Ryanair vliegtuig op het vliegveld

HvJ 17-10-2018 Ryanair C-249/17

HvJ Ryanair arrest

Luchtvaartmaatschappij Ryanair heeft in 2009 een bod uitgebracht op alle aandelen van een andere luchtvaartmaatschappij, waarbij Ryanair kosten heeft gemaakt voor (advies)diensten voor de geplande overname. Deze transactie is om mededingingsrechtelijke redenen echter niet volledig verwezenlijkt, zodat Ryanair slechts een deel van het maatschappelijk kapitaal van de doelvennootschap heeft kunnen verwerven. Ryanair heeft verzocht om aftrek van de voorbelasting over deze uitgaven met als argument dat zij voornemens was zich, na overname van de zeggenschap over de doelvennootschap, te mengen in het beheer ervan door de vennootschap btw-plichtige managementdiensten te leveren. De Ierse belastingdienst heeft deze aftrek geweigerd.

Het HvJ is het niet met de Ierse belastingdienst eens en legt uit dat een vennootschap die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van aan de btw onderworpen managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht heeft de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod integraal af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen, voor zover deze uitgaven hun oorzaak uitsluitend vinden in de geplande economische activiteit.

DictumArrestConclusieVerzoek

De artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij een vennootschap, zoals die in het hoofdgeding, die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht toekennen de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod integraal af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen, voor zover deze uitgaven hun oorzaak uitsluitend vinden in de geplande economische activiteit.

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 oktober 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Begrip belastingplichtige – Holdingmaatschappij – Aftrek van de voorbelasting – Uitgaven voor adviesdiensten met het oog op de verwerving van aandelen van een andere vennootschap – Voornemen van de verwervende vennootschap om managementdiensten aan de doelvennootschap te leveren – Geen levering van dergelijke diensten – Recht op aftrek van de voorbelasting over de afgenomen diensten”

In zaak C‑249/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) bij beslissing van 8 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 12 mei 2017, in de procedure

Ryanair Ltd

tegen

The Revenue Commissioners,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, E. Regan en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 maart 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Ryanair Ltd, vertegenwoordigd door T. Mc Namara, solicitor, R. Aylward, BL, en M. Hayden, SC,

–        The Revenue Commissioners, vertegenwoordigd door M. Browne, L. Williams en A. Joyce als gemachtigden,

–        Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, L. Williams en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door S. Davey, solicitor, Ú. Tighe, BL, en G. Clohessy, SC,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Gossement en R. Lyal als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ryanair Ltd en The Revenue Commissioners (belastingdienst, Ierland) over de weigering van The Revenue Commissioners om Ryanair toe te staan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) met betrekking tot adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod op een andere vennootschap, die zij in een eerder stadium had voldaan, als voorbelasting af te trekken.

Toepasselijke bepalingen

3        Volgens artikel 2, lid 1, van de Zesde richtlijn zijn aan de btw onderworpen de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

4        Artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

2.      De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5        Artikel 10, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn luidt: „Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht.”

6        Artikel 17 van deze richtlijn, met het opschrift „Ontstaan en omvang van het recht op aftrek”, bepaalt in lid 1 dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.

7        Volgens artikel 17, lid 2, onder a), van de Zesde richtlijn, mag de belastingplichtige, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen, de btw, welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten, van de door hem verschuldigde belasting aftrekken.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        In de loop van 2006 heeft de luchtvaartmaatschappij Ryanair een openbaar bod uitgebracht op alle aandelen van een andere luchtvaartmaatschappij (hierna: „doelvennootschap”). Bij die gelegenheid heeft zij kosten gemaakt voor adviesdiensten en andere diensten in samenhang met de geplande overname (hierna: „litigieuze diensten”). Deze transactie is om mededingingsrechtelijke redenen echter niet volledig verwezenlijkt, zodat Ryanair slechts een deel van het maatschappelijk kapitaal van de doelvennootschap heeft kunnen verwerven.

9        Ryanair heeft verzocht om aftrek van de voorbelasting over deze uitgaven met als argument dat zij voornemens was zich, na overname van de zeggenschap over de doelvennootschap, te mengen in het beheer ervan door de vennootschap btw-plichtige managementdiensten te leveren.

10      De belastingdienst heeft deze aftrek geweigerd. Tegen deze weigeringsbeslissing is Ryanair opgekomen bij de Tax Appeals Commission (beroepsinstantie in belasting- en douanezaken, Ierland), die dat beroep heeft verworpen. Ryanair heeft een tweede beroep ingesteld bij de Circuit Court (regionale rechter in eerste aanleg, Ierland), die zich eveneens achter het standpunt van de belastingdienst heeft geschaard. De Circuit Court heeft de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland) echter een prejudiciële vraag voorgelegd. De High Court heeft de beslissing van de Circuit Court bevestigd, waarop Ryanair hoger beroep heeft ingesteld bij de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland).

11      De verwijzende rechter vraagt in wezen naar de verhouding tussen het arrest van 14 februari 1985, Rompelman (268/83, EU:C:1985:74), over de aftrekbaarheid van btw voldaan in het kader van de voorbereiding van een economische activiteit, en het arrest van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495), over het recht van een holdingmaatschappij om de btw af te trekken over in een eerder stadium aan haar geleverde diensten in het kader van de verwerving van een deelneming in haar dochtermaatschappijen.

12      Daarop heeft de Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld.

„1)      Volstaat een voornemen om aan een vennootschap die het voorwerp is van een poging tot overname, in de toekomst managementdiensten te verstrekken ingeval die overname slaagt, om te kunnen oordelen dat de potentiële overnemer economische activiteiten in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn verricht, zodat de btw die aan de potentiële overnemer in rekening is gebracht over goederen of diensten die deze met het oog op de betrokken overname heeft verworven, kan worden aangemerkt als btw over leveringen ontvangen voor de voorgenomen economische activiteit van het verstrekken van dergelijke managementdiensten?

2)      Bestaat er een voldoende ‚rechtstreeks en onmiddellijk verband’, in de zin van het door het Hof in [het arrest van 27 september 2001, Cibo Participations, C‑16/00, EU:C:2001:495,] geformuleerde vereiste, tussen diensten die door deskundigen in de context van een dergelijke potentiële overname worden verstrekt, en in een later stadium verrichte leveringen, zoals de potentiële verstrekking van managementdiensten aan de vennootschap die het voorwerp van de poging tot overname is, ingeval die overname slaagt, zodat de over die diensten van deskundigen betaalde btw voor aftrek in aanmerking komt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

13      Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij een vennootschap, zoals die in het hoofdgeding, die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van btw-plichtige managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht toekennen de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen.

14      Vooraf moet worden aangegeven dat de Zesde richtlijn is ingetrokken bij richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), die in werking is getreden op 1 januari 2007, zonder dat wezenlijke wijzigingen zijn aangebracht. De relevante bepalingen van de Zesde richtlijn hebben derhalve in wezen dezelfde draagwijdte als de bepalingen van richtlijn 2006/112, zodat de rechtspraak van het Hof inzake deze richtlijn ook geldt voor de Zesde richtlijn.

15      Om de vragen te beantwoorden moet worden bepaald of een vennootschap die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van btw-plichtige managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, kan worden beschouwd als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn en, in voorkomend geval, of zij als zodanig heeft gehandeld toen de litigieuze diensten haar werden geleverd en daarnaast of en in hoeverre de voorbelasting over de opgekomen kosten voor deze diensten mag worden afgetrokken.

16      In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat een vennootschap wier enig doel erin bestaat een deelneming te nemen in andere vennootschappen, zonder dat zij zich direct of indirect mengt in het beheer van die vennootschappen, niet de hoedanigheid van btw-plichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn heeft en evenmin recht op aftrek geniet volgens artikel 17 van die richtlijn. De enkele aankoop en het enkele aanhouden van aandelen vormen op zich namelijk geen economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn, die de aankoper of houder de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen, aangezien de financiële deelneming in andere ondernemingen als zodanig niet aan te merken is als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Het eventuele dividend – de opbrengst van deze deelneming – spruit immers voort uit de eigendom zelf van de zaak (arresten van 30 mei 2013, X, C‑651/11, EU:C:2013:346, punt 36, en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17      Dit ligt anders wanneer de deelneming gepaard gaat met directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, indien deze inmenging aan btw onderworpen handelingen impliceert, zoals het verrichten van administratieve, financiële, commerciële en technische diensten, onverminderd de rechten die de houder van de deelneming als aandeelhouder of vennoot heeft (zie in die zin arresten van 30 mei 2013, X, C‑651/11, EU:C:2013:346, punt 37, en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punten 20 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      Aangezien de economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn kunnen bestaan in verscheidene opeenvolgende handelingen, moeten voorbereidende handelingen reeds tot de economische activiteit worden gerekend (arrest van 29 februari 1996, INZO, C‑110/94, EU:C:1996:67, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Degene die het door objectieve gegevens ondersteunde voornemen heeft zelfstandig een economische activiteit aan te vangen en hiertoe eerste investeringsuitgaven doet, moet zodoende als belastingplichtige worden beschouwd (arresten van 8 juni 2000, Breitsohl, C‑400/98, EU:C:2000:304, punt 34, en 14 maart 2013, Ablessio, C‑527/11, EU:C:2013:168, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      Daaruit volgt dat een vennootschap die voorbereidende handelingen verricht die passen in het kader van een voorgenomen verwerving van aandelen van een andere vennootschap met de bedoeling een economische activiteit uit te oefenen die erin bestaat zich te mengen in het beheer van de overgenomen vennootschap door btw-plichtige managementdiensten te leveren, moet worden beschouwd als belastingplichtige in de zin van de Zesde richtlijn.

20      In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat Ryanair voornemens was door middel van de geplande verwerving van aandelen van de doelvennootschap deze vennootschap btw-plichtige managementdiensten te leveren en uit dien hoofde een economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn uit te oefenen. Derhalve moet worden geconcludeerd dat Ryanair in het kader van deze verwerving moet worden beschouwd als belastingplichtige in de zin van de Zesde richtlijn.

21      Met betrekking tot, in de tweede plaats, het recht op aftrek, volgt uit artikel 17 van de Zesde richtlijn dat een belastingplichtige die als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed of een dienst verwerft en dat goed of die dienst gebruikt voor zijn belaste handelingen, de over dat goed of die dienst verschuldigde of voldane btw mag aftrekken. Overeenkomstig artikel 10, lid 2, eerste alinea, en artikel 17 van de Zesde richtlijn ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, te weten op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht (arrest van 22 maart 2012, Klub, C‑153/11, EU:C:2012:163, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      Het recht op aftrek waarin de artikelen 17 en volgende van de Zesde richtlijn voorzien, maakt integrerend deel uit van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt. Het wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belasting die op in eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      De aftrekregeling heeft immers tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt aldus een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits deze in beginsel zelf aan btw zijn onderworpen (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Het beginsel van neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de onderneming vereist dat de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming als economische activiteiten worden beschouwd, en het zou in strijd zijn met dat beginsel indien die activiteiten worden geacht eerst een aanvang te nemen op het tijdstip waarop de belastbare inkomsten ontstaan. Iedere andere uitlegging zou de ondernemer bij het verrichten van zijn economische activiteit belasten met de kosten van de btw, zonder dat hij die zou kunnen aftrekken, en zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen investeringsuitgaven van een onderneming naargelang zij voor of tijdens de daadwerkelijke exploitatie ervan zijn gedaan (arrest van 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C‑110/98–C‑147/98, EU:C:2000:145, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Zodra het recht op aftrek is ontstaan, blijft het in stand, ook indien de beoogde activiteit niet van de grond is gekomen en dus niet tot belaste handelingen heeft geleid (arrest van 29 februari 1996, INZO, C‑110/94, EU:C:1996:67, punt 20) of indien de belastingplichtige de goederen of diensten die tot de aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil niet heeft kunnen gebruiken in het kader van belastbare handelingen (arresten van 8 juni 2000, Midland Bank, C‑98/98, EU:C:2000:300, punt 22, en 15 januari 1998, Ghent Coal Terminal, C‑37/95, EU:C:1998:1, punt 20). Een andere uitlegging zou in strijd zijn met het beginsel van de neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de onderneming. Zij zou bij de fiscale behandeling van identieke investeringsactiviteiten kunnen leiden tot ongerechtvaardigde verschillen tussen, enerzijds, ondernemingen die reeds belastbare handelingen hebben verricht, en, anderzijds, ondernemingen die door middel van investeringen proberen een aanvang te maken met activiteiten die belastbare handelingen zullen opleveren. Ook zouden willekeurige verschillen ontstaan tussen laatstbedoelde ondernemingen onderling, voor zover de definitieve aanvaarding van de aftrek zou afhangen van de vraag of deze investeringen al dan niet tot belaste handelingen leiden (arrest van 29 februari 1996, INZO, C‑110/94, EU:C:1996:67, punt 22).

26      Opdat de belastingplichtige voorbelasting in aftrek kan brengen en om de omvang van dat recht te kunnen bepalen, dient er volgens vaste rechtspraak in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen of diensten veronderstelt dat de voor de verwerving ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Dergelijke kosten houden immers rechtstreeks en onmiddellijk verband met de economische activiteit van de belastingplichtige in haar geheel (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      De nationale belastingautoriteiten en rechterlijke instanties moeten in het kader van de bij hen berustende toepassing van het criterium van het rechtstreekse verband alle omstandigheden waarin de betrokken verrichtingen hebben plaatsgevonden in de beschouwing betrekken en alleen rekening houden met de verrichtingen die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige. Of dat verband bestaat, moet dus worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de betrokken verrichting (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Wanneer evenwel door een belastingplichtige verworven goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, kan er geen sprake zijn van belastingheffing in een later stadium of van aftrek van voorbelasting (arrest van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Daaruit volgt dat de opgekomen kosten, voor een volledige aftrek van de voorbelasting, in beginsel hun oorzaak uitsluitend moeten vinden in de geplande economische activiteit, te weten de levering van btw-plichtige managementdiensten aan de doelvennootschap (zie in die zin arresten van 8 februari 2007, Investrand, C‑435/05, EU:C:2007:87, punten 33 en 36; 13 maart 2008, Securenta, C‑437/06, EU:C:2008:166, punten 29 en 30, en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 25). In het geval dat deze kosten ook voor een deel betrekking hebben op een vrijgestelde of niet-economische activiteit, kan de btw over deze kosten slechts gedeeltelijk worden afgetrokken (zie in die zin arresten van 6 september 2012, Portugal Telecom, C‑496/11, EU:C:2012:557, punten 46 en 47, en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punten 28‑30).

31      In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de litigieuze diensten zijn geleverd aan Ryanair terwijl deze voornemens was door middel van de geplande verwerving van aandelen van de doelvennootschap een economische activiteit uit te oefenen die bestaat in het leveren van btw-plichtige managementdiensten aan de overgenomen vennootschap. Ryanair heeft derhalve gehandeld als belastingplichtige op het tijdstip waarop zij de uitgaven voor de litigieuze diensten heeft gedaan. Zodoende heeft Ryanair er dus in beginsel recht op de voorbelasting over deze diensten onmiddellijk af te trekken, zelfs als deze economische activiteit, die tot belaste handelingen had moeten leiden, uiteindelijk niet van de grond is gekomen en dus niet tot dergelijke handelingen heeft geleid. Met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek en meer in het bijzonder de omvang van dat recht, moeten de kosten die zijn opgekomen met het oog op de verwerving van de aandelen van de doelvennootschap worden toegerekend aan deze economische activiteit die bestond in het verrichten van handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. In zoverre vertonen deze uitgaven een rechtstreeks en onmiddellijk verband met het geheel van deze economische activiteit en maken zij dus deel uit van de algemene kosten ervan. Daaruit volgt dat voor de btw erover recht op integrale aftrek bestaat.

32      Gelet op een en ander moet op de vragen worden geantwoord dat de artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij een vennootschap, zoals die in het hoofdgeding, die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van btw-plichtige managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht toekennen de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod integraal af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen, voor zover deze uitgaven hun oorzaak uitsluitend vinden in de geplande economische activiteit.

Kosten

33      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij een vennootschap, zoals die in het hoofdgeding, die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht toekennen de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod integraal af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen, voor zover deze uitgaven hun oorzaak uitsluitend vinden in de geplande economische activiteit.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:2018:834

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 3 mei 2018 (1)

Zaak C‑249/17

Ryanair Ltd

tegen

The Revenue Commissioners

[verzoek om een prejudiciële beslissing van de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland)]

„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Begrip belastingplichtige – Uitgaven voor diensten die werden aangekocht bij het verwerven van alle aandelen van een onderneming – Recht op aftrek van voorbelasting – Mislukte overname van een concurrent”

 

I.      Inleiding

1.        Het onderhavige geding spitst zich wederom toe op de uitlegging van het begrip „belastingplichtige” en de vaststelling van een „economische activiteit” in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn(2). Deze procedure zal het Hof terzelfder tijd de gelegenheid bieden om de werkingssfeer van zijn rechtspraak over de aftrek van voorbelasting door holdingmaatschappijen nader af te bakenen.

2.        Luchtvaartmaatschappij Ryanair had in 2006 een poging ondernomen om de Ierse luchtvaartmaatschappij Aer Lingus over te nemen. De overname mislukte echter om mededingingsrechtelijke redenen, wat niet wegnam dat Ryanair al omvangrijke kosten had gemaakt voor advies- en andere dienstverleningen in samenhang met de geplande overname. Derhalve vorderde Ryanair de aftrek van de eerder daarover betaalde btw, hetgeen door de Ierse belastingadministratie werd geweigerd.

3.        In de rechtspraak van het Hof wordt weliswaar erkend dat ook voor mislukte investeringen een recht op aftrek van voorbelasting geldend kan worden gemaakt, maar het onderhavige geschil vloeit voort uit de omstandigheid dat de enkele aankoop en het bezit van aandelen volgens de rechtspraak niet te beschouwen zijn als economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn. Bijgevolg kan een holdingmaatschappij die zich uitsluitend toelegt op het verwerven van deelnemingen volgens de rechtspraak van het Hof dan ook geen recht doen gelden op aftrek van voorbelasting.(3)

4.        In het onderhavige geval gaat het echter niet om een klassieke holdingmaatschappij maar om een operationele (en bijgevolg belastingplichtige) onderneming die een zogenaamde strategische overname van een concurrent wilde uitvoeren. Bijgevolg rijst de vraag of de beperking van aftrek van voorbelasting, zoals die uit de zogenaamde holdingjurisprudentie(4) volgt, in dit geval dan ook toepassing kan vinden. De economische dimensie van het onderhavige geval wordt namelijk pas duidelijk in het raam van een functionele analyse van het belang van de aandelenverwerving voor de reeds bestaande economische activiteit.

II.    Toepasselijke bepalingen

5.        Het Unierechtelijke kader van het onderhavige geval is vastgesteld in de voor het betrokken belastingtijdvak toepasselijke bepalingen van de Zesde richtlijn 77/388/EEG(5) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: „Zesde richtlijn”). Deze bepalingen stemmen inhoudelijk overeen met de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2006/112 (hierna: „btw-richtlijn”)(6).

6.        Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn (oud artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn) bepaalt:

„1 Als ‚belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ‚economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

7.        Krachtens artikel 167 van de btw-richtlijn ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. In artikel 168 van deze richtlijn (voordien samen geregeld in artikel 17 van de Zesde richtlijn) is bepaald:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a)       de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

[…]”

III. Feiten van het hoofdgeding, procesverloop en prejudiciële vragen

8.        Appellant in het hoofdgeding, Ryanair Ltd., is een private luchtvaartmaatschappij met hoofdzetel in Ierland. Op 23 oktober 2006 bracht Ryanair een formeel overnamebod uit op alle aandelen van Aer Lingus. Laatstgenoemde is een voormalige nationale luchtvaartmaatschappij uit Ierland die in 2006 werd geprivatiseerd waarna haar aandelen op 2 oktober 2006 aan de beurs werden genoteerd.

9.        Bij beschikking van 27 juni 2007 verklaarde de Commissie de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.(7) Om die reden kon Ryanair amper 29 % van de aandelen van Aer Lingus verwerven.

10.      In het kader van het overnamebod maakte Ryanair gebruik van diensten die aan btw onderworpen waren. Ryanair verzocht om aftrek van die btw. Dit werd echter geweigerd door de Revenue Commissioners (Ierse belastingadministratie, verwerende partij in het hoofdgeding).

11.      Tegen deze weigeringsbeslissing was Ryanair eerst opgekomen bij de Tax Appeals Commission (Ierse beroepsinstantie in belasting- en douanezaken) om vervolgens beroep in te stellen bij de Circuit Court (regionale rechter in eerste aanleg). Deze stelde een bindende feitelijke beoordeling op en legde de rechtsvraag of in de omstandigheden van het hoofdgeding een recht op aftrek van voorbelasting bestaat, in het kader van een prejudiciële procedure naar Iers recht voor aan de High Court (Ierse rechter in eerste aanleg). Ook deze kwam tot de slotsom dat Ryanair geen recht op aftrek van voorbelasting had.

12.      Tegen de beslissing van de High Court stelde Ryanair hoger beroep in bij de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland). Bij beschikking van 8 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 12 mei 2017, heeft de Supreme Court zijn procedure geschorst en het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Volstaat een voornemen om aan een vennootschap die het voorwerp is van een poging tot overname, in de toekomst managementdiensten te verstrekken ingeval die overname slaagt, om te kunnen oordelen dat de potentiële overnemer economische activiteiten in de zin van artikel 4 van de Zesde btw-richtlijn verricht, zodat de btw die aan de potentiële overnemer in rekening is gebracht over goederen of diensten die deze met het oog op de betrokken overname heeft verworven, kan worden aangemerkt als btw over leveringen ontvangen voor de voorgenomen economische activiteit van het verstrekken van dergelijke managementdiensten?

2)      Bestaat er een voldoende ‚rechtstreeks en onmiddellijk verband’, in de zin van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (in het arrest van 27 september 2001, Cibo Participations, [C‑16/00, EU:C:2001:495]) geformuleerde vereiste, tussen diensten die door deskundigen in de context van een dergelijke potentiële overname worden verstrekt, en in een later stadium verrichte leveringen, zoals de potentiële verstrekking van managementdiensten aan de vennootschap die het voorwerp van de poging tot overname is, ingeval die overname slaagt, zodat de over die diensten van deskundigen betaalde btw voor aftrek in aanmerking komt?”

13.      In de prejudiciële procedure bij het Hof hebben Ryanair, Ierland en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 14 maart waren alle deelnemers aan de procedure vertegenwoordigd.

IV.    Juridische beoordeling

14.      Beide prejudiciële vragen hebben betrekking op het recht op aftrek van voorbelasting bij uitgaven in samenhang met de nagestreefde maar uiteindelijk mislukte verwerving van alle aandelen van een vennootschap met het oog op haar overname. Ze moeten bijgevolg gezamenlijk worden beantwoord.

15.      Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of het voornemen van de verkrijgende vennootschap om in geval van een geslaagde overname managementdiensten aan de dochtervennootschap te verstrekken, volstaat om haar als belastingplichtige in de zin van de btw-richtlijn aan te merken.

16.      In wezen stelt de verwijzende rechterlijke instantie hiermee de vraag of een combinatie van twee rechtspraaklijnen mogelijk is. Ten eerste bestaat volgens de rechtspraak van het Hof namelijk ook bij mislukte investeringen een recht op aftrek van voorbelasting: in het geval van kosten die zijn gemaakt met het oog op het opstarten van een economische activiteit kan het recht op aftrek van voorbelasting ook dan geldend worden gemaakt wanneer dit uiteindelijk mislukt en de beoogde belastbare handelingen niet plaatsvinden.(8) Als enig bepalend criterium geldt dat objectieve bewijzen moeten worden aangedragen voor het voornemen van de belastingplichtige om een economische activiteit te verrichten.(9) Ten tweede kan de economische activiteit van de holdingmaatschappij die voor aftrek van voorbelasting is vereist, volgens de rechtspraak met name bestaan in het verstrekken van managementdiensten aan de vennootschap waarin zij een deelneming heeft verworven.(10)

17.      Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie vervolgens te vernemen of sprake is van een – voor aftrek van voorbelasting vereist – rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de uitgaven die zijn verricht met het oog op de aandelenverwerving en de beoogde verstrekking van managementdiensten.

A.      Achtergrond van het onderscheid tussen een financiële holding en een operationele onderneming

18.      De zogenaamde holdingjurisprudentie, waaraan de verwijzende rechterlijke instantie in haar eerste vraag refereert, werd ontwikkeld in de context van zuiver financiële holdings waarvan het enige doel bestaat in het verwerven van deelnemingen in andere ondernemingen en die geen eigen operationele activiteiten hebben. Hun enige inkomsten bestaan uit dividenden die geen vergoeding vormen voor de economische exploitatie van een zaak maar alleen voortvloeien uit het enkele bezit van een aandeel.(11)

19.      Zuiver financiële holdings zijn volgens de rechtspraak van het Hof dan ook – voor zover ze daarnaast bijvoorbeeld geen managementdiensten tegen vergoeding aanbieden – niet aan te merken als belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn(12), omdat ze geen economische activiteit verrichten. Bijgevolg kunnen ze geen recht doen gelden op aftrek van voorbelasting krachtens artikel 168 van de richtlijn.

20.      In het licht hiervan wil de verwijzende rechterlijke instantie weten of deze rechtspraak ook in onderhavig geval gevolgen heeft, aangezien Ryanair tenslotte aandelen wilde verwerven en dit ook heeft gedaan, zij het in mindere mate dan aanvankelijk beoogd.

21.      Het staat buiten kijf dat Ryanair op grond van haar belastbare handelingen in de luchtvaart volledig is aan te merken als belastingplichtige in de zin van de btw-richtlijn. Ook over de zakelijke doelstelling van de aandelenverwerving kunnen geen twijfels bestaan: door haar concurrent over te nemen, wilde Ryanair haar omzet opkrikken en vermoedelijk ook samenwerkings- en netwerkeffecten in de hand werken.

22.      Desalniettemin is het voor de erkenning van een economische activiteit en bijgevolg van de aftrek van voorbelasting onder toepassing van de zogenaamde holdingjurisprudentie in de eerste plaats van belang of Ryanair het voornemen had om tegen vergoeding managementdiensten aan Aer Lingus te verstrekken (daarover onder B). Voor deze oplossing doet het echter volstrekt niet ter zake in welke omvang deze managementdiensten zouden worden verstrekt. Bijgevolg rijst de vraag of de aftrek van voorbelasting over de uitgaven voor de aandelenverwerving niet moet worden gesplitst (daarover onder C). Tegenover de omzet uit managementdiensten staan immers mogelijk gevoelig hogere dividendopbrengsten die in se geen recht geven op aftrek van voorbelasting.

23.      Noch de „omweg” via tegen vergoeding verstrekte managementdiensten, noch de daaruit voortvloeiende splitsingsproblemen bij de toepassing van deze oplossing zijn echter nodig wanneer van een functionele samenhang tussen de aandelenverwerving en de operationele hoofdactiviteit wordt uitgegaan (daarover onder D). Gezien de functie van de geplande overname voor de operationele activiteit, staan de kosten ervan tegenover de omzet uit die operationele activiteit. Bijgevolg is alleen het rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen deze handelingen van belang (daarover onder E).

24.      Aangezien de verwijzende rechterlijke instantie echter is uitgegaan van de toepasselijkheid van de holdingjurisprudentie op de litigieuze feiten, zal ik eerst nagaan of Ryanair op grond daarvan recht op aftrek van voorbelasting geldend kan maken.

B.      Recht op volledige aftrek volgens de holdingjurisprudentie

25.      Zoals hierboven (punt 18) is uiteengezet, kan louter op grond van het aanhouden van een deelneming niet worden aangenomen dat een economische activiteit wordt verricht. Daarentegen heeft het Hof herhaaldelijk en nadrukkelijk geoordeeld dat het verwerven en aanhouden van een deelneming door een holdingmaatschappij wel als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn moet worden aangemerkt wanneer de deelneming gepaard gaat met een directe of indirecte inmenging in het beheer van de doelvennootschap.(13) Een dergelijke inmenging kan bijvoorbeeld bestaan in het verstrekken van administratieve, financiële of commerciële diensten aan de doelvennootschap.(14) Dit criterium is evenwel enkel gesteld omdat een zuivere holdingmaatschappij, om als belastingplichtige te worden erkend, dergelijke activiteiten moet verrichten, die volgens de artikelen 2 en 9 van de richtlijn aan btw zijn onderworpen.(15)

26.      Deze conclusie geldt ook in een geval als het onderhavige – hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie uitdrukkelijk wenst te vernemen – wanneer de beoogde managementdiensten uiteindelijk niet worden verstrekt. Om de algehele neutraliteit van het btw-stelsel voor de belastingplichtigen te vrijwaren, moet namelijk ook bij uitgaven ter voorbereiding van een economische activiteit een recht op aftrek van voorbelasting bestaan.(16) Bepalend daarvoor is alleen het door objectieve gegevens aangetoonde voornemen om een economische activiteit uit te oefenen.(17) Dit geldt zelfs wanneer al bij de eerste vaststelling van de belasting is geweten dat de beoogde economische activiteit die tot de belastbare handelingen had moeten leiden, niet zal worden verricht.(18)

27.      Bij een combinatie van beide rechtspraaklijnen waaraan de verwijzende rechterlijke instantie refereert, zou het voor de erkenning van Ryanair als belastingplichtige bijgevolg bepalend zijn of zij op het tijdstip dat zij van de betrokken diensten gebruikmaakte het voornemen had om – in geval van een geslaagde overname – belastbare managementdiensten aan Aer Lingus te verstrekken. Dit voornemen heeft de Circuit Court bindend vastgesteld voor het hoofdgeding. Het feit dat het overnamebod mislukte en bijgevolg geen inmenging in het beheer van Aer Lingus mogelijk was, kan – zoals de Commissie ter terechtzitting heeft beklemtoond – er niet toe leiden dat het recht op aftrek van voorbelasting a posteriori wordt uitgesloten.

C.      Beperking van aftrek van voorbelasting op grond van een geringe managementvergoeding?

28.      Alleen rekening houden met het verstrekken van managementdiensten tegen vergoeding leidt in de praktijk echter tot artificiële constructies. Voor het recht op volledige aftrek van voorbelasting is het volgens de rechtspraak van het Hof immers volstrekt irrelevant in welke omvang deze managementdiensten tegen vergoeding worden verstrekt.(19) Daardoor wordt vaak te veel voorbelasting afgetrokken en ontstaat een grote wanverhouding tussen de belastbare handelingen die in een later stadium met de managementdiensten worden beoogd en de geldend gemaakte aftrek van voorbelasting over handelingen die in een eerder stadium zijn verricht.

29.      Kortom, de rechtspraak van het Hof biedt holdingmaatschappijen de gelegenheid om bij het verwerven van deelnemingen een omvangrijke aftrek van voorbelasting geldend te maken zolang er alleen maar managementdiensten tegen vergoeding – ongeacht hoe hoog die is – aan deze dochteronderneming worden verstrekt. Om die reden heeft de Commissie in de procedure bij het Hof uitdrukkelijk voorgesteld om aftrek van voorbelasting bij het verwerven van deelnemingen alleen toe te laten in gepaste verhouding tot de belastbare omzet die in een later stadium door de managementdiensten wordt voortgebracht.

30.      Bij de volgende stap rijst evenwel de vraag hoe die gepaste verhouding moet worden berekend. Een loutere vergelijking tussen omzet uit managementdiensten en dividenden gaat voorbij aan het feit dat er geen terugkerende kosten zijn verbonden aan het aanhouden van aandelen. De eerder aangehaalde bovenmatige aftrek van voorbelasting bestaat overigens alleen in het belastingtijdvak waarin de aandelenverwerving heeft plaatsgevonden. De zaken liggen anders wanneer gedurende vele jaren managementdiensten tegen vergoeding worden verstrekt. In een geval als het onderhavige wordt de berekening nog verder bemoeilijkt door het feit dat het slechts om een voorgenomen aandelenverwerving gaat. In casu kunnen de potentiële dividendopbrengsten hooguit ruwweg worden geschat.

31.      Bovendien kan niet elk aandelenbezit van een belastingplichtige onvermijdelijk leiden tot een niet-economische activiteit naast de operationele activiteit. Dit is namelijk niet verenigbaar met het neutraliteitsbeginsel van de btw.(20) Elke belastingplichtige die ook aandelen bezit, zou volgens de benadering van de Commissie op zijn algemene bedrijfsvoeringskosten slechts een proportionele aftrek van voorbelasting geldend kunnen maken, ook wanneer buiten twijfel staat dat deze kosten in samenhang met zijn economische activiteit zijn ontstaan.(21) Het bezit van een aandeel gaat namelijk in se met geringe kosten gepaard en de hoogte van de dividendopbrengsten staat eveneens los van de overige algemene kosten.

32.      Bijgevolg is de zienswijze van de Commissie niet overtuigend.

D.      Volledige aftrek van voorbelasting bij een functionele benadering van de aandelenverwerving

33.      Bij een functionele benadering die zich op de operationele hoofdactiviteit van de belastingplichtige toespitst en zich op het verband tussen de aandelenverwerving en deze economische activiteit baseert, blijven de daarnet genoemde problemen daarentegen achterwege. Hierbij worden in het bijzonder de overnamekosten tegenover de omzet uit de economische activiteit geplaatst. Ik ben zelfs de opvatting toegedaan dat een dergelijke functionele benadering in gevallen als het onderhavige reeds uit de rechtspraak van het Hof blijkt.

34.      De typische situatie van een zuivere holdingconstellatie waarbij het verstrekken van belastbare managementdiensten zo goed als een vereiste is om van een economische activiteit te kunnen gewagen, is in gevallen als in het hoofdgeding immers niet voorhanden. Zoals hierboven is vermeld, voert Ryanair namelijk al bedrijfsactiviteiten uit op de luchtvaartmarkt die een bijbehorende omzet voortbrengen. Tegen deze achtergrond doet het kunstmatig aan om rekening te houden met het tegen vergoeding verstrekken van managementdiensten in de toekomst.

35.      Een functionele benadering doet meer recht aan de economische dimensie van de zaak: hoewel de overname van een concurrent in casu door verwerving van aandelen moet worden bewerkstelligd, vertoont deze zaak veel meer gelijkenissen met een situatie waarbij een onderneming voornemens is om alle fysieke arbeidsmiddelen en installaties van een concurrent op te kopen dan met een situatie waarbij een onderneming alleen aandelen wenst te verwerven om dividenden op te strijken.

36.      Een dergelijke benadering zou ongetwijfeld – zoals ook de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven – tot gevolg hebben dat de overnemer uiteindelijk het recht op volledige aftrek van de voorbelasting moet worden toegekend. Deze uitkomst zou zowel voortvloeien uit de eventueel toepasselijke bepalingen inzake de overdracht van een onderneming als geheel (artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn) als uit de toepassing van de normale regels. Ook in geval van een volledige fusie met de doelvennootschap zou de aftrek van voorbelasting over de verwervingskosten niet ter discussie staan. Een beperking van de aftrek van voorbelasting in het geval van een „loutere” deelneming van honderd procent zou ook het beginsel van de rechtsvormneutraliteit op de helling zetten.

37.      Volgens de rechtspraak van het Hof is een rechtstreekse inmenging in het beheer via managementdiensten dus hoegenaamd niet de enige wijze waarop aandelenbezit met een economische activiteit kan worden gelijkgesteld. Wanneer aandelen voor typisch(22) commerciële doeleinden worden verworven of aangehouden, gaat het Hof immers steeds uit van een economische activiteit. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het bedrijfsmatig handelen in effecten of wanneer het verwerven of aanhouden van aandelen een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit vormt.(23)

38.      De strategische overname van een onderneming moet worden aangemerkt als een dergelijk rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit wanneer de verkrijgende vennootschap daarmee een uitbreiding of wijziging van haar operationele activiteiten nastreeft. Een dergelijke overname is een ingreep die (een uitbreiding van) belastbare handelingen beoogt, ook al gaat zij gepaard met de verwerving van aandelen.

E.      Het verband tussen aandelenverwerving en omzet uit operationele activiteiten

39.      De vraag naar het verband tussen de kosten die bij de aandelenverwerving zijn ontstaan en de beoogde managementdiensten is derhalve niet meer aan de orde.(24) Een functionele benadering richt zich hier veeleer op het verband tussen de aandelenverwerving en de (beoogde) omzet uit operationele luchtvaartactiviteiten. In het licht van die omzet kan niet worden gewaagd van een wanverhouding tussen de waarde van de aftrek van voorbelasting en de in een later stadium verrichte handelingen, zodat ook een splitsing niet nodig is.

40.      Volgens de rechtspraak van het Hof hangen dergelijke uitgaven rechtstreeks en onmiddellijk samen met bepaalde handelingen in een later stadium omdat ze in de prijs ervan zijn opgenomen.(25) Daarnaast kan de aftrek van voorbelasting geldend worden gemaakt voor de algemene kosten van een onderneming die in de prijs van alle producten van die onderneming zijn verrekend.(26)

41.      Het kan niet worden betwijfeld dat de uitgaven die in samenhang met de verwerving van Aer Lingus aandelen zijn verricht, elementen zijn van de prijs van de (beoogde) luchtvervoersactiviteiten in een later stadium na de overname van Aer Lingus. Wil Ryanair rendabel opereren, moeten die kosten ook op één of andere manier in de vluchtprijzen worden verrekend. De controleverwerving over Aer Lingus had als doel het globale bedrijfsrendement te verbeteren en de beoogde handelingen in een later stadium als moeder- en dochteronderneming te kunnen verrichten. Een dergelijke invloed op de bedrijfsvoering van een concurrent is alleen mogelijk wanneer de verkrijgende vennootschap over de meerderheid van de aandelen beschikt.

42.      De omstandigheid dat de beoogde overname en verdere uitbating van Aer Lingus onder de volledige controle van Ryanair in werkelijkheid uitbleven, heeft – zoals hierboven al uiteengezet (punt 26) – volgens de rechtspraak van het Hof geen invloed op deze slotsom. Ook hier volstaat het met objectieve gegevens aangetoonde voornemen om een economische activiteit te verrichten.(27) Dit voornemen kan a posteriori ook niet ter discussie staan omdat uiteindelijk geen overname van Aer Lingus heeft plaatsgevonden.(28)

V.      Conclusie

43.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      De verwerving van alle aandelen van een vennootschap met het oog op een rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke uitbreiding van de belastbare activiteit van de verkrijgende vennootschap vormt in omstandigheden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn (bijvoorbeeld in het kader van een zogeheten strategische overname) een economische activiteit in de zin van artikel 4 van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (thans artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde).

2)      Kosten die de verkrijgende vennootschap met het oog op een dergelijke strategische overname heeft gemaakt, staan in rechtstreeks en onmiddellijk verband met haar belastbare activiteit, en zodoende is de over die uitgaven betaalde belasting over de toegevoegde waarde aftrekbaar op grond van die activiteit.”


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


3      Arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 17); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20).


4      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 21); 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punten 30 e.v.); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 34), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 21).


5      PB 1977, L 145, blz. 1.


6      Omwille van de eenvoudigere citeerwijze wordt hierna uitgegaan van de bepalingen van de btw-richtlijn.


7      Beschikking C(2007) 3104 van 27 juni 2007 (zaak COMP/M.4439). Het door Ryanair ingestelde beroep tot nietigverklaring van deze beschikking bleef bij het Gerecht zonder resultaat, zie arrest van 6 juli 2010, Ryanair/Commissie (T‑342/07, EU:T:2010:280).


8      Arresten van 14 februari 1985, Rompelman (268/83, EU:C:1985:74, punt 24); 29 februari 1996, INZO (C‑110/94, EU:C:1996:67, punt 17), en 22 oktober 2015, Sveda (C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20).


9      Zie recent arrest van 21 september 2017, SMS group (C‑441/16, EU:C:2017:712, punt 46).


10      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 21); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 34), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 21).


11      Arresten van 22 juni 1993, Sofitam (C‑333/91, EU:C:1993:261, punt 13); 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 19), en 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 32).


12      Arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 17); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20).


13      Arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 14); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 17); 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 19), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 20).


14      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 21); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 34), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 21).


15      Een kosteloze („gewone”) inmenging volstaat bijgevolg niet wanneer daarnaast geen belastbare handelingen worden verricht; zie in dat verband de beschikkingen van 12 juli 2001, Welthgrove (C‑102/00, EU:C:2001:416, punten 16 e.v.), en 12 januari 2017, MVM (C‑28/16, EU:C:2017:7, punt 34).


16      Arresten van 14 februari 1985, Rompelman, (268/83, EU:C:1985:74, punt 23); 8 juni 2000, Schloßstrasse (C‑396/98, EU:C:2000:303, punt 39), en 22 oktober 2015, Sveda (C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20).


17      Arresten van 14 februari 1985, Rompelman (268/83, EU:C:1985:74, punt 24); 8 juni 2000, Schloßstrasse (C‑396/98, EU:C:2000:303, punt 40), en 21 september 2017, SMS group (C‑441/16, EU:C:2017:712, punt 46).


18      Arrest van 8 juni 2000, Breitsohl (C‑400/98, EU:C:2000:304, punten 34 e.v.).


19      Zie in dat verband het arrest van 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 25), en de conclusie van advocaat-generaal Mazák in de zaak Securenta (C‑437/06, EU:C:2007:777, punten 30 e.v.).


20      In verband met dit beginsel, zie arresten van 22 juni 1993, Sofitam (C‑333/91, EU:C:1993:261, punt 10); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 33), en 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 55). In de zaak MVM was, anders dan in de onderhavige zaak, het verband tussen de handelingen in een eerder stadium en de operationele activiteit volledig twijfelachtig; zie beschikking van 12 januari 2017, MVM (C‑28/16, EU:C:2017:7, punt 39).


21      In de zaak MVM had het Hof geoordeeld dat een gemengde holdingmaatschappij die haar dochterondernemingen geen belastbare managementdiensten verstrekt en daarnaast andere omzet uit een eigen operationele activiteit (verhuur van elektriciteits- en gasnetten) haalt, slechts een evenredige aftrek van voorbelasting geldend kan maken op de kosten die zij voor de verwerving van adviesdiensten heeft gemaakt, voor zover die als algemene kosten voor de operationele tak van haar activiteiten kunnen worden aangemerkt; zie beschikking van 12 januari 2017, MVM (C‑28/16, EU:C:2017:7, punten 46 e.v.).


22      In verband met de typologische benadering van economische activiteiten in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn, zie mijn conclusie in de zaak Posnania Investment (C‑36/16, EU:C:2017:134, punt 25).


23      Arresten van 20 juni 1996, Wellcome Trust (C‑155/94, EU:C:1996:243, punt 35); 6 februari 1997, Harnas & Helm (C‑80/95, EU:C:1997:56, punt 16); 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C‑142/99, EU:C:2000:623, punt 29); 8 februari 2007, Investrand (C‑435/05, EU:C:2007:87, punten 32‑36); 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 31), en 30 mei 2013, X (C‑651/11, EU:C:2013:346, punt 52).


24      Een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen deze handelingen heeft het Hof elders reeds uitdrukkelijk tegengesproken; zie arrest van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 32). Op dit punt onduidelijk geformuleerd in arrest van 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 64). Een toerekening aan de algemene kosten kan mogelijk recht verlenen op aftrek van voorbelasting; zie arresten van 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 37), en 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt (C‑108/14 en C‑109/14, EU:C:2015:496, punt 25).


25      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 31); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 35); 29 oktober 2009, AB SKF (C‑29/08, EU:C:2009:665, punt 57), en 17 oktober 2013, Iberdrola e.a. (C‑566/11, C‑567/11, C‑580/11, C‑591/11, C‑620/11 en C‑640/11, EU:C:2013:660, punt 28).


26      Arresten van 27 september 2001, Cibo Participations (C‑16/00, EU:C:2001:495, punt 33); 26 mei 2005, Kretztechnik (C‑465/03, EU:C:2005:320, punt 37); 6 september 2012, Portugal Telecom (C‑496/11, EU:C:2012:557, punt 37), en 17 oktober 2013, Iberdrola e.a. (C‑566/11, C‑567/11, C‑580/11, C‑591/11, C‑620/11 en C‑640/11, EU:C:2013:660, punt 29).


27      Zie in dit verband arresten van 14 februari 1985, Rompelman (268/83, EU:C:1985:74, punt 24); 29 februari 1996, INZO (C‑110/94, EU:C:1996:67, punt 17); 22 oktober 2015, Sveda (C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20), en 21 september 2017, SMS group (C‑441/16, EU:C:2017:712, punt 46).


28      De verwijzende rechterlijke instantie stipt dienaangaande uitdrukkelijk aan dat de vraag of het desbetreffende voornemen van Ryanair aan de hand van objectieve gegevens is aangetoond dan wel de objectieve gegevens veeleer in de weg staan aan een dergelijk voornemen, in het hoofdgeding definitief is beantwoord. Dit werd op de mondelinge terechtzitting ook beklemtoond door alle deelnemers aan de procedure.

ECLI:EU:C:2018:301

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supreme Court (Ierland) op 12 mei 2017 – Ryanair Ltd / The Revenue Commissioners

(Zaak C-249/17)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ryanair Ltd

Verwerende partij: The Revenue Commissioners

Prejudiciële vragen

Volstaat een voornemen om aan een vennootschap die het voorwerp is van een poging tot overname, in de toekomst managementdiensten te verstrekken ingeval die overname slaagt, om te kunnen oordelen dat de potentiële overnemer economische activiteiten in de zin van artikel 4 van de Zesde btw-richtlijn1 verricht, zodat de btw die aan de potentiële overnemer in rekening is gebracht over goederen of diensten die deze met het oog op de betrokken overname heeft verworven, kan worden aangemerkt als btw over leveringen ontvangen voor de voorgenomen economische activiteit van het verstrekken van dergelijke managementdiensten?

Bestaat er een voldoende „rechtstreeks en onmiddellijk verband”, in de zin van het door het Hof van Justitie van de EU in het arrest Cibo2 geformuleerde vereiste, tussen diensten die door deskundigen in de context van een dergelijke potentiële overname worden verstrekt, en in een later stadium verrichte leveringen, zoals de potentiële verstrekking van managementdiensten aan de vennootschap die het voorwerp van de poging tot overname is, ingeval die overname slaagt, zodat de over die diensten van deskundigen betaalde btw voor aftrek in aanmerking komt?

____________

Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).

2 Arrest van 27 september 2001, Cibo Participations SA v Directeur régional des impôts du Nord-Pas-de-Calais, C-16/00, EU:C:2001:495.

Getagd , , , , , , , , , , .