HvJ Aptiv Services Hungary arrest
Aptiv Services Hungary Kft. verrichtte in de jaren 2016 tot en met 2018 intracommunautaire verwervingen (ICV’s) van goederen, maar liep vertraging op bij de registratie omdat zij de daarvoor benodigde facturen van haar leveranciers pas in 2021 ontving. Aptiv Services Hungary bracht de bijbehorende voorbelasting vervolgens in aftrek in haar btw-aangiften voor de periode juli tot en met september 2021. De onderneming handelde hierbij te goeder trouw; er was geen sprake van belastingfraude, de staatskas is niet benadeeld en de wettelijke verjaringstermijn voor het uitoefenen van het aftrekrecht was op dat moment nog niet verstreken.
De Hongaarse Belastingdienst weigerde de btw-aftrek over deze ICV’s in 2021. Volgens de Belastingdienst had het aftrekrecht over deze jaren uitsluitend uitgeoefend mogen worden via een verzoek om correctie van de aangiften over de jaren 2016 tot en met 2018. Voor het jaar 2016 en een deel van 2017 was de termijn voor een dergelijke procedure van zelfcorrectie echter inmiddels verstreken, en de Belastingdienst wees daarnaast een verzoek om een bijzondere teruggaafprocedure af. De verwijzende rechter twijfelde of dit strikte formalisme verenigbaar is met het Unierecht, waarbij deze onder meer verwees naar de arresten Zabrus Siret (C-81/17) en A. (Uitoefening van het recht op aftrek) (C-895/19).
Het HvJ oordeelt dat de weigering in strijd is met de Btw-richtlijn (o.a. de artikelen 168 en 178) en de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, zoals de arresten Volkswagen (C-533/16) en Terra Baubedarf-Handel (C-152/02), benadrukt het HvJ dat het aftrekrecht in beginsel pas kan worden uitgeoefend in het tijdvak waarin aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: het recht is ontstaan én de belastingplichtige bezit de factuur. Omdat de procedure van zelfcorrectie voor Aptiv Services Hungary onmogelijk was geworden door het verstrijken van de termijn, zou het weigeren van de aftrek in het tijdvak van de daadwerkelijke factuurontvangst de uitoefening van dit recht in de praktijk uiterst moeilijk of onmogelijk maken. De Belastingdienst mag de aftrek daarom niet weigeren aan een te goeder trouw handelende belastingplichtige.
Artikel 168, onder c), artikel 178, onder c), en de artikelen 179, 180 en 182 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, gelezen in het licht van de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling en bestuurlijke praktijk op grond waarvan de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde over intracommunautaire verwervingen van goederen wordt geweigerd op grond dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in het belastingtijdvak waarin hij de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, welk tijdvak na het tijdvak lag waarin deze verwervingen zijn verricht, ondanks dat deze belastingplichtige dit recht te goeder trouw en binnen de verjaringstermijn heeft uitgeoefend.
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
12 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Belastingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Intracommunautaire verwerving van goederen – Artikel 168 – Aftrek van de over een dergelijke verwerving verschuldigde btw – Artikelen 178 en 179 – Wijze van uitoefening van het recht op btw-aftrek – Te late afgifte van facturen die nodig zijn voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek – Weigering van het recht op btw-aftrek – Nationale regeling die voorziet in een procedure van zelfcorrectie die de belastingplichtige in staat stelt om zijn recht op aftrek uit te oefenen na afloop van het belastingtijdvak waarin dit recht is ontstaan – Beginselen van neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid ”
In zaak C‑521/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Győri Törvényszék (rechter in eerste aanleg Győr, Hongarije) bij beslissing van 19 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 30 juli 2024, in de procedure
Aptiv Services Hungary Kft.
tegen
Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Aptiv Services Hungary Kft., vertegenwoordigd door A. Boros en A. Posztl, ügyvédek,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en Zs. Teleki als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 168, onder c), artikel 178, onder c) en d), en de artikelen 179 tot en met 182 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 (PB 2010, L 189, blz. 1) (hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in het licht van de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Aptiv Services Hungary Kft. (hierna: „Aptiv”), een vennootschap naar Hongaars recht, en de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága (afdeling bezwaren van de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije; hierna: „belastingautoriteit in tweede aanleg”) over de weigering van het recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot facturen voor intracommunautaire verwervingen van goederen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, onder b), i), van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[…]b) de intracommunautaire verwervingen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht:
i) door een als zodanig handelende belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een als zodanig handelende belastingplichtige is die noch onder de in de artikelen 282 tot en met 292 bedoelde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, noch onder artikel 33 of artikel 36 valt”.
4 Artikel 69 van deze richtlijn luidt:
„Voor de intracommunautaire verwervingen van goederen wordt de btw verschuldigd bij de uitreiking van de factuur, of bij het verstrijken van de in artikel 222, eerste alinea, bedoelde termijn indien er voor die datum geen factuur is uitgereikt.”
5 Artikel 167 van die richtlijn luidt:
„Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.”
6 Artikel 168, onder c), van deze richtlijn bepaalt:
„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:
[…]c) de btw die verschuldigd is voor de intracommunautaire verwervingen van goederen overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), punt i)”.
7 Artikel 178, onder c), van de btw-richtlijn bepaalt:
„Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden voldoen:
[…]c) voor de in artikel 168, onder c), bedoelde aftrek met betrekking tot intracommunautaire verwerving van goederen: op de in artikel 250 bedoelde btw-aangifte alle gegevens hebben vermeld die nodig zijn om het bedrag van de wegens zijn verwervingen van goederen verschuldigde btw vast te stellen, en in het bezit zijn van een overeenkomstig titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5, opgestelde factuur”.
8 Artikel 179 van die richtlijn bepaalt:
„De belastingplichtige past de aftrek toe door op het totale bedrag van de over een belastingtijdvak verschuldigde belasting het totale bedrag van de btw in mindering te brengen waarvoor in hetzelfde tijdvak het recht op aftrek is ontstaan en krachtens artikel 178 wordt uitgeoefend.
De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat belastingplichtigen die de in artikel 12 omschreven handelingen incidenteel verrichten, het recht op aftrek uitsluitend op het tijdstip van levering mogen uitoefenen.”
9 Artikel 180 van die richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten kunnen een belastingplichtige een aftrek toestaan die niet overeenkomstig de artikelen 178 en 179 is toegepast.”
10 Artikel 181 van diezelfde richtlijn luidt:
„De lidstaten kunnen een belastingplichtige die niet in het bezit is van een overeenkomstig titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5, opgestelde factuur, toestaan de in artikel 168, onder c), bedoelde aftrek toe te passen met betrekking tot diens intracommunautaire verwervingen van goederen.”
11 Artikel 182 van de btw-richtlijn bepaalt:
„De lidstaten stellen de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van de artikelen 180 en 181 vast.”
12 Artikel 222 van die richtlijn bepaalt:
„Voor goederenleveringen die onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden worden verricht of voor diensten ter zake waarvan de btw overeenkomstig artikel 196 door de afnemer verschuldigd is, wordt de factuur uitgereikt uiterlijk op de vijftiende dag van de maand volgende op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.
Met betrekking tot andere goederenleveringen en diensten kunnen de lidstaten de belastingplichtige een termijn voor de uitreiking van facturen opleggen.”
13 Artikel 250 van die richtlijn luidt als volgt:
„1. Iedere belastingplichtige moet een btw-aangifte indienen waarop alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen, daarbij inbegrepen, voor zover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is, het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben, alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen.
2. De lidstaten staan onder door hen te stellen voorwaarden toe dat de in lid 1 bedoelde btw‑aangifte langs elektronische weg wordt ingediend en mogen dit ook verplicht stellen.”
14 Artikel 273, eerste alinea, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.”
Hongaars recht
15 § 63, lid 1, van az általános forgalmi adóról szóló 2007. évi CXXVII. törvény (wet CXXVII van 2007 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) [Magyar Közlöny 2007/155. (XI.16.)], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „btw-wet”), bepaalt:
„In het geval van intracommunautaire verwervingen van goederen wordt de verschuldigde belasting vastgesteld bij de uitreiking van de factuur waaruit de levering van de goederen blijkt, doch uiterlijk op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de levering is verricht.”
16 § 119, lid 1, van deze wet luidt als volgt:
„Tenzij de wet anders bepaalt, ontstaat het recht op aftrek van de belasting op het tijdstip waarop de als voorbelasting verschuldigde belasting wordt vastgesteld (§ 120), ook wanneer de verschuldigde belasting overeenkomstig § 196/B, lid 2, onder a), wordt vastgesteld.”
17 § 120, onder b), van dezelfde wet luidt:
„Voor zover de belastingplichtige – in die hoedanigheid – goederen of diensten gebruikt of op andere wijze aanwendt met het oog op het verrichten van belaste leveringen van goederen of diensten, heeft hij het recht van de door hem verschuldigde belasting af te trekken:
[…]b) de belasting die hij heeft berekend als belasting verschuldigd ter zake van de verwerving van goederen – waaronder binnen de [Europese] Gemeenschap – of het gebruik van diensten, met inbegrip van vooruitbetalingen wanneer de belasting krachtens § 140, onder a), verschuldigd is door de afnemer van de dienst;
[…]”18 § 127, lid 1, onder b) en ba) van dezelfde wet bepaalt:
„Als materiële voorwaarde voor de uitoefening van het recht op aftrek geldt dat de belastingplichtige persoonlijk beschikt over:
[…]b) in de in § 120, onder b), bedoelde gevallen;
ba) in het geval van intracommunautaire leveringen, een factuur op zijn naam waaruit blijkt dat de handeling is verricht,
[…]”19 § Artikel 153/A, leden 1 en 3, van de btw-wet bepaalt:
„1. De voor btw-doeleinden op het nationale grondgebied geïdentificeerde belastingplichtige mag op het totale belastingbedrag dat hij over een belastingtijdvak verschuldigd is, in mindering brengen:
a) het bedrag van de aftrekbare voorbelasting in de zin van § 120, onder b), c) en cb), die over hetzelfde belastingtijdvak verschuldigd is,
b) het bedrag van de niet onder a) vallende, aftrekbare voorbelasting die is verschuldigd over hetzelfde belastingtijdvak, dan wel over een vorig tijdvak of vorige tijdvakken, doch hooguit één kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het betrokken belastingtijdvak valt.
3. De voor btw-doeleinden op het nationale grondgebied geïdentificeerde belastingplichtige mag het bedrag van de overeenkomstig het wetboek fiscaal procesrecht nog niet verjaarde aftrekbare voorbelasting die niet overeenkomstig lid 1 in mindering is gebracht opvoeren als een aanvullend bedrag aan voorbelasting in het belastingtijdvak waarin het recht op belastingaftrek is ontstaan.”
20 § 257/J, leden 1 tot en met 2a, van deze wet bepaalt:
„1. De belastingplichtige kan om teruggaaf verzoeken van het door hem verschuldigde bedrag aan voorbelasting indien dat bedrag buiten zijn schuld en in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit niet is of wordt vergoed.
2. Behoudens de in lid 2a bepaalde uitzondering dient de belastingplichtige het verzoek schriftelijk in bij de nationale belastingdienst, uiterlijk 6 maanden voor de verjaring van het recht tot vaststelling van de belasting. Het verzoek kan ook tijdens een lopende belastingcontrole worden ingediend. Deze termijn is een vervaltermijn; bij niet-naleving ervan kan geen verzoek om restitutio in integrum worden ingediend.
2a. Indien de datum van het ontstaan van de reden voor de indiening van het verzoek binnen 6 maanden voor de verjaring van het recht tot vaststelling van de belasting ligt of na de verjaring van dat recht valt, kan de belastingplichtige het verzoek indienen binnen een jaar na de datum van het ontstaan van de reden. Indien de datum van het ontstaan van de reden voor de indiening van het verzoek na de verjaring van het recht tot vaststelling van de belasting ligt, kan de belastingplichtige slechts in uitzonderlijke omstandigheden om teruggaaf verzoeken van het bedrag aan voorbelasting dat hem in rekening is gebracht. Als uitzonderlijke omstandigheid wordt beschouwd de situatie waarin de reden voor de indiening van het verzoek na het intreden van de verjaringstermijn is ontstaan wegens de specifieke aard van de economische activiteiten van de belastingplichtige. In het verzoek vermeldt de belastingplichtige de reden voor de indiening van het verzoek en de datum van ontstaan ervan. Het verzoek kan ook tijdens een lopende belastingcontrole worden ingediend. Deze termijn is een vervaltermijn; bij niet-naleving ervan kan geen verzoek om restitutio in integrum worden ingediend.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
21 Aptiv is onderworpen aan een btw‑controle betreffende de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2021.
22 In haar besluit na de controle heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Vas Megyei Adó- és Vámigazgatósága (belasting- en douanedirectie voor de provincie Vas van de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije) vastgesteld dat Aptiv in haar btw-aangiften voor de periode van juli tot en met september 2021 de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen in de jaren 2016 tot en met 2018 in aftrek heeft gebracht.
23 Deze directie heeft daarom de door Aptiv voor deze verwervingen gevraagde aftrek geweigerd en vastgesteld dat deze vennootschap bijgevolg een belastingschuld moest betalen die in wezen overeenkwam met het bedrag van de btw waarvan de aftrek werd geweigerd.
24 In het kader van het tegen het besluit van deze directie gemaakte bezwaar heeft de belastingautoriteit in tweede aanleg dit besluit bevestigd door in wezen te oordelen dat Aptiv haar recht op btw-aftrek met betrekking tot de intracommunautaire verwervingen van goederen in de jaren 2016 tot en met 2018 alleen kon uitoefenen door middel van een correctie van de voor die jaren ingediende aangiften.
25 Deze autoriteit was van mening dat voor 2016 en een deel van 2017 geen correctie meer kon worden uitgevoerd, omdat de in de nationale regelgeving gestelde termijn voor een dergelijke correctie was verstreken.
26 Bovendien heeft zij het verzoek van Aptiv tot inleiding van een bijzondere btw-teruggaafprocedure op grond van artikel 257/J van de btw-wet afgewezen.
27 Aptiv heeft tegen het besluit van de belastingautoriteit in tweede aanleg beroep ingesteld bij de Győri Törvényszék (rechter in eerste aanleg Győr, Hongarije), de verwijzende rechter. Aptiv heeft in wezen aangevoerd dat was voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek en dat het feit dat niet was voldaan aan bepaalde formele vereisten haar dit recht niet kan ontnemen. Deze vennootschap heeft benadrukt dat het feit dat de aftrekbare btw over de intracommunautaire verwervingen van goederen die in wezen in de jaren 2016 tot en met 2018 waren verricht, was vermeld in de btw-aangiften voor de periode van juli tot en met september 2021, te wijten was aan een vertraging bij de afgifte van de betrokken facturen door de leveranciers en aan de te late registratie van deze facturen in haar boekhouding. Zonder die facturen kon Aptiv haar recht op aftrek immers niet uitoefenen in de btw-aangiften voor het tijdvak waarin deze aankopen waren verricht.
28 De belastingautoriteit in tweede aanleg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van Aptiv. Zij heeft benadrukt dat wanneer een belastingplichtige de facturen die nodig zijn om het recht op aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen uit te oefenen, te laat ontvangt, hij deze aftrek niet kan verrichten in een btw-aangifte voor het tijdvak waarin deze facturen zijn ontvangen. In dergelijke omstandigheden kan de belastingplichtige alleen, zolang de verjaringstermijn niet is verstreken, een verzoek om correctie indienen met betrekking tot de periode waarin deze verwervingen hebben plaatsgevonden.
29 De verwijzende rechter is van oordeel dat het besluit van de belastingautoriteit in tweede aanleg in strijd is met het Unierecht.
30 In dit verband merkt deze rechter op dat uit de arresten van 26 april 2018, Zabrus Siret (C‑81/17, EU:C:2018:283), en 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek) (C‑895/19, EU:C:2021:216), in wezen blijkt dat aftrek van btw overeenkomstig het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden toegestaan indien is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek, zelfs wanneer de betrokken belastingplichtige bepaalde formaliteiten niet in acht heeft genomen. Voor zover de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, mag hij het recht van de belastingplichtige op aftrek van deze belasting dus niet afhankelijk stellen van andere formele voorwaarden die tot gevolg hebben dat de uitoefening van dat recht, zoals het gebruik van de correctieprocedure, wordt verhinderd.
31 In die omstandigheden is de verwijzende rechter in wezen van oordeel dat een nationale regeling die, in geval van vertraging door de leveranciers bij de afgifte van de facturen die nodig zijn om het recht op aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen uit te oefenen, het niet mogelijk maakt om dit recht uit te oefenen in het kader van de btw-aangiften voor het tijdvak waarin deze facturen zijn ontvangen, op grond dat de belastingplichtige in een dergelijk geval de aangiften voor het tijdvak waarin deze verwervingen hebben plaatsgevonden, kan corrigeren, in strijd is met het Unierecht.
32 Ten slotte benadrukt de verwijzende rechter dat in casu het recht op btw-aftrek waarover Aptiv beschikte niet was verjaard op grond van de nationale regeling.
33 Tegen deze achtergrond heeft de Győri Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 168, onder c), artikel 178, onder c) en d), de artikelen 179 tot en met 182 van [de btw-richtlijn] en de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling en praktijk die de aftrek van de voorbelasting over intracommunautaire verwervingen van goederen weigert en definitief onmogelijk maakt (ontbreken van de mogelijkheid om een gecorrigeerde aangifte in te dienen en afwijzing van het verzoek om een bijzondere teruggaafprocedure) op grond dat de belastingplichtige om administratieve redenen zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in een ander belastingtijdvak (maar nog binnen de verjaringstermijn) dan dat waarin de verschuldigde belasting is vastgesteld, terwijl de nationale belastingdienst bij eerdere controles geen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitoefening van dat recht door de belastingplichtige?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
34 De Hongaarse regering betoogt dat een beantwoording van de enige gestelde vraag niet noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding en dat aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens in de verwijzingsbeslissing geen uitspraak kan worden gedaan over de rechtmatigheid van het besluit van de belastingautoriteit in tweede aanleg.
35 In dit verband zij eraan herinnerd dat de prejudiciële procedure die bij artikel 267 VWEU is ingesteld, een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is, waarmee het Hof deze instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij nodig hebben om de hun voorgelegde geschillen te beslechten. Krachtens vaste rechtspraak, waaraan thans uiting wordt gegeven in artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dient de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Het is voorts onontbeerlijk dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing de redenen worden uiteengezet die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het Unierecht, en dat het verband wordt aangegeven tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering (arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 31).
36 Bovendien moeten de gegevens die in de verwijzingsbeslissing worden verstrekt niet alleen het Hof in staat stellen om een bruikbaar antwoord te geven, maar ook de regeringen van de lidstaten en andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden om opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 32).
37 In casu voldoet het verzoek om een prejudiciële beslissing, anders dan de Hongaarse regering stelt, aan de in de twee voorgaande punten van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten. Immers moet worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing het feitelijke en juridische kader waarin de aan het Hof gestelde vraag moet worden geplaatst, voldoende gedetailleerd uiteenzet. Bovendien worden in deze beslissing duidelijk de feitelijke en juridische redenen uiteengezet waarom de verwijzende rechter van mening was dat deze vraag noodzakelijk was.
38 Voorts blijkt duidelijk uit de strekking van de schriftelijke opmerkingen die Aptiv, de Hongaarse regering en de Europese Commissie bij het Hof hebben ingediend dat de auteurs ervan, waaronder die regering, zich zonder enige moeite een goed begrip hebben gevormd van het feitelijke en juridische kader waarin de vraag van de verwijzende rechter moet worden geplaatst, van de betekenis en de draagwijdte van de uiteenzetting van de feiten die eraan ten grondslag liggen, en van de redenen op grond waarvan de verwijzende rechter het noodzakelijk heeft geacht om die vraag te stellen. Bovendien blijken zij zonder enig probleem een volledig en zinvol standpunt te hebben ingenomen.
39 Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Ten gronde
40 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Hiertoe dient het uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (arrest van 23 oktober 2025, Zlakov, C‑744/23, EU:C:2025:816, punt 17).
41 In casu blijkt om te beginnen dat Aptiv pas in 2021 van haar leveranciers de facturen heeft ontvangen die zij nodig had om haar recht uit te oefenen op aftrek van de btw over tussen 2016 en 2018 verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen. Aptiv kon dit recht dus pas voor het eerst uitoefenen in het kader van de btw-aangiften die zijn ingediend voor het tijdvak waarin zij deze facturen daadwerkelijk heeft ontvangen en in haar boekhouding heeft geregistreerd.
42 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Aptiv te goeder trouw lijkt te hebben gehandeld. De verwijzende rechter benadrukt immers uitdrukkelijk dat de belastingautoriteit in tweede aanleg niet heeft aangetoond dat er sprake is van belastingfraude en stelt vast dat de staatsbegroting in casu niet is benadeeld door het gedrag van Aptiv.
43 Bovendien benadrukt deze rechter dat de verjaringstermijn voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek krachtens de nationale regeling nog niet was verstreken op het tijdstip waarop Aptiv dat recht heeft uitgeoefend.
44 Ten slotte blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op een situatie die onder artikel 178, onder d), van de btw-richtlijn kan vallen, aangezien het uitsluitend betrekking heeft op intracommunautaire verwervingen van goederen en niet op daarmee gelijkgestelde handelingen, noch op een situatie die kan vallen onder artikel 181 van deze richtlijn, dat impliceert dat om btw-aftrek is verzocht bij gebreke van een overeenkomstig de vereisten van deze richtlijn opgestelde factuur. In deze omstandigheden zijn artikel 178, onder d), en artikel 181 van de btw-richtlijn niet relevant voor de beantwoording van de prejudiciële vraag.
45 Tegen deze achtergrond moet de gestelde vraag aldus worden begrepen dat het Hof wordt verzocht om vast te stellen of artikel 168, onder c), artikel 178, onder c), en de artikelen 179, 180 en 182 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling en bestuurlijke praktijk op grond waarvan de aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen wordt geweigerd op grond dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in het belastingtijdvak waarin hij de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, welk tijdvak na de periode lag waarin deze verwervingen zijn verricht, ondanks dat deze belastingplichtige dit recht te goeder trouw en binnen de in de nationale regeling voor de uitoefening van dat recht gestelde verjaringstermijn heeft uitgeoefend.
46 Vooraf zij eraan herinnerd dat er, in het kader van intracommunautaire verwervingen, op grond van de verleggingsregeling geen betaling van btw plaatsvindt tussen de afnemer en de leverancier van een goed, waarbij de afnemer voor de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen de voorbelasting verschuldigd is en tegelijk in de regel die belasting kan aftrekken zodat er geen enkel bedrag verschuldigd is aan de belastingdienst [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Volgens vaste rechtspraak vormt het recht van belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel dat inherent is aan het bij het Unierecht ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft benadrukt, is dat recht een integrerend deel van het btw-stelsel en kan het, in beginsel, niet worden beperkt [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48 De aftrekregeling heeft tot doel om de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49 Artikel 167 van de btw-richtlijn bepaalt dat het recht op aftrek van de voorbelasting ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. Volgens artikel 69 van die richtlijn wordt voor intracommunautaire verwervingen van goederen de belasting verschuldigd bij de uitreiking van de factuur of bij het verstrijken van de in artikel 222, eerste alinea, bedoelde termijn indien er geen factuur is uitgereikt vóór die datum [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 34].
50 Voorts is het recht op aftrek van de btw afhankelijk gesteld van de naleving van de in de btw-richtlijn vastgestelde materiële en formele voorwaarden [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51 De materiële voorwaarden voor het ontstaan van het recht op aftrek van de btw die volgens artikel 2, lid 1, onder b), i), van deze richtlijn verschuldigd is over intracommunautaire verwervingen van goederen, zijn opgesomd in artikel 168, onder c), ervan. Volgens deze voorwaarden moeten die verwervingen zijn verricht door een belastingplichtige, moet deze belastingplichtige tevens de tot voldoening van de btw over die verwervingen gehouden persoon zijn en moeten de betrokken goederen worden gebruikt voor zijn belaste handelingen [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 36].
52 De formele voorwaarden voor het recht op btw‑aftrek regelen daarentegen de wijze van en het toezicht op de uitoefening ervan alsmede de goede werking van het btw-stelsel, zoals de verplichtingen betreffende de boekhouding, de facturering en de aangifte [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Wat de btw over intracommunautaire verwervingen betreft, volgt uit artikel 178, onder c), van de btw-richtlijn dat voor de uitoefening van het recht op aftrek als voorwaarde geldt dat de belastingplichtige in de overeenkomstig artikel 250 van deze richtlijn in te dienen btw-aangifte alle gegevens heeft vermeld die nodig zijn om het bedrag van de over zijn verwervingen van goederen verschuldigde btw vast te stellen en dat hij in het bezit is van een overeenkomstig titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5, van deze richtlijn opgestelde factuur [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 38]. Het bezit van een factuur die de in artikel 226 van de btw-richtlijn bedoelde vermeldingen bevat, is een formele en geen materiële voorwaarde voor het recht op btw-aftrek (arrest van 15 september 2016, Senatex, C‑518/14, EU:C:2016:691, punt 38).
54 Voorts wordt de aftrek volgens artikel 179, eerste alinea, van de btw-richtlijn toegepast door op het totale bedrag van de over een belastingtijdvak verschuldigde belasting het totale bedrag van de btw in mindering te brengen „waarvoor in hetzelfde tijdvak het recht op aftrek is ontstaan en krachtens artikel 178 wordt uitgeoefend” [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 39].
55 Het Hof heeft bovendien verduidelijkt dat het recht op btw-aftrek krachtens artikel 167 van de btw-richtlijn weliswaar ontstaat op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, maar volgens artikel 178 daarvan in beginsel pas kan worden uitgeoefend wanneer de belastingplichtige in het bezit is van een factuur (arrest van 21 maart 2018, Volkswagen, C‑533/16, EU:C:2018:204, punt 43).
56 Hieruit volgt dat het recht op aftrek in beginsel moet worden uitgeoefend met betrekking tot de aanslagperiode waarin de twee in de punten 54 en 55 van het onderhavige arrest genoemde cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, te weten het ontstaan van het recht op btw-aftrek en het bezit, door de belastingplichtige, van de relevante facturen [zie in die zin arresten van 29 april 2004, Terra Baubedarf-Handel, C‑152/02, EU:C:2004:268, punt 38, en 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 40].
57 Voorts kan, zoals blijkt uit de artikelen 180 en 182 van de btw-richtlijn, de uitoefening van het recht op aftrek ook worden toegestaan wanneer deze niet heeft plaatsgevonden met betrekking tot de aanslagperiode waarin dit recht is ontstaan, op voorwaarde dat de bij de nationale regelingen vastgestelde voorwaarden en voorschriften worden nageleefd [zie arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 42].
58 In casu, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, blijkt dat pas in 2021 is voldaan aan zowel de materiële als de formele voorwaarde voor het recht op btw-aftrek, aangezien Aptiv pas in dat jaar in het bezit kwam van de facturen die nodig waren om het recht op aftrek van de btw over de intracommunautaire verwervingen van goederen in de jaren 2016 tot en met 2018 uit te oefenen, zodat zij dit recht niet had kunnen uitoefenen door middel van btw-aangiften voor laatstgenoemde tijdvakken.
59 Volgens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling kan een belastingplichtige die de facturen die nodig zijn om het recht op aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen uit te oefenen, te laat ontvangt, deze aftrek echter niet verrichten in een btw-aangifte voor het tijdvak waarin deze facturen zijn ontvangen.
60 In dergelijke omstandigheden kan de belastingplichtige, nog steeds volgens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zolang de verjaringstermijn niet is verstreken, een verzoek tot correctie indienen om het totale bedrag van de voor een belastingtijdvak verschuldigde btw te verminderen met het bedrag van alle aftrekbare voorbelasting die is ontstaan in het tijdvak waarin deze verwervingen zijn verricht of daarvóór, zij het beperkt tot één kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar dat dit belastingtijdvak omvat.
61 In dit verband is geoordeeld dat het fundamentele beginsel van neutraliteit van de btw vereist dat de aftrek van de voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële vereisten daartoe zijn vervuld, ook al voldoet een belastingplichtige niet aan bepaalde formele vereisten. Zodra de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat de belastingplichtige als afnemer van de betrokken handelingen de btw verschuldigd is, mag hij met betrekking tot het recht van deze laatste om die belasting af te trekken geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Dat kan anders liggen wanneer niet-naleving van dergelijke formele vereisten het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, zou verhinderen [arrest van 18 maart 2021, A. (Uitoefening van het recht op aftrek), C‑895/19, EU:C:2021:216, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
62 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de uitoefening van het recht op aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen in het belastingtijdvak waarin de belastingplichtige, handelend te goeder trouw en binnen de toepasselijke verjaringstermijn, de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, in overeenstemming lijkt te zijn met artikel 168, onder c), artikel 178, onder c), en artikel 179 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, zelfs wanneer het gaat om een belastingtijdvak van na het belastingtijdvak waarin deze verwervingen zijn verricht en de uitoefening van het recht op btw-aftrek plaatsvindt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de in punt 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte nationaalrechtelijke procedure tot correctie van de btw kan worden uitgevoerd.
63 Die vaststelling wordt onverlet gelaten door de rechtspraak van het Hof volgens welke de lidstaten met het oog op de rechtszekerheid een vervaltermijn mogen instellen die een onvoldoende voortvarende belastingplichtige, die heeft nagelaten aanspraak te maken op het recht op aftrek van de voorbelasting, bestraft met het verval van het recht op aftrek, voor zover deze termijn de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid eerbiedigt (zie in die zin arrest van 26 april 2018, Zabrus Siret, C‑81/17, EU:C:2018:283, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Het door de verwijzende rechter genoemde doeltreffendheidsbeginsel vereist volgens vaste rechtspraak immers dat de in het nationale recht vastgestelde procedureregels voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek de uitoefening van dit recht in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, EU:C:2012:478, punt 28, en 24 februari 2022, SC Cridar Cons, C‑582/20, EU:C:2022:114, punt 42).
65 Een nationale regeling of bestuurlijke praktijk die erin bestaat dat het recht op btw-aftrek wordt geweigerd op de enkele grond dat dit recht is uitgeoefend in een belastingtijdvak van na het belastingtijdvak waarin de intracommunautaire verwervingen van goederen zijn verricht, kan de uitoefening van dat recht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken wanneer de belastingplichtige dit recht op aftrek niet in eerdere belastingtijdvakken heeft kunnen doen gelden omdat hij destijds niet in het bezit was van de voor de uitoefening van datzelfde recht noodzakelijke facturen.
66 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het voor Aptiv onmogelijk was om haar recht op aftrek uit te oefenen in het kader van andere procedurele mechanismen waarin het nationale recht voorziet, zoals, ten eerste, de in punt 60 van het onderhavige arrest vermelde correctieprocedure, omdat Aptiv op het tijdstip waarop zij de betrokken facturen heeft ontvangen, te laat was om een dergelijke correctie uit te voeren, en, ten tweede, de bijzondere teruggaafprocedure, in welk verband de verwijzende rechter heeft verduidelijkt dat de belastingautoriteit in tweede aanleg het verzoek van Aptiv in die zin heeft afgewezen.
67 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een nationale regeling die een te goeder trouw en binnen de verjaringstermijn handelende belastingplichtige niet toestaat om zijn recht op btw-aftrek uit te oefenen in het belastingtijdvak waarin hij de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, de uitoefening van dat recht in de praktijk onmogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk maakt, zodat het doeltreffendheidsbeginsel niet wordt geëerbiedigd.
68 Wat het eveneens door de verwijzende rechter genoemde evenredigheidsbeginsel betreft, zij er met name aan herinnerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 273 van de btw-richtlijn andere verplichtingen kunnen voorschrijven die zij noodzakelijk achten om de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen. De bestrijding van fraude, belastingontwijking en misbruik vormt immers een doel dat door deze richtlijn wordt erkend en gestimuleerd. De maatregelen die de lidstaten op grond van artikel 273 daarvan kunnen treffen, mogen echter niet verder gaan dan noodzakelijk is om een dergelijk doel te bereiken. Zij mogen dus niet op zodanige wijze worden toegepast dat zij een systematische belemmering voor het recht op btw-aftrek en bijgevolg voor de btw-neutraliteit opleveren (arrest van 21 maart 2018, Volkswagen, C‑533/16, EU:C:2018:204, punt 48).
69 Gesteld al dat een nationale regeling of bestuurlijke praktijk op grond waarvan een belastingplichtige zijn recht op btw-aftrek niet kan uitoefenen in het belastingtijdvak waarin hij daadwerkelijk in het bezit was van de facturen die nodig zijn om dat recht uit te oefenen, ertoe strekt fraude, belastingontwijking en misbruik te bestrijden, volstaat het op te merken dat Aptiv in casu, zoals blijkt uit punt 42 van het onderhavige arrest, te goeder trouw lijkt te hebben gehandeld en dat de belastingautoriteit in tweede aanleg niet heeft aangetoond dat er sprake is van belastingfraude.
70 In deze omstandigheden lijkt een dergelijke nationale regeling of een dergelijke bestuurlijke praktijk systematisch afbreuk te doen aan de uitoefening van het recht op btw-aftrek en dus aan de neutraliteit van de btw, zelfs wanneer de betrokken belastingplichtige te goeder trouw en binnen de toepasselijke verjaringstermijn heeft gehandeld.
71 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 168, onder c), artikel 178, onder c), en de artikelen 179, 180 en 182 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling en bestuurlijke praktijk op grond waarvan de aftrek van de btw over intracommunautaire verwervingen van goederen wordt geweigerd op grond dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in het belastingtijdvak waarin hij de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, welk tijdvak na het tijdvak lag waarin deze verwervingen zijn verricht, ondanks dat deze belastingplichtige dit recht te goeder trouw en binnen de verjaringstermijn heeft uitgeoefend.
Kosten
72 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 168, onder c), artikel 178, onder c), en de artikelen 179, 180 en 182 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, gelezen in het licht van de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling en bestuurlijke praktijk op grond waarvan de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde over intracommunautaire verwervingen van goederen wordt geweigerd op grond dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in het belastingtijdvak waarin hij de voor de uitoefening van dat recht noodzakelijke facturen daadwerkelijk heeft ontvangen, welk tijdvak na het tijdvak lag waarin deze verwervingen zijn verricht, ondanks dat deze belastingplichtige dit recht te goeder trouw en binnen de verjaringstermijn heeft uitgeoefend.
ondertekeningen
* Procestaal: Hongaars.
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Győri Törvényszék (Hongarije) op 30 juli 2024 – Aptiv Services Hungary Kft. / Nemzeti Adó-és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága
(Zaak C-521/24, Aptiv Services Hungary)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Győri Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Aptiv Services Hungary Kft.
Verwerende partij: Nemzeti Adó-és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága
Prejudiciële vraag
Moeten artikel 168, onder c), artikel 178, onder c) en d), de artikelen 179, 180, 181 en 182 van richtlijn 2006/112/EG1 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de beginselen van fiscale neutraliteit, evenredigheid en doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling en praktijk die de aftrek van de voorbelasting over intracommunautaire verwervingen van goederen weigert en definitief onmogelijk maakt (ontbreken van de mogelijkheid om een gecorrigeerde aangifte in te dienen en afwijzing van het verzoek om een bijzondere teruggaafprocedure) op grond dat de belastingplichtige om administratieve redenen zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend in een ander belastingtijdvak (maar nog binnen de verjaringstermijn) dan dat waarin de verschuldigde belasting is vastgesteld, terwijl de nationale belastingdienst bij eerdere controles geen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitoefening van dat recht door de belastingplichtige?
____________
1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).