadium zijn verrekend in de prijzen van de door de belastingplichtige geleverde goederen of verrichte diensten(34), impliceert dit niet dat de prijzen per se rekenkundig moeten worden verhoogd. Het Hof heeft op deze wijze veeleer het vereiste van een economische samenhang tussen handelingen in een eerder en in een later stadium verduidelijkt.(35)

53.      Voor een dergelijke samenhang is echter geen daadwerkelijke prijsverhoging vereist, doch enkel dat bepaalde uitgaven behoren tot de elementen die de prijs van het gehele aanbod van goederen of diensten van de belastingplichtige bepalen. Hierop heeft ook de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen de nadruk gelegd. Doorslaggevend is dus enkel dat de handelingen in een eerder stadium economisch en objectief in verband staan met de belaste activiteit(36), bijvoorbeeld omdat de omvang van de winst ervan afhangt.

54.      Een andere oplossing zou erop neerkomen dat een belastingplichtige die zijn prijzen bij een kostenstijging niet wil of kan verhogen, het recht op aftrek wordt geweigerd. Een en ander zou duidelijk haaks staan op het neutraliteitsbeginsel.

55.      Dat betekent dat ook niets anders kan gelden voor de in de tweede prejudiciële vraag aan de orde gestelde specifieke feitelijke situatie waarin een vaste winstmarge wordt gehanteerd. In een dergelijk geval is het uitgesloten – en hierop lijkt de verwijzende rechter met zijn vraag te doelen – dat de uitgaven voor de consultancydiensten daadwerkelijk hun neerslag vinden in de prijzen die C&D Foods voor haar managementdiensten berekent. Gefactureerd wordt namelijk tegen een prijs die bestaat uit de loonkosten plus een winstmarge van 10 %. Dat heeft echter nog niet tot gevolg dat een verband met dergelijke handelingen in elk geval is uitgesloten. Los van een daadwerkelijke prijsverhoging behoren bepaalde uitgaven namelijk tot de kostenelementen van de door een belastingplichtige geleverde goederen of verrichte diensten.

56.      Tegen een volledige aftrek van de voorbelasting in de context van de algemene kosten zou echter kunnen pleiten dat de consultancydiensten mogelijkerwijs ook verband houden met de vervreemding van de aandelen in de directe dochteronderneming (Arovit Holding), ten aanzien waarvan C&D Foods als zuivere holding fungeert.(37) Derhalve zou een opsplitsing van de btw-aftrek tussen de economische en de niet-economische activiteiten van de vennootschap noodzakelijk kunnen zijn. De prejudiciële vragen gaan echter niet in die richting en de prejudiciële verwijzing bevat ook niet genoeg aanwijzingen op basis waarvan een bruikbaar antwoord kan worden gegeven.

57.      Ik wil echter nogmaals eraan herinneren dat het verband met de algehele economische activiteit sowieso geen rol speelt indien reeds een duidelijke toerekening aan een specifieke vrijgestelde handeling in een later stadium mogelijk is. In dat geval is er geen ruimte meer om uitgaven als algemene kosten in aanmerking te nemen.

V.      Conclusie

58.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Vestre Landsret te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat tot de economische activiteit in de zin van die bepaling niet alleen de handelingen ter voorbereiding van de economische activiteit maar ook de handelingen ter beëindiging ervan behoren. Om die reden vormt de vervreemding van aandelen in een kleindochteronderneming waardoor een voorheen uitgeoefende belaste activiteit, namelijk de inmenging in het beheer van die onderneming met het oog op het verrichten van belaste handelingen, wordt beëindigd, een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112.

2)      Artikel 168 van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat een holdingmaatschappij geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting die in rekening is gebracht over consultancydiensten waarvan voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding van aandelen in een kleindochteronderneming gebruik is gemaakt, indien een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen die consultancydiensten en de voorgenomen handelingen in verband met de aandelenverkoop, die volgens artikel 135, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112 zijn vrijgesteld van belasting. Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of een dergelijk verband bestaat.”


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      Zie bijvoorbeeld arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623); 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496), alsmede recentelijk mijn conclusie in de zaak Ryanair (C‑249/17, EU:C:2018:301).


3      Een voor deze situatie relevant arrest is met name het arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665).


4      Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


5      Volgens vaste rechtspraak dienen dergelijke diensten te worden beschouwd als een economische activiteit: zie arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 21); 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punten 30 en 31), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 21).


6      Zie in die zin arrest van 22 februari 2001, Abbey National (C‑408/98, EU:C:2001:110, punt 32).


7      Arresten van 16 juli 1992, Meilicke (C‑83/91, EU:C:1992:332, punt 23); 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, EU:C:2005:709, punten 34 en 37), en 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 130).


8      Arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 17); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20).


9      Arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 14); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17); 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 19), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20).


10      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 21); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 34), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 21).


11      Arrest van 5 juli 2018, Marle Participations (C‑320/17, EU:C:2018:537, punt 35); in dit opzicht rijst echter de vraag of de verhuur van een onroerend goed daadwerkelijk moet worden beschouwd als „inmenging in het beheer” van een vennootschap.


12      Arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 34).


13      Arresten van 20 juni 1996, Wellcome Trust (C‑155/94, EU:C:1996:243, punt 33); 3 maart 2005, Fini H (C‑32/03, EU:C:2005:128, punten 22‑24); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 19), en 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 34).


14      Zie in die zin arresten van 22 februari 2001, Abbey National (C‑408/98, EU:C:2001:110, punt 35); 29 april 2004, Faxworld (C‑137/02, EU:C:2004:267, punt 39), en 3 maart 2005, Fini H (C‑32/03, EU:C:2005:128, punten 23 en 24).


15      Arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 33).


16      Arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 32).


17      Arresten van 22 februari 2001, Abbey National (C‑408/98, EU:C:2001:110, punt 35); 29 april 2004, Faxworld (C‑137/02, EU:C:2004:267, punt 39), en 3 maart 2005, Fini H (C‑32/03, EU:C:2005:128, punten 23 en 24).


18      Zie arresten van 12 januari 2006, Optigen e.a. (C‑354/03, C‑355/03 en C‑484/03, EU:C:2006:16, punt 44); 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling (C‑439/04 en C‑440/04, EU:C:2006:446, punt 41), en 16 december 2010, Euro Tyre Holding (C‑430/09, EU:C:2010:786, punt 28).


19      Arresten van 6 april 1995, BLP Group (C‑4/94, EU:C:1995:107, punt 24); 8 juni 2000, Midland Bank (C‑98/98, EU:C:2000:300, punt 20); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 38), en 22 februari 2001, Abbey National (C‑408/98, EU:C:2001:110, punt 25).


20      Arrest van 6 april 1995, BLP Group (C‑4/94, EU:C:1995:107, punt 27). Of er in casu een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat, dient nog te worden onderzocht, zie de punten 36 e.v.van deze conclusie.


21      Arresten van 6 april 1995, BLP Group (C‑4/94, EU:C:1995:107, punten 18 e.v.); 8 juni 2000, Midland Bank (C‑98/98, EU:C:2000:300, punt 20), en 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 57).


22      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 31); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 35); 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 57), en 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 28).


23      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 33); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 37); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 37), en 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 29).


24      Een aantal uitzonderingen zijn bijvoorbeeld in artikel 169 van de btw-richtlijn uitgewerkt.


25      Arresten van 6 april 1995, BLP Group (C‑4/94, EU:C:1995:107, punt 28); 14 september 2006, Wollny (C‑72/05, EU:C:2006:573, punt 20); 12 februari 2009, Vereniging Noordelijke Land‑ en Tuinbouw Organisatie (C‑515/07, EU:C:2009:88, punt 28); 13 maart 2008, Securenta (C‑437/06, EU:C:2008:166, punt 30), en 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 59), alsmede mijn conclusie in de zaak Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:283, punt 37).


26      Arresten van 13 december 2001, CSC Financial Services (C‑235/00, EU:C:2001:696, punt 33), en 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 48).


27      Zie punt 26van deze conclusie.


28      Zie reeds mijn conclusie in de zaak Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:283, punten 36 en 37).


29      Arresten van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 62), en 30 mei 2013, X (C‑651/11, EU:C:2013:346, punt 56).


30      Zie arresten van 29 november 2012, Gran Via Moineşti (C‑257/11, EU:C:2012:759, punt 27), en 22 oktober 2015, Sveda (C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20).


31      Zie arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 29).


32      Arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punten 63 en 73).


33      Zie reeds mijn conclusie in de zaak Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:283, punten 36 en 37).


34      Arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 60).


35      Zie reeds uitgebreid mijn conclusie in de zaak Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments (C‑132/16, EU:C:2017:283, punten 25‑31).


36      Arrest van 22 oktober 2015, Sveda (C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 29).


37      Holdings met een zuiver financieel karakter zijn volgens de rechtspraak echter niet aan te merken als belastingplichtigen in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn, zie arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 17); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20), alsmede punt 24 van deze conclusie.

ECLI:EU:C:2018:676

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Vestre Landsret (Denemarken) op 18 augustus 2017 – C&D Foods Acquisition ApS / Skatteministeriet

(Zaak C-502/17)

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Vestre Landsret

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: C&D Foods Acquisition ApS

Verwerende partij: Skatteministeriet

Prejudiciële vragen

1)    Moet artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG1 aldus worden uitgelegd dat een holding in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht heeft op de volledige aftrek van de btw over de kosten van diensten in een eerder stadium die verband houden met duediligenceonderzoeken die zijn uitgevoerd in het vooruitzicht van een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een dochteronderneming ten behoeve waarvan de holding btw-plichtige diensten op het gebied van beheer en IT verricht?

2)    Is het voor de beantwoording van de voorgaande vraag van belang of de prijs voor de btw-plichtige diensten op het gebied van beheer en IT die de holding in het kader van haar economische activiteiten verricht, een vast bedrag is dat overeenkomt met de loonkosten van de holding, vermeerderd met een winstmarge van 10 %?

3)    Ongeacht hoe de voorgaande vragen worden beantwoord: kan sprake zijn van een recht op aftrek van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde consultancykosten als algemene kosten en, zo ja, onder welke voorwaarden?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijkstelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1)

Getagd , , , , , , , , , , .