HvJ Nekilnojamojo turto valdymas arrest
Na een controle heeft de Litouwse Belastingdienst bij de Litouwse vennootschap Nekilnojamojo turto valdymas btw-naheffingsaanslagen, een fiscale boete en aanzienlijke vertragingsrente vastgesteld wegens onterechte btw-aftrek en fraude. De vennootschap verzocht om vrijstelling van deze rente, die over een lange periode was opgelopen, inclusief de duur van de belastingcontrole en de gerechtelijke procedures. Zij stelde dat de rente door een opslag van zeven procentpunten op het basistarief een ‘punitief’ element bevatte en daarmee een disproportionele sanctie vormde. De Belastingdienst wees dit verzoek af omdat de nationale wetgeving geen beoordelingsruimte toelaat om het tarief aan te passen. Tegelijkertijd liep er tegen de vennootschap een strafprocedure voor dezelfde feiten, waarin nog geen definitieve veroordeling was uitgesproken.
De verwijzende Litouwse rechter vroeg zich af of de dwingende nationale regeling inzake de btw-vertragingsrente in strijd was met het Unierecht, in het bijzonder het ne bis in idem-beginsel (art. 50 Handvest) en het evenredigheidsbeginsel (art. 49 lid 3 Handvest). De kern van het geschil was of de wetgeving toestaat dat vertragingsrente met een sanctiekarakter wordt gecumuleerd met een strafprocedure, en of het ontbreken van de bevoegdheid voor de Belastingdienst om de rente af te stemmen op de ernst van de inbreuk leidt tot een onevenredig zware bestraffing.
Het HvJ verklaart de vraag over het ne bis in idem-beginsel niet-ontvankelijk: omdat de strafprocedure nog loopt, ontbreekt de vereiste ‘bis’-voorwaarde van een onherroepelijke veroordeling of vrijspraak, zoals eerder bevestigd in onder meer het arrest Menci (C-524/15). Ten aanzien van de evenredigheid oordeelt het HvJ in de eerste plaats dat vertragingsrente geen strafrechtelijk karakter heeft, maar hoofdzakelijk compenserend en preventief is (onder verwijzing naar Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C-1/21). Hierdoor mist artikel 49 lid 3 van het Handvest toepassing. Getoetst aan het algemene Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel concludeert het HvJ ten slotte dat een wettelijk vastgesteld rentepercentage zonder afwijkingsbevoegdheid voor de Belastingdienst niet verder gaat dan nodig is. Deze forfaitaire regeling waarborgt de rechtszekerheid en gelijke behandeling van belastingplichtigen, beschermt tegen willekeur en vormt een doeltreffend middel om tijdige betaling af te dwingen en btw-fraude te bestrijden.
Artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van de vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
30 april 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 273 – Artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Verplichtingen die noodzakelijk worden geacht om de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen – Nationale regeling die voorziet in de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw – Inning van vertragingsrente – Evenredigheidsbeginsel ”
In zaak C‑544/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterend onder de regering van de Republiek Litouwen) bij beslissing van 9 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 12 augustus 2024, in de procedure
„Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB
tegen
Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, en A. Kumin, rechter,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB, vertegenwoordigd door P. Gruodis, advokatas,
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis, V. Kazlauskaitė-Švenčionienė en E. Kurelaitytė als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 november 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in het licht van de artikelen 49 en 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB, een vennootschap naar Litouws recht, (hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”) en de Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (nationale belastinginspectie bij het ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen) (hierna: „belastingdienst”) betreffende het besluit van deze dienst tot afwijzing van het door verzoekster in het hoofdgeding ingediende verzoek om vrijstelling van betaling van de haar in rekening gebrachte vertragingsrente over de belasting over de toegevoegde waarde (btw) alsook van de haar wegens belastingfraude opgelegde geldboete.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VWEU
3 Artikel 325, leden 1 en 2, VWEU bepaalt:
„1. De [Europese] Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten, alsmede in de instellingen, organen en instanties van de Unie, een doeltreffende bescherming moeten bieden.
2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.”
Handvest
4 Artikel 49, lid 3, van het Handvest luidt:
„De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.”
5 Artikel 50 van het Handvest is als volgt verwoord:
„Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”
Btw-richtlijn
6 In artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn is bepaald welke handelingen aan btw zijn onderworpen.
7 In artikel 273 van de btw-richtlijn is het volgende opgenomen:
„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.
De in de eerste alinea geboden mogelijkheid mag niet worden benut voor het opleggen van extra verplichtingen naast de in hoofdstuk 3 vastgestelde verplichtingen inzake facturering.”
Litouws recht
Wet op de btw
8 Artikel 123 van de Lietuvos Respublikos pridėtinės vertės mokesčio įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belasting over de toegevoegde waarde; hierna: „wet op de btw”) van 5 maart 2002 (Žin., 2002, nr. 35‑1271), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, draagt als opschrift „Niet-naleving van de regels voor betaling van de btw” en bepaalt in lid 1 dat personen die de bepalingen van deze wet hebben overtreden, vertragingsrente moeten voldoen overeenkomstig de bepalingen van de Lietuvos Respublikos mokesčių administravimo įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belastingdienst) van 13 april 2004 (Žin., 2004, nr. 63‑2243), zoals gewijzigd met ingang van 1 mei 2023 bij wet nr. XIV–1658 van 13 december 2022 (hierna: „wet op de belastingdienst”).
Wet op de belastingdienst
9 Artikel 7 van de wet op de belastingdienst heeft als opschrift „Beginsel van gelijkheid van belastingplichtigen” en bepaalt in lid 1:
„Bij de toepassing van de belastingwetten zijn alle belastingplichtigen gelijk ten aanzien van de in die wetten neergelegde voorwaarden.”
10 Artikel 8 van deze wet draagt als opschrift „Legaliteitsbeginsel en universele verplichting” en luidt:
„1. Iedere belastingplichtige moet de belastingen betalen die in de belastingwetgeving zijn vastgesteld, volgens de in de belastingwetgeving voorgeschreven procedure voor de berekening en betaling van belastingen.
[…]3. Bij de belastingheffing neemt de belastingdienst de criteria van redelijkheid en billijkheid in acht.”
11 Artikel 95 van deze wet heeft als opschrift „Wijze van handhaving van belastingverplichtingen” en bepaalt in lid 1, punt 1, dat vertragingsrente een methode is om belastingverplichtingen af te dwingen.
12 Artikel 96 van die wet draagt het opschrift „Vertragingsrente” en is geformuleerd als volgt:
„1. Ten laste van de belastingplichtige wordt vertragingsrente berekend over:
[…]2) een niet-aangegeven of niet-berekende belasting die niet of te laat is betaald zoals vastgesteld door de belastingdienst tijdens een belastingcontrole […]”.
13 Artikel 97 van de wet op de belastingdienst draagt als opschrift „Begin van de berekening van de vertragingsrente” en bepaalt in lid 2:
„In het geval bedoeld in artikel 96, lid 1, punt 2, van deze wet wordt vertragingsrente berekend vanaf de dag volgend op de dag waarop, volgens de op dat ogenblik geldende belastingwetgeving, de belasting aan de begroting had moeten worden afgedragen tot de dag waarop het inspectieverslag werd opgesteld dat de resultaten van de controle bevestigt. In geval van niet-betaling van de belasting binnen de in artikel 81, lid 2, van deze wet vastgestelde termijn […], wordt de berekening van de vertragingsrente voortgezet vanaf de dag volgend op de dag waarop deze termijn is verstreken.”
14 Artikel 98 van deze wet, met als opschrift „Periode voor het berekenen van de vertragingsrente”, bepaalt in lid 2:
„De vertragingsrente waarvan de berekening is begonnen op de wijze die is vastgesteld in artikel 97, leden 1 en 2, van deze wet, wordt berekend over een periode van ten hoogste 180 dagen vanaf de dag waarop het recht op invordering van achterstallige betalingen is ontstaan, en, wanneer de belastingplichtige de door hemzelf berekende en niet aan aangifte onderworpen belastingen (of, in de in de toepasselijke belastingwetgeving bepaalde gevallen, de door de belastingdienst berekende belastingen) niet betaalt, over een periode van ten hoogste 180 dagen vanaf de in de toepasselijke belastingwetgeving vastgestelde betalingstermijn.”
15 Artikel 99 van die wet, met als opschrift „Tarief van de vertragingsrente”, bepaalt in lid 1:
„Het tarief van de vertragingsrente, dat in geen geval lager mag zijn dan nul, en de wijze van berekening ervan worden vastgesteld door de minister van Financiën, rekening houdend met het rendement op de laatste werkdag van het voorgaande kalenderkwartaal van het overheidspapier waarvan de looptijd het dichtst ligt bij een periode van 12 maanden op de secundaire effectenmarkt. Het tarief van de vertragingsrente wordt bepaald door het bovengenoemde tarief met 7 procentpunten te verhogen.”
16 Artikel 100 van de wet op de belastingdienst draagt als opschrift „Vrijstelling van betaling van vertragingsrente” en is geformuleerd als volgt:
„1. De belastingplichtige kan geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van betaling van opgelopen (berekende) maar nog niet voldane (geïnde) vertragingsrente indien:
[…]2) een bijzondere belastingwet in een dergelijke wettelijke mogelijkheid voorziet;
3) een van de in artikel 141, lid 1, van deze wet genoemde gronden aanwezig is;
[…]”17 In artikel 141 van deze wet, met als opschrift „Vrijstelling van betaling van geldboeten”, is het volgende opgenomen:
„1. Voor geldboeten die zijn opgelegd krachtens de artikelen 139 en 140 van deze wet geldt een vrijstelling van betaling wanneer:
1) de belastingplichtige bewijst dat hij niet schuldig is aan de overtreding;
2) de belastingwet is overtreden door omstandigheden die buiten de macht van de belastingplichtige liggen en die hij niet heeft voorzien of niet heeft kunnen voorzien. Het handelen of nalaten van de belastingplichtige of zijn werknemers en de insolventie van de belastingplichtige worden niet aangemerkt als zodanige omstandigheden;
3) de individuele handeling van de belastingplichtige, hoewel in strijd met de bepalingen van de belastingwet, geen nadeel oplevert voor de begroting;
4) de belastingplichtige de belastingwet heeft overtreden als gevolg van een door de belastingdienst schriftelijk of telefonisch gegeven onjuiste algemene uitlegging van de belastingwet of onjuist advies met betrekking tot de betaling van belastingen, op voorwaarde dat de raadpleging is geregistreerd volgens de door de nationale belastingdienst vastgestelde procedures en het mogelijk is de oproeper als de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) te identificeren.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18 De belastingdienst heeft bij verzoekster een controle uitgevoerd van de juistheid van de berekening, aangifte en betaling van de door haar verschuldigde btw voor het tijdvak van 1 december 2012 tot en met 31 december 2016. Bij deze controle heeft deze dienst een controleverslag opgesteld waarin werd vastgesteld dat verzoekster in het hoofdgeding artikel 58, lid 1, en artikel 64, lid 2, van de wet op de btw had geschonden, aangezien zij in het btw-aftrekbedrag de btw van bepaalde btw-facturen had opgenomen die niet rechtsgeldig waren, en handelingen heeft verricht die gepaard gingen met btw-fraude.
19 Bij besluit van 4 september 2018 houdende bevestiging van dat verslag heeft de belastingdienst het bedrag van de door verzoekster in het hoofdgeding verschuldigde aanvullende btw vastgesteld op 6 517 901,36 EUR en dat van de door haar verschuldigde vertragingsrente op de btw op 2 431 505,31 EUR. Voorts is aan verzoekster in het hoofdgeding een fiscale boete van 1 862 257 EUR opgelegd.
20 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterend onder de regering van de Republiek Litouwen), die dat besluit bij beslissing van 10 december 2018 heeft bevestigd.
21 Bij vonnis van 30 mei 2019 heeft de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) het beroep verworpen dat verzoekster in het hoofdgeding had ingesteld tegen de beslissing van de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės van 10 december 2018.
22 Verzoekster in het hoofdgeding heeft daarop bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) hoger beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van die beslissing en van het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018.
23 Bij arrest van 9 september 2020 heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas dit hoger beroep verworpen en het vonnis van de Vilniaus apygardos administracinis teismas bevestigd.
24 Op 18 januari 2021 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de belastingdienst verzocht om vrijstelling van de betaling van de vertragingsrente en van de aan haar opgelegde fiscale boete.
25 Bij besluit van 16 maart 2021 heeft de belastingdienst geweigerd om verzoekster in het hoofdgeding vrij te stellen van betaling van de vertragingsrente over de btw ten bedrage van 2 835 125,75 EUR en van de fiscale boete. In dat besluit heeft deze dienst vastgesteld dat verzoekster in het hoofdgeding aan geen van de voorwaarden van artikel 141, lid 1, van de wet op de belastingdienst voldeed en dat zij evenmin het bestaan had aangetoond van uitzonderlijke omstandigheden ter rechtvaardiging van de toepassing van de criteria van redelijkheid en billijkheid, bedoeld in artikel 8, lid 1, van die wet.
26 Aangezien verzoekster in het hoofdgeding niet had voldaan aan de aanvullende btw-verplichtingen te haren laste, is het totaalbedrag van de in het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 bedoelde vertragingsrente – die gedurende de gehele belastingcontrole alsook tijdens de gerechtelijke procedure, namelijk tussen 26 januari 2013 en 4 april 2021, was blijven oplopen – vastgesteld op 3 150 660,79 EUR en het bedrag van de fiscale boete op 1 838 812,44 EUR.
27 Op 11 april 2024 heeft verzoekster in het hoofdgeding een nieuw verzoek ingediend om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente en van de fiscale boete. In dit verband heeft zij verzocht om vrijstelling van betaling van het „punitieve bestanddeel” van deze rente, te weten het deel dat het bedrag overschrijdt dat strekt tot vergoeding van de schatkist en dat goed is voor twee derde van het totaalbedrag van die rente. Volgens verzoekster in het hoofdgeding is het onevenredige karakter van genoemde rente als sanctie duidelijk in een situatie als de hare, waarin de vertragingsrente met terugwerkende kracht is berekend voor de gehele periode vanaf het tijdstip waarop de belasting had moeten worden betaald tot en met 4 april 2021, dus ook tijdens de belastingcontrole en de gerechtelijke procedure. Bovendien vormt deze rente volgens haar, voor wat het opleggen van het punitieve bestanddeel ervan betreft, een strafrechtelijke sanctie, namelijk de opslag van zeven procentpunten die op de rentevoet wordt toegepast.
28 Bij besluit van 13 mei 2024 heeft de belastingdienst geweigerd om dit nieuwe verzoek in te willigen en daarbij in wezen aangevoerd dat de vertragingsrente werd aangerekend overeenkomstig de vereisten van de wet op de belastingdienst. Deze wet voorziet namelijk niet in de mogelijkheid om verzoekster in het hoofdgeding vrij te stellen van betaling van vertragingsrente op andere gronden dan die waarin artikel 100, lid 1, van diezelfde wet voorziet. De berekeningswijze van het tarief van de vertragingsrente is dwingend voorgeschreven in voornoemde wet en de belastingdienst dient binnen die grenzen te beslissen over de vertragingsrente. Bovendien is de vertragingsrente volgens de relevante nationale rechtspraak een middel tot handhaving van de belastingverplichtingen en mag zij niet worden beschouwd als een sanctie van strafrechtelijke aard. Voorts zou de belastingdienst, door het verzoek van verzoekster in het hoofdgeding in te willigen en voor haar een ander dan in de wet op de belastingdienst voorgeschreven rentetarief te hanteren, inbreuk maken op het beginsel van gelijkheid van belastingplichtigen voor de wet, zoals neergelegd in artikel 7 van de wet op de belastingdienst.
29 Op 4 juni 2024 heeft verzoekster bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės, de verwijzende rechter in deze zaak, een bezwaar ingediend tot nietigverklaring van het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024.
30 De verwijzende rechter merkt op dat volgens de door de belastingdienst verstrekte inlichtingen tijdens de belastingcontrole is vastgesteld dat er aanleiding was om een strafrechtelijke procedure in te leiden tegen verzoekster in het hoofdgeding als rechtspersoon. Deze strafprocedure is evenwel nog aanhangig en tot op heden is er geen veroordeling uitgesproken. In dit stadium van de procedure is derhalve nog geen straf opgelegd.
31 Op basis van de vaste rechtspraak van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas merkt de verwijzende rechter op dat vertragingsrente primair dient ter handhaving van belastingverplichtingen en dat zij in de eerste plaats gericht is op het bekostigen van de uitgaven van de staat en niet op het straffen van de belastingplichtige. Deze vertragingsrente bevat echter ook een punitief bestanddeel, aangezien bij de berekening van het tarief ervan een verhoging van zeven procentpunten wordt toegepast op het compenserende bestanddeel, dat aan de kosten van de staatsschuld is gekoppeld en dat wordt bepaald aan de hand van het rendement van overheidspapier op de secundaire effectenmarkt.
32 De verwijzende rechter betwijfelt derhalve met name of de artikelen 96 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst verenigbaar zijn met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van het Handvest, aangezien deze nationale bepalingen niet zorgen voor een onderlinge afstemming van de administratieve procedures voor het opleggen van vertragingsrente en de strafvervolgingsprocedures teneinde de uit de cumulatie van deze procedures voortvloeiende extra last tot het strikt noodzakelijke te beperken en te verzekeren dat de zwaarte van alle opgelegde sancties in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde inbreuk. In het bijzonder stellen die nationale bepalingen, met het oog op het opleggen van strafrechtelijke sancties, geen beperking aan de toepassing van het punitieve bestanddeel van deze vertragingsrente wanneer de aan die vertragingsrente ten grondslag liggende feiten tevens aanleiding geven tot strafvervolging.
33 Tegen deze achtergrond heeft de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die het mogelijk maakt rente wegens tardieve betaling van belasting op te leggen die deels een sanctie is voor dezelfde fiscale inbreuken als die welke strafrechtelijk worden vervolgd, zonder daarbij coördinatieregels vast te stellen die het bijkomende nadeel als gevolg van de cumulatie van procedures voor de betrokken personen tot het strikt noodzakelijke beperken of die waarborgen dat het geheel van de opgelegde sancties niet zwaarder is dan hetgeen strikt noodzakelijk is in verhouding tot de ernst van de betrokken inbreuk?
2) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een procedure van toepassing van rente wegens laattijdige betaling van belastingen waarbij, ongeacht de aard en de ernst van de inbreuken, een vast punitief bestanddeel van de rente wegens tardieve betaling van belastingen wordt vastgesteld, zonder dat dit punitieve bestanddeel kan worden verlaagd, dat wil zeggen dat een lager percentage aan vertragingsrente kan worden opgelegd dan het bij wet vastgestelde percentage of dat het punitieve bestanddeel van de vertragingsrente kan worden kwijtgescholden?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
34 Volgens de Litouwse regering is het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk, aangezien de door de verwijzende rechter gestelde vragen geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding.
35 Die regering merkt in dit verband op dat de verschuldigdheid van de vertragingsrente en de fiscale boete die bij het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 aan verzoekster in het hoofdgeding zijn opgelegd, is bevestigd bij een eindarrest van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas van 9 september 2020. De fiscale aansprakelijkheid van verzoekster in het hoofdgeding is dus vastgesteld bij een definitief geworden uitspraak waartegen geen beroep openstaat. Bijgevolg is het voorwerp van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding uitsluitend beperkt tot de voorwaarden voor toekenning van een vrijstelling van betaling van vertragingsrente overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 12 oktober 2023, KBC Verzekeringen, C‑286/22, EU:C:2023:767, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter een bezwaar aanhangig gemaakt tegen het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024, waarbij deze dienst haar verzoek om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente over de btw en van de geldboete die haar waren opgelegd heeft afgewezen. Tegen die achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of het in de wet op de belastingdienst geregelde mechanisme voor de heffing van vertragingsrente verenigbaar is met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van het Handvest.
38 Ten eerste moet worden opgemerkt op dat een mechanisme voor de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw, zoals dat is ingevoerd bij de artikelen 95 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst, een uitvoering vormt van de bepalingen van de btw-richtlijn, en meer in het bijzonder van artikel 273 daarvan, en derhalve beoogt de inning te waarborgen van btw-bedragen die niet overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn zijn voldaan.
39 Ten tweede blijkt niet duidelijk uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de gevraagde uitlegging van artikel 273 van voornoemde richtlijn geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, dan wel dat het vraagstuk van hypothetische aard is. Aangezien de tweede prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening door de belastingdienst van de vertragingsrente op achterstallige btw-bedragen, en gelet op de periode waarover die rente wordt berekend, lijkt zij relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.
40 Gelet op het voorgaande, en aangezien het Hof beschikt over alle gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen, moet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële vraag ontvankelijk is.
Eerste vraag
41 Volgens de Europese Commissie is de eerste vraag niet-ontvankelijk, omdat de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel, dat in artikel 50 van het Handvest wordt gewaarborgd, veronderstelt dat er sprake is van een situatie waarin voor hetzelfde strafbare feit een definitieve veroordeling of vrijspraak is uitgesproken. In casu is de strafprocedure in het kader waarvan verzoekster in het hoofdgeding wordt vervolgd, echter nog lopende en is er tegen haar nog geen veroordeling uitgesproken. In het hoofdgeding is dus niet voldaan aan de voorwaarde „bis”, zodat de verwijzende rechter voor de beslechting van het hoofdgeding geen antwoord op de eerste vraag nodig heeft.
42 Wat artikel 50 van het Handvest betreft, zij er om te beginnen aan herinnerd dat procedures betreffende strafbare feiten op het gebied van de btw waarmee de juiste heffing van deze belasting en de vermijding van fraude als in het hoofdgeding wordt beoogd, uitvoering geven aan de btw-richtlijn, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg vallen de nationaalrechtelijke bepalingen inzake dergelijke procedures binnen de werkingssfeer van het Handvest (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Orsi en Baldetti, C‑217/15 en C‑350/15, EU:C:2017:264, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Niettemin moet er ook aan worden herinnerd dat de toepasselijkheid van het ne-bis-in-idembeginsel veronderstelt dat er een definitieve beslissing is gewezen, waarbij veroordeling of vrijspraak voor hetzelfde strafbare feit is uitgesproken. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat het beginsel ne bis in idem beoogt te vermijden dat een onderneming „opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd”, hetgeen veronderstelt dat deze onderneming is veroordeeld of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing waartegen geen beroep meer openstaat. Artikel 50 van het Handvest ziet dus specifiek op de herhaling van een procedure met betrekking tot dezelfde feitelijke handeling, die is afgesloten door een onherroepelijke beslissing (zie in die zin arrest van 3 april 2019, Powszechny Zakład Ubezpieczeń na Życie, C‑617/17, EU:C:2019:283, punten 29 en 32, en beschikking van 20 mei 2021, ENR Grenelle Habitat e.a., C‑88/20, EU:C:2021:407, punt 33).
44 In het onderhavige geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing echter enerzijds dat aan verzoekster in het hoofdgeding na afloop van een administratieve belastingcontrole een boete en vertragingsrente over achterstallige btw is opgelegd. Anderzijds is de strafrechtelijke vervolging die wegens dezelfde feiten tegen haar is ingesteld nog niet beëindigd en is er nog geen definitieve beslissing tot veroordeling of vrijspraak voor hetzelfde strafbare feit gegeven.
45 Wat dat betreft is het krachtens artikel 50 van het Handvest verboden om voor dezelfde feiten meerdere sancties van strafrechtelijke aard op te leggen die uit verschillende met het oog daarop gevoerde procedures voortvloeien (arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 35). Dit artikel 50 regelt daarentegen niet de situatie van een persoon tegen wie voor dezelfde inbreuk op een belastingverplichting zowel een administratieve procedure als een strafprocedure loopt, zolang in het kader van de tweede procedure, die losstaat van en autonoom is ten opzichte van de eerste, zoals in het onderhavige geval, geen veroordeling of vrijspraak is uitgesproken voor dezelfde feiten. Gelet hierop is artikel 50 van het Handvest niet van toepassing op het hoofdgeding.
46 Wanneer de Unierechtelijke bepalingen waarop een prejudiciële vraag betrekking heeft niet van toepassing zijn op het hoofdgeding en dus irrelevant zijn voor de beslechting daarvan, moet worden vastgesteld dat de gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen uitspraak te doen, en dat die vraag in zoverre dus niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Swiftair, C‑701/23, EU:C:2025:237, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Derhalve is de eerste vraag van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk.
Tweede vraag
48 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw en die, ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, het bedrag van de vertragingsrente vaststelt zonder dat die dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door een deel van dat bedrag kwijt te schelden.
49 In casu vloeien de twijfels van de verwijzende rechter over de uitlegging van het Unierecht voort uit het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling het mogelijk maakt om, cumulatief, zowel vertragingsrente op de btw, waarvan een deel tevens een punitief karakter heeft, als een fiscale boete op te leggen in geval van niet-betaling of te late betaling van een verschuldigde belasting.
50 In dit verband wenst de verwijzende rechter ten eerste te vernemen in hoeverre de vertragingsrente over achterstallige btw, die na afloop van een administratieve belastingcontrole aan verzoekster in het hoofdgeding is opgelegd, strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, en ten tweede of een dergelijke nationale regeling strookt met het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is uitgelegd in het kader van de toepassing van artikel 325 VWEU en van artikel 273 van de btw-richtlijn.
Uitlegging van artikel 49, lid 3, van het Handvest
51 Volgens de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 50 van het Handvest, welke rechtspraak ook voor artikel 49, lid 3, kan worden gehanteerd, zijn drie criteria relevant om te bepalen of een sanctie van strafrechtelijke aard is, namelijk: de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, de aard van de inbreuk, en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd (arresten van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 maart 2018, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Bovendien kan, nog steeds volgens die rechtspraak, zelfs voor strafbare feiten die naar nationaal recht niet als „strafbare feiten” in strafrechtelijke zin worden gekwalificeerd, een dergelijk karakter niettemin voortvloeien uit de aard zelf van het strafbare feit in kwestie en uit de zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd [arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om in het licht van deze criteria te beoordelen of de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, kan het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing niettemin preciseringen geven om die rechter bij zijn beoordeling te leiden (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Wat het eerste criterium betreft, namelijk de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, volgt uit zowel de bewoordingen van artikel 95, lid 1, van de wet op de belastingdienst als de relevante nationale rechtspraak, meer bepaald die van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, dat de heffing van vertragingsrente over achterstallige belastingschulden in geval van niet-betaling of tardieve betaling van een verschuldigde belasting naar Litouws recht niet als een strafrechtelijke sanctie wordt beschouwd. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt overigens dat deze rente in het kader van een administratieve procedure wordt opgelegd. Hoewel het Litouwse recht eveneens voorziet in fiscale strafbare feiten die strafrechtelijk worden vervolgd, worden de daarvoor geldende sancties opgelegd in het kader van een afzonderlijke en onafhankelijke procedure.
55 Het tweede criterium, dat verband houdt met de aard zelf van de inbreuk, vereist dat wordt nagegaan of met de betreffende sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd. Daaruit volgt dat een sanctie met een repressief doel een strafrechtelijk karakter heeft en dat de loutere omstandigheid dat met die sanctie ook een preventief doel wordt nagestreefd haar niet de kwalificatie van strafrechtelijke sanctie kan ontnemen. Het ligt namelijk in de aard zelf van strafrechtelijke sancties besloten dat zij zowel strekken tot repressie als tot preventie van ongeoorloofde gedragingen. Daarentegen is een maatregel die beperkt blijft tot het herstel van de door de desbetreffende inbreuk veroorzaakte schade, niet strafrechtelijk van aard [zie in die zin arresten van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 31, en 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 89].
56 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de schriftelijke opmerkingen van partijen voor het Hof dat de heffing van vertragingsrente volgens de wet op de belastingdienst enerzijds een preventief karakter heeft doordat de betrokken personen ertoe worden aangezet om de btw binnen de gestelde termijn of zo snel mogelijk na het verstrijken van die termijn te voldoen, hetgeen ook bijdraagt tot de waarborging van de juiste inning van de btw, en anderzijds een compensatiekarakter heeft, aangezien dergelijke rente de financiële verliezen beoogt te vergoeden die de staat heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting.
57 In dit verband moet worden benadrukt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de heffing van vertragingsrente enerzijds een preventief karakter heeft door de belastingplichtige ertoe aan te zetten om zo snel mogelijk na het verstrijken van de gestelde termijnen aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen, en anderzijds een compensatiekarakter heeft door de financiële verliezen te vergoeden die de staat heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 89‑91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt ook dat „vertragingsrente in essentie niet is bedoeld om belastingplichtigen te straffen teneinde herhaling van de verweten handelingen te voorkomen, maar hoofdzakelijk strekt tot financiële vergoeding van schade, meer bepaald de financiële schade voortvloeiend uit het tijdsverloop en de tardieve betaling van de belasting” [EHRM, 6 oktober 2009, Poniatowski tegen Frankrijk (beschikking), CE:ECHR:2009:1006DEC002949408]. Uit deze rechtspraak volgt dus dat noch naheffings- of navorderingsprocedures die uitsluitend een volledige inning van de belastingschuld beogen, zonder dat deze procedures gepaard gaan met enige verhoging daarvan, noch procedures met betrekking tot vertragingsrente, ongeacht het bedrag daarvan of de kwalificatie ervan in het nationale recht, een strafrechtelijke connotatie hebben [zie in die zin EHRM, 17 mei 2016, Société Oxigène Plus tegen Frankrijk (beschikking), CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, §§ 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Gelet op deze rechtspraak kan de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw zoals in het hoofdgeding niet worden beschouwd als een repressieve maatregel.
60 Wat het derde criterium betreft, dat verband houdt met de zwaarte van de sanctie, lijkt niets in het aan het Hof voorgelegde dossier erop te wijzen dat de vertragingsrente zoals die in het hoofdgeding is opgelegd dermate hoog is dat haar een strafrechtelijk karakter moet worden verleend. Wat in het bijzonder het feit betreft dat, zoals verzoekster in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter heeft aangevoerd, de vertragingsrente deels een „punitief” karakter heeft gezien de verhoging van het basistarief van deze rente met zeven procentpunten, moet worden opgemerkt dat deze stellingen zijn gebaseerd op een lezing van de betreffende nationale regelgeving die verschilt van die van de verwijzende rechter. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertragingsrente een punitief karakter heeft (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Nidera, C‑387/16, EU:C:2018:121, punt 35).
61 Hoe dan ook is vertragingsrente volgens de rechtspraak van het Hof bedoeld om de gevolgen van de overschrijding van een betalingstermijn te verhelpen en om de voordelen te compenseren die de belastingplichtige ten onrechte haalt uit de vertraging bij de betaling van een fiscale schuld, en niet om die vertraging te bestraffen (zie in die zin arrest van 5 december 2024, Network One Distribution, C‑506/23, EU:C:2024:1003, punt 32).
62 Uit de in punt 58 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt ook dat soortgelijke maatregelen als die in het hoofdgeding, ongeacht het bedrag daarvan, niet voldoende zwaar werden geacht om als strafrechtelijk te kunnen worden beschouwd.
63 Gezien het voorgaande, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt aan geen van de drie criteria die in punt 51 van het onderhavige arrest zijn genoemd om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertragingsrente als een maatregel van strafrechtelijke aard aan te merken, te zijn voldaan. Aangezien deze vertragingsrente geen strafrechtelijk karakter heeft, kan zij niet worden getoetst aan artikel 49, lid 3, van het Handvest.
Toepassing van het algemene evenredigheidsbeginsel
64 Ook al valt een maatregel als in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van artikel 49, lid 3, van het Handvest, het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, waarbij het Hof bevoegd is om hem de ter zake nuttige uitleg te verschaffen. De eerbiediging van dit beginsel, dat een algemeen beginsel van het Unierecht is, is voor de lidstaten bindend wanneer zij dit recht ten uitvoer leggen, zelfs bij gebreke van harmonisatie van de wetgeving van de Unie op het gebied van toepasselijke sancties [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
65 Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag wenst te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.
66 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel dat een maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel op coherente en systematische wijze te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken, met dien verstande dat de door die maatregel veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen (zie in die zin arrest van 7 september 2022, Cilevičs e.a., C‑391/20, EU:C:2022:638, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Met name mogen de administratieve of repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met die wettelijke regeling worden nagestreefd (arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 In casu zij er meteen aan herinnerd dat uit met name de artikelen 2 en 273 van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 325, lid 1, VWEU, volgt dat de lidstaten alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dienen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun respectieve grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 18).
69 Uit vaste rechtspraak volgt dat de bepalingen van artikel 273 van de btw-richtlijn, buiten de daarin gestelde beperkingen, noch de voorwaarden noch de verplichtingen preciseren waarin de lidstaten kunnen voorzien en de lidstaten derhalve een beoordelingsmarge verlenen ter zake van de middelen die zij kunnen inzetten om zich te verzekeren van de volledige inning van de op hun grondgebied verschuldigde btw en om fraude te bestrijden (arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 69).
70 Bovendien zijn de lidstaten volgens artikel 325, leden 1 en 2, VWEU verplicht om onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn, en zijn zij in het bijzonder verplicht, ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen te treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry, C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 De lidstaten moeten erop toezien dat overtredingen van het Unierecht, waaronder de geharmoniseerde regels van de btw-richtlijn, onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als soortgelijke en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, maar deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (arrest van 2 mei 2018, Scialdone, C‑574/15, EU:C:2018:295, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 In casu draagt de maatregel waarbij vertragingsrente wordt geheven over achterstallige btw, zoals bepaald in de artikelen 95 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst, en waarbij die rente ingaat bij niet-betaling of niet-tijdige betaling van een verschuldigde belasting, bij tot de invordering van btw-bedragen die door een belastingplichtige niet binnen de dwingende termijnen van de btw-richtlijn zijn voldaan.
73 Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling ertoe strekt de juiste inning van de btw te waarborgen en/of fraude te voorkomen, streeft deze dus een door het Unierecht erkend legitiem doel na. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de heffing van vertragingsrente bijdraagt tot het bestrijden van niet-betaling binnen de gestelde termijn van aangegeven btw-bedragen, en dit overeenkomstig de verplichting die krachtens met name artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 325, lid 1, VWEU op de lidstaten rust om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die geschikt zijn om te garanderen dat de op hun grondgebied verschuldigde btw volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 88, 89 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter – die als enige bevoegd is het nationale recht uit te leggen en toe te passen – om uiteindelijk te beoordelen of de maatregel tot heffing van vertragingsrente als in het hoofdgeding geschikt, noodzakelijk en evenredig is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, maar het Hof kan wel preciseringen geven om die rechter bij zijn beoordeling te leiden (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of een dergelijke maatregel geschikt is om op coherente en systematische wijze de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen te waarborgen, moet worden opgemerkt dat de heffing van vertragingsrente bijdraagt aan de bestrijding van het niet binnen de gestelde termijnen betalen van aangegeven btw-bedragen. Een dergelijke maatregel draagt dus bij tot de nakoming van de in punt 68 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichting van elke lidstaat om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 71).
76 Bijgevolg lijkt vertragingsrente een passende maatregel te zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling worden nagestreefd.
77 In de tweede plaats moet er, wat betreft de noodzakelijkheid van deze maatregel, worden gewezen op het belang van de bestrijding van fraude, overeenkomstig artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, en op de verplichting voor de lidstaten om doeltreffende maatregelen te nemen om de doelstelling te verwezenlijken die erin bestaat de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen, overeenkomstig dezelfde bepalingen.
78 In dit verband geeft de wet op de belastingdienst uitvoering aan de bepalingen van de btw-richtlijn, die bindend is voor de Republiek Litouwen en tot doel heeft doeltreffende maatregelen ter bestrijding van btw-fraude op te leggen, teneinde de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen tijdig na te komen en om de kosten te dekken die de belastingdienst moet maken doordat deze verplichtingen niet tijdig worden nagekomen, alsook de schade te compenseren die de schatkist lijdt doordat de verschuldigde belastingbedragen niet beschikbaar zijn.
79 In dit verband dient te worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft benadrukt, dat met het opleggen van vertragingsrente concreet wordt beoogd om belastingplichtigen ertoe aan te zetten voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, zodat zij niet het risico lopen dat het bedrag van hun belastingschuld stijgt naarmate hun betalingsachterstand groter wordt. Bij gebreke van een dergelijke maatregel zouden belastingplichtigen geen bijzondere prikkel hebben om hun belastingverplichtingen binnen de gestelde termijnen na te komen en zouden zij de voorkeur kunnen geven aan handelstransacties. Bovendien bevoordeelt het ontbreken van vertragingsrente personen die hun fiscale verplichtingen niet binnen de gestelde termijn nakomen, doordat zij beschikken over extra liquide middelen en een economisch voordeel genieten dat overeenkomt met de vermindering in de loop van de tijd van de reële waarde van hun belastingschuld.
80 Hieruit volgt dat, gelet op de context waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling past, deze regeling, voor zover zij voorziet in een maatregel tot heffing van vertragingsrente, noodzakelijk lijkt voor de verwezenlijking van het daarmee nagestreefde legitieme doel.
81 Wat in de derde plaats de evenredigheid in strikte zin van deze maatregel betreft, moet met name worden opgemerkt dat de Litouwse wetgever heeft voorzien in de heffing van vertragingsrente en het bedrag daarvan heeft vastgesteld ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en dat het bedrag van deze rente is vastgesteld zonder dat die dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door een deel van dat bedrag kwijt te schelden. In dit verband moet worden onderzocht of de nadelen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met zich meebrengt, niet onevenredig zijn ten opzichte van de legitieme doelstellingen die met deze regeling worden nagestreefd, namelijk de doeltreffende inning van de btw en de bestrijding van fraude.
82 Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bepalingen van nationaal recht inzake de tariefberekening voor vertragingsrente gelden voor alle belastingplichtigen van wie tijdens een belastingcontrole is vastgesteld dat zij een belasting die had moeten worden aangegeven maar die niet is aangegeven, of een belasting waarvoor geen aangifte is gedaan en die niet is berekend, niet of te laat hebben voldaan. Het tarief is vooraf op duidelijke en transparante wijze vastgesteld aan de hand van objectieve criteria en volgens een berekeningsmethode die in de wet op de belastingdienst is vastgelegd. De beslissingsbevoegdheid van de belastingdienst met betrekking tot de vaststelling van de vertragingsrente wordt door die wet afgebakend.
83 Gezien met name het preventieve karakter van de betrokken maatregel, die erop gericht is om de belastingplichtige aan te zetten tot tijdige nakoming van zijn fiscale verplichtingen en om de kosten te dekken die de belastingdienst heeft moeten maken doordat de belastingplichtige zijn belastingverplichtingen niet tijdig is nagekomen, lijkt de vaststelling van een vooraf bepaald tarief voor de berekening van de vertragingsrente niet onevenredig aan de doelstellingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling om de doeltreffendheid daarvan te waarborgen.
84 Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volstaat de omstandigheid dat het bedrag aan vertragingsrente forfaitair wordt vastgesteld en op geen enkele wijze kan worden aangepast, op zich niet om te concluderen dat deze maatregel onevenredig is. Het feit dat het bedrag aan vertragingsrente is vastgelegd in de nationale regeling waarover het hier gaat en dat dit bedrag door de belastingdienst niet kan worden gewijzigd, behalve in sommige gevallen waarin de geldende belastingwetgeving uitdrukkelijk voorziet, beschermt de belastingplichtigen namelijk tegen willekeurige besluiten van deze dienst en waarborgt tegelijkertijd de gelijke behandeling van deze belastingplichtigen.
85 Bovendien maakt een aldus vastgestelde rente het zowel voor schuldeisers als voor schuldenaren mogelijk om precies te voorzien hoeveel hun toekomstige financiële rechten respectievelijk verplichtingen zullen bedragen, zodat ook de rechtszekerheid wordt gewaarborgd. Mocht de eventuele beoordelingsmarge van de belastingdienst niet zijn afgebakend, zou dat kunnen leiden tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare fiscale situatie bevinden.
86 Ten tweede moet worden opgemerkt dat, aangezien vertragingsrente slechts loopt tot de nakoming of het tenietgaan van de belastingverplichting, de handelingen van de belastingplichtige bepalend zullen zijn voor het totale bedrag van de door hem uiteindelijk verschuldigde vertragingsrente. De toepassing van vertragingsrente legt namelijk aan degene die niet binnen de gestelde termijnen aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan, een financiële last op die in verhouding staat tot de duur van de betalingsachterstand van zijn schuld waarover vertragingsrente is beginnen te lopen. Bijgevolg is de toepassing van vertragingsrente als middel tot handhaving van belastingverplichtingen in beginsel geen oplossing die een buitensporige last oplegt aan de belastingplichtigen.
87 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat, zoals verzoekster in het hoofdgeding heeft aangevoerd, de betrokken vertragingsrente met terugwerkende kracht is berekend over de gehele periode die aanvangt vanaf het moment waarop de belasting had moeten worden betaald, dus ook gedurende de belastingcontrole en de gerechtelijke procedure. Indien aan het einde van de gerechtelijke procedure het bestaan van de belastingschuld definitief wordt bevestigd, zou het buiten beschouwing laten van de duur van die procedure bij de berekening van de vertragingsrente de betrokken belastingplichtige een liquiditeitsvoordeel verschaffen ten opzichte van andere belastingplichtigen die hun verplichtingen wel tijdig zijn nagekomen.
88 Wat betreft de stelling van verzoekster in het hoofdgeding dat zij heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het deel van de rente dat hoger is dan het bedrag ter vergoeding van de schade van de schatkist, moet worden opgemerkt dat de compenserende rente weliswaar in sommige gevallen hoger kan zijn dan de daadwerkelijk door de Schatkist geleden schade, doch dat is enkel het gevolg van een forfaitair stelsel van schadevergoeding, dat uit de aard der zaak geen weerspiegeling vormt van de daadwerkelijk geleden verliezen maar van de verliezen die de schatkist, volgens de nationale wetgever, zou kunnen lijden (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Nidera, C‑387/16, EU:C:2018:121, punt 36).
89 Ten derde kan overeenkomstig artikel 100, lid 1, van de wet op de belastingdienst gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de betaling van de vastgestelde (berekende) maar niet betaalde (niet geïnde) vertragingsrente worden verleend indien aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Een dergelijke vrijstelling kan met name worden verleend wanneer een van de in artikel 141, lid 1, van deze wet genoemde gronden is vastgesteld. Tot die gronden behoren met name de gevallen waarin de belastingplichtige bewijst dat hij niet schuldig is aan de overtreding of wanneer de belastingwet is overtreden door omstandigheden die buiten de macht van de belastingplichtige liggen en die hij niet heeft voorzien of niet heeft kunnen voorzien, of wanneer de individuele handeling van de belastingplichtige, hoewel in strijd met de bepalingen van de belastingwet, geen nadeel voor de begroting oplevert.
90 Ten vierde vereist de beoordeling van de evenredigheid van maatregelen met een repressief doel inderdaad dat rekening wordt gehouden met omstandigheden zoals de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde niet-nakoming van een belastingverplichting of andere omstandigheden zoals de bijzondere context waarin deze niet-nakoming plaatsvond en het eventuele verband ervan met andere lopende procedures. Dit neemt echter niet weg dat maatregelen zoals vertragingsrente op achterstallige btw een preventief karakter hebben en dat daarmee, zoals in punt 79 van het onderhavige arrest is benadrukt, wordt beoogd om belastingplichtigen ertoe aan te zetten voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, zodat zij niet het risico lopen dat het bedrag van hun belastingschuld stijgt naarmate hun betalingsachterstand groter wordt.
91 Bijgevolg lijkt een nationale regeling als in het hoofdgeding, die de wijze van berekening van het tarief van de vertragingsrente vaststelt en tegelijkertijd uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het daarin vastgestelde tarief of deze rente deels kwijtscheldt, niet buitensporig te zijn gelet op het doel dat met deze rente wordt nagestreefd. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de belastingdienst een belastingplichtige niet kan vrijstellen van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.
92 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van de vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.
Kosten
93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van de vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.
ondertekeningen
* Procestaal: Litouws.
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. RANTOS
van 13 november 2025 (1)
Zaak C‑544/24
„Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB
tegen
Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
[verzoek van de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterende onder de regering van de Republiek Litouwen) om een prejudiciële beslissing]„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 273 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 49, lid 3 – Verplichtingen die noodzakelijk worden geacht om de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen – Nationale regeling die voorziet in de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw-schulden, waarbij deze rente ongeacht de aard en de ernst van de inbreuk een vast punitief bestanddeel omvat, zonder dat de belastingdienst het bedrag van dit bestanddeel kan verlagen – Evenredigheidsbeginsel ”
I. Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterende onder de regering van de Republiek Litouwen) en betreft in wezen de uitlegging van artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG(2) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in het licht van de artikelen 49 en 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2. Dit verzoek vindt zijn oorsprong in een geding tussen „Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB (hierna: „verzoekster”) en de Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (nationale belastinginspectie bij het ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen) (hierna: „belastingdienst”) over het door deze dienst genomen besluit tot afwijzing van het door verzoekster ingediende verzoek om vrijstelling van betaling van de haar in rekening gebrachte vertragingsrente over de btw alsook van de haar wegens belastingfraude opgelegde geldboete.
3. Op verzoek van het Hof zal deze conclusie zich toespitsen op de analyse van de tweede prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van de bovengenoemde bepalingen van het Unierecht, gelezen in samenhang met artikel 49, lid 3, van het Handvest. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of deze bepalingen verenigbaar zijn met een nationale regeling die voorziet in de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw-schulden, die ongeacht de aard en de ernst van de inbreuk een vast punitief bestanddeel bevat, zonder dat het bedrag van dat bestanddeel kan worden verlaagd, namelijk door een lager dan het wettelijk vastgestelde rentetarief te hanteren of door af te zien van aanrekening van het punitieve bestanddeel van de vertragingsrente.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4. Artikel 273 van de btw-richtlijn bepaalt:
„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de BTW en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.
[…]”B. Litouws recht
1. Btw-wet
5. Artikel 123 van de Lietuvos Respublikos pridėtinės vertės mokesčio įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belasting over de toegevoegde waarde) van 5 maart 2002(3), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „btw‑wet”), draagt als opschrift „Niet‑naleving van de regels voor betaling van de btw” en bepaalt in lid 1 ervan dat personen die de bepalingen van deze wet hebben overtreden, vertragingsrente moeten voldoen volgens de in de wet op de belastingdienst vastgestelde procedure.
2. Wet op de belastingdienst
6. Artikel 95 van de Lietuvos Respublikos mokesčių administravimo įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belastingdienst) van 13 april 2004(4), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet op de belastingdienst”), draagt als opschrift „Middelen tot handhaving van belastingverplichtingen” en bepaalt in lid 1, punt 1, ervan dat vertragingsrente tot deze middelen behoort.
7. Artikel 96 van deze wet, met als opschrift „Vertragingsrente”, bepaalt in lid 1, punt 2, ervan:
„Ten laste van de belastingplichtige wordt vertragingsrente berekend over:
[…]2) een niet-aangegeven of niet-berekende belasting die niet of te laat is betaald zoals vastgesteld door de belastingdienst tijdens een belastingcontrole […]”.
8. Artikel 97 van voornoemde wet, met als opschrift „Begin van de berekening van de vertragingsrente”, bepaalt in lid 2 ervan:
„In het geval bedoeld in artikel 96, lid 1, punt 2, van deze wet wordt vertragingsrente berekend vanaf de dag volgend op de dag waarop, volgens de op dat ogenblik geldende belastingwetgeving, de belasting aan de begroting had moeten worden afgedragen tot de dag waarop het inspectieverslag werd opgesteld dat de resultaten van de controle bevestigt. In geval van niet‑betaling van de belasting binnen de in artikel 81, lid 2, van deze wet vastgestelde termijn […], wordt de berekening van de vertragingsrente voortgezet vanaf de dag volgend op de dag waarop deze termijn is verstreken.”
9. Artikel 99 van diezelfde wet, met als opschrift „Tarief van de vertragingsrente”, zoals met ingang van 1 mei 2023 gewijzigd bij wet nr. XIV‑1658 van 13 december 2022, bepaalt
„Het tarief van de vertragingsrente, dat in geen geval lager mag zijn dan nul, en de wijze van berekening ervan worden vastgesteld door de minister van Financiën, rekening houdend met het rendement op de laatste werkdag van het voorgaande kalenderkwartaal van het overheidspapier waarvan de looptijd het dichtst ligt bij een periode van 12 maanden op de secundaire effectenmarkt (bijvoorbeeld in het tweede kwartaal van 2024 bedroeg het rendement op overheidspapier 3,708 %). Het tarief van de vertragingsrente wordt bepaald door het bovengenoemde tarief met 7 procentpunten te verhogen.”
10. Artikel 100 van de wet op de belastingdienst draagt als opschrift „Vrijstelling van betaling van vertragingsrente” en bepaalt in lid 1 ervan:
„De belastingplichtige kan geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van betaling van opgelopen (berekende) maar nog niet voldane (geïnde) vertragingsrente indien:
[…]3) een van de in artikel 141, lid 1, van deze wet genoemde gronden aanwezig is;
[…]”11. Artikel 141 van deze wet, met als opschrift „Vrijstelling van betaling van geldboeten”, bepaalt in lid 1 ervan:
„Voor geldboeten die zijn opgelegd krachtens de artikelen 139 en 140 van deze wet geldt een vrijstelling van betaling wanneer:
1) de belastingplichtige bewijst dat hij niet schuldig is aan de overtreding;
2) de belastingwet is overtreden door omstandigheden die buiten de macht van de belastingplichtige liggen en die hij niet heeft voorzien of niet heeft kunnen voorzien. Het handelen of nalaten van de belastingplichtige of zijn werknemers en de insolventie van de belastingplichtige worden niet aangemerkt als zodanige omstandigheden;
3) de individuele handeling van de belastingplichtige, hoewel in strijd met de bepalingen van de belastingwet, geen nadeel oplevert voor de begroting;
4) de belastingplichtige de belastingwet heeft overtreden als gevolg van een door de belastingdienst schriftelijk of telefonisch gegeven onjuiste algemene uitlegging van de belastingwet of onjuist advies met betrekking tot de betaling van belastingen, op voorwaarde dat de raadpleging is geregistreerd volgens de door de nationale belastingdienst vastgestelde procedures en het mogelijk is de oproeper als de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) te identificeren.”
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
12. De belastinginspectie heeft bij verzoekster een controle uitgevoerd van de juistheid van de berekening, aangifte en betaling van de door haar verschuldigde btw voor het tijdvak van 1 december 2012 tot en met 31 december 2016. Bij deze controle heeft zij vastgesteld dat verzoekster de btw‑wet had geschonden, aangezien zij de btw over niet-rechtsgeldige facturen in mindering had gebracht en aan handelingen had deelgenomen waarbij btw-fraude was gepleegd.
13. Bij besluit van 4 september 2018 houdende bevestiging van het inspectieverslag heeft de belastingdienst het bedrag van de btw vastgesteld op 6 517 901,36 EUR en het bedrag aan vertragingsrente over de door verzoekster verschuldigde btw op 2 431 505,31 EUR. Voorts is aan verzoekster een fiscale boete ten bedrage van 1 862 257 EUR opgelegd.
14. Het daaruit voortgekomen fiscale geding is door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) beslecht bij arrest van 9 september 2020, waarin de bevindingen van voornoemde belastingcontrole zijn bevestigd.
15. Op 18 januari 2021 heeft verzoekster bij de belastingdienst een verzoek ingediend om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente en van de aan haar opgelegde fiscale boete.
16. Bij besluit van 16 maart 2021 heeft de belastingdienst geweigerd om verzoekster vrij te stellen van betaling van de vertragingsrente over de btw ten bedrage van 2 835 125,75 EUR. In dat besluit heeft deze dienst vastgesteld dat verzoekster aan geen van de voorwaarden van artikel 141, lid 1, van de wet op de belastingdienst voldeed en dat zij evenmin uitzonderlijke omstandigheden had aangetoond ter rechtvaardiging van de toepassing van de criteria van redelijkheid en billijkheid.
17. Aangezien verzoekster niet had voldaan aan de aanvullende btw-verplichtingen te haren laste, is het totaalbedrag van de in het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 bedoelde vertragingsrente – die gedurende het fiscale geding, namelijk tussen 26 januari 2013 en 4 april 2021, was blijven oplopen – vastgesteld op 3 150 660,79 EUR en het bedrag van de fiscale boete op 1 838 812,44 EUR.
18. Verzoekster heeft een nieuw verzoek ingediend om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente en van de geldboete. In dit verband heeft zij verzocht om vrijstelling van betaling van het „punitieve bestanddeel” van deze vertragingsrente over de btw, dat goed is voor 2/3 van het totaalbedrag van de jegens haar vastgestelde vertragingsrente.
19. Bij besluit van 13 mei 2024 heeft de belastingdienst geweigerd om dit nieuwe verzoek in te willigen en daarin in wezen aangevoerd dat de vertragingsrente werd aangerekend overeenkomstig de vereisten van de wet op de belastingdienst. Deze wet voorziet namelijk niet in de mogelijkheid om verzoekster vrij te stellen van betaling van vertragingsrente op andere gronden dan die waarin artikel 100, lid 1, van diezelfde wet voorziet. De berekeningswijze van het tarief van de vertragingsrente is dwingend voorgeschreven bij voornoemde wet en de belastingdienst kan alleen binnen de grenzen daarvan besluiten nemen ter zake van vertragingsrente. Bovendien is het vaste nationale rechtspraak dat vertragingsrente een middel is tot handhaving van belastingverplichtingen en niet als een sanctie van strafrechtelijke aard kan worden beschouwd. Voorts zou deze belastingdienst, door het verzoek van verzoekster in te willigen en voor haar een ander dan in de wet op de belastingdienst voorgeschreven rentetarief te hanteren, het beginsel van gelijkheid van belastingplichtigen voor de wet schenden.
20. Op 4 juni 2024 heeft verzoekster bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės, de verwijzende rechter in deze zaak, een bezwaar ingediend tot nietigverklaring van het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024.
21. De verwijzende rechter merkt op dat vertragingsrente primair dient ter handhaving van belastingverplichtingen en dat zij in de eerste plaats gericht is op het bekostigen van de uitgaven van de staat en niet op het straffen van een individu.(5) Niettemin bevat deze vertragingsrente ook een punitief bestanddeel, aangezien bij de berekening van het tarief ervan een verhoging van zeven procentpunten wordt toegepast op het compenserende bestanddeel dat aan de kosten van de staatsschuld is gekoppeld en aan de hand van het rendement van overheidspapier op de secundaire effectenmarkt wordt bepaald. In dit verband verwijst deze rechter naar vaste rechtspraak van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, volgens welke de essentie van vertragingsrente, als middel tot handhaving van belastingverplichtingen, erin gelegen is dat de toepassing of de mogelijkheid van toepassing ervan de belastingplichtige aanzet tot vrijwillige en correcte nakoming van zijn belastingverplichtingen en dat, in geval van niet-nakoming of ontoereikende nakoming, zij ervoor zorgt dat de schuld van de belastingplichtige tegenover de schatkist en de financiële verliezen van de staat worden gedekt.(6) Nog steeds volgens deze rechtspraak kan de aan de belastingplichtige opgelegde verplichting om vertragingsrente te betalen wegens de laattijdige nakoming van een belastingverplichting niet worden beschouwd als een sanctie van strafrechtelijke aard.
22. In die context betwijfelt de verwijzende rechter met name of de artikelen 96 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst verenigbaar zijn met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van het Handvest, aangezien deze nationale bepalingen niet zorgen voor een onderlinge afstemming van de administratieve procedures voor het opleggen van vertragingsrente en de strafvervolgingsprocedures, teneinde de uit de cumulatie van deze maatregelen voortvloeiende extra last tot het strikt noodzakelijke te beperken en te verzekeren dat de zwaarte van alle opgelegde sancties in verhouding staat tot de ernst van de betrokken inbreuk, en zij met het oog op het opleggen van strafrechtelijke sancties geen beperking stellen aan de toepassing van het punitieve bestanddeel van deze vertragingsrente, terwijl de aan die vertragingsrente ten grondslag liggende feiten eveneens aanleiding geven tot strafvervolging.
23. In die omstandigheden heeft de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die het mogelijk maakt rente wegens laattijdige betaling van belasting op te leggen die deels een sanctie is voor dezelfde fiscale inbreuken als die welke strafrechtelijk worden vervolgd, zonder daarbij coördinatieregels vast te stellen die het bijkomende nadeel als gevolg van de cumulatie van procedures voor de betrokken personen tot het strikt noodzakelijke beperken of die waarborgen dat het geheel van de opgelegde sancties niet zwaarder is dan hetgeen strikt noodzakelijk is in verhouding tot de ernst van de betrokken inbreuk?
2) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een procedure van toepassing van rente wegens laattijdige betaling van belastingen waarbij, ongeacht de aard en de ernst van de inbreuken, een vast punitief bestanddeel van de rente wegens laattijdige betaling van belastingen wordt vastgesteld, zonder dat dit punitieve bestanddeel kan worden verlaagd, dat wil zeggen dat een lager percentage aan vertragingsrente kan worden opgelegd dan het bij wet vastgestelde percentage of dat het punitieve bestanddeel van de vertragingsrente kan worden kwijtgescholden?”
24. Verzoekster, de Litouwse en de Poolse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
IV. Analyse
A. Ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek
25. Alvorens in te gaan op de tweede prejudiciële vraag, waarop deze conclusie zich op verzoek van het Hof zal toespitsen, dient de door de Litouwse regering opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden onderzocht. In haar schriftelijke opmerkingen voert deze regering aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk is op grond dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding.
26. Die regering merkt in dit verband op dat de verschuldigdheid van de bij het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 aan verzoekster opgelegde vertragingsrente en fiscale boete is bevestigd bij een op 9 september 2020 door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas gewezen eindarrest. Verzoeksters fiscale aansprakelijkheid is dus vastgesteld bij een definitief geworden uitspraak waartegen geen beroep openstaat. Bijgevolg is het voorwerp van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding uitsluitend beperkt tot de voorwaarden voor toekenning van een vrijstelling van betaling van vertragingsrente overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
27. Vooraf herinner ik eraan dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.(7)
28. In casu is bij de verwijzende rechter, zoals in punt 18 van deze conclusie is uiteengezet, een door verzoekster ingediend bezwaar aanhangig gemaakt tegen het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024, waarbij deze dienst haar verzoek om vrijstelling van betaling van de aan haar opgelegde vertragingsrente over de btw en van de geldboete heeft afgewezen. Tegen die achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of het in de wet op de belastingdienst geregelde mechanisme voor de heffing van vertragingsrente verenigbaar is met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn.
29. Ten eerste merk ik op dat een mechanisme voor de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw-schulden, zoals dat is ingevoerd bij de artikelen 95 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst, een uitvoering vormt van de bepalingen van de btw-richtlijn, en meer in het bijzonder van artikel 273 daarvan, en derhalve beoogt de inning te waarborgen van btw-bedragen die niet overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn zijn voldaan. Ten tweede blijkt niet duidelijk uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de gevraagde uitlegging van artikel 273 van voornoemde richtlijn geen verband houdt met een reëel geschil en met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het vraagstuk van hypothetische aard is. Aangezien de tweede prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bij de aanrekening van de hier aan de orde zijnde vertragingsrente, lijkt zij relevant te zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.
30. Gelet op het voorgaande, en aangezien het Hof beschikt over alle gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen, moet worden vastgesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële vraag ontvankelijk is.
B. Tweede prejudiciële vraag
31. Met zijn tweede prejudiciële vraag, waarop deze conclusie op verzoek van het Hof is toegespitst, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw-schulden, en dat die rente ongeacht de aard en de ernst van de inbreuk een vast punitief bestanddeel omvat, zonder dat de mogelijkheid bestaat om een lager dan het wettelijk vastgestelde rentetarief te hanteren of van de aanrekening van dat punitieve bestanddeel af te zien. Deze rechter verzoekt het Hof dus om, ten eerste, te verduidelijken in hoeverre vertragingsrente over achterstallige btw-schulden, die na afloop van een administratieve belastingcontrole aan verzoekster is opgelegd, strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest en, ten tweede, uit te maken of een dergelijke nationale regeling strookt met het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is geïnterpreteerd en beoordeeld in het kader van de uitlegging en toepassing van artikel 325 VWEU en van artikel 273 van de btw-richtlijn.
1. Toepasselijkheid van artikel 49, lid 3, van het Handvest
32. Allereerst wijs ik erop dat artikel 49, lid 3, van het Handvest, waarin is bepaald dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit, op strafrechtelijke sancties ziet.
33. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 50 van het Handvest, welke rechtspraak ook voor artikel 49, lid 3, kan worden gehanteerd, zijn drie criteria (de „Engel-criteria”(8)) relevant om te bepalen of een sanctie van strafrechtelijke aard is, namelijk: de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, de aard van de inbreuk, en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.(9) Bovendien kan, nog steeds volgens die rechtspraak, zelfs voor strafbare feiten die naar nationaal recht niet als „strafbare feiten” in strafrechtelijke zin worden gekwalificeerd, een dergelijk karakter niettemin voortvloeien uit de aard zelf van het strafbare feit in kwestie en uit de zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd.(10)
34. Wat het eerste criterium betreft, namelijk de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, volgt uit zowel de bewoordingen van artikel 95, lid 1, van de wet op de belastingdienst als de door de verwijzende rechter aangehaalde en in punt 21 van deze conclusie in herinnering gebrachte nationale rechtspraak, meer bepaald die van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, dat de heffing van vertragingsrente over achterstallige belastingschulden in geval van niet-betaling of tardieve betaling van een verschuldigde belasting naar Litouws recht niet als een strafrechtelijke sanctie wordt beschouwd.(11)
35. Het tweede criterium, dat verband houdt met de aard zelf van de inbreuk, vereist dat wordt nagegaan of met de betreffende sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd. Daaruit volgt dat een sanctie met een repressief doel een strafrechtelijk karakter heeft en dat de loutere omstandigheid dat met die sanctie ook een preventief doel wordt nagestreefd, haar niet de kwalificatie van strafrechtelijke sanctie kan ontnemen. Daarentegen is een maatregel die beperkt blijft tot het herstel van de door de desbetreffende inbreuk veroorzaakte schade, niet strafrechtelijk van aard.(12)
36. In dit verband zij erop gewezen dat het EHRM, in zijn rechtspraak inzake belastinggeschillen, weliswaar procedures die tot het opleggen van fiscale sancties hadden geleid mogelijkerwijs als strafrechtelijk van aard heeft aangemerkt, ook al konden die procedures naar nationaal recht niet als zodanig worden beschouwd, maar die kwalificatie achterwege heeft gelaten met betrekking tot soortgelijke maatregelen als die welke hier aan de orde zijn. Meer in het bijzonder heeft het EHRM geoordeeld dat „vertragingsrente in essentie niet is bedoeld om belastingplichtigen te straffen teneinde herhaling van de verweten handelingen te voorkomen, maar hoofdzakelijk strekt tot financiële vergoeding van schade, namelijk financiële schade voortvloeiend uit het tijdsverloop en de tardieve betaling van de belasting.”(13) Uit deze rechtspraak volgt dus dat noch naheffings‑ of navorderingsprocedures die uitsluitend een volledige inning van de belastingschuld beogen, zonder dat deze procedures gepaard gaan met enige verhoging daarvan, noch procedures met betrekking tot vertragingsrente, ongeacht het bedrag daarvan, een strafrechtelijke connotatie hebben.(14)
37. Bovendien moet worden opgemerkt dat het niet-repressieve karakter van vertragingsrente ook is benadrukt in de btw-rechtspraak van het Hof in zaken die vergelijkbaar zijn met die in het hoofdgeding. Hoewel die zaken niet rechtstreeks betrekking hadden op de vraag of vertragingsrente over achterstallige btw-schulden van strafrechtelijke aard is in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, heeft het Hof niettemin geoordeeld dat de heffing van vertragingsrente enerzijds een preventief karakter heeft door de belastingplichtige ertoe aan te zetten om zo snel mogelijk na het verstrijken van de gestelde termijnen aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen(15), en anderzijds een compensatiekarakter (of compenserende functie) heeft door de schade te vergoeden die de schatkist heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting.(16)
38. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een maatregel die beperkt blijft tot het herstel van de door de desbetreffende inbreuk veroorzaakte schade, niet strafrechtelijk van aard is.(17) Bijgevolg kan vertragingsrente die beoogt de schade te vergoeden die de lidstaat heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting, niet worden beschouwd als een repressieve maatregel.
39. In dit verband wil ik erop wijzen dat de omstandigheid dat de verwijzende rechter een „vast punitief bestanddeel” onderscheidt, geen enkele strafrechtelijke connotatie kan verlenen aan de hier aan de orde zijnde vertragingsrente.(18) Hoewel de door deze rechter in zijn verwijzingsbeslissing gebruikte uitdrukking „punitief bestanddeel” tot op zekere hoogte tot verwarring kan leiden en afgezien van het feit dat vertragingsrente (met inbegrip van dit „bestanddeel”) door de belastingplichtige als een vorm van sanctie of straf zou kunnen worden ervaren, neemt dit namelijk niet weg dat deze vertragingsrente beoogt de schuldenaar ertoe aan te zetten het aan de schuldeiser verschuldigde bedrag binnen de gestelde termijn te betalen, bij gebreke waarvan dit bedrag verder zal worden verhoogd. Bijgevolg is de door de verwijzende rechter gemaakte analyse om te bepalen welk bestanddeel van het voor de vertragingsrente gehanteerde tarief een compenserende dan wel punitieve functie heeft, in casu niet relevant.
40. Wat het derde criterium betreft, dat verband houdt met de zwaarte van de sanctie, lijkt niets in het aan het Hof voorgelegde dossier erop te wijzen dat de hier aan de orde zijnde vertragingsrente dermate hoog is dat haar een strafrechtelijk karakter moet worden verleend.(19) Hoe dan ook moet, zoals volgt uit de in punt 36 van deze conclusie uiteengezette rechtspraak van het EHRM, eraan worden herinnerd dat soortgelijke maatregelen als die in het hoofdgeding, ongeacht het bedrag daarvan, niet voldoende zwaar werden geacht om als strafrechtelijk te kunnen worden beschouwd.(20)
41. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat geen van de drie Engel-criteria ter bepaling van de strafrechtelijke aard van de hier aan de orde zijnde vertragingsrente is vervuld en dat artikel 49, lid 3, van het Handvest bijgevolg niet relevant is voor de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag.
2. Toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de uitlegging van artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn
42. Vooraf zij eraan herinnerd dat uit artikel 273, eerste alinea, artikel 2 en artikel 250, lid 1, van de btw-richtlijn alsook uit artikel 4, lid 3, VEU volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden.(21)
43. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bepalingen van artikel 273 van de btw-richtlijn, buiten de daarin gestelde beperkingen, noch de voorwaarden noch de verplichtingen preciseren waarin de lidstaten kunnen voorzien, en de lidstaten derhalve een beoordelingsmarge verlenen ter zake van de middelen die zij kunnen inzetten om zich te verzekeren van de volledige inning van de op hun grondgebied verschuldigde btw en om fraude te bestrijden.(22)
44. Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325, leden 1 en 2, VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.(23) Het Hof heeft verduidelijkt dat artikel 325 VWEU de lidstaten ertoe verplicht om in hun nationale wetgeving te voorzien in doeltreffende procedures die de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijdragen uit de begroting van de Unie mogelijk maken.(24) Dienaangaande rust op de lidstaten een stipte resultaatverplichting die aan geen voorwaarden is onderworpen wat de toepassing van de in artikel 325, leden 1 en 2, VWEU vervatte regel betreft.(25)
45. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de lidstaten erop toezien dat overtredingen van het Unierecht, waaronder de geharmoniseerde regels van de btw-richtlijn, onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als soortgelijke en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, maar deze moeten in elk geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.(26)
46. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dus dat de lidstaten weliswaar vrij blijven om op grond van hun nationale recht en in het kader van hun procedurele autonomie het bedrag en de wijze van heffing vast te stellen van in rekening gebrachte vertragingsrente over achterstallige btw-schulden in geval van niet-betaling of tardieve betaling van die belasting, maar dat de door hen vastgestelde maatregelen niettemin in overeenstemming moeten zijn met de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
47. In de eerste plaats stel ik vast dat, voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling ertoe strekt de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen, deze een door het Unierecht erkend legitiem doel nastreeft.(27) Het Hof heeft immers reeds erkend dat de heffing van vertragingsrente bijdraagt tot het bestrijden van niet-betaling binnen de gestelde termijn van aangegeven btw-bedragen, en dit overeenkomstig de verplichting die krachtens met name artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 325, lid 1, VWEU op de lidstaten rust om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die geschikt zijn om te garanderen dat de op hun grondgebied verschuldigde btw volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden.(28) Zoals immers in punt 37 van deze conclusie in herinnering is gebracht, dient de bij de wet op de belastingdienst geregelde vertragingsrente een tweeledig doel, namelijk, ten eerste, ervoor zorgen dat belastingverplichtingen worden gehandhaafd en dat de verschuldigde belasting wordt geïnd door de belastingplichtige ertoe aan te zetten deze verplichtingen nauwgezet na te komen en, ten tweede, het dekken van de kosten die de belastingdienst heeft moeten maken doordat de belastingplichtige zijn belastingverplichtingen niet tijdig is nagekomen, zodat de schade wordt gecompenseerd die de schatkist heeft geleden wegens het feit dat de verschuldigde belastingbedragen niet beschikbaar waren.(29)
48. In de tweede plaats is een maatregel tot invoering van vertragingsrente als die in het hoofdgeding ongetwijfeld een geschikt instrument ter bereiking van het bovengenoemde doel. Bij gebreke van maatregelen zoals het heffen van vertragingsrente zouden belastingplichtigen immers geen bijzondere prikkel hebben om hun belastingverplichtingen binnen de gestelde termijnen na te komen en zouden zij de voorkeur kunnen geven aan andere handelstransacties. Meer nog, belastingplichtigen zouden, gelet op de fluctuerende waarde van het geld, zelfs worden aangemoedigd om deze andere handelstransacties te verkiezen boven het binnen de gestelde termijnen voldoen van hun belastingschulden. Met het opleggen van vertragingsrente wordt concreet beoogd om belastingplichtigen ertoe aan te zetten voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, zodat zij niet het risico lopen dat het bedrag van hun belastingschuld stijgt naarmate hun betalingsachterstand groter wordt. Het ontbreken van vertragingsrente zou bovendien een voordeel opleveren voor degenen die hun belastingverplichtingen niet binnen de gestelde termijnen nakomen. Laatstgenoemden zouden namelijk over extra liquide middelen beschikken en een economisch voordeel behalen dat overeenkomt met de vermindering, in de loop van de tijd, van de werkelijke nominale waarde van het bedrag van de belastingschuld. Bijgevolg vormt vertragingsrente een passende en noodzakelijke maatregel ter bereiking van de door de hier aan de orde zijnde nationale regeling nagestreefde doelstellingen.
49. Nu vaststaat dat een maatregel als die in het hoofdgeding passend en noodzakelijk is ter bereiking van de ermee nagestreefde doelstellingen, namelijk de juiste inning van de btw en het voorkomen van fraude overeenkomstig artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, moet in de derde en laatste plaats nog worden nagegaan of de betrokken nationale regeling verder gaat dan nodig is om die doelstellingen te bereiken.
50. Ten eerste is het in dit verband weliswaar denkbaar dat een willekeurig of discretionair vastgestelde vertragingsrente onevenredig kan zijn, maar in casu lijkt dit echter niet het geval te zijn. De bepalingen van nationaal recht inzake de tariefberekening voor vertragingsrente gelden namelijk voor alle belastingplichtigen van wie tijdens een belastingcontrole is vastgesteld dat zij een belasting die had moeten worden aangegeven maar die niet is aangegeven, of een belasting waarvoor geen aangifte is gedaan en die niet is berekend, niet of te laat hebben voldaan.(30) Bovendien wijs ik erop dat, ten eerste, het tarief in casu vooraf op een duidelijke en transparante wijze is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria en volgens een berekeningsmethode die in de wet op de belastingdienst staat beschreven(31) en, ten tweede, de beslissingsbevoegdheid van de belastingdienst ter zake van de vaststelling van vertragingsrente door diezelfde wet wordt afgebakend(32). Door een aldus vastgestelde rente is het zowel voor schuldeisers als voor schuldenaren precies voorzienbaar hoeveel hun toekomstige financiële rechten respectievelijk verplichtingen bedragen, zodat ook de rechtszekerheid wordt gewaarborgd.(33)
51. Ten tweede moet worden erkend dat, aangezien vertragingsrente slechts loopt tot de nakoming of het tenietgaan van de belastingverplichting, de handelingen van de belastingplichtige bepalend zullen zijn voor het totale bedrag van de door hem uiteindelijk verschuldigde vertragingsrente. Of anders uitgedrukt, de toepassing van vertragingsrente legt aan degene die niet binnen de gestelde termijnen aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan, een financiële last op die in verhouding staat tot de duur van de betalingsachterstand van zijn schuld waarover vertragingsrente is beginnen te lopen.(34) Bijgevolg is de toepassing van vertragingsrente als middel tot handhaving van belastingverplichtingen in beginsel geen oplossing die een buitensporige last oplegt aan de belastingplichtigen.(35)
52. Ten derde, aangezien vertragingsrente – zoals is vastgesteld in de punten 36 en 37 van deze conclusie – geen repressieve doeleinden dient, zijn omstandigheden zoals de aard en de zwaarte van de vastgestelde inbreuk, die in de regel relevant zijn bij de beoordeling of een sanctie zoals een fiscale boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel(36), dat niet noodzakelijkerwijs in het geval van vertragingsrente. Deze rente is namelijk verschuldigd vanwege niet-betaling of tardieve betaling van de belasting en niet vanwege fraude.(37) In dit verband wil ik erop wijzen dat vertragingsrente niet uitsluitend wordt toegepast in gevallen van fraude, maar op het gebied van belastingen veelal gangbaar is om de inning van alle soorten belastingen te waarborgen.
53. Ten vierde staat het weliswaar aan de verwijzende rechter om te beoordelen of het in het hoofgeding in rekening gebrachte bedrag aan vertragingsrente niet verder gaat dan nodig is om de doeltreffende inning van de btw te waarborgen en om fraude te bestrijden, maar niets in het aan het Hof overgelegde dossier lijkt erop te wijzen dat het in de nationale regeling vastgestelde tarief van de vertragingsrente onevenredig is aan de daarmee nagestreefde doelstellingen.(38)
54. Aldus zij opgemerkt dat, aangezien de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of verzoeksters verzoek om vrijstelling van betaling van het „punitieve bestanddeel” van de vertragingsrente over de btw, of 2/3 van het totale bedrag van de haar in rekening gebrachte vertragingsrente over de btw, kan worden toegewezen, een dergelijke beslissing in werkelijkheid zou betekenen dat deze rente tot een bijzonder laag bedrag wordt teruggebracht doordat zij wordt beperkt tot één enkel bestanddeel, namelijk de gemiddelde rente voor staatsobligaties.(39) Een dergelijke mogelijkheid zou evenwel afbreuk kunnen doen aan de doelstelling om de tijdige inning van de btw te waarborgen, aangezien de belastingplichtigen geen prikkel meer zouden hebben om voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, en in plaats daarvan dus andere handelstransacties zouden kunnen verkiezen.(40)
55. Bovendien volstaat de omstandigheid dat het bedrag aan vertragingsrente forfaitair wordt vastgesteld en op geen enkele wijze kan worden aangepast, op zich niet om te concluderen dat deze maatregel onevenredig is. Het feit dat het bedrag aan vertragingsrente is vastgelegd in de nationale regeling waarover het hier gaat en dat dit bedrag door de belastingdienst niet kan worden gewijzigd, behalve in sommige gevallen waarin de geldende belastingwetgeving uitdrukkelijk voorziet(41), beschermt de belastingplichtigen namelijk tegen willekeurige besluiten van deze dienst en waarborgt tegelijkertijd de gelijke behandeling van deze belastingplichtigen. Mocht de beoordelingsmarge van de belastingdienst niet zijn afgebakend, zou dat met name kunnen leiden tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare fiscale situatie bevinden, en bijgevolg tot een situatie die vanuit fiscaal oogpunt niet kan worden geduld.
56. Gelet op het voorgaande stel ik voor om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, het bedrag van de vertragingsrente vaststelt zonder dat deze dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door ervan af te zien om een deel van dat bedrag in rekening te brengen, en die bepaalt dat de belastingplichtige alleen in de gevallen waarin die regeling uitdrukkelijk voorziet van betaling van deze vertragingsrente kan worden vrijgesteld.
V. Conclusie
57. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de tweede prejudiciële vraag van de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės te beantwoorden als volgt:
„Artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, het bedrag van de vertragingsrente vaststelt zonder dat deze dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door ervan af te zien om een deel van dat bedrag in rekening te brengen, en die bepaalt dat de belastingplichtige alleen in de gevallen waarin die regeling uitdrukkelijk voorziet van betaling van deze vertragingsrente kan worden vrijgesteld.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 PB 2006, L 347, blz. 1.
3 Žin., 2002, nr. 35‑1271.
4 Žin., 2004, nr. 63‑2243.
5 Deze rechter verwijst dienaangaande naar het arrest van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas van 10 maart 2020 in zaak A‑3247‑575/2020.
6 De verwijzende rechter citeert het arrest van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas van 18 november 2011 in zaak A‑143‑2619/2011.
7 Zie in die zin arrest van 11 september 2025, Fira (C‑215/24, EU:C:2025:695, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
8 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 8 juni 1976, Engel e.a. tegen Nederland, CE:EHCR:1976:0608JUD000510071, § 82.
9 Zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Agenția Națională de Integritate (C‑40/21, EU:C:2023:367, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 Zie arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten) (C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
11 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt overigens dat deze maatregel in het kader van een bestuurlijke procedure is opgelegd.
12 Zie arrest van 4 mei 2023, MV – 98 (C‑97/21, EU:C:2023:371, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13 EHRM, 6 oktober 2009, Poniatowski tegen Frankrijk, CE:ECHR:2009:1006DEC002949408. Evenzo kan er bij het opleggen van enkelvoudige vertragingsrente, waarbij impliciet wordt uitgegaan van de goede trouw van de belastingplichtige, geen sprake zijn van een „ingestelde vordering” in de zin van artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie in dit verband EHRM, 14 september 1999, J.B. tegen Frankrijk, CE:ECHR:1999:0914DEC003363496). Zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Menci (C‑524/15, EU:C:2017:667, punt 50).
14 EHRM, 3 december 2002, Mieg de Boofzheim tegen Frankrijk, CE:ECHR:2002:1203DEC005293899, en EHRM, 17 mei 2016, Société Oxygène Plus tegen Frankrijk, CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, § 50.
15 Zie arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” (C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Direktor na Direktsia”).
16 Zie arrest Direktor na Direktsia (punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een soortgelijke bevinding met betrekking tot de compenserende functie van vertragingsrente kan worden aangetroffen in de rechtspraak van het Hof in zaken op het gebied van de douaneregeling van de Unie, waarin is geoordeeld dat vertragingsrente ertoe strekt de gevolgen van de overschrijding van de betalingstermijn te verhelpen en bedoeld is om de voordelen te compenseren die de marktdeelnemer ten onrechte haalt uit de vertraging bij de betaling van een fiscale schuld, en niet om een dergelijke vertraging te bestraffen. Zie in die zin arrest van 5 december 2024, Network One Distribution (C‑506/23, EU:C:2024:1003, punt 32).
17 Zie arrest van 20 maart 2018, Menci (C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Dienaangaande moet worden benadrukt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling bepaalt dat het tarief van de vertragingsrente over achterstallige btw-schulden wordt bepaald door de rentevoet voor schulden aan de schatkist te vermeerderen met zeven procentpunten. Volgens de verwijzende rechter verlenen deze zeven procentpunten een punitief karakter aan de vertragingsrente.
19 Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft aangegeven, moet worden vastgesteld dat het in de zaak Poniatowski tegen Frankrijk gehanteerde tarief voor de vertragingsrente (0,75 % per maand of 9 % op jaarbasis), waarin het EHRM geen strafrechtelijke connotatie heeft onderscheiden, dicht lag bij het in deze zaak gehanteerde tarief (0,03 % per dag of 10,708 % op jaarbasis) (zie EHRM, 6 oktober 2009, Poniatowski tegen Frankrijk, CE:ECHR:2009:1006DEC002949408).
20 Zie EHRM, 6 oktober 2009, Poniatowski tegen Frankrijk, CE:ECHR:2009:1006DEC002949408, en EHRM, 17 mei 2016, Société Oxygène Plus tegen Frankrijk, CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, § 50.
21 Zie arrest Direktor na Direktsia (punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Zie arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia (punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry (C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Úrad špeciálnej prokuratúry”).
24 Zie in die zin arrest Úrad špeciálnej prokuratúry (punten 60 en 62).
25 Zie in die zin arrest Úrad špeciálnej prokuratúry (punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Zie arrest van 2 mei 2018, Scialdone (C‑574/15, EU:C:2018:295, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Hieraan moet worden toegevoegd dat zowel de Unie als de lidstaten er financieel belang bij hebben dat belastingen volledig en binnen de gestelde termijnen worden betaald. Zoals de Litouwse regering namelijk onder verwijzing naar een arrest van de Lietuvos Respublikos Konstitucinis Teismas (grondwettelijk hof van de Republiek Litouwen) heeft opgemerkt, loopt de schatkist bij niet-betaling of tardieve betaling van belastingen inkomsten mis, met als gevolg dat het begrotingstekort toeneemt en de staat in zijn mogelijkheden wordt beperkt om zijn taken en plichten te vervullen die van vitaal belang zijn voor die staat en zijn burgers.
28 Zie arrest Direktor na Direktsia (punten 88, 89 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor toezicht op de nakoming van belastingverplichtingen door de belastingplichtigen en voor het in die context nemen van passende maatregelen teneinde onbetaalde bedragen te kunnen invorderen.
30 Zie punt 7 van deze conclusie.
31 Zie punt 9 van deze conclusie.
32 Zie de punten 10 en 11 van deze conclusie.
33 Zie naar analogie de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Nidera (C‑387/16, EU:C:2017:740, punt 29).
34 Deze last komt overeen met de forfaitaire vergoeding van de fiscale schuldeiser voor de onrechtmatige besteding van het bedrag van de belastingschuld gedurende de periode waarin de belastingplichtige zijn verplichtingen niet is nagekomen. Het bedrag aan rente dient overigens ter dekking van de door de belastingdienst gemaakte kosten vanwege het feit dat de belastingplichtige niet binnen de gestelde termijnen aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan.
35 In dit verband moet worden gepreciseerd dat de omstandigheid dat het bedrag aan rente het bedrag van de verschuldigde belasting kan evenaren of zelfs overschrijden vanwege het verstrijken van een lange periode waarin de belastingplichtige zijn verplichtingen niet is nagekomen, enkel het gevolg is van een forfaitair stelsel van schadevergoeding en geen afbreuk kan doen aan de evenredigheid van de nationale maatregel die in vertragingsrente voorziet. Zie naar analogie arrest van 28 februari 2018, Nidera (C‑387/16, EU:C:2018:121, punt 36).
36 Zie arrest van 17 mei 2023, Cezam (C‑418/22, EU:C:2023:418, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Dit sluit uiteraard geen situaties uit waarin er, zoals in het hoofdgeding, vertragingsrente wordt opgelegd na de vaststelling van belastingfraude. Hoe dan ook, en zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de aan verzoekster opgelegde geldboete wegens belastingfraude samenhangt met de heffing van vertragingsrente over de btw, lijdt het mijns inziens geen twijfel dat de door haar begane inbreuk een zekere ernst vertoont, met name in het licht van het belang dat toekomt aan de bestrijding van btw-fraude, zoals in punt 42 van deze conclusie in herinnering is gebracht. Gezien de ernst van de door frauduleuze handelingen aan het algemeen belang toegebrachte schade, lijkt de regeling voor betaling van vertragingsrente over achterstallige btw-schulden waarin de berokken nationale regeling voorziet, in beginsel dan ook niet onevenredig te zijn aan de inbreuk die zij beoogt te bestraffen. De aan verzoekster in rekening gebrachte vertragingsrente komt namelijk overeen met een te verwaarlozen fractie van de achterstallige belasting (namelijk 0,03 %) en het bedrag aan vertragingsrente zal uiteindelijk afhangen van de duur van het uitblijven van betaling of de tardieve betaling van de belasting.
38 Voor zover relevant zou ik willen onderstrepen dat er tussen de lidstaten onderling grote verschillen lijken te bestaan ter zake van het toegepaste tarief voor vertragingsrente. Terwijl er in vijf lidstaten (namelijk Denemarken, de Tsjechische Republiek, Slowakije, Letland en Estland) hogere en zelfs aanzienlijk hogere rentetarieven gelden dan die waarin de hier aan de orde zijnde Litouwse regeling voorziet (bijna 25 % in het geval van Estland), hanteren vier andere lidstaten (namelijk België, Ierland, Bulgarije en Griekenland) min of meer dezelfde tarieven als dat van Letland. Zie in dit verband het verslag van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie van de Europese Commissie, EU VAT Forum Subgroup 7.2 – Administrative Sanctions and Interests Final Report, inzonderheid blz. 33, alleen in het Engels beschikbaar op het volgende internetadres: https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/f3c5fca5‑96e1‑11ed-b508‑01aa75ed71a1/. Zoals de Commissie overigens in haar opmerkingen heeft aangegeven, lijkt het in het hoofdgeding gehanteerde rentetarief (namelijk 10,708 % op jaarbasis) niet buitensporig te zijn in vergelijking met de rentetarieven die bij sommige bankleningen gangbaar zijn of met de tarieven voor vertragingsrente die zijn vastgesteld overeenkomstig de relevante bepalingen van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1), die doorgaans hoger zijn dan 10 %. Zie dienaangaande artikel 2, punten 6 en 7, van deze richtlijn.
39 Als bijzonder veilig geachte beleggingsinstrumenten hebben staatsobligaties rentetarieven die veelal (aanzienlijk) lager liggen dan de gemiddelde rentetarieven voor bankleningen.
40 Bijvoorbeeld wanneer het gehanteerde rentetarief voor laattijdige betaling van de btw aanzienlijk lager uitvalt dan het geldende tarief voor niet-betaling van handelsschulden.
41 Zie de punten 10 en 11 van deze conclusie.
C/2024/6911
25.11.2024
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Mokestinių ginčų komisijos prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (Litouwen) op 12 augustus 2024 – BUAB “Nekilnojamojo turto valdymas” / Valstybinę mokesčių inspekciją prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
(Zaak C-544/24, Nekilnojamojo turto valdymas)
(C/2024/6911)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: BUAB “Nekilnojamojo turto valdymas”
Verwerende partij: Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
Prejudiciële vragen
1.
Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn 2006/112/EB (1) en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die het mogelijk maakt rente wegens laattijdige betaling van belasting op te leggen die deels een sanctie is voor dezelfde fiscale inbreuken als die welke strafrechtelijk worden vervolgd, zonder daarbij coördinatieregels vast te stellen die het bijkomende nadeel als gevolg van de cumulatie van procedures voor de betrokken personen tot het strikt noodzakelijke beperken of die waarborgen dat het geheel van de opgelegde sancties niet zwaarder is dan hetgeen strikt noodzakelijk is in verhouding tot de ernst van de betrokken inbreuk?
2.
Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een procedure van toepassing van rente wegens laattijdige betaling van belastingen waarbij, ongeacht de aard en de ernst van de inbreuken, een vast punitief bestanddeel van de rente wegens laattijdige betaling van belastingen wordt vastgesteld, zonder dat dit punitieve bestanddeel kan worden verlaagd, dat wil zeggen dat een lager percentage aan vertragingsrente kan worden opgelegd dan het bij wet vastgestelde percentage of dat het punitieve bestanddeel van de vertragingsrente kan worden kwijtgescholden?
Afbeelding: Nano Banana 2/ Canva