HvJ Harry en Associés arrest
De Franse vennootschap Harry en Associés diende via de Franse belastingautoriteiten een verzoek in om btw-teruggaaf voor in Italië verrichte handelingen. Dit verzoek werd elektronisch doorgezonden naar de Italiaanse Belastingdienst, maar was door een technische storing onleesbaar geworden. De Italiaanse Belastingdienst behandelde het verzoek daardoor niet en reageerde niet. Nadat Harry en Associés in eerste aanleg gelijk kreeg en de btw daadwerkelijk kreeg uitbetaald, oordeelde de hoogste nationale rechter in een latere procedure echter dat het verzoek wegens de technische fouten juridisch gezien überhaupt niet bestond. Hierdoor kon er geen sprake zijn van een stilzwijgende afwijzing waartegen de belastingplichtige in beroep mocht gaan. Vervolgens nam de Italiaanse Belastingdienst een nieuw besluit en vorderde de reeds terugbetaalde btw, vermeerderd met rente en kosten, weer terug.
Harry en Associés stelde beroep in tegen dit terugvorderingsbesluit. De verwijzende rechter vraagt zich af of het in artikel 170 btw-richtlijn verankerde recht op teruggaaf en het beginsel van fiscale neutraliteit zich verzetten tegen het uitsluiten van de toegang tot de rechter wegens een niet aan de belastingplichtige toerekenbare technische storing. Daarbij rijst ook de vraag of het nationale beginsel van het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak – in het licht van vaste Europese jurisprudentie zoals de arresten Halifax (C-255/02), Lucchini (C-119/05) en Fallimento Olimpiclub (C-2/08) – eraan in de weg staat dat de rechter in dit nieuwe geding alsnog het materiële recht op btw-teruggaaf toekent.
Het HvJ herhaalt, onder verwijzing naar de arresten Sea Chefs Cruise Services (C-133/18) en Bundeszentralamt für Steuern (C-346/19), dat het recht op btw-teruggaaf een basisbeginsel vormt dat niet mag worden gefrustreerd door te strikte formele vereisten. Vanwege het beginsel van behoorlijk bestuur had de Italiaanse Belastingdienst Harry en Associés op de hoogte moeten stellen van het onleesbare bestand en de kans moeten bieden om een nieuw, werkend bestand in te dienen. Het HvJ oordeelt dat het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die de belastingplichtige tegelijkertijd het recht op teruggaaf én het recht op toegang tot de rechter ontzegt louter wegens een dergelijke transmissiestoring. Het HvJ voegt daaraan toe dat het nationale gezag van gewijsde de rechter niet mag belemmeren om een met het Unierecht strijdige situatie te corrigeren.
Artikel 170 en artikel 171, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, tweede volzin, artikel 20, lid 1, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, alsmede met de beginselen van btw-neutraliteit, evenredigheid en behoorlijk bestuur,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd in een definitieve rechterlijke beslissing, volgens welke aan een in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf van de btw gevestigde belastingplichtige zowel het recht op teruggaaf van de btw wordt ontzegd als het recht op toegang tot de rechter om op te komen tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij die belastingplichtige zijn verzoek om teruggaaf heeft ingediend, op grond dat dit verzoek wegens een technische storing bij de elektronische indiening ervan niet kan worden geacht te zijn ingediend.
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
12 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Teruggaaf van btw – Richtlijn 2008/9/EG – Artikelen 2, 15 en 23 – Beginsel van btw-neutraliteit, doeltreffendheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel – Belastingplichtige die niet in de lidstaat van teruggaaf van de btw maar in een andere lidstaat gevestigd is – Verzoek om teruggaaf van de btw – Technische storing bij de elektronische verzending van het verzoek – Stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij het verzoek is ingediend – Definitieve rechterlijke beslissing – Gezag van gewijsde ”
In zaak C‑527/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte di Giustizia Tributaria di primo grado di Pescara (belastingrechter in eerste aanleg Pescara, Italië) bij beslissing van 19 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2024, in de procedure
Harry et Associés Sarl
tegen
Agenzia delle entrate – Riscossione – Pescara,
Agenzia delle entrate – Centro operativo di Pescara,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Harry et Associés Sarl, vertegenwoordigd door L. Del Federico, avvocato,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door G. M. De Socio en A. Giovannini, avvocati dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en F. Moro als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 167 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 (PB 2008, L 44, blz. 1) (hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Harry et Associés Sarl, een vennootschap naar Frans recht, en anderzijds de Agenzia delle entrate – Riscossione – Pescara (belastingdienst – dienst inningen – Pescara, Italië) en de Agenzia delle entrate – Centro Operativo di Pescara (belastingdienst – operationeel centrum Pescara, Italië) (hierna: „COP”) over een verzoek om teruggaaf van belasting over de toegevoegde waarde (btw).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Btw-richtlijn
3 Artikel 167 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.”
4 Artikel 169 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„Naast de in artikel 168 bedoelde aftrek heeft de belastingplichtige recht op aftrek van de in dat artikel bedoelde btw, voor zover de goederen en de diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:
a) door de belastingplichtige buiten de lidstaat waar de belasting verschuldigd of voldaan is verrichte handelingen in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in die lidstaat zouden zijn verricht;
b) door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor overeenkomstig de artikelen 138, 142 en 144, de artikelen 146 tot en met 149, de artikelen 151, 152, 153 en 156, artikel 157, lid 1, onder b), de artikelen 158 tot en met 161 en artikel 164 vrijstelling is verleend;
c) door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met f), vrijstelling is verleend, indien de afnemer buiten de [Europese] Gemeenschap gevestigd is of indien de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om uit de Gemeenschap te worden uitgevoerd.”
5 Artikel 170 van die richtlijn luidt als volgt:
„Een belastingplichtige die in de zin van […] artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2008/9/EG [van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in de btw-richtlijn vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB 2008, L 44, blz. 23)], en artikel 171 van deze richtlijn, niet gevestigd is in de lidstaat waar hij goederen en diensten aankoopt of aan btw onderworpen goederen invoert, heeft recht op teruggaaf van de btw indien de goederen en diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:
a) de in artikel 169 bedoelde handelingen;
b) de handelingen waarvoor de belasting overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 alleen door de afnemer verschuldigd is.”
6 Artikel 171, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
„De teruggaaf van de btw aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat waar zij goederen en diensten aankopen of aan btw onderworpen goederen invoeren, maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, geschiedt volgens de bij richtlijn [2008/9] vastgestelde uitvoeringsbepalingen.”
Richtlijn 2008/9
7 Overweging 3 van richtlijn 2008/9 luidt als volgt:
„De nieuwe procedure zal het bedrijfsleven in een betere positie plaatsen, aangezien de lidstaten rente verschuldigd zullen zijn wanneer de teruggaaf te laat geschiedt; ook zullen bedrijven over meer rechtsmiddelen beschikken.”
8 In artikel 1 van die richtlijn is het volgende bepaald:
„In deze richtlijn worden de nadere voorschriften vastgesteld voor de teruggaaf van de [btw] krachtens artikel 170 van [de btw-richtlijn] aan niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtigen die aan de voorwaarden van artikel 3 voldoen.”
9 Artikel 2 van richtlijn 2008/9 bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]4) ‚teruggaafverzoek’: het verzoek om teruggaaf van de aan de niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige in rekening gebrachte btw ter zake van de voor genoemde belastingplichtige door andere belastingplichtigen in deze lidstaat verrichte diensten of goederenleveringen, of ter zake van de invoer van goederen in deze lidstaat”.
10 In artikel 3 van die richtlijn is het volgende opgenomen:
„Deze richtlijn is van toepassing op de niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij in de lidstaat van teruggaaf noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening gehad, noch een vaste inrichting van waaruit zakelijke handelingen werden verricht, noch, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;
b) tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij geen goederenleveringen of diensten verricht waarvan de plaats geacht wordt in de lidstaat van teruggaaf te zijn gelegen, met uitzondering van de volgende handelingen:
i) vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten die vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 144, 146, 148, 149, 151, 153, 159 of 160 van [de btw-richtlijn];
ii) goederenleveringen of dienstverrichtingen waarvan de afnemer krachtens de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 van [de btw-richtlijn] btw verschuldigd is.”
11 Artikel 5 van richtlijn 2008/9 luidt:
„Elke lidstaat verleent iedere niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige teruggaaf van de btw die werd geheven ter zake van de voor genoemde belastingplichtige door andere belastingplichtigen in deze lidstaat verrichte goederenleveringen of diensten, of ter zake van de invoer van goederen in deze lidstaat, voor zover deze goederen of diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:
a) de handelingen bedoeld in artikel 169, punten a) en b), van [de btw-richtlijn];
b) handelingen, waarvan de afnemer overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 van [de btw-richtlijn], als toegepast in de lidstaat van teruggaaf, tot voldoening van de belasting is gehouden.
Onverminderd artikel 6 wordt voor de toepassing van deze richtlijn het recht op teruggaaf van voorbelasting bepaald overeenkomstig [de btw-richtlijn], als toegepast in de lidstaat van teruggaaf.”
12 Artikel 7 van richtlijn 2008/9 is als volgt geformuleerd:
„Een niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige die in die lidstaat teruggaaf van de btw wenst te verkrijgen, richt langs elektronische weg een teruggaafverzoek tot die lidstaat, dat hij indient bij zijn lidstaat van vestiging, via de door deze lidstaat ingestelde portaalsite.”
13 Artikel 15 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„1. Het teruggaafverzoek moet uiterlijk 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging worden ingediend. Het teruggaafverzoek geldt alleen als ingediend indien de aanvrager alle in de artikelen 8, 9 en 11 verlangde gegevens verstrekt heeft.
2. De lidstaat van vestiging stuurt de aanvrager onverwijld langs elektronische weg een bevestiging van ontvangst.”
14 Artikel 20, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„Ingeval de lidstaat van teruggaaf meent niet alle dienstige informatie te hebben ontvangen om met betrekking tot het geheel of een deel van het teruggaafverzoek een beschikking te kunnen geven, kan hij binnen de in artikel 19, lid 2, genoemde termijn van vier maanden, langs elektronische weg in het bijzonder de aanvrager of de lidstaat van vestiging om aanvullende gegevens verzoeken. Indien de aanvullende gegevens worden opgevraagd bij een andere persoon dan de aanvrager of de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, wordt alleen langs elektronische weg om gegevens verzocht indien de [ontvanger] van het verzoek over de desbetreffende apparatuur beschikt.
Zo nodig kan de lidstaat van teruggaaf om verdere aanvullende gegevens verzoeken.
[…]”15 Artikel 23 van die richtlijn luidt als volgt:
„1. Indien het teruggaafverzoek geheel of ten dele wordt afgewezen, worden de redenen hiervoor door de lidstaat van teruggaaf tegelijkertijd met de beschikking aan de aanvrager meegedeeld.
2. De aanvrager kan bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van teruggaaf rechtsmiddelen instellen tegen een beschikking tot afwijzing van een teruggaafverzoek, in de vorm en binnen de termijnen die gelden voor het instellen van rechtsmiddelen door in de lidstaat van teruggaaf gevestigde personen.
Indien het feit dat de lidstaat van teruggaaf nalaat om ten aanzien van het teruggaafverzoek een beschikking te geven in de vorm en binnen de termijnen als vastgesteld bij deze richtlijn, volgens het recht van deze lidstaat noch als inwilliging noch als afwijzing te beschouwen is, zijn de eventuele bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedures waartoe in deze lidstaat gevestigde belastingplichtigen toegang hebben, op dezelfde wijze voor de aanvrager toegankelijk. Indien dergelijke procedures niet voorhanden zijn, wordt het feit dat de lidstaat van teruggaaf nalaat om binnen deze termijnen een beschikking ten aanzien van het teruggaafverzoek te geven, opgevat als afwijzing van het verzoek.”
Italiaans recht
Besluit nr. 633/1972
16 Decreto del Presidente della Repubblica nr. 633 – Istituzione e disciplina dell’imposta sul valore aggiunto (besluit nr. 633 van de president van de Republiek betreffende de instelling en regeling van de belasting over de toegevoegde waarde) van 26 oktober 1972 (gewoon supplement nr. 1 bij GURI nr. 292 van 11 november 1972) (hierna: „besluit nr. 633/1972”) bepaalt in artikel 38-bis 2 („Teruggaaf aan niet-ingezetenen die in een andere lidstaat van de Gemeenschap gevestigd zijn”) het volgende:
„1. In andere lidstaten van de Gemeenschap gevestigde personen die belastingplichtig zijn in de staat waar zij hun woonplaats of verblijfplaats hebben, verzoeken om teruggaaf van de over de invoer van goederen en over de verwerving van goederen en diensten betaalde belasting, mits deze krachtens de artikelen 19, 19‑bis 1, en 19‑bis 2 aftrekbaar is, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Om teruggaaf kan niet worden verzocht door personen die tijdens het referentietijdvak een vaste inrichting op het grondgebied van de staat […] hadden. […] […]
4. Het verzoek om teruggaaf wordt elektronisch ingediend via de lidstaat waar de aanvrager verblijft.
5. […] De aanvrager wordt binnen vier maanden na ontvangst van dat verzoek in kennis gesteld van de beslissing over de teruggaaf van de belasting, onder voorbehoud van wat in de volgende leden is bepaald.
6. Binnen de in lid 5 bedoelde termijn van vier maanden kan de belastingdienst bij de indiener van het verzoek om teruggaaf of bij de lidstaat waar hij is gevestigd langs elektronische weg om aanvullende gegevens verzoeken, teneinde alle relevante gegevens te verkrijgen die als grondslag kunnen dienen voor het teruggaafbesluit. De aanvullende gegevens kunnen in voorkomend geval, eveneens elektronisch, bij een andere persoon worden opgevraagd, mits deze over de nodige middelen beschikt. De opgevraagde gegevens moeten binnen een maand na ontvangst van het verzoek door de ontvanger daarvan aan de belastingdienst worden verstrekt. Wanneer aanvullende gegevens worden opgevraagd, vindt de in lid 5 bedoelde mededeling plaats binnen twee maanden na de datum van ontvangst van die gegevens door de belastingdienst, of binnen twee maanden na het vruchteloos verstrijken van de in de derde zin bedoelde termijn van één maand. Bovengenoemde termijnen gelden niet indien zij verstrijken binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek om teruggaaf. In een dergelijk geval vindt de mededeling overeenkomstig lid 5 plaats binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek.
7. De belastingdienst kan om extra gegevens verzoeken naast de in lid 6 bedoelde gegevens. De opgevraagde gegevens moeten binnen een maand na ontvangst van het verzoek door de ontvanger daarvan aan de belastingdienst worden verstrekt. In dat geval moet de in lid 5 bedoelde mededeling hoe dan ook plaatsvinden binnen acht maanden na de datum van ontvangst van het verzoek om teruggaaf.
[…]11. Personen die ten onrechte een teruggaaf hebben ontvangen, moeten de betrokken bedragen binnen zestig dagen na kennisgeving van het daartoe strekkende besluit van de belastingdienst terugbetalen. […]
12. In afwachting van de betaling van het bedrag dat verschuldigd is wegens de terugbetaling van een ten onrechte ontvangen teruggaaf en van de daarmee verband houdende boeten, schort de belastingdienst elke nieuwe teruggaaf aan de betrokkene op tot dat bedrag is terugbetaald.”
Wetsbesluit nr. 546/1992
17 Artikel 21, lid 2, van decreto legislativo n. 546 – Disposizioni sul processo tributario in attuazione della delega al Governo contenuta nell’art. 30 della legge 30 dicembre 1991, n. 413 (wetsbesluit nr. 546 houdende bepalingen betreffende de fiscale procedure ter uitvoering van de krachtens artikel 30 van wet nr. 413 van 30 december 1991 aan de regering verleende machtiging) van 31 december 1992 (gewoon supplement nr. 8 bij GURI nr. 9 van 13 januari 1993 (hierna: „wetsbesluit nr. 546/1992”) bepaalt het volgende:
„Tegen de stilzwijgende afwijzing van de teruggaaf in de zin van artikel 19, lid 1, onder g) en g bis), kan beroep worden ingesteld na de negentigste dag na het verzoek om teruggaaf dat binnen de in de betrokken belastingwet vastgestelde termijn is ingediend en tot de verjaring van het recht op teruggaaf. Bij gebreke van specifieke bepalingen dient het verzoek om teruggaaf te worden ingesteld binnen twee jaar vanaf de datum van betaling of vanaf de datum waarop de voorwaarde voor teruggaaf is ingetreden, indien deze datum later valt.”
Burgerlijk wetboek
18 Artikel 2909 van de codice civile (burgerlijk wetboek) heeft als opschrift „Gezag van gewijsde” en luidt:
„De beslissingen in een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, zijn bindend voor de partijen, hun erfgenamen en hun rechtverkrijgenden.”
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
19 Artikel 324 van de codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), met als opschrift „Formeel gezag van gewijsde”, bepaalt:
„Een rechterlijke beslissing is in kracht van gewijsde gegaan wanneer daartegen geen beroep wegens onbevoegdheid, geen hoger beroep, geen cassatieberoep en geen herziening op de in artikel 395, punten 4 en 5, genoemde gronden meer kan worden ingesteld.”
Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
20 Harry et Associés heeft op 26 september 2016 bij de Franse belastingdienst een verzoek om teruggaaf van de btw ingediend voor een bedrag van 98 740,93 EUR, dat betrekking heeft op in 2015 in Italië verrichte handelingen.
21 De Franse belastingdienst heeft dit verzoek elektronisch toegezonden aan de COP, de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf. Het elektronische bestand met het verzoek om teruggaaf was echter onleesbaar omdat het een aantal technische fouten bevatte. Om die reden heeft de COP het verzoek niet behandeld en niet onderzocht, hoewel het naar behoren werd ontvangen door de Franse belastingdienst en vervolgens door de COP.
22 Aangezien de btw niet werd terugbetaald en de COP op geen enkele wijze reageerde, heeft Harry et Associés beroep ingesteld bij de Corte di Giustizia Tributaria di primo grado di Pescara (belastingrechter in eerste aanleg Pescara, Italië), de verwijzende rechter. In een eerste vonnis heeft deze rechter vastgesteld dat Harry et Associés recht had op teruggaaf van de btw.
23 Daarop heeft de COP de betreffende btw aan deze vennootschap terugbetaald maar tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Corte di Giustizia Tributaria di secondo grado (belastingrechter in tweede aanleg, Italië).
24 Laatstgenoemde rechter heeft dat vonnis herzien en geoordeeld dat dit verzoek om teruggaaf van de btw wegens technische storingen bij de elektronische verzending van dat verzoek helemaal niet bestond, zodat het stilzitten van de COP niet kon worden beschouwd als stilzwijgende afwijzing van dat verzoek. Bijgevolg heeft hij het beroep van Harry et Associés niet-ontvankelijk verklaard.
25 Harry et Associés heeft daarop cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), die dit beroep bij beschikking heeft verworpen om in wezen dezelfde redenen als die welke in het vorige punt zijn uiteengezet.
26 Vervolgens heeft de COP tegen Harry et Associés een besluit uitgevaardigd waarbij de eerder terugbetaalde btw, vermeerderd met vertragingsrente en gerechtskosten, werd teruggevorderd.
27 Harry et Associés heeft tegen dit terugvorderingsbesluit bij de verwijzende rechter een nieuw beroep ingesteld.
28 De verwijzende rechter is in wezen van oordeel dat dit terugvorderingsbesluit inbreuk maakt op het recht van Harry et Associés op teruggaaf van de btw en het tevens het beginsel van btw-neutraliteit schendt. Dit recht kan volgens hem niet aan Harry et Associés worden ontzegd wegens een niet aan haar toerekenbare technische storing bij de elektronische verzending van het verzoek om teruggaaf.
29 Hij vraagt zich in het licht van met name de arresten van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, EU:C:2006:121), 18 juli 2007, Lucchini (C‑119/05, EU:C:2007:434), en 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub (C‑2/08, EU:C:2009:506), bovendien af of het gezag van gewijsde van de beschikking van de Corte suprema di cassazione eraan in de weg staat dat hij in het hoofdgeding uitspraak doet over de vraag of Harry et Associés recht heeft op teruggaaf van de btw.
30 In die omstandigheden heeft de Corte di Giustizia tributaria di primo grado di Pescara de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Staan artikel 167 van [de btw-richtlijn] en de algemene beginselen van [btw-neutraliteit] en de evenredigheid van de beperking van het recht op [btw-aftrek] in de weg aan:
a) een nationale regeling zoals vastgesteld in artikel 21, lid 2, van [wetsbesluit nr. 546/1992] en artikel 38 bis 2 van [besluit nr. 633/1972], op grond waarvan in de nationale rechtsorde een verzoek om teruggaaf dat technische (computer)fouten bevat als nietig kan worden aangemerkt, waardoor de toegang tot de rechter kan worden verhinderd en het recht op teruggaaf kan vervallen in een situatie ten gronde waarin de belastingplichtige recht heeft op teruggaaf van de btw;
b) een rechtsbeginsel zoals het beginsel dat door de Corte suprema di cassazione is bevestigd, op grond waarvan ,een verzoek om teruggaaf van btw-krediet dat wegens technische storingen bij de elektronische verzending niet zichtbaar is voor de belastingdienst, geen stilzwijgende beslissing tot weigering kan vormen die in rechte kan worden aangevochten, aangezien de belastingdienst niet in staat is geweest om te beslissen’, waardoor in dat geval de rechtstreekse toegang tot de rechter wordt verhinderd, zodat het recht op teruggaaf vervalt, ook al is er sprake van een materieel recht op teruggaaf?”
31 De verwijzende rechter heeft het Hof ook verzocht de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens de versnelde procedure te behandelen. Bij beschikking van de president van het Hof van 21 oktober 2024, Harry et Associés (C‑527/24, EU:C:2024:966), is dit verzoek afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
32 De Italiaanse regering betoogt dat de prejudiciële vraag niet relevant is omdat het verzoek van Harry et Associés om teruggaaf van de btw wegens de technische storingen niet kan worden geacht te zijn ingediend in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2008/9.
33 Aangezien het argument van deze regering betrekking heeft op de vraag of er sprake is van een indiening van een verzoek om teruggaaf van de btw in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2008/9, betreft deze problematiek de grond van de prejudiciële vraag en niet de ontvankelijkheid ervan, zodat het argument moet worden beoordeeld in het kader van een onderzoek ten gronde van die vraag (zie naar analogie arrest van 19 september 2024, Consiglio nazionale delle Ricerche, C‑439/23, EU:C:2024:773, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 De prejudiciële vraag moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. De omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof deze rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de zaak die bij haar aanhangig is, ongeacht of daar in de vragen naar wordt verwezen. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (arrest van 4 oktober 2024, Herbaria Kräuterparadies II, C‑240/23, EU:C:2024:852, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Met zijn enige vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van met name artikel 167 van de btw-richtlijn, dat betrekking heeft op het tijdstip waarop het recht op btw-aftrek ontstaat.
37 In casu blijkt evenwel uit de verwijzingsbeslissing om te beginnen dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op het recht op btw-aftrek, maar op het recht op teruggaaf van de btw, dat wordt geregeld in artikel 170 en artikel 171, lid 1, van de btw-richtlijn en in de bepalingen van richtlijn 2008/9, waarvan vooral artikel 15, lid 1, tweede volzin, artikel 20, lid 1, en artikel 23, lid 2, relevant zijn voor het antwoord op de prejudiciële vraag. Het recht op teruggaaf van de btw wordt in casu immers geldend gemaakt door een belastingplichtige die niet in de lidstaat van teruggaaf, maar in een andere lidstaat gevestigd is. Het gaat dus om een situatie die wordt beheerst door de bepalingen van richtlijn 2008/9.
38 Zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is opgemerkt, vraagt de verwijzende rechter zich voorts af of hij, om de eventuele onverenigbaarheid van de nationale regeling – zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione – met het Unierecht te kunnen verhelpen, de in kracht van gewijsde gegane beschikking van die rechter buiten toepassing moet laten.
39 De prejudiciële vraag moet derhalve aldus worden begrepen dat het Hof wordt verzocht te verduidelijken of artikel 170 en artikel 171, lid 1, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, tweede volzin, artikel 20, lid 1, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9, alsmede met de beginselen van btw-neutraliteit, evenredigheid en behoorlijk bestuur, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd in een definitieve rechterlijke beslissing, volgens welke aan een in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf van de btw gevestigde belastingplichtige zowel het recht op teruggaaf van de btw wordt ontzegd als het recht op toegang tot de rechter om op te komen tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij de belastingplichtige zijn verzoek om teruggaaf heeft ingediend, op grond dat dit verzoek wegens een technische storing bij de elektronische indiening ervan niet kan worden geacht te zijn ingediend.
40 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat elke belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar hij goederen en diensten aankoopt of aan btw onderworpen goederen invoert, volgens artikel 170, onder a), van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 169 van deze richtlijn alsmede met de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2008/9, recht heeft op teruggaaf van de btw indien de goederen en diensten worden gebruikt hetzij voor handelingen die vallen onder de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn bedoelde activiteiten die worden verricht buiten de lidstaat waar de belasting verschuldigd of voldaan is en waarvoor er een recht op aftrek zou bestaan indien zij in die lidstaat waren verricht, hetzij voor in artikel 169, onder b) en c), van die richtlijn genoemde vrijgestelde handelingen. Voorts verwijst artikel 171 van die richtlijn naar richtlijn 2008/9 voor wat betreft de wijze van uitoefening van het recht op teruggaaf van de btw (arrest van 2 mei 2019, Sea Chefs Cruise Services, C‑133/18, EU:C:2019:354, punt 33).
41 Het Hof heeft met betrekking tot het recht op teruggaaf reeds verduidelijkt dat het recht van een in een lidstaat gevestigde belastingplichtige op teruggaaf van de in een andere lidstaat betaalde btw, zoals dit in richtlijn 2008/9 is vastgesteld, de tegenhanger is van het door de btw-richtlijn te zijnen gunste ingevoerde recht op aftrek van de in zijn eigen lidstaat betaalde voorbelasting (arrest van 2 mei 2019, Sea Chefs Cruise Services, C‑133/18, EU:C:2019:354, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Bovendien heeft het Hof benadrukt dat het recht op teruggaaf, net zoals het recht op aftrek, een basisbeginsel vormt van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel dat tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits zij in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (arrest van 2 mei 2019, Sea Chefs Cruise Services, C‑133/18, EU:C:2019:354, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Het recht op teruggaaf vormt dus een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt. Het wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt (zie in die zin arrest van 2 mei 2019, Sea Chefs Cruise Services, C‑133/18, EU:C:2019:354, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Het fundamentele beginsel van btw-neutraliteit vereist evenwel dat teruggaaf van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook al voldoet een belastingplichtige niet aan bepaalde formele vereisten. Dit kan echter anders liggen wanneer de niet-naleving van deze formele vereisten tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan (arrest van 17 december 2020, Bundeszentralamt für Steuern, C‑346/19, EU:C:2020:1050, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Een strikte toepassing van de formele vereisten schendt dus het beginsel van neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel, aangezien een dergelijke toepassing voor de belastingplichtige een onevenredige belemmering vormt om te kunnen profiteren van de fiscale neutraliteit van zijn handelingen (zie in die zin arrest van 21 november 2018, Vădan, C‑664/16, EU:C:2018:933, punt 42).
46 Wat de in richtlijn 2008/9 vastgestelde wijze van uitoefening van het recht op teruggaaf van de btw betreft, dient erop te worden gewezen dat artikel 7 van die richtlijn bepaalt dat een niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige die in die lidstaat teruggaaf van de btw wenst te verkrijgen, langs elektronische weg een teruggaafverzoek richt tot die lidstaat, dat hij indient bij zijn lidstaat van vestiging via de door deze laatste lidstaat ingestelde portaalsite.
47 Overeenkomstig artikel 15, lid 1, tweede volzin, van die richtlijn geldt een dergelijk teruggaafverzoek alleen als ingediend bij de lidstaat van vestiging indien die belastingplichtige alle in de artikelen 8, 9 en 11 van die richtlijn verlangde gegevens verstrekt heeft.
48 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Harry et Associés op 26 september 2016 bij de Franse belastingdienst – de belastingdienst van haar lidstaat van vestiging – binnen de in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2008/9 gestelde termijn een verzoek om teruggaaf van de btw met betrekking tot in 2015 in Italië verrichte handelingen heeft ingediend. De Franse belastingdienst heeft dit verzoek overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn elektronisch toegezonden aan de COP, de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf. Uit de verwijzingsbeslissing komt tevens naar voren dat dit verzoek naar behoren werd ontvangen door de Franse belastingdienst en vervolgens door de COP. Bovendien blijkt uit niets in het dossier waarover het Hof beschikt dat de in de artikelen 8, 9 en 11 van die richtlijn verlangde gegevens niet in dat verzoek waren opgenomen of dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van die richtlijn.
49 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat de COP het elektronische bestand met het teruggaafverzoek van de belastingplichtige niet heeft kunnen openen wegens een technische storing die niet aan deze laatste kan worden toegerekend.
50 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een lidstaat het Unierecht ten uitvoer brengt, de vereisten die voortvloeien uit het algemene beginsel van behoorlijk bestuur, en in het bijzonder het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig en binnen een redelijke termijn worden behandeld, toepassing vinden op een belastingcontrole. Dit beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat een belastingdienst zoals de COP ter naleving van zijn controleverplichtingen alle relevante aspecten zorgvuldig en onpartijdig onderzoekt, zodat deze dienst zijn besluit kan vaststellen op basis van zo volledig en betrouwbaar mogelijke gegevens (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, CHEP Equipment Pooling, C‑396/20, EU:C:2021:867, punt 48).
51 Indien de belastingdienst wegens een technische storing er niet in slaagt het elektronische bestand met een verzoek om teruggaaf van de btw te openen dat overeenkomstig de in richtlijn 2008/9 vastgestelde voorschriften naar behoren langs elektronische weg is toegezonden, vereist het beginsel van behoorlijk bestuur derhalve dat hij de belastingplichtige – in voorkomend geval via de belastingdienst van diens lidstaat van vestiging – op de hoogte brengt van de technische storing die haar belet dit elektronische bestand te openen, en hem verzoekt dit te verhelpen, eventueel door een nieuw en volledig werkend elektronisch bestand in te dienen.
52 Voorts kan overeenkomstig artikel 20, lid 1, van richtlijn 2008/9 de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf, ingeval deze meent niet alle dienstige informatie te hebben ontvangen om met betrekking tot het geheel of een deel van het teruggaafverzoek een beschikking te kunnen geven, in het bijzonder de belastingplichtige of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging langs elektronische weg om aanvullende gegevens verzoeken. Deze bepaling zou haar nuttig effect grotendeels verliezen indien deze dienst meteen ervan kon uitgaan dat er wegens een technische storing geen teruggaafverzoek is ingediend, ook al is dat verzoek elektronisch toegezonden door de belastingdienst van de lidstaat waar de belastingplichtige is gevestigd en naar behoren ontvangen door de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf.
53 In een situatie als die welke in de verwijzingsbeslissing is beschreven en in punt 48 van het onderhavige arrest is uiteengezet, vereisen de beginselen van behoorlijk bestuur, btw-neutraliteit en evenredigheid dus dat de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf het teruggaafverzoek beschouwt als „ingediend” in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2008/9 en in voorkomend geval gebruikmaakt van de in artikel 20, lid 1, van die richtlijn geboden mogelijkheid, die in wezen in het Italiaanse recht is omgezet bij artikel 38-bis 2, leden 6 en 7, van besluit nr. 633/1972, om de belastingplichtige te verzoeken – indien nodig via de belastingdienst van diens lidstaat van vestiging – een nieuw, onbeschadigd elektronisch bestand met dat verzoek aan de dienst toe te zenden (zie in die zin arrest van 17 december 2020, Bundeszentralamt für Steuern, C‑346/19, EU:C:2020:1050, punten 49‑51).
54 In casu komt uit de verwijzingsbeslissing echter naar voren dat de COP Harry et Associés noch rechtstreeks noch via de belastingdienst van haar lidstaat van vestiging op de hoogte heeft gebracht van de technische storing die hem belette het elektronische bestand met het verzoek om teruggaaf van de btw te openen. Hij heeft in voorkomend geval Harry et Associés ook niet verzocht dit te verhelpen door een nieuw en volledig werkend elektronisch bestand in te dienen. De COP heeft evenmin een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van het teruggaafverzoek genomen.
55 Derhalve kan niet louter op grond van een technische storing bij de toezending van het elektronische bestand met een verzoek om teruggaaf van de btw worden geoordeeld dat er geen verzoek is ingediend in de zin van artikel 15, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2008/9, ook al is dat verzoek wel degelijk toegezonden overeenkomstig de bij deze richtlijn vastgestelde wijze en naar behoren ontvangen door zowel de belastingdienst van de lidstaat van vestiging van de belastingplichtige als die van de lidstaat van teruggaaf.
56 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de belastingplichtige krachtens de toepasselijke nationale regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, beschikt over een doeltreffende voorziening in rechte tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf.
57 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de betrokken belastingplichtige overeenkomstig artikel 23, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2008/9 bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van teruggaaf rechtsmiddelen kan instellen tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om teruggaaf van de btw, in de vorm van en binnen de termijnen die gelden voor het instellen van rechtsmiddelen door in de lidstaat van teruggaaf gevestigde personen. Volgens de tweede alinea van artikel 23, lid 2, moet de belastingplichtige – indien het feit dat de belastingdienst van die lidstaat nalaat om een beschikking te geven noch als inwilliging noch als afwijzing te beschouwen is – toegang hebben tot elke administratieve of gerechtelijke procedure waartoe de in die lidstaat gevestigde belastingplichtigen toegang hebben wanneer zij zich in dezelfde situatie bevinden. Indien dergelijke procedures niet voorhanden zijn, wordt het feit dat wordt nagelaten een beschikking te geven opgevat als afwijzing van het verzoek.
58 Deze bepaling moet worden gelezen in het licht van overweging 3 van die richtlijn, waaruit blijkt dat de richtlijn onder meer beoogt ondernemingen meer rechtsmiddelen te geven (arrest van 16 mei 2024, Slovenské Energetické Strojárne, C‑746/22, EU:C:2024:403, punt 41).
59 Artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9 beoogt weliswaar het recht van beroep van niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtigen te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten de nadere regels voor de uitoefening van administratieve of rechterlijke beroepen een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de betreffende lidstaat zijn (zie in die zin arrest van 16 mei 2024, Slovenské Energetické Strojárne, C‑746/22, EU:C:2024:403, punt 42).
60 Deze nadere regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens intern recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 16 mei 2024, Slovenské Energetické Strojárne, C‑746/22, EU:C:2024:403, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing in essentie dat wanneer de belastingplichtige tijdig een verzoek om teruggaaf van de btw heeft ingediend en de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf geen uitdrukkelijke (positieve of negatieve) beschikking heeft gegeven binnen negentig dagen na de indiening van dat verzoek, dit stilzwijgen krachtens artikel 21, lid 2, van wetsbesluit nr. 546/1992 geldt als stilzwijgende afwijzing van dat verzoek. Volgens deze bepaling kunnen stilzwijgende afwijzingen van verzoeken om teruggaaf van de btw het voorwerp vormen van een voorziening in rechte.
62 Bijgevolg blijkt niet dat deze bepaling als zodanig onverenigbaar is met de vereisten van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9.
63 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de Corte suprema di cassazione, in de in de punten 25 en 29 van het onderhavige arrest genoemde beschikking, artikel 21, lid 2, van wetsbesluit nr. 546/1992 aldus heeft uitgelegd dat – in wezen – het stilzitten van de COP, waarbij een verzoek om teruggaaf van de btw was ingediend dat naar behoren was ontvangen maar onleesbaar was wegens technische storingen bij de elektronische verzending, niet geldt als een stilzwijgende afwijzing waartegen een voorziening in rechte openstaat.
64 Derhalve is de door de Corte suprema di cassazione gegeven uitlegging van artikel 21, lid 2, van wetsbesluit nr. 546/1992, zoals deze is uiteengezet in het vorige punt, in strijd met de vereisten van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9, volgens welke in wezen een voorziening in rechte moet openstaan wanneer er geen beschikking wordt gegeven ten aanzien van een teruggaafverzoek.
65 Deze uitlegging van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9 is bovendien de enige die tot gevolg heeft dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt nageleefd, dat door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt gewaarborgd aan eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten zijn geschonden.
66 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat aan een in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf van de btw gevestigde belastingplichtige niet de hem door het Unierecht toegekende rechten kan worden ontzegd, namelijk zijn recht op teruggaaf van de btw en voorts ook zijn recht op toegang tot de rechter om op te komen tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij de belastingplichtige zijn verzoek om teruggaaf heeft ingediend, op grond dat dit verzoek wegens een technische storing bij de elektronische indiening ervan niet kan worden geacht te zijn ingediend.
67 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich niet alleen afvraagt of de in de punten 25 en 29 van het onderhavige arrest genoemde beschikking van de Corte suprema di cassazione verenigbaar is met het Unierecht, maar tevens twijfels heeft over de vraag of dit recht zich verzet tegen de toepassing van nationale bepalingen waarin het beginsel van het gezag van gewijsde is neergelegd, zoals artikel 2909 van het burgerlijk wetboek en artikel 324 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze bepalingen kunnen met name de rechtsgrondslag vormen voor een middel van niet-ontvankelijkheid dat is gericht tegen de vordering in het hoofdgeding, aangezien de verwijzende rechter het door de Corte suprema di cassazione in zijn beschikking geformuleerde beginsel moet toepassen op grond dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
68 In dit verband volstaat het vast te stellen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat nationale bepalingen die niet alleen beletten dat een rechterlijke uitspraak met gezag van gewijsde opnieuw in geding wordt gebracht, ook al bevat deze beslissing een schending van het Unierecht, maar die ook beletten dat naar aanleiding van de rechterlijke toetsing van een andere beslissing van de bevoegde belastingdienst ten aanzien van dezelfde belastingplichtige, doch voor een ander belastingjaar, een vaststelling betreffende een gemeen fundamenteel punt in een rechterlijke uitspraak met gezag van gewijsde opnieuw in twijfel wordt getrokken, beletsels vormen van een dergelijke omvang voor de daadwerkelijke toepassing van de Unierechtelijke regels inzake de btw dat zij niet redelijkerwijs kunnen worden gerechtvaardigd door het rechtszekerheidsbeginsel en dus in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel moeten worden geacht (zie in die zin arresten van 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub, C‑2/08, EU:C:2009:506, punten 29 en 31, en 2 april 2020, CRPNPAC en Vueling Airlines, C‑370/17 en C‑37/18, EU:C:2020:260, punt 94).
69 Hetzelfde geldt logischerwijs wanneer de gerechtelijke procedure betrekking heeft op een andere beslissing van de bevoegde belastingdienst ten aanzien van dezelfde belastingplichtige maar met een ander voorwerp (zie in die zin arrest van 16 januari 2025, BALTIC CONTAINER TERMINAL, C‑376/23, EU:C:2025:20, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Een dergelijke uitlegging van het beginsel van het gezag van gewijsde zou immers tot gevolg hebben dat wanneer de definitief geworden beslissing steunt op een met het Unierecht strijdige uitlegging, de onjuiste toepassing van het Unierecht wordt herhaald in iedere beslissing van de rechterlijke instanties betreffende dezelfde feiten, zonder dat deze met het Unierecht strijdige uitlegging kan worden bijgestuurd (zie in die zin arresten van 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub, C‑2/08, EU:C:2009:506, punt 30, en 2 april 2020, CRPNPAC en Vueling Airlines, C‑370/17 en C‑37/18, EU:C:2020:260, punt 95).
71 In casu blijkt – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – dat de zaak die heeft geleid tot de in de punten 25 en 29 van het onderhavige arrest genoemde beschikking van de Corte suprema di cassazione in wezen betrekking had op de vraag of het stilzitten van de COP een stilzwijgende afwijzing van het verzoek om teruggaaf van de btw vormde en of daartegen een voorziening in rechte openstond. Het lijkt er dus op dat de Corte suprema di cassazione geen standpunt heeft ingenomen over de vraag of Harry et Associés ten gronde recht had op teruggaaf van de btw. Het voorwerp van het hoofdgeding is daarentegen de rechtmatigheid van een aan Harry et Associés gericht besluit van de belastingdienst betreffende de terugvordering van eerder terugbetaalde btw. Aldus blijkt – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – dat de twee gedingen een verschillend voorwerp hebben.
72 Indien de verwijzende rechter zou vaststellen dat de twee gedingen niet hetzelfde voorwerp hebben, lijkt de toepassing van artikel 2909 van het burgerlijk wetboek en artikel 324 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zoals uitgelegd door de verwijzende rechter, er dus toe te leiden dat een onjuiste uitlegging van het Unierecht wordt bestendigd zonder dat die uitlegging kan worden bijgestuurd, en dat in een geding dat – omdat het betrekking heeft op een andere beslissing van de bevoegde belastingdienst – een ander voorwerp heeft dan het geding waarin die uitlegging is gegeven. Dit zou in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel, zoals uitgelegd in de in de punten 68 tot en met 70 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
73 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 170 en artikel 171, lid 1, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, tweede volzin, artikel 20, lid 1, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9 alsmede met de beginselen van btw-neutraliteit, evenredigheid en behoorlijk bestuur, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd in een definitieve rechterlijke beslissing, volgens welke aan een in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf van de btw gevestigde belastingplichtige zowel het recht op teruggaaf van de btw wordt ontzegd als het recht op toegang tot de rechter om op te komen tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij die belastingplichtige zijn verzoek om teruggaaf heeft ingediend, op grond dat dit verzoek wegens een technische storing bij de elektronische indiening ervan niet kan worden geacht te zijn ingediend.
Kosten
74 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 170 en artikel 171, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, tweede volzin, artikel 20, lid 1, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, alsmede met de beginselen van btw-neutraliteit, evenredigheid en behoorlijk bestuur,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd in een definitieve rechterlijke beslissing, volgens welke aan een in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf van de btw gevestigde belastingplichtige zowel het recht op teruggaaf van de btw wordt ontzegd als het recht op toegang tot de rechter om op te komen tegen het stilzitten van de belastingdienst van de lidstaat van teruggaaf waarbij die belastingplichtige zijn verzoek om teruggaaf heeft ingediend, op grond dat dit verzoek wegens een technische storing bij de elektronische indiening ervan niet kan worden geacht te zijn ingediend.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte di Giustizia Tributaria di primo grado di Pescara (Italië) op 31 juli 2024 – Harry et Associés Sarl / Agenzia delle Entrate – Riscossione – Pescara, Agenzia delle Entrate – Centro operativo di Pescara
(Zaak C-527/24, Harry et Associés)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte di Giustizia Tributaria di primo grado di Pescara
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Harry et Associés Sarl
Verwerende partijen: Agenzia delle Entrate – Riscossione – Pescara, Agenzia delle Entrate – Centro operativo di Pescara
Prejudiciële vraag
Staan artikel 167 van richtlijn 2006/112/EG1 en de algemene beginselen van de neutraliteit van de btw en de evenredigheid van de beperking van het recht op aftrek van btw in de weg aan:
a) een nationale regeling zoals vastgesteld in artikel 21, lid 2, van decreto legislativo 546/1992 en artikel 38 bis 2 van decreto presidenziale nr. 633/1972, op grond waarvan in de nationale rechtsorde een verzoek om teruggaaf dat technische (computer)fouten bevat als nietig kan worden aangemerkt, waardoor de toegang tot de rechter kan worden verhinderd en het recht op teruggaaf kan vervallen in een situatie ten gronde waarin de belastingplichtige recht heeft op teruggaaf van btw;
b) een rechtsbeginsel zoals het beginsel dat door de Corte di Cassazione is bevestigd, op grond waarvan ,een verzoek om teruggaaf van btw-krediet dat wegens technische storingen bij de elektronische verzending niet zichtbaar is voor de belastingdienst, geen stilzwijgende beslissing tot weigering kan vormen die in rechte kan worden aangevochten, aangezien de belastingdienst niet in staat is geweest om te beslissen’, waardoor in dat geval de rechtstreekse toegang tot de rechter wordt verhinderd, zodat het recht op teruggaaf vervalt, ook al is er sprake van een materieel recht op teruggaaf.
____________
1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).