HvJ 15-10-2014 Nicula C-331/13

HvJ Nicula arrest

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

15 oktober 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Teruggaaf van door een lidstaat in strijd met het Unierecht geïnde heffingen”

In zaak C‑331/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Sibiu (Roemenië) bij beslissing van 30 mei 2013, ingekomen bij het Hof op 18 juni 2013, in de procedure

Ilie Nicolae Nicula

tegen

Administraţia Finanţelor Publice a Municipiului Sibiu,

Administraţia Fondului pentru Mediu,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, M. Ilešič (rapporteur), L. Bay Larsen, A. Ó Caoimh, C. Vajda en S. Rodin, kamerpresidenten, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits, E. Jarašiūnas, C. G. Fernlund en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 maart 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        I. N. Nicula, vertegenwoordigd door D. Târşia, avocat,

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Radu, V. Angelescu en A.‑L. Crişan als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en G.‑D. Bălan als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 mei 2014,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 VEU, artikel 110 VWEU, de artikelen 17, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie almede het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van reformatio in pejus.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen I. N. Nicula enerzijds en Administraţia Finanţelor Publice a Municipiului Sibiu (bestuur openbare financiën van de gemeente Sibiu) en Administraţia Fondului pentru Mediu (bestuur milieufonds) over de weigering van laatstgenoemden om in te gaan op zijn verzoek om teruggaaf van de in strijd met het Unierecht geïnde vervuilingsheffing op motorvoertuigen (hierna: „vervuilingsheffing”).

Toepasselijke bepalingen

3        Bij spoedbesluit nr. 50/2008 van de regering van 21 april 2008 houdende invoering van de vervuilingsheffing voor motorvoertuigen (Ordonanţă de Urgenţă a Guvernului nr. 50/2008 pentru instituirea taxei pe poluare pentru autovehicule) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 327 van 25 april 2008; hierna: „OUG nr. 50/2008”), dat op 1 juli 2008 in werking is getreden, is een vervuilingsheffing ingevoerd voor voertuigen van de categorieën M1 tot en met M3 en N1 tot en met N3. De verplichting tot betaling van het bedrag van die heffing ontstond met name bij de eerste registratie van een motorvoertuig in Roemenië.

4        OUG nr. 50/2008 is herhaaldelijk gewijzigd alvorens te worden afgeschaft bij wet nr. 9/2012 van 6 januari 2012 betreffende de heffing op verontreinigende emissies van motorvoertuigen (Legea nr. 9/2012 privind taxa pentru emisiili poluante provenite de la autovehicule) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 17 van 10 januari 2012; hierna: „wet nr. 9/2012”), die in werking is getreden op 13 januari 2012.

5        Volgens artikel 4 van wet nr. 9/2012 ontstond de verplichting tot betaling van de heffing op verontreinigende emissies van motorvoertuigen niet alleen bij de eerste registratie van een voertuig in Roemenië, maar, onder bepaalde voorwaarden, ook bij de eerste overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands voertuig in Roemenië.

6        Als gevolg van spoedbesluit nr. 1/2012 van de regering van 30 januari 2012 houdende schorsing van de toepassing van een aantal bepalingen van wet nr. 9/2012 betreffende de heffing op verontreinigende emissies van motorvoertuigen en teruggaaf van die heffing op grond van artikel 4, lid 2, van die wet (Ordonanța de Urgență a Guvernului nr. 1/2012 pentru suspendarea aplicării unor dispoziții ale Legii nr. 9/2012 privind taxa pentru emisiile poluante provenite de la autovehicule, precum şi pentru restituirea taxei achitate în conformitate cu prevederile art. 4 alin. 2 din lege) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 79 van 31 januari 2012), die in werking is getreden op 31 januari 2012, is de toepassing van de heffing op verontreinigende emissies van motorvoertuigen bij de eerste overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands voertuig in Roemenië geschorst tot 1 januari 2013.

7        Spoedbesluit nr. 9/2013 van de regering van 19 februari 2013 betreffende de milieuheffing voor motorvoertuigen (Ordonanţa de urgenţă nr. 9/2013 privind timbrul de mediu pentru autovehicule) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 119 van 4 maart 2013; hierna: „OUG nr. 9/2013”), waarbij wet nr. 9/2012 is afgeschaft, is in werking getreden op 15 maart 2013.

8        Artikel 4 van OUG nr. 9/2013 bepaalt:

„De [milieuheffing voor motorvoertuigen] (hierna: „milieuheffing”) moet eenmalig worden betaald, namelijk:

a)      bij de inschrijving, in de registers van de bevoegde autoriteit, van de verkrijging van het eigendomsrecht op een motorvoertuig als eerste eigenaar in Roemenië en de toekenning van een kentekenbewijs en van een kentekennummer;

b)      wanneer een motorvoertuig opnieuw aan het nationale motorvoertuigenpark wordt toegevoegd, ingeval het restbedrag van de [milieuheffing] aan de eigenaar van dat voertuig is terugbetaald op het tijdstip waarop dit motorvoertuig het nationale voertuigenpark heeft verlaten […];

c)      bij de overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands motorvoertuig waarvoor overeenkomstig de bepalingen die golden ten tijde van de inschrijving ervan, geen bijzondere heffing op personenauto’s en andere motorvoertuigen, geen [vervuilingsheffing] en geen heffing op vervuilende emissies van motorvoertuigen is betaald;

d)      bij de overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands motorvoertuig waarvoor een rechterlijke instantie de terugbetaling van de heffing heeft gelast of waarvan zij de inschrijving zonder betaling van de bijzondere heffing op personenauto’s en andere motorvoertuigen, van de [vervuilingsheffing] voor motorvoertuigen of van de heffing op vervuilende emissies van motorvoertuigen heeft gelast.”

9        Artikel 12, leden 1 en 2, van OUG nr. 9/2013 bepaalt:

„(1)      Wanneer de reeds betaalde bijzondere heffing op personenauto’s en andere motorvoertuigen, de [vervuilingsheffing] of de heffing op vervuilende emissies van motorvoertuigen hoger is dan de heffing die voortvloeit uit de toepassing van de onderhavige bepalingen inzake de milieuheffing, die in [Roemeense lei (RON)] wordt berekend volgens de wisselkoers die van toepassing is op het moment van de kentekenregistratie of van de overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands motorvoertuig, kan het verschil aan de belastingplichtige worden terugbetaald volgens de procedure waarin de uitvoeringsbepalingen van het onderhavige spoedbesluit voorzien. Het terug te betalen verschil wordt aan de hand van de in dit spoedbesluit vastgestelde formule berekend op basis van de gegevens die op het moment van de kentekenregistratie of van de overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands motorrijtuig in aanmerking zijn genomen.

(2)      Het verschil tussen enerzijds het bedrag dat door de belastingplichtige als bijzondere heffing voor personenauto’s en andere motorvoertuigen, als [vervuilingsheffing] of als heffing voor vervuilende emissies van motorvoertuigen is betaald, en anderzijds het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de [milieuheffing], wordt terugbetaald binnen de verjaringstermijn die is bepaald in spoedbesluit [nr. 92 van de regering van 24 december 2003 betreffende het wetboek voor procesvoering in belastingzaken (Ordonanţa Guvernului nr. 92 privind Codul de procedură fiscală) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 941 van 29 december 2003)], opnieuw gepubliceerd met latere wijzigingen en aanvullingen, volgens de procedure waarin de uitvoeringsbepalingen van het onderhavige spoedbesluit voorzien.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      In 2009 heeft Nicula, een Roemeens staatsburger die in Roemenië woont, een tweedehands motorvoertuig gekocht dat eerst was geregistreerd in Duitsland. Voor de registratie van dat voertuig in Roemenië heeft hij op grond van artikel 4 van OUG nr. 50/2008 een bedrag van 5 153 RON als vervuilingsheffing moeten betalen.

11      Bij vonnis van 3 mei 2012 heeft het Tribunal Sibiu het door Nicula bij hem tegen Agenţia Fondului pentru Mediu, de begunstigde van de vervuilingsheffing, ingestelde beroep toegewezen en dit bestuur tot terugbetaling van die heffing veroordeeld op grond dat die heffing in strijd met artikel 110 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest Tatu (C‑402/09, EU:C:2011:219), was ingevoerd. Deze rechterlijke instantie heeft het beroep echter verworpen voor zover het eveneens was gericht tegen Administraţia Finanţelor Publice a Municipiului Sibiu, het bestuur dat de heffing had geïnd.

12      Op het hoger beroep dat tegen dit vonnis bij de Curtea de Apel Alba-Iulia was ingesteld, heeft laatstgenoemde rechterlijke instantie dat vonnis op 25 januari 2013 vernietigd en de zaak naar de rechter in eerste aanleg terugverwezen. Zij heeft er met het oog op de nieuwe beslissing in die zaak op gewezen dat in dit soort geschillen niet alleen de begunstigde van de betrokken heffing, maar ook de entiteit die deze heffing heeft geïnd, „passieve procesbevoegdheid” voor de vordering tot teruggaaf van een in strijd met het Unierecht geïnde heffing heeft.

13      OUG nr. 9/2013 is in werking getreden op 15 maart 2013, nadat de zaak opnieuw op de rol van het Tribunal Sibiu was ingeschreven. Deze laatste rechterlijke instantie verklaart dat volgens die regeling de betaalde vervuilingsheffing slechts kan worden teruggegeven ingeval het bedrag ervan hoger is dan dat van de milieuheffing, daar teruggaaf slechts in uitputtend omschreven gevallen mogelijk is en beperkt is tot het eventuele verschil tussen die twee heffingen.

14      In de concrete situatie van Nicula bedroeg de overeenkomstig OUG nr. 9/2013 berekende milieuheffing voor het betrokken voertuig 8 126,44 RON, terwijl de eerder betaalde vervuilingsheffing 5 153 RON bedroeg. Volgens het Tribunal Sibiu stelt verzoeker in het hoofdgeding ten onrechte dat de tegenwaarde van de milieuheffing voor zijn voertuig slechts 3 779,74 RON bedraagt, aangezien volgens artikel 12, lid 1, tweede zin, van datzelfde OUG het terug te geven verschil aan de hand van de in dat besluit bepaalde formule wordt berekend op basis van de gegevens die bij de registratie van het voertuig in Roemenië in aanmerking zijn genomen en niet op basis van de actuele gegevens.

15      Volgens die rechterlijke instantie heeft Nicula op grond van OUG nr. 9/2013 dus geen recht op teruggaaf van de vervuilingsheffing en op rente daarover, omdat het betrokken bedrag door de belasting- en milieuautoriteiten wordt behouden als milieuheffing daar deze hoger is dan het bedrag dat Nicula bij de registratie van zijn voertuig als vervuilingsheffing had betaald.

16      In die omstandigheden heeft het Tribunal Sibiu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moeten artikel 6 [VEU], de artikelen 17, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 110 VWEU alsmede het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non reformatio in pejus, die beide zijn verankerd in het recht [van de Unie] en in de rechtspraak van het Hof [arresten Belbouab, 10/78, EU:C:1978:181, en Belgocodex, C‑381/97, EU:C:1998:589], aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als [OUG nr. 9/2013?]”

17      De Roemeense regering heeft krachtens artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht dat dit laatste zitting houdt in grote kamer.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

18      Volgens de Roemeense regering is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk. Zij betoogt dienaangaande in de eerste plaats dat de door de verwijzende rechterlijke instantie bedoelde bepaling van nationaal recht, te weten artikel 12 van OUG nr. 9/2013, een bestuurlijke en buitengerechtelijke procedure van teruggaaf van heffingen regelt, zodat deze regeling de rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van vorderingen tot teruggaaf van een in strijd met het Unierecht geïnde heffing, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geen beperkingen ter zake van de uitlegging oplegt. De verwijzende rechterlijke instantie zou dan ook ten onrechte van oordeel zijn dat die bepaling haar belet teruggaaf te gelasten van het volledige bedrag dat Nicula als vervuilingsheffing heeft betaald.

19      In de tweede plaats voert de Roemeense regering aan dat OUG nr. 9/2013 in elk geval in het hoofdgeding niet kan worden toegepast, omdat het niet van kracht was op de datum waarop Nicula de vervuilingsheffing heeft betaald.

20      Om deze redenen is de Roemeense regering van mening dat het antwoord op de vraag van de verwijzende rechterlijke instantie niet nuttig is voor de beslechting van het hoofdgeding en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

21      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie in dit verband arresten Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering, C‑212/06, EU:C:2008:178, punt 28; Zurita García en Choque Cabrera, C‑261/08 en C‑348/08, EU:C:2009:648, punt 34, en Filipiak, C‑314/08, EU:C:2009:719, punt 40).

22      Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld dat het in uitzonderlijke omstandigheden aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (zie in die zin arrest Filipiak, EU:C:2009:719, punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      In dit verband dient erop te worden gewezen dat het Hof slechts kan weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest Zurita García en Choque Cabrera, EU:C:2009:648, punt 35).

24      In de onderhavige zaak heeft het Hof de verwijzende rechterlijke instantie krachtens artikel 101, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht, mee te delen of, gelet op de aard van de bij haar aanhangige procedure, artikel 12 van OUG nr. 9/2013 in het hoofdgeding van toepassing is. In haar op 13 maart 2014 ter griffie van het Hof neergelegde antwoord, heeft de verwijzende rechterlijke instantie bevestigd dat dit artikel de regel van materieel recht is die in het hoofdgeding van toepassing is voor het nieuwe onderzoek van de naar haar terugverwezen zaak.      Volgens die rechterlijke instantie is de in dat artikel 12, lid 1, geformuleerde regel ondubbelzinnig en beperkt hij teruggaaf van vóór de instelling van de milieuheffing betaalde heffingen tot de gevallen waarin die heffingen hoger zijn dan het bedrag van de bij OUG nr. 9/2013 ingestelde milieuheffing.

25      In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat het antwoord van het Hof op de door de verwijzende rechterlijke instantie gevraagde uitlegging voor deze laatste nuttig is om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met het Unierecht, zodat het betoog van de Roemeense regering over de gestelde niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden afgewezen en de vraag dient te worden beantwoord.

Ten gronde

26      Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling voor terugbetaling van een in strijd met het Unierecht geïnde heffing, zoals de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is.

27      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het recht op terugbetaling van heffingen die door een lidstaat in strijd met het Unierecht zijn geïnd, het gevolg en het complement van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van het Unierecht die dergelijke heffingen verbieden, zoals deze door het Hof zijn uitgelegd. De lidstaten zijn dus in beginsel verplicht, de in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arresten Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, EU:C:2012:478, punt 24, en Irimie, C‑565/11, EU:C:2013:250, punt 20).

28      Verder heeft het Hof al geoordeeld dat wanneer een lidstaat in strijd met het Unierecht heffingen heeft geïnd, de justitiabelen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting, maar ook van de aan die staat betaalde of door deze ingehouden bedragen die rechtstreeks verband houden met die belasting (zie in die zin arresten Littlewoods Retail e.a., EU:C:2012:478, punt 25, en Irimie, EU:C:2013:250, punt 21).

29      Het beginsel dat de lidstaten verplicht zijn om de in strijd met het Unierecht geïnde heffingen met rente terug te betalen, vloeit voort uit het Unierecht zelf (arresten Littlewoods Retail e.a., EU:C:2012:478, punt 26, en Irimie, EU:C:2013:250, punt 22).

30      In het onderhavige geval dient er om te beginnen op te worden gewezen dat uit de verwijzingsbeslissing niet duidelijk blijkt op basis van welke versie van het OUG aan Nicula op de datum van de registratie van diens voertuig in Roemenië de vervuilingsheffing is opgelegd. Het Hof heeft echter al geoordeeld dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen een heffing als de door OUG nr. 50/2008, zowel in de oorspronkelijke versie als in de gewijzigde versies ervan, ingestelde vervuilingsheffing (zie in die zin arresten Tatu, EU:C:2011:219, punten 58 en 61, en Nisipeanu, C‑263/10, EU:C:2011:466, punten 27 en 29).

31      Het Hof heeft immers vastgesteld dat de toepassing van de bepalingen van OUG nr. 50/2008, ongeacht de versie ervan, tot gevolg had dat op bijzonder oude en versleten ingevoerde tweedehandse voertuigen een heffing werd toegepast die tot 30 % van de marktwaarde ervan kon bedragen, terwijl op gelijksoortige voertuigen die te koop werden aangeboden op de binnenlandse markt voor tweedehandse voertuigen, gelijksoortige nationale producten in de zin van artikel 110 VWEU, helemaal geen dergelijke belastingdruk rustte. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd dat een dergelijke maatregel het in het verkeer brengen van in andere lidstaten gekochte tweedehandse voertuigen ontmoedigt, zonder echter de aankoop op de binnenlandse markt van even oude tweedehandse voertuigen met dezelfde slijtage te ontmoedigen (zie in die zin arresten Tatu, EU:C:2011:219, punten 55, 58 en 61, en Nisipeanu, EU:C:2011:466, punten 26, 27 en 29).

32      Roemenië heeft na de arresten Tatu (EU:C:2011:219) en Nisipeanu (EU:C:2011:466) OUG nr. 9/2013 vastgesteld, waarbij een nieuwe belasting op motorvoertuigen, namelijk de milieuheffing, is ingevoerd. Volgens artikel 4 van dit besluit ontstaat de verplichting om de milieuheffing te betalen hetzij bij de eerste registratie van een motorvoertuig in Roemenië, hetzij op het moment waarop een motorvoertuig opnieuw aan het nationale motorvoertuigenpark wordt toegevoegd, hetzij bij de overschrijving van het eigendomsrecht op een tweedehands motorvoertuig waarvoor geen enkele van de voorheen van kracht zijnde heffingen op voertuigen is betaald of waarvoor een rechterlijke instantie teruggaaf van deze heffingen of registratie zonder betaling van die heffingen heeft gelast.

33      Zoals uit de verwijzingsbeslissing en het antwoord van de verwijzende rechterlijke instantie op het door het Hof geformuleerde verzoek om verduidelijking blijkt, voert ook OUG nr. 9/2013, in artikel 12 ervan, een regeling voor terugbetaling van de met name op grond van OUG nr. 50/2008 of de gewijzigde versies daarvan betaalde heffing in. Op grond van deze regeling kunnen justitiabelen teruggaaf van de eerder betaalde heffing krijgen voor zover het bedrag van deze heffing hoger is dan dat van de milieuheffing. De verwijzende rechterlijke instantie is van mening dat zij op grond van deze bepaling niet de mogelijkheid heeft om Nicula enerzijds het door hem als vervuilingsheffing betaalde bedrag terug te geven en anderzijds rente over dat bedrag te betalen.

34      Bijgevolg dient te worden onderzocht of een dergelijke regeling van terugbetaling door compensatie de justitiabelen in staat stelt daadwerkelijk gebruik te maken van het recht op terugbetaling van de ten onrechte betaalde heffing, waarover zij krachtens het Unierecht beschikken.

35      In dit verband vloeit uit artikel 12, lid 1, van OUG nr. 9/2013, in de lezing die de verwijzende rechterlijke instantie daarvan geeft, voort dat met betrekking tot de uit een andere lidstaat ingevoerde tweedehandse voertuigen de in strijd met het Unierecht geïnde vervuilingsheffing aan de belastingplichtige slechts wordt teruggeven voor zover zij hoger is dan het opeisbare bedrag van de milieuheffing, berekend op basis van de gegevens die op de datum van de registratie van het ingevoerde voertuig in Roemenië in aanmerking zijn genomen.

36      Hieruit volgt dat, zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, een terugbetalingsregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die tot gevolg heeft dat voor een uit een andere lidstaat ingevoerd tweedehands voertuig de verplichting tot teruggaaf van de in strijd met het Unierecht geïnde vervuilingsheffing wordt beperkt of zelfs, zoals in het hoofgeding, volledig vervalt, van dien aard is dat daardoor de door het Hof in de arresten Tatu (EU:C:2011:219) en Nisipeanu (EU:C:2011:466) vastgestelde discriminatie in stand wordt gehouden.

37      Bovendien heeft een dergelijke regeling tot gevolg dat de nationale autoriteiten worden vrijgesteld van de verplichting om rekening te houden met de rente die aan de belastingplichtige verschuldigd is over de periode tussen de ten onrechte verrichte inning van de vervuilingsheffing en de terugbetaling daarvan, en voldoet zij dus niet aan het in punt 29 van het onderhavige arrest geformuleerde vereiste.

38      In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat een terugbetalingsregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de justitiabelen niet in staat stelt daadwerkelijk gebruik te maken van het recht op terugbetaling van een in strijd met het Unierecht geinde heffing, waarover zij krachtens het Unierecht beschikken.

39      Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling voor terugbetaling van een in strijd met het Unierecht geïnde heffing, zoals de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is.

Beperking in de tijd van de werking van het arrest van het Hof

40      Voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het Unierecht zich verzet tegen een heffing zoals de bij OUG nr. 9/2013 ingestelde milieuheffing, heeft de Roemeense regering in haar schriftelijke opmerkingen het Hof verzocht de werking van zijn arrest in de tijd te beperken.

41      In dit verband dient erop te worden gewezen dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar vraag om uitlegging van het Unierecht van het Hof niet wenst te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen een heffing als de milieuheffing, maar alleen wenst te vernemen of dit recht zich verzet tegen een regeling als de bij OUG nr. 9/2013 ingestelde regeling voor teruggaaf van de ten onrechte op grond van OUG nr. 50/2008 geïnde heffing.

42      In die omstandigheden hoeft slechts te worden gepreciseerd dat de argumenten die de Roemeense regering voor een beperking in de tijd van de werking van het arrest van het Hof aanvoert, betrekking hebben op andere gevallen dan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, zodat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het door die regering geformuleerde verzoek tot beperking in de tijd van de werking van het onderhavige arrest.

Kosten

43      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling voor terugbetaling van een in strijd met het Unierecht geïnde heffing, zoals de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is.

ondertekeningen


* Procestaal: Roemeens.

ECLI:EU:C:2014:2285