HvJ 22-01-2026 Agrupació de Neteja Sanitaria C-379/24

HvJ Agrupació de Neteja Sanitaria arrest

Algemene diensten zoals schoonmaak vallen onder de koepelvrijstelling als ze noodzakelijk zijn voor de vrijgestelde activiteit, waarbij nationale eisen van exclusiviteit of automatische vermoedens van concurrentieverstoring strijdig zijn met de Btw-richtlijn.

In de gevoegde zaken Agrupació de Neteja Sanitària (ANS) en Educat Serveis Auxiliars SCCL (Educat) gaat het om twee Spaanse samenwerkingsverbanden (een economisch samenwerkingsverband en een coöperatie) die schoonmaakdiensten verrichten voor hun leden, respectievelijk zorginstellingen en onderwijsinstellingen. De feitelijke uitvoering van het personeelsbeheer voor deze schoonmaakdiensten was uitbesteed aan derden. De Spaanse belastingdienst weigerde de toepassing van de koepelvrijstelling (art 132(1)f Btw-richtlijn). De belastingdienst stelde dat de nationale wetgeving vereist dat diensten “rechtstreeks en uitsluitend” worden gebruikt voor de vrijgestelde activiteit. Omdat schoonmaakdiensten een algemeen karakter hebben en niet exclusief verbonden zijn met de zorg- of onderwijstaken, zou de vrijstelling niet van toepassing zijn en zou er gevaar voor concurrentieverstoring bestaan.

De verwijzende rechter (Tribunal Superior de Justicia de Cataluña) stelde prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van de strikte Spaanse voorwaarden met de Btw-richtlijn. De kernvraag is of het Unierechtelijke begrip “direct nodig” toestaat dat een lidstaat diensten van de vrijstelling uitsluit louter omdat zij van algemene aard zijn en niet exclusief samenhangen met de vrijgestelde activiteit. Tevens stond ter discussie of de “algemene aard” van een dienst (zoals schoonmaak) automatisch leidt tot een vermoeden van concurrentieverstoring, waarmee de vrijstelling systematisch geweigerd zou kunnen worden.

Het HvJ oordeelt dat art 132(1)f Btw-richtlijn zich verzet tegen de Spaanse regeling. Ten eerste oordeelt het HvJ dat diensten niet “onontbeerlijk” of specifiek hoeven te zijn voor de vrijgestelde activiteit om als “direct nodig” te kwalificeren, een onderscheid dat steunt op de systematiek van de richtlijn. Ook algemene diensten zoals schoonmaak kunnen direct nodig zijn, zeker gezien de hygiënevoorschriften in de zorg en het onderwijs. Het HvJ verwijst hierbij naar eerdere jurisprudentie zoals Infohos (C-400/18) en Stichting Centraal Begeleidingsorgaan (C-407/07), waarin is bepaald dat vrijstellingen weliswaar strikt moeten worden uitgelegd, maar niet zo restrictief dat zij hun nuttige werking verliezen of de toegang tot kostenbesparende samenwerking onmogelijk maken. Ten tweede mag een lidstaat niet, onder het mom van het voorkomen van concurrentieverstoring, een algemeen vermoeden hanteren dat algemene diensten per definitie de mededinging verstoren. Concurrentieverstoring moet concreet worden beoordeeld en kan niet worden gebaseerd op een onweerlegbaar vermoeden, zoals ook eerder vastgesteld in Taksatorringen (C-8/01) en Commissie/Duitsland (C-616/15).

DictumArrestConclusieVerzoek

1) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.

2) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

22 januari 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscaliteit – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Diensten die worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een vrijgestelde activiteit verrichten – Diensten die direct nodig zijn voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit – Gevaar voor verstoring van de mededinging – Schoonmaakdiensten in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs – Nationale regeling op grond waarvan de diensten rechtstreeks en uitsluitend moeten samenhangen met de vrijgestelde activiteit en noodzakelijk zijn voor de uitoefening daarvan ”

In de gevoegde zaken C-379/24 en C-380/24,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje) bij beslissingen van 22 en 29 april 2024, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2024, in de procedures

Agrupació de Neteja Sanitària, AIE (C-379/24),

Educat Serveis Auxiliars SCCL (C-380/24)

tegen

Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña (TEARC),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Cabrera Ruiz en P. Carlin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee afzonderlijke gedingen betreffende de afwijzing door de Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña (regionale rechter in economische en bestuurszaken Catalonië, Spanje) van de klachten van respectievelijk Agrupació de Neteja Sanitària AIE (hierna: „ANS”) en Educat Serveis Auxiliars SCCL (hierna: „Educat”) tegen besluiten tot naheffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die op hen betrekking hebben.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de overwegingen 25 en 35 van de btw-richtlijn staat het volgende te lezen:

„(25) De maatstaf van heffing moet worden geharmoniseerd, opdat de toepassing van de btw op de belastbare handelingen in alle lidstaten tot vergelijkbare resultaten leidt.

[…]

(35) Met het oog op een vergelijkbare inning van de eigen middelen in alle lidstaten dient een gemeenschappelijke lijst van vrijstellingen te worden vastgesteld.”

4 Titel IX („Vrijstellingen”) van die richtlijn bevat een hoofdstuk 1, met als opschrift „Algemene bepalingen”, waarin artikel 131 is opgenomen, dat het volgende bepaalt:

„De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.”

5 In dezelfde titel IX bevat hoofdstuk 2, met als opschrift „Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang”, artikel 132, waarvan lid 1 luidt als volgt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

b) ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;

[…]

f) diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;

[…]

i) onderwijs aan kinderen of jongeren, […]”.

Spaans recht

6 Artikel 20, lid 1, van Ley 37/1992 del Impuesto sobre el Valor Añadido (wet 37/1992 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) van 28 december 1992 (BOE nr. 312 van 29 december 1992, blz. 44247), in de op de feiten van de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt het volgende:

„De volgende handelingen zijn vrijgesteld van [btw]:

[…]

6.° Diensten die rechtstreeks worden verleend aan hun leden door verenigingen, groeperingen of autonome entiteiten, met inbegrip van economische samenwerkingsverbanden, die uitsluitend bestaan uit personen die een vrijgestelde of niet-belastingplichtige activiteit uitoefenen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) Die diensten worden rechtstreeks en uitsluitend gebruikt voor die activiteit en zijn noodzakelijk voor de uitoefening ervan.

b) De leden dienen enkel hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven te vergoeden.

[…]

De vrijstelling is ook van toepassing indien, wanneer is voldaan aan de voorwaarde onder b), het aftrekbare gedeelte niet meer dan 10 procent bedraagt en de dienst niet rechtstreeks en uitsluitend wordt gebruikt voor handelingen die recht op aftrek geven.

De vrijstelling geldt niet voor diensten van handelsondernemingen.

[…]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

7 ANS, verzoekster in het hoofdgeding in zaak C-379/24 werd op 11 februari 2017 opgericht als een „Agrupación de Interés Económico” (AIE; economisch samenwerkingsverband), die tot doel had een gemeenschappelijke infrastructuur tot stand te brengen voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de ziekenhuizen, centra en gebouwen in het algemeen, waarin de leden van ANS hun activiteiten op het gebied van gezondheidszorg en sociale zorg verrichten.

8 Educat, verzoekster in het hoofdgeding in zaak C-380/24, is op 15 juli 2010 opgericht als „Sociedad Cooperativa Catalana Limitada” (SCCL; Catalaanse coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), die tot doel had een gemeenschappelijke infrastructuur tot stand te brengen voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de instellingen en faciliteiten van de leden van Educat, waarin deze onderwijsactiviteiten verrichten zoals kleuterscholen, lagere scholen, scholen voor secundair onderwijs en instellingen voor beroepsopleiding.

9 Verzoeksters in de hoofdgedingen hebben elk met derden overeenkomsten gesloten voor het beheer van hun personeel. Op basis daarvan plaatsten deze derden het personeel en wezen zij het taken toe, selecteerden zij het personeel, waren zij verantwoordelijk voor de loonadministratie, regelden zij incidenten (met inbegrip van de opvolging en beëindiging van arbeidsverhoudingen), zorgden zij voor een passende opleiding overeenkomstig de wettelijke vereisten en verstrekten zij het nodige materiaal voor de uitvoering van die taken. In de overeenkomsten werd het gebruik van onderaanneming voor schoonmaakwerkzaamheden gerechtvaardigd door het feit dat deze derden over de ervaring, kennis en middelen beschikten die nodig waren voor het beheer van de schoonmaakdiensten die verzoeksters in het hoofdgeding aan hun leden leverden.

10 Na btw-controles heeft de Dependencia Regional de Inspección de la Agencia Española de Administración Tributaria (regionale inspectiedienst van de Spaanse belastingdienst) Educat en ANS onderworpen aan de btw voor de handelingen die zij verrichtten door schoonmaakdiensten te verrichten ten behoeve van hun respectieve leden. Volgens die dienst was de in artikel 20, lid 1, punt 6, van wet 37/1992 neergelegde vrijstelling niet van toepassing omdat verzoeksters in het hoofdgeding deze diensten niet rechtstreeks hadden verricht, maar een beroep hadden gedaan op externe ondernemingen die in feite een wezenlijk deel van de diensten hadden verricht. Uit deze controles bleek bovendien dat de betrokken schoonmaakdiensten niet rechtstreeks en uitsluitend samenhingen met de vrijgestelde activiteit van de respectieve leden van ANS en Educat, zodat de toepassing van de vrijstelling tot verstoring van de mededinging kon leiden.

11 De Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña heeft de twee besluiten tot naheffing van de btw ten aanzien van ANS en Educat bevestigd. Zij hebben elk tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje), de verwijzende rechter. Zij betogen dat de in geding zijnde btw-vrijstelling niet kan worden geweigerd op grond dat het personeelsbeheer is uitbesteed aan een derde onderneming, hetgeen in overeenstemming is met de geest en het doel van deze vrijstelling.

12 In die omstandigheden heeft de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de zaken C-379/24 en C-380/24 in identieke bewoordingen zijn geformuleerd:

„1) Staan de communautaire betekenis en doelstelling van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de [btw-richtlijn] in de weg aan een nationale bepaling – artikel 20, lid 1, punt 6, van [wet 37/1992] – die vereist dat de betrokken diensten rechtstreeks en uitsluitend samenhangen met de vrijgestelde activiteit […], wanneer de uitlegging van dit vereiste in het geval van de betrokken dienst – schoonmaakdiensten in de gezondheidszorgsector [(C-379/24)] en in de onderwijssector [(C-380/24)] – tot de conclusie leidt dat deze dienst niet uitsluitend wordt verleend in deze vrijgestelde sector, hoewel hij uniek, technisch en complex is wat de organisatie […] en de opzet ervan betreft, en hij absoluut noodzakelijk is?

2) Staan de communautaire betekenis en doelstelling van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de [btw-richtlijn] in de weg aan een uitlegging van artikel 20, lid 1, punt 6, van [wet 37/1992] waarbij – met het oog op de weigering van de vrijstelling overeenkomstig de communautaire voorwaarden – de niet‑exclusiviteit van de ten behoeve van de activiteit verrichte dienst wordt gelijkgesteld met een activiteit die de mededinging verstoort, waardoor aldus nationale en communautaire voorwaarden worden gecombineerd om die weigering te rechtvaardigen? Houdt de voorwaarde dat ‚de mededinging niet wordt verstoord’ in dat de vrijstelling wordt geweigerd ongeacht de mate waarin de verstoring van de mededinging gevolgen sorteert indien deze niet door de partijen wordt betwist [arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C-8/01, EU:C:2003:621, punt 48], op grond dat elke vrijstelling een inbreuk vormt op het door het Hof erkende algemene beginsel van de belastingplicht?”

13 Bij beslissing van de president van het Hof van 10 juli 2024 zijn de zaken C-379/24 en C-380/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

14 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.

15 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit de overwegingen 25 en 35 van de btw-richtlijn volgt dat zij tot doel heeft de maatstaf van heffing van de btw te harmoniseren en dat de vrijstellingen van die belasting autonome begrippen van het Unierecht zijn die, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, in het algemene kader van het bij deze richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel moeten worden geplaatst (zie naar analogie arrest van 20 november 2019, Infohos, C-400/18, EU:C:2019:992, punt 29).

16 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C-758/24 en C-759/24, EU:C:2025:591, punt 91).

17 Wat de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling vrijstelling verleent voor diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan de leden van deze groeperingen de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden.

18 In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak dat de bewoordingen waarin de in artikel 132 van de btw-richtlijn bedoelde btw-vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, aangezien die vrijstellingen uitzonderingen vormen op het algemene beginsel dat iedere dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, aan de btw is onderworpen. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 132 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren. De rechtspraak van het Hof heeft niet tot doel een zodanige uitlegging te geven dat de bedoelde vrijstellingen in de praktijk bijna onmogelijk toe te passen zijn (arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C-407/07, EU:C:2008:713, punt 30; 4 mei 2017, Commissie/Luxemburg, C-274/15, EU:C:2017:333, punt 50, en 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C-77/19, EU:C:2020:934, punt 37).

19 Er zij nog opgemerkt dat artikel 132, lid 1, onder a) tot en met q), van de btw-richtlijn weliswaar de door de lidstaten vrijgestelde „handelingen” opsomt, maar dat artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn meer in het bijzonder betrekking heeft op diensten die, ten eerste, worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen ten behoeve van hun leden die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, en ten tweede, „direct nodig” zijn voor die activiteit.

20 Derhalve moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn weliswaar vereisen dat er een verband bestaat tussen de door de zelfstandige groepering van personen verrichte dienst en de vrijgestelde activiteit van haar leden, maar dat deze bepaling niet vereist dat het bij deze diensten gaat om specifieke diensten die een onontbeerlijke bijdrage leveren aan die activiteit of aan een specifieke handeling. Het is namelijk voldoende dat de door een dergelijke groepering verrichte dienst direct nodig is voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit van haar leden.

21 Wat de context van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 2 van titel IX van deze richtlijn, waarin ook artikel 134, onder a), is opgenomen, waarin het heet dat „goederenleveringen en diensten […] van de in artikel 132, lid 1, [onder] b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen [zijn] uitgesloten […] wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen”. Artikel 134, onder a), stelt de diensten waarnaar wordt verwezen in de daarin vermelde bepalingen dus uitdrukkelijk afhankelijk van de voorwaarde dat zij onontbeerlijk zijn voor de vrijgestelde handelingen. In dit verband moet worden vastgesteld dat de in artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn bedoelde diensten niet voorkomen onder de in artikel 134, onder a), van die richtlijn vermelde diensten.

22 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 27 van haar conclusie opmerkt, de in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn bedoelde diensten niet zodanig specifiek hoeven te zijn dat zij een onontbeerlijke bijdrage vormen aan de vrijgestelde activiteit of zelfs aan bepaalde van de vrijgestelde handelingen. Aan deze uitlegging wordt bovendien niet afgedaan door het enkele feit dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde vrijgestelde activiteiten onder artikel 132, lid 1, onder b) en i), van deze richtlijn vallen.

23 De verrichting van diensten die niet rechtstreeks aan de uitoefening van de in artikel 132 van de btw-richtlijn vermelde activiteiten van algemeen belang maar aan de uitoefening van andere activiteiten bijdragen, kan daarentegen niet onder de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn vallen (zie in die zin arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 50).

24 De in de punten 20 en 22 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn is ook in overeenstemming met het doel van deze bepaling, die ertoe strekt bepaalde activiteiten van algemeen belang vrij te stellen van btw teneinde de toegang tot bepaalde diensten en de levering van bepaalde goederen te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken diensten en goederenleveringen aan de btw werden onderworpen (zie naar analogie arrest van 20 november 2019, Infohos, C-400/18, EU:C:2019:992, punt 37). Derhalve vallen de diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen onder de vrijstelling van die bepaling, wanneer die diensten rechtstreeks bijdragen aan de uitoefening van de in artikel 132 van deze richtlijn vermelde activiteiten van algemeen belang (arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Dit is inderdaad het geval wanneer de diensten gewoonlijk door een dergelijke groepering ten behoeve van haar leden worden verricht, voor zover zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit. In dit verband zouden „algemene” diensten zoals schoonmaakdiensten kunnen worden geacht rechtstreeks noodzakelijk te zijn, en dit zowel voor de sector van de medische verzorging als voor de onderwijssector, waarin de marktdeelnemers bovendien onderworpen zijn aan specifieke hygiënevoorschriften. De verwijzende rechter merkt overigens op dat de in geding zijnde schoonmaakdiensten, gelet op de betrokken activiteiten, uniek, technisch en complex zijn.

26 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.

Tweede vraag

27 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.

28 Volgens de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepaling is de btw-vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn afhankelijk van de voorwaarde dat de diensten die rechtstreeks worden verleend aan de leden van zelfstandige groeperingen van personen die bestaan uit personen die een vrijgestelde of niet-belastingplichtige activiteit uitoefenen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, rechtstreeks en uitsluitend voor deze activiteit worden gebruikt en voor de uitoefening ervan noodzakelijk zijn.

29 In dit verband blijkt uit het antwoord op de eerste vraag dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan door een zelfstandige groepering van personen verrichte diensten niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van die bepaling, wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.

30 De Spaanse regering betoogt evenwel dat die bepaling zich niet verzet tegen het exclusiviteitsvereiste waarin is voorzien bij de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling, aangezien dit vereiste beoogt te verzekeren dat de in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn gestelde voorwaarde van niet-verstoring van de mededinging eenvoudig en juist kan worden toegepast.

31 Bijgevolg moet worden onderzocht of een lidstaat, gelet op het vereiste van niet-verstoring van de mededinging, in zijn nationale wettelijke regeling kan bepalen dat de in die bepaling bedoelde vrijstelling slechts van toepassing is op bepaalde diensten.

32 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de lidstaten niet verplicht zijn om dit vereiste letterlijk in hun nationale recht om te zetten (arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 64).

33 Bovendien zou de nationale wetgever, om uit te maken of de toepassing van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn tot verstoring van de mededinging kan leiden, inderdaad regels mogen invoeren die door de bevoegde autoriteiten gemakkelijk kunnen worden gehandhaafd en gecontroleerd. Krachtens artikel 131 van de btw-richtlijn stellen de lidstaten namelijk de voorwaarden voor de vrijstellingen om een juiste en eenvoudige toepassing ervan te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Deze voorwaarden mogen echter geen betrekking hebben op de definitie van de inhoud van de vrijstellingen waarin deze richtlijn voorziet (zie in die zin arresten van 21 maart 2013, Commissie/Frankrijk, C-197/12, EU:C:2013:202, punt 31; 25 februari 2016, Commissie/Nederland, C-22/15, EU:C:2016:118, punten 28 en 29, en 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 65).

34 Dat is echter precies het effect van de betrokken nationale wettelijke regeling, waarmee de nationale wetgever beoogt alle door zelfstandige groeperingen van personen verrichte diensten uit te sluiten wanneer deze ook kunnen worden gebruikt voor activiteiten die niet uitsluitend samenhangen met de vrijgestelde activiteit die de leden van deze groeperingen uitoefenen.

35 Bovendien zij eraan herinnerd dat de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn tot doel heeft te voorkomen dat de persoon die bepaalde diensten verricht, aan de betaling van btw wordt onderworpen wanneer hij genoopt is samen te werken met andere ondernemingen in een gemeenschappelijke structuur die bepaalde met het oog op die dienstverrichtingen noodzakelijke activiteiten voor haar rekening neemt (arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C-407/07, EU:C:2008:713, punt 37, en 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 56). Zoals in punt 24 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt deze bepaling dus bepaalde activiteiten van algemeen belang vrij te stellen van btw, teneinde de toegang tot bepaalde diensten en de levering van bepaalde goederen te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken diensten en goederenleveringen aan de btw werden onderworpen.

36 Zou de vrijstelling waarin artikel 132, lid 1, onder f), van btw-richtlijn voorziet worden geweigerd aan een zelfstandige groepering van personen die aan alle voorwaarden van deze bepaling voldoet, op de enkele grond dat het bij de ten behoeve van de leden van deze groepering verrichte diensten gaat om diensten van algemene aard die ook ten behoeve van andere personen kunnen worden verricht, dan zou dit echter tot gevolg hebben dat de werkingssfeer van deze bepaling wordt beperkt, doordat principieel wordt uitgesloten dat diensten die door die groepering ten behoeve van haar leden worden verricht in aanmerking komen voor de btw-vrijstelling, waarbij een dergelijke beperking van de werkingssfeer geen bevestiging vindt in de doelstelling van die richtlijn zoals die in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht (zie naar analogie arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C-407/07, EU:C:2008:713, punten 36 en 37, en 20 november 2019, Infohos, C-400/18, EU:C:2019:992, punt 40).

37 Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie opmerkt, kan er daarentegen sprake zijn van verstoring van de mededinging in geval van misbruik in de zin van artikel 131 van de btw-richtlijn. Een dergelijk misbruik kan echter niet worden gebaseerd op een algemeen en onweerlegbaar vermoeden (zie in die zin arrest van 20 november 2019, Infohos, C-400/18, EU:C:2019:992, punt 53).

38 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.

Kosten

39 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.

2) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.

ECLI:EU:C:2026:29

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 10 juli 2025 (1)

Gevoegde zaken C-379/24 en C-380/24

Agrupació de Neteja Sanitària, AIE (C-379/24)

Educat Serveis Auxiliars SCCL (C-380/24)

tegen

Tribunal Económico‑Administrativo Regional de Cataluña (TEARC)

[verzoek van de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 132, lid 1, onder f) – Vrijstelling voor ‚kostendelende groeperingen’ – Vrijstelling van diensten die misschien niet noodzakelijk maar wel nuttig zijn voor de vrijgestelde activiteit van de leden – Diensten die direct nodig zijn voor de uitoefening van vrijgestelde activiteiten – Verstoring van de mededinging door een Unierechtelijke belastingvrijstelling ”

I. Inleiding

1. De twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing hebben betrekking op de vrijstelling van zogenoemde kostendelende groeperingen in het kader van de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw), waarover het Hof van Justitie zich reeds verschillende keren heeft uitgesproken.(2) Deze bepaling stelt diensten vrij die door een groepering aan haar leden worden verleend, indien de groepering slechts de precieze kosten van deze diensten naar haar leden verlegt. De belastingvrijstelling geldt evenwel enkel voor zover „deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden”.

2. Het Hof heeft zich voor het eerst over dit nogal vage (negatieve) criterium moeten buigen in het arrest Taksatorringen uit 2001.(3) De daar gestelde vraag was echter niet nauwkeurig genoeg en het gegeven antwoord was zo vaag (de vrijstelling moet worden geweigerd „indien er een reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op zich op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden”) dat daarop vele andere prejudiciële verzoeken volgden. Deze konden evenwel worden beantwoord zonder dit criterium nader af te bakenen. Het is daarom tot op heden nog steeds onduidelijk wanneer er eigenlijk kan worden aangenomen dat er sprake is van dergelijke verstoringen van de mededinging als gevolg van een belastingvrijstelling waarin het Unierecht zelf voorziet, zodat deze alsnog moet worden geweigerd.

3. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het Hof van Justitie in de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing uiteindelijk wordt verzocht om een uitlegging die in de praktijk wat beter bruikbaar is. Overigens is bij het Gerecht met betrekking tot deze problematiek nog een andere zaak (T-558/24) aanhangig, die momenteel is geschorst(4).

II. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

4. Het Unierechtelijke kader wordt gevormd door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw‑richtlijn”).(5)

5. Artikel 131 van de btw‑richtlijn bevat een algemene regeling voor belastingvrijstellingen:

„De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.”

6. Ingevolge artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 inzake vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang, verlenen de lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen:

„diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden”.

7. Artikel 134 van de btw‑richtlijn sluit een aantal handelingen onder bepaalde omstandigheden uit van bepaalde Unierechtelijke vrijstellingen:

„Goederenleveringen en diensten zijn in de volgende gevallen van de in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen uitgesloten:

a) wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;

b) wanneer zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de btw onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen.”

B. Spaans recht

8. Artikel 20, eerste alinea, punt 6, van de Ley del IVA 37/1992 (wet 37/1992 inzake btw) zet artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn om in nationaal recht en bepaalt, voor zover hier relevant, het volgende:

„De volgende handelingen zijn vrijgesteld van deze belasting:

6. Diensten die rechtstreeks worden verleend aan hun leden door verenigingen, groeperingen of autonome entiteiten, met inbegrip van economische samenwerkingsverbanden, die uitsluitend bestaan uit personen die hoofdzakelijk een vrijgestelde of niet‑belaste activiteit verrichten, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) Die diensten worden rechtstreeks en uitsluitend gebruikt voor die activiteit en zijn noodzakelijk voor de uitoefening ervan.

b) De leden dienen enkel hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven te vergoeden.

[…]

De vrijstelling geldt niet voor diensten van handelsondernemingen.”

III. Feiten

9. Verzoekster in zaak C-379/24 (hierna: „eerste verzoekster”) werd op 11 februari 2017 opgericht als een „Agrupación de Interés Económico” (A.I.E.) (economisch samenwerkingsverband). Haar doel bestond in de totstandbrenging van een gemeenschappelijke infrastructuur voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de ziekenhuizen, centra en gebouwen in het algemeen, waarin haar leden hun activiteiten op het gebied van gezondheidszorg en sociale zorg verrichten.

10. Verzoekster in zaak C-380/24 (hierna: „tweede verzoekster”) werd op 15 juli 2010 opgericht als een „Sociedad Cooperativa Catalana Limitada” (SSCL) (Catalaanse coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Haar doel bestond in de totstandbrenging van een gemeenschappelijke infrastructuur voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de vestigingen en faciliteiten van haar leden waarin deze hun onderwijsactiviteiten (kleuterschool, basisschool, middelbare school, bovenbouw van het gymnasium en beroepsopleiding) verrichten.

11. Beide verzoeksters hebben elk met een (andere) derde partij een overeenkomst gesloten voor de administratie en het beheer van hun personeel. In het kader van de respectieve overeenkomsten waren deze derden verantwoordelijk voor de selectie en de plaatsing van het personeel, de toewijzing van de taken aan het personeel, de loonadministratie, incidentenbeheer (waaronder het ingrijpen in en beëindigen van arbeidsrelaties), het geven van passende opleidingen in overeenstemming met de wettelijke vereisten, en de levering van materiaal. In de twee overeenkomsten staat dat deze activiteiten aan de derde partijen zijn uitbesteed, omdat deze partijen beschikken over de ervaring, kennis en middelen die nodig zijn voor het beheer van de schoonmaakdiensten die door beide verzoeksters ten behoeve van hun leden moeten worden verricht.

12. Op 11 november 2013 werd een btw-controle ingeleid jegens de tweede verzoekster voor de periode van januari 2010 tot en met december 2012 en op 2 juni 2017 werd een btw-controle ingeleid jegens de eerste verzoekster voor de periode van maart 2013 tot en met december 2014. Het resultaat van beide controles was dat er btw werd geheven over de handelingen die verzoeksters hadden verricht voor het verlenen van schoonmaakdiensten aan hun leden. De in artikel 20, eerste alinea, punt 6, van de Spaanse btw‑wet geregelde vrijstelling was niet van toepassing omdat verzoeksters deze diensten niet rechtstreeks hadden verricht, maar een beroep hadden gedaan op een externe onderneming die in feite een wezenlijk deel van de diensten verrichtte. Bovendien hielden de schoonmaakdiensten volgens de besluiten niet rechtstreeks en uitsluitend verband met de vrijgestelde activiteit, zodat de toepassing van de vrijstelling tot verstoring van de mededinging kon leiden.

13. De belastingdienst heeft beide besluiten bevestigd. Verzoeksters hebben hiertegen elk een beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betogen dat de vrijstelling niet kan worden geweigerd op grond dat het personeelsbeheer is uitbesteed aan een derde onderneming, aangezien deze omstandigheid strookt met de geest en het doel van de belastingvrijstelling.

IV. Prejudiciële procedure

14. De voor beide beroepen bevoegde Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje) heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof krachtens artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Is een nationale regeling die voorziet in het vereiste dat de betrokken diensten rechtstreeks en uitsluitend verband houden met de vrijgestelde activiteit, in strijd met de geest en doelstelling van de vrijstelling als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn, wanneer dat vereiste aldus wordt uitgelegd dat een dienst (schoonmaakdiensten in de gezondheidssector [C-379/24] respectievelijk de onderwijssector [C-380/24]) niet uitsluitend wordt gebruikt voor het vrijgestelde gebied, hoewel deze dienst uniek, technisch en complex is wat de organisatie en opzet ervan betreft (in zaak C-380/24: continu schoonmaken en ontsmetten van faciliteiten waar kinderen gedurende langere perioden worden opgevangen), alsook absoluut noodzakelijk?

2) Is een uitlegging van het nationale recht in strijd met de geest en doelstelling van de vrijstelling als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn, wanneer – met het oog op de weigering van de vrijstelling overeenkomstig de Unierechtelijke beperkingen – de niet‑exclusiviteit van de verrichting van de dienst wordt gelijkgesteld met een activiteit die de mededinging verstoort, waardoor aldus nationale en Unierechtelijke beperkingen worden gecombineerd om die weigering te rechtvaardigen? Houdt de voorwaarde dat ‚de mededinging niet wordt verstoord’ in dat de vrijstelling wordt geweigerd ongeacht de mate waarin de verstoring van de mededinging gevolgen sorteert indien deze niet door de partijen wordt betwist (zaak [C-8/01], punt 48), op grond dat elke vrijstelling een inbreuk vormt op het door het Hof erkende algemene beginsel van de belastingplicht?”

15. Het Hof heeft bij beschikking van 10 juli 2024 beide zaken gevoegd voor het arrest. In deze procedures hebben enkel het Koninkrijk Spanje en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Hof heeft overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten geen pleitzitting te houden.

V. Juridische beoordeling

A. Achtergrond van de prejudiciële vragen

16. De prejudiciële vragen moeten worden bezien in het licht van de keuze van de Uniewetgever om ondernemingen die vrijgestelde diensten verrichten, bijvoorbeeld klinieken en instellingen voor opvoeding en onderwijs, in beginsel geen aftrek van voorbelasting toe te staan. Uit de prejudiciële verzoeken blijkt niet dat de leden van verzoeksters uitsluitend vrijgestelde handelingen in de zin van artikel 132, lid 1, van de btw‑richtlijn verrichten, maar die verzoeken tonen evenmin aan dat verzoeksters andere belaste of andere vrijgestelde handelingen verrichten. Zouden de schoonmaakdiensten onder dergelijke andere handelingen moeten worden gerangschikt, dan zou een vrijstelling op grond van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn per se niet in aanmerking komen.

17. In het kader van de onderhavige conclusie wordt derhalve voorondersteld dat beide verzoeksters uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 132, lid 1, van de btw‑richtlijn zijn vrijgesteld. In een dergelijke situatie worden de in een later stadium verrichte handelingen van verzoeksters weliswaar niet belast, maar tegelijkertijd blijven hun in een eerder stadium verrichte prestaties bij gebreke van aftrek van voorbelasting aan de btw onderworpen.

18. Bijgevolg zijn deze belastingvrijstellingen (met name de in artikel 132 van de btw‑richtlijn opgenomen vrijstellingen op sociale gronden) slechts gedeeltelijke belastingvrijstellingen. Aangezien de niet‑aftrekbare btw over de in een eerder stadium verrichte prestaties in de regel in aanmerking wordt (moet worden) genomen bij de prijsberekening van de in een later stadium verrichte prestaties, wordt de consument indirect belast met deze btw. Bijgevolg is uiteindelijk alleen de toegevoegde waarde die de dienstverrichter zelf creëert in het laatste stadium (bijvoorbeeld in het geval van ziekenhuisdiensten, zijn eigen dienst ten behoeve van de patiënt) vrijgesteld van btw.

19. Het feit dat deze ondernemingen geen voorbelasting kunnen aftrekken, heeft tot gevolg dat bijvoorbeeld schoonmaakdiensten die door het eigen personeel van een ziekenhuis worden verricht alleen tot een kostenlast ter hoogte van de personeelskosten leiden. Wordt een externe schoonmaakdienst ingeschakeld, dan leidt dit evenwel tot een kostenlast ter hoogte van ten minste diens personeelskosten en de btw.

20. Daarom is het voor dergelijke ondernemingen in belastingvrije sectoren (zoals ziekenhuizen) over het algemeen economisch interessant om deze diensten zelf te verlenen (zogenoemde internalisering) en ze niet – belastingplichtig – in te kopen bij een andere onderneming. Voor ondernemingen die vrijgestelde handelingen verrichten, kunnen er zich evenwel situaties voordoen waarin het economisch gezien niet zinvol is om enkel voor zichzelf personeel in dienst te nemen. Het kan bijvoorbeeld zinvol zijn voor verschillende ziekenhuizen om de personeelskosten van een dataverwerkingscentrum of – zoals in casu – van het schoonmaakpersoneel te delen.

21. Voor dergelijke configuraties stelt artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn de diensten van een groepering aan haar leden onder bepaalde voorwaarden vrij. De uitsluiting van de aftrek van voorbelasting heeft dan geen effect op de prijs, waardoor de werkingssfeer van de btw‑vrijstelling voor de eindverbruiker in volle omvang blijft gelden. De belastingvrijstelling staat dan namelijk los van de vraag of de in een eerder stadium verrichte prestatie volledig werd verricht door een van belasting vrijgestelde onderneming alleen (door haar eigen personeel) of samen met andere van belasting vrijgestelde ondernemingen als onderdeel van een groepering (door het „gezamenlijke” personeel van de groepering).

22. In het onderhavige geval is dit precies wat er is gebeurd. Verschillende ondernemingen die belastingvrije medische behandelingen of belastingvrije onderwijsdiensten aanbieden, hebben zich aaneengesloten en delen de kosten van het schoonmaakpersoneel van de groepering. Ze hebben het beheer van dit personeel evenwel uitbesteed aan een derde partij. Dat deze ten bezwarende titel verrichte diensten van de derde belastbaar zijn en dat de verschuldigde btw dus een kostenpost voor verzoeksters vormt, lijkt buiten kijf te staan en is ook niet het voorwerp van het geschil.

23. Bijgevolg hoeft enkel te worden nagegaan of ook de schoonmaakdiensten die verzoeksters tegen vergoeding van de kosten – dus uiteindelijk de gedeelde kosten van het schoonmaakpersoneel(6) – aan hun leden (aandeelhouders) hebben verleend, aan de btw onderworpen zijn. Dit hangt af van de vraag of het bij de schoonmaakdiensten ging om diensten die „direct nodig [waren] voor de uitoefening” van de vrijgestelde medische behandelingen of onderwijsdiensten en dus noodzakelijk waren voor dit doel (zie onder B) en of de vrijstelling van de schoonmaakdiensten ten behoeve van de leden leidt tot een verstoring van de mededinging (zie onder C). Aldus kunnen de prejudiciële vragen tezamen worden beantwoord.

B. Door de groepering verleende diensten die direct nodig zijn voor de vrijgestelde activiteiten van de leden

24. Artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn voorziet in vrijstelling van door een groepering aan haar leden verleende diensten die „direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde [(opmerking van mij: dat wil zeggen van btw vrijgestelde)] activiteiten”. Mijns inziens betekent „directe noodzaak” in andere taalversies hetzelfde.(7) De btw‑richtlijn vereist uiteindelijk een bepaald verband tussen de dienst die de groepering verleent en de vrijgestelde activiteit van de leden. De bewoordingen vereisen evenwel geen direct verband met een specifieke vrijgestelde handeling van het lid. Het is voldoende dat de dienst van de groepering noodzakelijk is voor de geprivilegieerde vrijgestelde activiteiten van het lid.

25. Dit is ook logisch, aangezien deze vrijstellingsbepaling tot doel heeft de btw‑last op de in een eerder stadium verrichte handeling te verminderen als verschillende ondernemers met bepaalde vrijgestelde activiteiten zich aaneensluiten en diensten aan hun leden verlenen tegen een vergoeding van enkel de kosten. Er wordt namelijk altijd btw geheven over in een eerder stadium verrichte handelingen wanneer de in dat stadium verrichte diensten verband houden met de vrijgestelde activiteit, ongeacht of die activiteit direct verband houdt met een specifieke vrijgestelde handeling.

26. Uit een vergelijking met de bewoordingen van artikel 134 van de btw‑richtlijn blijkt eveneens dat deze diensten – in tegenstelling tot wat de Commissie en Spanje beweren – niet noodzakelijk hoeven te zijn voor de vrijgestelde handelingen. Artikel 134 van de btw‑richtlijn sluit bepaalde vrijstellingen krachtens artikel 132 van de btw‑richtlijn uit wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen. Hier verwijst de opsteller van de richtlijn uitdrukkelijk naar een verband met bepaalde handelingen (en niet alleen met de vrijgestelde activiteit). Bovendien is deze uitsluiting alleen van toepassing op „de in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen”. De vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn wordt daar juist niet genoemd.

27. Daaruit volgt, a contrario, dat door de groepering aan haar leden verleende diensten die rechtstreeks nodig zijn voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteiten van de leden, anders – dat wil zeggen ruimer – moeten worden opgevat. De door de groepering verleende diensten hoeven dus niet onontbeerlijk te zijn voor de vrijgestelde activiteit of zelfs voor de vrijgestelde handelingen. Het criterium van de directe noodzaak in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn verwijst veeleer naar de indeling van de diensten van de groep onder de van btw vrijgestelde activiteit in tegenstelling tot een parallelle belastbare (of niet onder artikel 132 van de btw‑richtlijn vallende belastingvrije) activiteit van het lid.

28. Zoals het Hof van Justitie immers al heeft verduidelijkt, sluit een gedeeltelijke belastbare activiteit van de leden de belastingvrijstelling van de diensten van de groepering als zodanig niet uit(8), maar alleen voor zover die diensten worden verricht voor de aan de btw onderworpen activiteiten van die leden. Deze diensten, die bijdragen aan de uitoefening van andere activiteiten vallen namelijk niet onder de werkingssfeer van de vrijstelling.(9)

29. Van een dergelijke directe indeling bij het verrichten van een van belasting vrijgestelde activiteit is in beginsel echter steeds sprake wanneer het lid uitsluitend vrijgestelde handelingen verricht die zijn opgenomen in de lijst van artikel 132, lid 1, van de btw‑richtlijn. Dit verklaart dan ook de uitzondering op de uitzondering in geval van een verstoring van de mededinging (zie de punten 36 e.v.). Deze uitzondering op de uitzondering zou grotendeels overbodig zijn als alleen de prestaties van de groepering die noodzakelijkerwijs (in de zin van een conditio sine qua non) verband houden met de vrijgestelde activiteit, zouden zijn vrijgesteld.

30. Het onderscheid dat de Commissie (en mogelijk ook Spanje) in haar opmerkingen wil maken tussen algemene diensten die nodig zijn voor het merendeel van alle handelingen (bijvoorbeeld schoonmaakdiensten, bewakingsdiensten, IT-diensten, etc.) en diensten die specifiek nodig zijn voor de belastingvrijstelling, is niet overtuigend. De Commissie meent zelfs dat zij het arrest Taksatorringen hiervoor als nuttig voorbeeld kan gebruiken.(10) In dat arrest ging het om de verdeling van de kosten van een taxateur door een groepering van verzekeringsmaatschappijen aan haar leden. Volgens de Commissie was deze dienst (schatting van de schade) voldoende nauw verbonden met de van belasting vrijgestelde verzekeringsdiensten, maar is dat niet het geval voor algemene schoonmaakdiensten.

31. Dit is om twee redenen niet overtuigend. Om te beginnen vallen verzekeringen eigenlijk helemaal niet binnen de werkingssfeer van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn, wat destijds (2003) evenwel is ontsnapt aan de aandacht van de Commissie, de verwijzende rechter en het Hof van Justitie, dat dienaangaande echter ook niet was bevraagd. Het Hof van Justitie heeft vervolgens in 2017 dienaangaande duidelijkheid verschaft.(11) Voorts hangen dergelijke kosten waarschijnlijk nog minder specifiek samen met belastingvrije verzekeringsprestaties dan in casu de schoonmaakdiensten in de medische sector of in het onderwijs. Met name in deze sectoren gelden speciale hygiëne‑eisen voor de exploitanten, waardoor er een bijzondere behoefte is aan bepaalde schoonmaakdiensten. Het Hof van Justitie zelf verlangt enkel dat de diensten rechtstreeks bijdragen aan de uitoefening van de in artikel 132 van deze richtlijn vermelde activiteiten van algemeen belang.(12) Dat schoonmaakdiensten in een ziekenhuis rechtstreeks bijdragen aan de vrijgestelde ziekenhuisdiensten, valt moeilijk te weerleggen.

32. Daarentegen zijn er, voor zover ik weet, geen algemene vereisten voor de wijze waarop schade aan een voertuig moet worden geschat. De hoogte van de concrete schade heeft geen invloed op de belastingvrije dienst (verzekeringsdekking tegen betaling van de verzekeringspremies), maar alleen op de vraag hoeveel de verzekeringsmaatschappij uiteindelijk moet uitkeren. Dit heeft hooguit gevolgen voor het bedrag van de verzekeringsdekking die ten bezwarende titel wordt verleend, dat wil zeggen de belastingvrije dienst. De benadering van de Commissie om onderscheid te maken tussen algemene diensten die nuttig zijn voor alle handelingen (zoals schoonmaakdiensten) en speciale, direct noodzakelijke diensten (schatting van de te vergoeden schade) is dan ook niet overtuigend.

33. Deze benadering staat tevens haaks op de geest en het doel van de regeling, die erin bestaat de gevolgen van de uitsluiting van voorbelastingaftrek (zie de punten 18 e.v. hierboven) te beperken wanneer de dienst niet door eigen personeel maar door een groepering aan haar leden wordt verleend.

34. Wanneer terdege rekening wordt gehouden met de geest en het doel van de regeling, dan vallen veeleer alle diensten die de groepering aan haar leden verleent onder de vrijstelling als zij door de leden in het kader van hun vrijgestelde activiteit als in een eerder stadium verrichte prestatie worden aangewend en dus rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de onder artikel 132 van de btw‑richtlijn vallende vrijgestelde activiteit, omdat zij voor die activiteit gebruikelijk en nodig zijn.

35. Dat lijkt mij zonder meer het geval te zijn bij algemene schoonmaakdiensten, die meer dan gebruikelijk en ook nodig zijn in de medische en onderwijssector. Volgens de verwijzende rechter zijn zij zelfs uniek, technisch en complex wat de organisatie en opzet ervan betreft, en zijn zij absoluut nodig. In dat geval vallen zij a fortiori binnen de werkingssfeer van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn. Dergelijke diensten – die gewoonlijk met de vrijgestelde activiteit samenhangen, zodat een concurrent vanaf een zekere omvang deze zelf zou verrichten, en die moeten worden ingedeeld onder de in artikel 132 bedoelde vrijgestelde activiteit van de belastingplichtige – vallen dus binnen de werkingssfeer van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn.

C. Uitlegging van het criterium van een afwezige „verstoring van de mededinging”

1. Doel van de bepaling

36. Wanneer evenwel schoonmaakdiensten in beginsel binnen de werkingssfeer van de belastingvrijstelling vallen, dan moet worden nagegaan of en wanneer de vrijstelling van dergelijke diensten uitgesloten is omdat zij anders de mededinging zou verstoren.

37. Zoals het Hof van Justitie reeds heeft geoordeeld(13) en zoals ik elders heb uiteengezet(14), strekt artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn ertoe een concurrentienadeel van kleinere ondernemingen ten opzichte van een grotere concurrent te compenseren. Deze laatste kan de diensten van de groepering namelijk ofwel zelf verrichten met zijn eigen werknemers, ofwel door middel van een nauw verbonden onderneming die deel uitmaakt van een zogenoemde btw‑groep (artikel 11 van de btw‑richtlijn). Artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn beoogt een gelijke behandeling op het gebied van het btw‑recht te waarborgen voor grote en kleine ondernemingen, die hieraan behoefte hebben vanwege de uitsluiting van aftrek van voorbelasting voor in een later stadium verrichte handelingen die vrijgesteld zijn van belasting.

38. Een klein ziekenhuis zonder eigen schoonmaakpersoneel moet hogere kosten voor lief nemen dan zijn grotere concurrent om dezelfde diensten te kunnen aanbieden. Dit is een concurrentienadeel dat hoofdzakelijk voortvloeit uit de omvang van de onderneming. Artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn maakt het echter mogelijk om dit concurrentienadeel te vermijden. Voornoemd ziekenhuis kan namelijk met een ander ziekenhuis een groepering vormen. Deze groepering neemt personeel in dienst dat zorgt voor de nodige schoonmaak van beide ziekenhuizen. De kosten hiervoor worden onderling gedeeld. Aangezien de diensten van de groepering aan haar leden zijn vrijgesteld, zijn ook de personeelskosten niet onderworpen aan btw (voor materiële kosten – evenals voor de kosten voor de administratieve diensten van een derde partij – blijft de btw‑voorbelasting onveranderd gelden). Het concurrentienadeel van de twee kleinere ziekenhuizen ten opzichte van de (grotere) concurrent valt dus weg.

39. Wanneer echter de belastingvrijstelling ertoe strekt een concurrentienadeel weg te werken, dan kan de toekenning van de belastingvrijstelling als zodanig normaal gezien niet opnieuw tot een verstoring van de mededinging leiden of het risico hierop doen ontstaan. Het voorbehoud inzake mededinging van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn komt in dit opzicht enigszins bevreemdend over en heeft uiteindelijk weinig zin.(15)

2. Vereiste van een enge uitlegging van het criterium van de verstoring van de mededinging

40. Bijgevolg lijkt mij een enge uitlegging absoluut noodzakelijk om te voorkomen dat de vrijstellingsbepaling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn wordt uitgehold. Eenzelfde slotsom dringt zich op ingeval het ontbreken van concurrentieverstoring wordt begrepen als een uitzondering op de in beginsel in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn neergelegde belastingvrijstelling, aangezien volgens het Hof elke afwijking van of uitzondering op een algemene regel strikt moet worden uitgelegd.(16)

41. Wordt de afwezigheid van een verstoring van de mededinging evenwel beschouwd als een uitzondering op de belastingvrijstelling en deze op haar beurt als een uitzondering op het algemene beginsel van belastingplichtigheid(17), dan zou ook kunnen worden uitgegaan van een uitzondering op de uitzondering. Een dergelijke uitzondering op de uitzondering zou ofwel bijzonder eng (als een eng uit te leggen uitzondering op een uitzondering), ofwel bijzonder ruim (als een uitzondering op een eng uit te leggen uitzondering) kunnen worden uitgelegd.

42. In casu moet deze „uitzondering op de uitzondering” niet eng of ruim worden uitgelegd, maar teleologisch, dat wil zeggen in overeenstemming met de geest en het doel ervan. Volgens de rechtspraak van het Hof dient de uitlegging namelijk in overeenstemming te zijn met de door de vrijstellingen nagestreefde doeleinden en te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit. In het bijzonder mogen de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 132 zijn gebruikt niet aldus worden uitgelegd dat deze vrijstellingen geen effect meer sorteren.(18)

43. Een ruime uitlegging verhindert echter dat het doel van de belastingvrijstelling (het voorkomen van een verstoring van de mededinging door verschillende internaliseringsmogelijkheden) wordt verwezenlijkt. De compensatie van een concurrentienadeel heeft altijd onvermijdelijk concurrentierelevante effecten die op hun beurt niet als een „schadelijke” verstoring van de mededinging kunnen worden beschouwd. Dit is uiteindelijk in overeenstemming met de bovengenoemde (punt 40) teleologische, enge uitlegging van het criterium van de afwezigheid van een „verstoring van de mededinging”.

44. Een aanknopingspunt voor een dergelijke enge uitlegging is reeds te vinden in de rechtspraak van het Hof, volgens welke de vaststelling van een verstoring van de mededinging vereist dat er een reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op zich op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden.(19) De verstoring van de mededinging heeft daarbij betrekking op de omstandigheid dat de door een groepering verrichte diensten zijn vrijgesteld.(20)

45. Gelet op de vereiste enge uitlegging van het criterium van afwezigheid van een verstoring van de mededinging, kan een dergelijke verstoring niet enkel worden gerechtvaardigd door het bestaan van een overeenkomstige markt. Dit zou de grondgedachte van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn ad absurdum voeren. Volgens deze bepaling moet het mogelijk zijn om het concurrentienadeel ten opzichte van grotere concurrenten (zie punt 36 hierboven), dus binnen een bestaande markt, te vermijden, juist door samen te werken met andere (doorgaans kleinere) marktdeelnemers.

46. Wat de vraag betreft of er sprake is van een verstoring van de mededinging, moet volgens het Hof worden nagegaan of de groepering ook zonder de belastingvrijstelling zeker kan zijn van de klandizie van haar leden.(21) Zijn de diensten van de groepering zodanig op de behoeften van de leden afgestemd dat de groep er ook zeker van kan zijn dat de leden deze diensten zullen afnemen, dan is er in beginsel sprake van een georganiseerd gemeenschappelijk optreden (zie dienaangaande de punten 36 e.v. hierboven), dat op grond van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn moet worden vrijgesteld. Met andere woorden, het bestaan van een dergelijke groepering sluit in beginsel verstoring van de mededinging uit, omdat de zin van een dergelijke organisatievorm doorgaans gelegen is in de zekerheid dat de leden de diensten ook afnemen.

47. De leden van een kostendelende groepering verenigen zich doorgaans alleen als zij er zeker van zijn dat de leden de diensten van de groepering ook zullen afnemen („afnamegarantie”). Bijgevolg kan in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de oprichting van een groepering om diensten te verlenen aan haar leden niet leidt tot verstoring van de mededinging in de zin van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn.

48. Neemt men de gedachte van de organisatorische neutraliteit – die advocaat‑generaal Rantos(22) terecht heeft beklemtoond in verband met artikel 11 van de btw‑richtlijn – serieus, dan gaat het om alle diensten die normaal gesproken worden verricht in het kader van de in artikel 132, lid 1, van de btw‑richtlijn bedoelde vrijgestelde activiteiten (in casu de vrijgestelde medische verzorging en de vrijgestelde educatieve diensten) en die intern zonder grote inspanning kunnen worden verricht, zodat grote ondernemingen dit normaal gesproken zelf zouden doen. In een dergelijk geval neemt de belastingvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn slechts het voordeel van de grote onderneming weg en kan zij op zichzelf geen verstoring van de mededinging vormen. Schoonmaakdiensten, die zowel in de sector van de medische verzorging als in de onderwijssector reeds om sanitaire redenen noodzakelijk zijn en daar dus ook veel voorkomen, kunnen in een kostendelende groepering dus geen risico voor verstoring van de mededinging opleveren.

49. Gelet op het doel van de belastingvrijstelling (voorkomen van een concurrentienadeel) kan het criterium van de verstoring van de mededinging mijns inziens dus enkel dienen om misbruik te voorkomen (zie artikel 131 btw‑richtlijn). Uiteindelijk is dat criterium alleen bedoeld om ervoor te zorgen dat de belastingvrijstelling niet oneigenlijk wordt gebruikt. Mijns inziens kan alleen op basis van aanwijzingen worden vastgesteld wanneer zulks het geval is.

3. Aanwijzingen voor oneigenlijk gebruik

50. Een aanwijzing dat de belastingvrijstellingsbepaling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn oneigenlijk wordt gebruikt, kan bijvoorbeeld zijn dat de groepering in aanzienlijke mate tegen betaling dezelfde diensten verricht voor niet‑leden en in dat opzicht – met gebruikmaking van synergie‑effecten – hoofdzakelijk als concurrent en minder als samenwerkende groepering op de markt optreedt. Onder bepaalde omstandigheden zou dit gepaard kunnen gaan met een reëel risico van verstoring van de mededinging ten aanzien van voornoemde derde aanbieders. In casu lijkt daarvan geen sprake te zijn.

51. Een aanwijzing kan ook zijn dat de groepering geen diensten aanbiedt die specifiek zijn afgestemd op de behoeften van haar leden, maar enkel ingekochte diensten doorgeeft. Deze zouden gemakkelijk ook door anderen kunnen worden aangeboden en ingekocht. Ook hier zouden derde aanbieders mogelijk uit de betrokken markt worden gedrukt. In casu biedt de groepering evenwel haar eigen schoonmaakdiensten aan, aangezien deze niet louter worden ingekocht, maar worden verricht door het personeel van de groepering. Het feit dat een derde partij wordt ingeschakeld voor het personeelsbeheer komt in dit opzicht geen gewicht toe, aangezien de overeenkomstige btw voor deze dienst aan de derde partij wordt betaald.

52. Nog een aanwijzing kan zijn dat het niet zozeer gaat om onderlinge samenwerking teneinde een concurrentienadeel te vermijden maar vooral om de optimalisatie van de btw‑voorbelasting, wat kan worden verondersteld wanneer er een concurrentievoordeel wordt gecreëerd door de externe aankoop van diensten te verleggen naar een groepering in een staat met een zeer laag of geen btw‑tarief [ervan uitgaande dat de belastingvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn ook grensoverschrijdend geldt(23)]. Dit lijkt in dit geval eveneens uitgesloten.

VI. Conclusie

53. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña te beantwoorden als volgt:

„Artikel 132, lid 1, onder f), van de btw‑richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het bij de vrijstelling van diensten die door een groepering aan haar leden worden verleend tegen een bedrag dat precies overeenkomt met het aandeel in de uitgaven, gaat om diensten die door de leden in het kader van hun vrijgestelde activiteit als in een eerder stadium verrichte prestaties worden aangewend en die in de regel voor het verrichten van de vrijgestelde activiteit worden ingekocht omdat zij voor die activiteit nodig zijn. De vrijstelling van deze diensten leidt in beginsel niet tot een verstoring van de mededinging indien het gaat om diensten die gewoonlijk worden verricht in het kader van de vrijgestelde activiteit en die een grote onderneming eventueel zelf zou verrichten. De situatie kan anders zijn als de vrijstelling oneigenlijk wordt toegepast.”

1 Oorspronkelijke taal: Duits.

2 Arresten van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK (C-77/19, EU:C:2020:934); 20 november 2019, Infohos (C-400/18, EU:C:2019:992); 21 september 2017, Aviva (C-605/15, EU:C:2017:718); 21 september 2017, DNB Banka (C-326/15, EU:C:2017:719); 21 september 2017, Commissie/Duitsland (C-616/15, EU:C:2017:721); 4 mei 2017, Commissie/Luxemburg (C-274/15, EU:C:2017:333); 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (C-407/07, EU:C:2008:713); 20 november 2003, Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2003:621), en 15 juni 1989, Stichting Uitvoering Financiële Acties (348/87, EU:C:1989:246).

3 Arrest van 20 november 2003, Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2003:621).

4 Beschikking van 6 mei 2025, Studieförbundet Vuxenskolan Riksorganisationen (T-558/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:469).

5 PB 2006, L 347, blz. 1 [in de versie die gold in de litigieuze jaren 2010‑2014; in zoverre laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van enkele bepalingen van [de btw-richtlijn] betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2010, L 10, blz. 14)].

6 De gedeelde kosten van het personeelsbeheer door de derde partij zijn onderworpen aan voorbelasting, die door de verdeling van de kosten is opgenomen in de belastingvrije dienst. Zou ervan worden uitgegaan dat de groepering een belastbare dienst verricht, zou zij ook het recht hebben om de voorbelasting af te trekken van de belastbare in een eerder stadium verrichte prestaties, zodat het bedrag van de kostenvergoeding alsook het bedrag van de Spaanse belastinginkomsten in dit opzicht niet zouden veranderen.

7 Zie „directly necessary” in de Engelse taalversie en „directement nécessaire” in de Franse taalversie.

8 Arrest van 4 mei 2017, Commissie/Luxemburg (C-274/15, EU:C:2017:333, punt 53). Zie dienaangaande ook mijn conclusie in de zaak Commissie/Luxemburg (C-274/15, EU:C:2016:750, punten 40 e.v.).

9 Aldus uitdrukkelijk arresten van 21 september 2017, Aviva (C-605/15, EU:C:2017:718, punt 31); DNB Banka (C-326/15, EU:C:2017:719, punt 36), en Commissie/Duitsland (C-616/15, EU:C:2017:721, punt 50).

10 Arrest van 20 november 2003, Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2003:621).

11 Arresten van 21 september 2017, Aviva (C-605/15, EU:C:2017:718), en DNB Banka (C-326/15, EU:C:2017:719).

12 Arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland (C-616/15, EU:C:2017:721, punt 48).

13 Zie in die zin de arresten van 20 november 2019, Infohos (C-400/18, EU:C:2019:992, punt 36); 21 september 2017, Commissie/Duitsland (C-616/15, EU:C:2017:721, punt 56), en 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (C-407/07, EU:C:2008:713, punt 37). Zie ook de conclusie van advocaat‑generaal Mischo in de zaak Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2002:562, punt 118).

14 Mijn conclusie in de zaak Aviva (C-605/15, EU:C:2017:150, punten 20 e.v.), en in de zaak DNB Banka (C-326/15, EU:C:2017:145, punt 51).

15 In die zin reeds de conclusie van advocaat‑generaal Mischo in de zaak Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2002:562, punten 125 e.v.): „[ik] kan […] niet anders dan vaststellen dat deze [markt] vreemd in elkaar steekt”. Zie ook mijn conclusie in de zaak Aviva (C-605/15, EU:C:2017:150, punt 67).

16 Zie onder meer het arrest van 28 september 2006, Commissie/Oostenrijk (C-128/05, EU:C:2006:612, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Zie in verband met belastingvrijstellingen krachtens de btw-richtlijn ook de arresten van 21 september 2017, Aviva (C-605/15, EU:C:2017:718, punt 30); 21 september 2017, Commissie/Duitsland (C-616/15, EU:C:2017:721, punt 49), en 5 oktober 2016, TMD (C-412/15, EU:C:2016:738, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17 Aldus uitdrukkelijk met betrekking tot de belastingvrijstellingsbepalingen van artikel 132 van de btw-richtlijn het arrest van 21 september 2017, Aviva (C-605/15, EU:C:2017:718, punt 30).

18 Arresten van 20 november 2019, Infohos (C-400/18, EU:C:2019:992, punt 30); 4 mei 2017, Commissie/Luxemburg (C-274/15, EU:C:2017:333, punt 50); 28 november 2013, MDDP (C-319/12, EU:C:2013:778, punt 25); 21 maart 2013, PFC Clinic (C-91/12, EU:C:2013:198, punt 23); 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (C-407/07, EU:C:2008:713, punt 30); 14 juni 2007, Horizon College (C-434/05, EU:C:2007:343, punt 16), en 20 juni 2002, Commissie/Duitsland (C-287/00, EU:C:2002:388, punt 47).

19 Zie de arresten van 20 november 2019, Infohos (C-400/18, EU:C:2019:992, punt 48), en 20 november 2003, Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2003:621, punt 64).

20 Arrest van 20 november 2019, Infohos (C-400/18, EU:C:2019:992, punt 47).

21 Zie het arrest van 20 november 2003, Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2003:621, punt 59), en de conclusie van advocaat‑generaal Mischo in de zaak Taksatorringen (C-8/01, EU:C:2002:562, punten 131 e.v.).

22 Conclusie van advocaat‑generaal Rantos in de zaak Finanzamt T II (C-184/23, EU:C:2024:416, punten 81 e.v.).

23 Zie met betrekking tot deze problematiek mijn conclusie in de zaak Kaplan International colleges UK (C-77/19, EU:C:2020:302, punten 72 e.v.), en in de zaak Aviva (C-605/15, EU:C:2017:150, punten 66 e.v.).

ECLI:EU:C:2025:566

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (Spanje) op 28 mei 2024 – Agrupació de Neteja Sanitaria, AIE / Tribunal Económico Administrativo Regional de Cataluña (TEARC)

(Zaak C-379/24)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Cataluña

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Agrupació de Neteja Sanitaria, AIE

Verwerende partij: Tribunal Económico Administrativo Regional de Cataluña (TEARC)

Prejudiciële vragen

Is een nationale regeling, in strijd met de door de Uniewetgever beoogde betekenis en doelstelling van de vrijstelling als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG1 , wanneer een dergelijk vereiste aldus wordt uitgelegd dat de betreffende dienst – schoonmaakdiensten in de sector van de gezondheidszorg – niet uitsluitend wordt gebruikt voor die vrijgestelde sector, hoewel deze dienst bijzonder, technisch en complex is wat de organisatie en vormgeving ervan betreft, alsook absoluut noodzakelijk?

Is een uitlegging van artikel 20, eerste alinea, punt 6, van de Ley del IVA 37/1992 (wet 37/1992 inzake btw) van 28 december 1992 in strijd met de door de Uniewetgever beoogde betekenis en doelstelling van de vrijstelling als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG, de niet-exclusiviteit van de verrichting van de dienst wordt gelijkgesteld met een activiteit die de mededinging verstoort, waardoor aldus nationale en Unierechtelijke beperkingen worden gecombineerd om die weigering te rechtvaardigen? Verduidelijkt moet worden of de beperking dat „de mededinging niet wordt verstoord” inhoudt dat de vrijstelling wordt geweigerd ongeacht de mate van doeltreffendheid van de verstoring indien deze niet door de partijen wordt betwist (zaak C-801/03, punt 48), op grond dat elke vrijstelling een inbreuk vormt op het door het Hof erkende algemene beginsel van de belastingplicht.

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – PB 2006, L 347, blz.1

Scroll naar boven