HvJ 15-11-2012 Leichenich C-532/11

0
68
Barge Woonboot Boot Kanaal Binnenwateren Amsterdam

HvJ Leichenich arrest

Verpachting en verhuur van onroerende goederen omvat de verhuur van een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, die aan de oever en de bodem van een rivier is vastgemaakt met kabels die niet gemakkelijk kunnen worden losgemaakt, op een afgebakende en identificeerbare ligplaats in het rivierwater ligt en blijkens de bewoordingen van de huurovereenkomst uitsluitend bestemd is om aldaar duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek.

Die verhuur is één enkele vrijgestelde prestatie waarbij geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de verhuur van de woonboot en de verhuur van de aanlegsteiger.

Een dergelijke woonboot is geen voertuig in de zin van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn (77/388).

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

15 november 2012 (*)

„Richtlijn 77/388/EEG – Btw – Vrijstellingen – Artikel 13, B, sub b – Verpachting en verhuur van onroerende zaken – Woonboot zonder eigen aandrijving die permanent aan rivieroever ligt – Verhuur van woonboot met bijbehorende aanlegsteiger, grond en water – Uitsluitend bestemd om duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek – Eén enkele prestatie”

In zaak C‑532/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Köln (Duitsland) bij beslissing van 22 september 2011, ingekomen bij het Hof op 19 oktober 2011, in de procedure

Susanne Leichenich

tegen

Ansbert Peffekoven,

Ingo Horeis,

in tegenwoordigheid van:

Dr. Leyh, Dr. Kossow & Dr. Ott KG, Wirtschaftsprüfungsgesellschaft, Steuerberatungsgesellschaft,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis en J. Malenovský, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 september 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        S. Leichenich, vertegenwoordigd door H. Bister, Rechtsanwalt,

–        A. Peffekoven en I. Horeis, vertegenwoordigd door A. Funke en R. Lenzen, Rechtsanwälte,

–        Dr. Leyh, Dr. Kossow & Dr. Ott KG, Wirtschaftsprüfungsgesellschaft, Steuerberatungsgesellschaft, vertegenwoordigd door T. Wahlen en S. Schneider, Rechtsanwälte,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Soulay en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. Leichenich, de eigenares van een woonboot, en A. Peffekoven en I. Horeis, haar belastingadviseurs, betreffende de heffing van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) op de verhuur van deze woonboot, die permanent aan de oever van een rivier ligt en bestemd is om als restaurant/discotheek te worden gebruikt.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 2 van de Zesde richtlijn, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II, „Werkingssfeer”, bepaalt:

„Aan [btw] zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4        Artikel 13 van deze richtlijn, „Vrijstellingen in het binnenland”, bepaalt in punt B, „Overige vrijstellingen”:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

b)      verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van:

1.      het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;

2.      verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;

3.      verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;

4.      verhuur van safeloketten.

De lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten;

[…]”

5        De inhoud van voornoemde bepaling van de Zesde richtlijn is praktisch ongewijzigd overgenomen in artikel 135 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), die een herschikking van de Zesde richtlijn en de achtereenvolgende wijzigingen daarvan is.

6        Artikel 38 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 77, blz. 1), dat deel uitmaakt van onderafdeling 10, „Verhuur van vervoermiddelen”, van die verordening, bepaalt:

„1.      Onder ,vervoermiddelen’ als bedoeld in artikel 56 en artikel 59, eerste alinea, sub g, van richtlijn 2006/112/EG worden mede verstaan voertuigen, al dan niet gemotoriseerd, alsook ander materieel en andere toestellen bestemd voor het vervoer van personen of zaken van de ene naar een andere plaats, die door voertuigen kunnen worden getrokken, gesleept of geduwd en die gewoonlijk voor vervoer zijn ontworpen en daarvoor feitelijk kunnen worden gebruikt.

[…]

3.      Voertuigen die bestemd zijn voor stationair gebruik en containers worden niet als in lid 1 bedoelde vervoermiddelen beschouwd.”

Duits recht

7        § 4 van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) bepaalt:

„Van de onder § 1, lid 1, punt 1, van deze wet vallende handelingen zijn vrijgesteld van belasting:

[…]

12.      a)      verhuur en verpachting van onroerende zaken, van titels waarop de bepalingen van burgerlijk recht inzake onroerende zaken van toepassing zijn, en van grondeigendommen en onroerende zaken van de staat;

b)      terbeschikkingstelling van onroerende zaken en gedeelten van onroerende zaken voor gebruik op grond van een op eigendomsoverdracht gerichte overeenkomst of voorovereenkomst;

c)      vestiging, overdracht en terbeschikkingstelling van zakelijke gebruiksrechten op onroerende zaken.

De vrijstelling geldt niet voor verhuur van woon‑ en slaapruimte die een ondernemer bestemt voor de tijdelijke huisvesting van buitenlanders, de verhuur van parkeerplaatsen voor voertuigen, de tijdelijke verhuur van plaatsen in campings en de verhuur en verpachting van machines en andere werktuigen van enigerlei aard die deel uitmaken van een bedrijfsinstallatie, zelfs wanneer zij een wezenlijk bestanddeel van een onroerende zaak vormen.”

8        Naar Duits recht is een onroerende zaak, ongeacht welke bestemming deze heeft, een afgebakend stuk grond dat onder een apart nummer in de kadastrale registratie staat vermeld of overeenkomstig de Grundbuchordnung (kadasterwet) is geregistreerd. De vraag of een gebouw een bestanddeel van een onroerende zaak is, wordt volgens de nationale rechtspraak in belastingzaken in beginsel beoordeeld in het licht van de algemene bepalingen van burgerlijk recht, in casu van § 94 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), „Wezenlijke bestanddelen van een onroerende zaak of gebouw”, die in lid 1 bepaalt:

„Tot de wezenlijke bestanddelen van een onroerende zaak behoren de vast met de grond en bodem verbonden zaken, in het bijzonder gebouwen […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken sloot Leichenich in 1999 met de Duitse overheid, vertegenwoordigd door de Wasser‑ und Schifffahrtsverwaltung (water‑ en scheepvaartdienst; hierna: „WSV”), een overeenkomst voor het gebruik van een op de linkeroever van de Rijn nabij Keulen gelegen stuk grond en het daaraan grenzende water, te weten een stuk rivier. Volgens deze overeenkomst heeft de WSV dat stuk grond en water aan de gebruikers ter beschikking gesteld om er een woonboot, met een aanlegsteiger, als restaurant te gebruiken. De betrokken woonboot ligt al jaren op dezelfde plek aangemeerd, is nooit verplaatst en is vastgemaakt met touwen, kettingen en ankers. Hij heeft geen motor en geen eigen aandrijving. Verder beschikt de woonboot over aansluiting op het water‑ en elektriciteitsnetwerk en over een adres, een telefoonaansluiting en een riolering.

10      Bij overeenkomst van 1 februari 2000 verhuurde Leichenich de woonboot, met de bijbehorende aanlegsteiger en ligplaats, aan een personenvennootschap, die de woonboot uitsluitend als café-restaurant en later als discotheek heeft gebruikt. Over de huur werd geen btw geheven aangezien het volgens de belastingadviseurs van Leichenich om de verhuur van een onroerende zaak ging. Bij een controle van de jaren 2000 tot en met 2003, gedurende welke periode Leichenich de enige eigenaar van de verhuurde zaken was, heeft het Finanzamt Köln-Altstadt, de territoriaal bevoegde belastingdienst, zich echter op het standpunt gesteld dat sprake was van de verhuur van een roerende zaak, zodat btw moest worden betaald.

11      Leichenich heeft daarop bij het Landgericht Köln tegen haar belastingadviseurs een civiele vordering ingesteld, strekkende tot terugbetaling van de betaalde btw. Op 9 december 2010 heeft het Landgericht Köln onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 16 januari 2003, Maierhofer (C‑315/00, Jurispr. blz. I‑563), geoordeeld dat de woonboot geen onroerende zaak, noch een wezenlijk bestanddeel van een onroerende zaak was, nu er geen vaste verbinding met de grond en bodem was. De woonboot zou immers binnen enkele uren kunnen worden verplaatst, ook al vereist dit enige voorbereiding en de inzet van vakkundig personeel. Derhalve zou sprake zijn van een roerende zaak, die niet onder de uitzondering van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn valt.

12      Het Oberlandesgericht Köln, waarbij tegen die uitspraak hoger beroep aanhangig is, heeft erop gewezen dat de huurovereenkomst volgens de bewoordingen ervan niet beperkt is tot de verhuur van de woonboot en de aanlegsteiger, maar ook het daarbij behorende water en stuk grond omvat. Bijgevolg zou het aan een vaste plek verbonden duurzame gebruik van de woonboot en de aanlegsteiger onlosmakelijk verbonden zijn met het gebruik van het daarbij behorende water en stuk oever. Doordat de woonboot op een vaste plek wordt gebruikt, zou het immers nooit mogelijk zijn om het daaronder gelegen water op een andere wijze te gebruiken, met name voor openbaar verkeer. Anders gezegd zouden volgens deze overeenkomst een stuk rivier en daarmee dus een stuk grond en bodem zijn verhuurd. De in de overeenkomst vastgestelde verhuur van de woonboot en de bijbehorende aanlegsteiger zou dus noodzakelijkerwijs het eerder aan Leichenich, in de overeenkomst met de WSV, toegekende gebruik van het water en de grond omvatten.

13      De verwijzende rechter wijst er voorts op dat volgens de overeenkomst de woonboot uitsluitend op de betrokken plek mag worden gebruikt en niet bedoeld is om te worden verplaatst. De boot zou overigens al jarenlang op dezelfde plek liggen. Aangezien met de huurovereenkomst de grond en bodem aan de huurders ter beschikking zijn gesteld om de woonboot op een vaste plek te gebruiken en deze woonboot over een telefoonaansluiting, nutsvoorzieningen en zelfs een riolering beschikt, zou aan de hand van een functionele benadering kunnen worden aangenomen dat de woonboot een gebouw in de zin van de Zesde richtlijn is, met dien verstande dat een dergelijk gebouw uiteraard niet even vast met het water verbonden kan worden als met het land.

14      De verwijzende rechter vraagt zich bovendien af of voor de btw onderscheid moet worden gemaakt tussen de verhuur van het gedeelte van de onroerende zaak dat betrekking heeft op de woonboot, en de verhuur van het gedeelte dat betrekking heeft op de aanlegsteiger, die blijkens de bewoordingen van de overeenkomst aan de betrokkenen ter beschikking is gesteld om als ligplaats voor boten te worden gebruikt. Hij vraagt zich af of laatstgenoemde prestatie niet moet worden beschouwd als een nevenprestatie die onderdeel van één enkele overeenkomst uitmaakt, aangezien de terbeschikkingstelling van de aanlegsteiger geheel of hoofdzakelijk zou dienen om toegang te verschaffen tot de woonboot.

15      Gelet op het voorgaande heeft het Oberlandesgericht Köln de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn […] aldus worden uitgelegd, dat het begrip verpachting en verhuur van onroerende goederen de verhuur omvat van een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, die uitsluitend bestemd is om aldaar duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek op een afgebakende en identificeerbare ligplaats in het water? Is het voor de beoordeling hiervan van belang op welke wijze de woonboot met de grond is verbonden dan wel welke inspanningen nodig zijn om de aangemeerde woonboot los te maken?

2)      Voor het geval dat de eerste van de hierboven sub 1 gestelde vragen bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn […] aldus worden uitgelegd, dat het begrip ,voertuigen’, dat volgens het arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 2005, C‑428/02 [Fonden Marselisborg Lystbådehavn, Jurispr. blz. I‑1527], ook boten omvat, niet van toepassing is op een verpachte woonboot die geen eigen aandrijving (motor) heeft en uitsluitend verpacht is om duurzaam te worden gebruikt op de betrokken plaats en niet om te worden voortbewogen? Is de verpachting van de woonboot en aanlegsteiger met de daarbij behorende grond‑ en wateroppervlakte één enkele belastingvrije prestatie, of moet eventueel voor de omzetbelasting onderscheid worden gemaakt tussen de verhuur van de woonboot en de aanlegsteiger?”

Eerste vraag en tweede deel van de tweede vraag

16      Met zijn eerste vraag en het tweede deel van zijn tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip verpachting en verhuur van onroerende goederen de verhuur omvat van een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, die aan de oever en de bodem van een rivier is vastgemaakt met kabels die niet gemakkelijk kunnen worden losgemaakt, op een afgebakende en identificeerbare ligplaats in het rivierwater ligt en blijkens de bewoordingen van de huurovereenkomst uitsluitend bestemd is om aldaar duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek. Hij wenst tevens te vernemen of in dergelijke omstandigheden de verhuur van de woonboot en de verhuur van de aanlegsteiger één enkele vrijgestelde prestatie zijn.

17      In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn autonome begrippen van Unierecht zijn, zodat zij een Unierechtelijke omschrijving dienen te krijgen, en dat de uitlegging van het begrip verhuur van onroerende goederen in artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn niet afhankelijk kan zijn van de uitlegging die in het burgerlijk recht van een lidstaat daaraan wordt gegeven (arrest Maierhofer, reeds aangehaald, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      Voorts moet in herinnering worden gebracht dat in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en de nationale rechterlijke instanties het Hof acht moet slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vraag dient te worden geplaatst (arrest van 20 mei 2010, Harms, C‑434/08, Jurispr. blz. I‑4431, punt 33).

19      Uit de feitelijke vaststellingen van de verwijzende rechter in de onderhavige zaak blijkt dat de huurovereenkomst niet beperkt is tot de verhuur van de woonboot en de aanlegsteiger, maar ook het daarbij behorende water en stuk grond omvat, aangezien het gebruik van de woonboot en de aanlegsteiger onlosmakelijk verbonden zijn met het gebruik van dat water en stuk grond. De verhuur is bovendien uitsluitend bedoeld voor het gebruik van de woonboot, met de aanlegsteiger, als restaurant/discotheek.

20      In het licht van deze vaststellingen van de verwijzende rechter moet de situatie van de woonboot niet afzonderlijk worden onderzocht, maar tegen de achtergrond van het feit dat de woonboot in zijn ligplaats is geïntegreerd.

21      Gelet op die feiten moet worden vastgesteld dat de grond boven water die in het hoofdgeding overeenkomt met het stuk grond dat aan de ligplaats van de woonboot in het water grenst, een onroerende zaak is. Dat geldt ook voor het afgebakende deel van de rivierbodem onder water dat bedekt is met het rivierwater waar de woonboot ligt (zie in die zin arrest Fonden Marselisborg Lystbådehavn, reeds aangehaald, punt 34, en arrest van 6 december 2007, Walderdorff, C‑451/06, Jurispr. blz. I‑10637, punt 19). De verwijzende rechter wijst erop dat het door het gebruik van de woonboot nooit mogelijk is om het daaronder gelegen water anderszins te gebruiken.

22      De woonboot, het stuk grond boven water en het deel van de rivierbodem onder water vormen een geheel dat het hoofdvoorwerp van de huurovereenkomst is.

23      Blijkens de verwijzingsbeslissing ligt de woonboot, die geen eigen aandrijving heeft, al jarenlang in dit deel van het rivierwater. De boot is met ankers aan het afgebakende deel van de rivierbodem vastgemaakt en met kettingen en touwen aan de oever bevestigd. Die voorzieningen om de woonboot op zijn plaats te houden kunnen niet gemakkelijk, te weten zonder inspanningen en zonder aanzienlijke kosten, worden verwijderd. Volgens de rechtspraak van het Hof hoeft een constructie niet onlosmakelijk met de grond te zijn verbonden om voor de btw als onroerende zaak te worden aangemerkt (arrest Maierhofer, reeds aangehaald, punt 33).

24      Volgens de huurovereenkomst, die voor vijf jaar is gesloten en waaruit geenszins blijkt dat de partijen het gebruik dat van de woonboot wordt gemaakt een incidenteel en tijdelijk karakter willen geven, is de woonboot uitsluitend bestemd om duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek. Bovendien beschikt de woonboot over een postadres, een telefoonaansluiting en aansluiting op het water‑ en elektriciteitsnetwerk.

25      Aangezien de woonboot en de delen waaruit de ligplaats van de woonboot bestaat, met elkaar verbonden zijn en de boot aan die delen is vastgemaakt, zodat hij in feite deel uitmaakt van die plaats, bezien als geheel, aangezien de woonboot voorts volgens de overeenkomst uitsluitend en duurzaam bestemd is om op die ligplaats te worden gebruikt als restaurant/discotheek, en aangezien de woonboot ten slotte op de verschillende voorzieningen is aangesloten, moet het geheel dat wordt gevormd door de woonboot en de delen waaruit de ligplaats bestaat waar deze is aangemeerd, voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn als onroerende zaak worden aangemerkt.

26      De Europese Commissie heeft terecht opgemerkt dat het, gelet op het door de partijen bij de overeenkomst beoogde doel en de door hen gekozen bestemming voor de woonboot, voor deze partijen vanuit economisch oogpunt niet uitmaakt of het om een vast met de grond verbonden gebouw, bijvoorbeeld middels palen, dan wel gewoon om een woonboot als die in het hoofdgeding gaat.

27      Het argument van de Duitse regering dat het hoofdvoorwerp van de overeenkomst de verhuur van de woonboot is, los van de ligplaats waar deze is aangemeerd, kan niet worden aanvaard aangezien voor een restaurant de locatie van aanzienlijk belang is. De huurovereenkomst en de huurprijs zijn in het hoofdgeding vastgesteld op basis van de locatie van de woonboot, die zich met name nabij een grote agglomeratie bevindt en gemakkelijk toegang tot de restaurantwoonboot biedt.

28      Verder moet er nog worden op gewezen dat volgens de verwijzingsbeslissing de terbeschikkingstelling van de aanlegsteiger voornamelijk is bedoeld om toegang tot de woonboot te verschaffen. De woonboot vormt dus een functionele en economische eenheid met de delen waaruit de ligplaats van de woonboot bestaat, te weten de daarbij behorende grond boven en onder water, het water zelf en de aanlegsteiger, zodat de huurovereenkomst, die op al deze delen betrekking heeft, één enkele prestatie omvat waarbij de verhuur van de aanlegsteiger als nevenprestatie naast de verhuur van de woonboot staat. De verhuur van die aanlegsteiger mag voor de btw dan ook niet als een afzonderlijke prestatie worden aangemerkt.

29      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag en het tweede deel van de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip verpachting en verhuur van onroerende goederen de verhuur omvat van een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, die aan de oever en de bodem van een rivier is vastgemaakt met kabels die niet gemakkelijk kunnen worden losgemaakt, op een afgebakende en identificeerbare ligplaats in het rivierwater ligt en blijkens de bewoordingen van de huurovereenkomst uitsluitend bestemd is om aldaar duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek. Die verhuur is één enkele vrijgestelde prestatie waarbij geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de verhuur van de woonboot en de verhuur van de aanlegsteiger.

Eerste deel van de tweede vraag

30      Met het eerste deel van deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een woonboot als die in het hoofdgeding voor de toepassing van de uitzondering van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn een „voertuig” is.

31      Blijkens de rechtspraak van het Hof moet het in genoemde bepaling gebruikte begrip „voertuig” aldus worden uitgelegd dat het „alle vervoermiddelen” betreft, met inbegrip van boten (zie arrest Fonden Marselisborg Lystbådehavn, reeds aangehaald, punt 44). Volgens de normale betekenis van dat woord gaat het om middelen voor het vervoer van personen of goederen, dus specifiek daarvoor gebruikte middelen.

32      Deze op de concrete functie en het concrete gebruik van de betrokken zaak gebaseerde benadering van het begrip voertuig wordt bevestigd in artikel 38, leden 1 en 3, van verordening nr. 282/2011, waarbij voor de kwalificatie van een voertuig als „vervoermiddel” juist de nadruk wordt gelegd op het feit dat het bestemd is voor het vervoer van personen of zaken, en voertuigen die bestemd zijn voor stationair gebruik niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Hoewel die verordening ratione temporis niet op het hoofdgeding van toepassing is, verklaart en verduidelijkt zij begrippen in de btw-regeling die sinds de invoering daarvan van toepassing zijn.

33      Het is dus niet de oorspronkelijke bestemming van een zaak, maar de concrete en actuele functie ervan die van belang is. De oorspronkelijke bestemming van een zaak kan immers niet garanderen dat deze zaak voorgoed een bepaalde btw-behandeling krijgt, ook al wordt het feitelijke gebruik dat daarvan wordt gemaakt gewijzigd.

34      Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonboot, die oorspronkelijk waarschijnlijk was bedoeld om als vervoermiddel te worden gebruikt, de laatste dertig jaar niet daarvoor gebruikt en lag hij al die tijd permanent op dezelfde plek aan de linkeroever van de Rijn. Bovendien hebben de partijen bij de huurovereenkomst, in die overeenkomst niet het voornemen kenbaar gemaakt om de woonboot gedurende de looptijd van de overeenkomst als vervoermiddel te gebruiken, maar wel een heel andere bestemming gekozen. Deze woonboot kan voor de btw dan ook niet als voertuig worden aangemerkt.

35      Het argument van de Duitse regering dat de functie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde restaurantwoonboot vergelijkbaar is met die van een restaurantschip dat korte cruises maakt op een waterweg, zoals de Rijn of de Moezel, en dat duidelijk een vervoermiddel is, moet worden afgewezen. Een geheel als dat in het hoofdgeding, bestaande uit een woonboot en de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, is immers een onroerende zaak die uitsluitend is bedoeld om eten en ontspanning in een bijzondere omgeving aan te bieden, terwijl restaurantschepen die cruises op waterwegen maken, voertuigen zijn die worden gebruikt voor het verlenen van diensten op het gebied van eten en toerisme. De situatie van restaurantschepen kan dan ook niet worden vergeleken met die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

36      Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is de functie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonboot vanuit het oogpunt van het beginsel van fiscale neutraliteit vergelijkbaar met die van een gebouw dat als restaurant wordt gebruikt en zich aan land in de nabijheid van de woonboot bevindt. Het restaurant/discotheek op deze woonboot staat dus in economisch opzicht in concurrentie met soortgelijke inrichtingen die zich in vast met de grond verbonden gebouwen bevinden.

37      Gelet op het voorgaande moet op het eerste deel van de tweede vraag worden geantwoord dat een woonboot als die in het hoofdgeding geen voertuig in de zin van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn is.

Kosten

38      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip verpachting en verhuur van onroerende goederen de verhuur omvat van een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, die aan de oever en de bodem van een rivier is vastgemaakt met kabels die niet gemakkelijk kunnen worden losgemaakt, op een afgebakende en identificeerbare ligplaats in het rivierwater ligt en blijkens de bewoordingen van de huurovereenkomst uitsluitend bestemd is om aldaar duurzaam te worden gebruikt als restaurant/discotheek. Die verhuur is één enkele vrijgestelde prestatie waarbij geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de verhuur van de woonboot en de verhuur van de aanlegsteiger.

2)      Een dergelijke woonboot is geen voertuig in de zin van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn (77/388).

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:2012:720