Inschrijfgelden van gedupeerden van een loterij vergoeding voor diensten onder bezwarende titel

Inschrijfgelden van gedupeerden van een loterij vergoeding voor diensten onder bezwarende titel

C BV, onderdeel van fiscale eenheid A, incasseerde in het eerste kwartaal van 2015 inschrijfgelden van gedupeerden van een loterij. Deze personen meldden zich via een website aan nadat in een eerdere gerechtelijke procedure (een collectieve actie) was vastgesteld dat de loterij zich schuldig had gemaakt aan misleidende mededelingen. In ruil voor het inschrijfgeld (en een latere no cure no pay-vergoeding) machtigden de aanmelders C BV om namens hen op te treden en verbond de vennootschap zich ertoe te proberen een schadevergoeding voor hen te bewerkstelligen. Eind maart 2015 wijzigde C BV haar vestigingsadres in het handelsregister naar Guernsey. De onderhandelingen met de loterij over de schadevergoeding eindigden uiteindelijk zonder resultaat.

In geschil is of A omzetbelasting is verschuldigd over de in 2015 door C BV ontvangen inschrijfgelden. A stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een dienst onder bezwarende titel, onder meer omdat C BV louter een collectief belang behartigde, het inschrijfgeld geen werkelijke tegenwaarde voor de gemaakte kosten zou zijn en de onderhandelingen geen resultaat hebben opgeleverd. Daarnaast betoogt A dat de plaats van dienst niet in Nederland ligt omdat de zetel naar Guernsey zou zijn verplaatst. Tot slot beroept zij zich tegenover de Belastingdienst op het gelijkheidsbeginsel, omdat een andere stichting die met de loterij onderhandelde geen btw heeft voldaan.

Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat A wel degelijk diensten onder bezwarende titel heeft verricht. Er was sprake van een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties werden uitgewisseld: de betaling van het inschrijfgeld stond tegenover de geleverde inspanningsverplichting. Het Hof maakt hierbij uitdrukkelijk de vergelijking met het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2018:864 en de jurisprudentie van het HvJ inzake Apple and Pear Development Council (ECLI:EU:C:1988:120). In die zaken ging het om contributies voor niet-concreet aanwijsbare, algemene belangen, terwijl de aanmelders in de onderhavige casus betaalden voor een specifiek en individualiseerbaar belang, net zoals cliënten van een advocaat doen. Dat het gewenste resultaat uitbleef, doet niet af aan de geleverde inspanning. Tevens is de plaats van dienst in Nederland, nu A onvoldoende heeft onderbouwd dat de plaats van de werkelijke leiding daadwerkelijk naar Guernsey is verplaatst. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens, waardoor de naheffingsaanslag van de Belastingdienst terecht is opgelegd.

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2026
Datum publicatie
25-03-2026
Zaaknummer
24/3217
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting over inschrijfgelden; diensten onder bezwarende titel; plaats van dienst; gelijkheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026032504
V-N Vandaag 2026/560
FutD 2026-0549
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3217

13 januari 2026

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., belanghebbende,

(gemachtigde: mr. B.J. Beukema)

tegen de uitspraak van 25 april 2024 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerk HAA 21/6123 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1Procesverloop
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015, ongegrond verklaard.

1.2.
Na het instellen van hoger beroep op naam van belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:


een motivering van het hoger beroep door belanghebbende;


een verweerschrift door de inspecteur;


een nader stuk (reactie op het verweerschrift) door belanghebbende.

1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2Feiten
2.1.
In 2008 is [persoon 1] een initiatief gestart om schadevergoeding te verkrijgen van [loterij] vanwege misleidende mededelingen die [loterij] heeft gedaan over de door haar georganiseerde loterij. In verband met dat initiatief heeft [persoon 1] , handelend als bestuurder van [A BV] , in 2008 [B BV] (hierna: [B BV] ) opgericht en heeft [B BV] op haar beurt [C BV] (hierna: [C BV] ) opgericht.

2.2.
[B BV] had volgens haar statuten als primair doel het verlenen van juridische bijstand in de meest uitgebreide zin. Het primaire statutaire doel van [C BV] was in 2015 het verlenen van juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen. Alle aandelen in en het bestuur van [B BV] en [C BV] berustten uiteindelijk, al dan niet via andere entiteiten, bij [persoon 1] , althans in het eerste kwartaal van 2015.

2.3.
De door [C BV] opgerichte, en destijds door haar bestuurde, [D Stichting] (hierna: [D Stichting] , heeft op de voet van artikel 3:305a BW een procedure (hierna: de collectieve actie) gevoerd tegen de organisator van [loterij] (hierna: [loterij] ). In die procedure heeft het gerechtshof Den Haag op 28 mei 2013 voor recht verklaard dat [loterij] in de jaren 2000 tot en met 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. De door beide partijen ingestelde cassatieberoepen heeft de Hoge Raad op 30 januari 2015 ongegrond bevonden.

2.4.
Na de verwerping van de cassatieberoepen hebben zich (opnieuw) vele personen (hierna: de aanmelders) aangemeld via de website [website] , ook in het eerste kwartaal van 2015. De aanmelders hebben een inschrijfgeld moeten betalen op een bankrekening van [C BV] . De hoogte van het door een deelnemer verschuldigde inschrijfgeld was afhankelijk van het aantal loten waarmee is deelgenomen aan trekkingen van [loterij] . Voor het eerste lot was het inschrijfgeld € 35.

2.5.
Op de website [website] was vermeld:

“Bij het registreren van een gebruikersaccount van deze website gaat u akkoord met de Algemene Voorwaarden betreffende de actie tegen [loterij] . Verder wordt daarbij door u verklaard de algemene voorwaarden gelezen en begrepen te hebben en onvoorwaardelijk akkoord te gaan met deze voorwaarden. Daarnaast machtigt u [C BV] om voor en namens u de opdracht in behandeling te nemen en in recht op te treden. U geeft hierbij verder voor zover u daarvoor kiest machtiging aan [C BV] de deelnamefee eenmalig af te schrijven van uw rekening. De vorderingen zijn ter incasso uitbesteed aan [E BV] ”

2.6.
In de in het citaat in 2.5 bedoelde algemene voorwaarden was in het eerste kwartaal van 2015 onder meer het volgende opgenomen:

“Definities

[X] : [D Stichting] en [website] B.V, gevestigd te (…). [website] is onderdeel van [X] . (…).

Cliënt: degene die een overeenkomst met [X] aangaat, waarbij deze algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard.

Zaak: procedure tegen [loterij] in verband met onder meer hetgeen als aan de orde is gesteld in de BW 3:305a actie vanwege misleiding omtrent onder meer het prijzenpakket in de periode 2000 tot 2008. Doel van de procedure is het bewerkstelligen van een schadevergoeding in de vorm van geld dan wel nader overeen te komen soort schadevergoeding. Uitgangspunt is cliënt datgene te doen toekomen waar hij/zij redelijkerwijs recht op heeft.

(…)

B Derden

1. Door het aangaan van een overeenkomst met [X] geeft cliënt aan [X] opdracht de diensten met betrekking tot de vorderingen te verrichten of door (een) derde(n) te doen verrichten met inachtneming van het gestelde in deze Voorwaarden alsmede de Overeenkomst. Het staat [X] vrij ter uitvoering van de verleende opdracht werkzaamheden door bij het kantoor werkzame personen – onder hun verantwoordelijkheid – te laten uitvoeren en in voorkomende gevallen niet tot het kantoor behorende derden in te schakelen. Werkzaamheden door derden worden geacht begrepen te zijn onder de aan [X] verleende opdracht.

2. [X] is door cliënt gevolmachtigd om deze derden in te schakelen waaronder bijvoorbeeld een advocaat, notaris of accountant. Iedere aansprakelijkheid voor tekortkomingen van niet tot het kantoor van [X] behorende derden is uitdrukkelijk uitgesloten. [X] is namens cliënt gemachtigd algemene voorwaarden en aansprakelijkheidsbeperkingen van derden namens cliënt te aanvaarden. Deze voorwaarden incorporeren richting cliënt.

C Betaling

1. De opdracht wordt uitgevoerd voor een van de op de website gemaakte categorie en de één van de daarbij behorende opties. Wanneer een no cure, no pay fee van toepassing is wordt op dat moment in rekening gebracht indien er direct dan wel indirect compensatie wordt gegeven door een partij ter zake de vordering. Het resultaat behoeft niet rechtstreeks te zijn herleiden tot de werkzaamheden van [X] om interpretatieproblemen te voorkomen. Eventueel toegekende vergoedingen voor juridische kosten vervallen ten goede van [X] . De no cure, no pay fee, afgezien van eenmalig verschuldigd inschrijfgeld, bedraagt 20% (zegge: twintig procent). Deze no cure, no pay fee is door elke deelnemer ongeacht het moment van aanmelding (periode 2008 tot heden) verschuldigd bij resultaat.

(…)

7. De opdracht is persoonlijk in die zin dat het anderen dan cliënt c.q. zijn / haar bedrijf of rechtspersoon geen recht hebben op de diensten die overeengekomen zijn. Telefonische adviezen worden enkel verstrekt aan degene die de opdracht rechtsgeldig ondertekend heeft, dan wel aan degene die door [X] als vertegenwoordiger van cliënt is geaccepteerd/…)

(…)

9. [X] kan een extra bijdrage vragen in hogere rechtsinstanties voor zover dat in overeenstemming met cliënt wordt bepaald.

(…)

D De dienstverlening en haar gevolgen

1. [X] verleent collectieve juridische diensten voor haar eigen leden alsmede voor leden van derdedienstverleners tot wie [X] in een relatie staat. (…) De door [X] verrichte werkzaamheden en/of producten zijn uitsluitend voor cliënt bestemd en mogen niet worden doorverkocht of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze zijn verricht en/of verstrekt.

(…)

5. Bij een eenzijdige opzegging van een opdracht door cliënt blijven de tarieven van [X] van toepassing. Zowel het inschrijfgeld als het no cure, no pay percentage blijft onverminderd verschuldigd.

6. [X] is gerechtigd de overeenkomst dan wel dienaangaande werkzaamheden op te zeggen, stop te zetten of op te schorten wanneer verdere behandeling niet verantwoord is vanwege bijvoorbeeld te kort animo dan wel wanneer een aangebrachte zaak verder kansloos is in behandeling, zulks ter uitsluitende beoordeling van [X] .

(…)

E Tarieven

(…)

2. Indien voor de overeengekomen werkzaamheden of voor een bepaald product een vaste prijs is afgesproken, dan wordt deze prijs direct in rekening gebracht en dient deze ook vooruitbetaald te worden.

(…)

4. Betaling van de declaraties van [X] dient te geschieden binnen veertien (14) dagen na verzending daarvan. (…)

5. Indien om welke reden dan ook betaling van declaraties uitblijft, staat het [X] vrij de werkzaamheden voor cliënt op te schorten totdat volledige betaling van de betreffende declaratie(s) heeft plaatsgehad. (…)

(…)

G Uitvoering en aansprakelijkheid

(…)

4. [X] is gemachtigd cliënt binnen en buiten rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van een overeengekomen zaak. [X] is gemachtigd een rechtszaak te voeren bij de rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad en vice versa.

(…)

8. Indien het online aanmeldformulier op de knop aanmelden wordt gedrukt, wordt de onderliggende overeenkomst als overeengekomen beschouwd.

(…)”

2.7.
[D Stichting] en [loterij] hebben op 7 april 2015 een overlegprotocol (hierna: het protocol) gesloten om het resterende geschil na de verklaring voor recht, over te vergoeden schade, in der minne op te lossen (hierna: het vervolgtraject). In het protocol is onder meer het volgende opgenomen:

“4.1 [ [D Stichting] ] zal op de kortst mogelijke termijn na ondertekening van deze Overeenkomst een geactualiseerde lijst aanleveren van de bij haar aangesloten deelnemers.

4.2 [
[loterij] ] zal, noch tijdens het overleg, noch op enig moment daarna (…), deze lijst gebruiken om deelnemers van [de Stichting] te benaderen om aan hen een schikkingsaanbod te doen buiten [ [D Stichting] ] om.

(…)

5.1 [
[loterij] ] zal, nadat zij de geactualiseerde lijst als bedoeld in artikel 4.1 heeft ontvangen, per deelnemer de volgende informatie aan [ [D Stichting] ] verschaffen met betrekking tot de periode van 2000 t/m 2007 en de Koninginnedagtrekking van 2008:

a. het aantal trekkingen waaraan de betreffende deelnemer heeft deelgenomen;

b. het aantal loten waarmee de deelnemer per trekking heeft meegespeeld;

c. de prijs die de deelnemer voor de betreffende loten heeft betaald;

d. (…) het totaal aan prijzengeld dat de betreffende deelnemer heeft gewonnen.

(…)

7.1 [
[D Stichting] ] zal op de kortst mogelijke termijn (…) schriftelijk haar vordering tot schadevergoeding, althans die van haar achterban, onderbouwen. (.. )

(…)

10.2 [
[D Stichting] ] zal gedurende het overleg niet actief aanvullende deelnemers werven (…).”

2.8.
Het vervolgtraject, althans het overleg tussen [D Stichting] en [loterij] , is zonder resultaat geëindigd. Wel heeft [loterij] , nadat zij met [E Stichting] een vaststellingsovereenkomst had gesloten, degenen die in de periode 2000-2008 aan de door haar georganiseerde loterijen/trekkingen hebben deelgenomen, in de gelegenheid gesteld om zonder betaling deel te nemen aan een extra loterij/trekking. Aan degenen die zich voor een bepaalde datum hadden aangemeld bij [E Stichting] en/of op [website] ( [C BV] of [D Stichting] heeft [loterij] voorts een eenmalige vergoeding aangeboden. Een en ander hield geen verband met het overleg tussen [loterij] en [D Stichting] .

2.9.
Tot de stukken van het geding behoort een schriftelijke overeenkomst tussen [C BV] en [D Stichting] van 6 april 2016. In die overeenkomst is, onder meer, bepaald dat (i) [C BV] de kosten van procedures gevoerd door [D Stichting] zal blijven betalen, (ii) alle vorderingen en toekomstige vorderingen van [D Stichting] aan [C BV] toekomen, (iii) [C BV] aan [D Stichting] het recht verleent de gegevens van de aanmelders te gebruiken om te procederen tegen [loterij] , (iv) [C BV] mag beslissen wie namens [D Stichting] optreedt in rechte en (v) [C BV] met elke door [D Stichting] met [loterij] te sluiten schikking moet instemmen. In de ondertekening van de overeenkomst is [C BV] vertegenwoordigd door [F Ltd] . [D Stichting] is vertegenwoordigd door [C BV] , die op haar beurt is vertegenwoordigd door [F Ltd] .

2.10.
[B BV] heeft op 27 maart 2015 haar in het handelsregister vermelde vestigingsadres gewijzigd van een adres in Heerhugowaard naar een adres op Guernsey (VK). [C BV] heeft hetzelfde gedaan per 30 maart 2015. De statutaire zetel van beide vennootschappen is in Nederland gebleven.

2.11.
[B BV] en [C BV] behoorden in het eerste kwartaal van 2015 tot belanghebbende, een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

2.12.
Op 24 april 2015 heeft de administrateur van belanghebbende een e-mailbericht aan [persoon 1] gestuurd met daarbij een overzicht van de gegevens voor de aangifte omzetbelasting van belanghebbende voor het eerste kwartaal van 2015. In dat overzicht is voor [C BV] een omzet uit goederenleveringen en diensten die naar het tarief van 21% zijn belast vermeld van € 2.362.001 en een over die omzet verschuldigde omzetbelasting van € 496.025.

2.13.
In de uiteindelijk ingediende aangifte omzetbelasting van belanghebbende over het eerste kwartaal van 2015 zijn bedragen aan omzet van [C BV] en omzetbelasting over die omzet opgegeven van € 472.400 respectievelijk € 99.204.

2.14.
Zich op het standpunt stellende dat belanghebbende omzetbelasting is verschuldigd uit alle ontvangsten van [C BV] van betalingen door deelnemers die zich hebben aangemeld op de website [website] , heeft de inspecteur met gebruikmaking van het overzicht bij het in 2.12 bedoelde e-mailbericht de litigieuze naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. De naheffingsaanslag is als volgt berekend:

verschuldigde omzetbelasting € 496.025

aangegeven € 99.204

nageheven € 396.816

belastingrente € 63.622

totaal € 460.438

2.15.
Het nageheven bedrag heeft uitsluitend betrekking op de inschrijfgelden die aanmelders hebben betaald aan [C BV] .

3Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal 2015 terecht is opgelegd. Dat is het geval als belanghebbende over de door [C BV] van aanmelders ontvangen inschrijfgelden omzetbelasting verschuldigd is.

4Beoordeling van het geschil
Dienstverlening onder bezwarende titel

4.1.
De eerste grond van het hoger beroep is dat de aanmelders in ruil voor de aan [C BV] betaalde inschrijfgelden geen diensten hebben ontvangen. Met [loterij] heeft [D Stichting] collectieve onderhandelingen gevoerd voor alle gedupeerden van de misleiding, ongeacht of zij zich op [website] hebben aangemeld, aldus belanghebbende. Volgens haar staan de ontvangen inschrijfgelden (daarom) niet in rechtstreeks verband tot een dienst aan de aanmelders. Bovendien zou het inschrijfgeld niet kunnen worden beschouwd als de werkelijke tegenwaarde voor dienstverlening aan de aanmelders, gegeven de kosten van € 34 miljoen van [C BV] . Ten slotte heeft belanghebbende erop gewezen dat de onderhandelingen tussen [D Stichting] en [loterij] zonder resultaat zijn geëindigd.

4.2.1.
De in 4.1 bedoelde grond slaagt niet.

4.2.2.
Naar het oordeel van het Hof volgt uit de feiten dat belanghebbende diensten onder bezwarende titel heeft verricht. Er bestaat namelijk een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties zijn uitgewisseld. Meer bepaald heeft [C BV] zich tegenover betaling van het inschrijfgeld, en een nadere vergoeding bij succes, ten opzichte van elk van de aanmelders verbonden te (doen) trachten, een vergoeding te bewerkstelligen voor geleden schade als gevolg van de misleidende mededelingen van [loterij] . Dat volgt in het bijzonder uit de in 2.5 geciteerde vermelding op de website [website] . Volgens die vermelding geeft een aanmelder aan [C BV] een opdracht, en machtigt hij/zij [C BV] , om namens hem/haar in rechte op te treden. Daarnaast kan uit de algemene voorwaarden, en mede de definitie van “Zaak” daarin (zie 2.6), in redelijkheid niets anders worden begrepen dan dat de aanmelder een redelijke inspanning mag verwachten gericht op het bewerkstelligen van een passende vergoeding van door haar/hem geleden schade. Daaraan doet niet af dat die inspanning in bundeling met die voor andere aanmelders zou plaatsvinden. Ook overigens wijst niets erop dat het inschrijfgeld een donatie of anderszins een betaling is die niet rechtstreeks verband houdt met te leveren inspanningen voor een passende schaderegeling in verband met de misleidende mededelingen van [loterij] . Zou elke inspanning zijn uitgebleven, dan had [C BV] , uitgaande van de feiten die in deze procedure zijn komen vast te staan, ten opzichte van de aanmelders wanprestatie geleverd. Tot slot waren aanmelders gehouden de vergoeding aan [C BV] te betalen.

4.2.3.
De omstandigheid dat mede anderen dan de aanmelders hadden kunnen profiteren van een door [C BV] / [D Stichting] met [loterij] te bereiken schaderegeling maakt, anders dan belanghebbende heeft betoogd, nog niet dat een collectief belang is behartigd dat niet te reduceren is tot individuele belangen van de deelnemers. Net als de rechtbank is het Hof van oordeel dat het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:864, een op relevante onderdelen andere casus betreft. Eveneens een ander geval was aan de orde in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Apple and Pear Development Council (arrest van 8 maart 1988, 102/86, ECLI:EU:C:1988:120). Die beide organisaties waren namelijk (mede) gericht op de behartiging van niet concreet aanwijsbare belangen van hun leden, die contributie betaalden, en eventueel derden. De door een individueel lid betaalde contributie kon gebruikt worden voor doeleinden waarbij dat lid niet noodzakelijkerwijs belang had, zoals een bepaalde collectieve actie in het geval van de vereniging van effectenbezitters. Daarentegen hebben de aanmelders aan [C BV] het inschrijfgeld betaald omwille van een specifiek, en individualiseerbaar, belang, te weten het verkrijgen van schadevergoeding van [loterij] . Dat belang delen alle aanmelders. Daarom is een betere vergelijking die met een advocaat die voor diverse belanghebbenden tegelijk opkomt tegen een besluit van een bestuursorgaan, bijvoorbeeld in de sfeer van het omgevingsrecht, terwijl ook andere belanghebbenden, die niet bereid zijn te delen in de kosten, van diens inspanningen kunnen profiteren. De advocaat verleent in dat geval zonder meer diensten onder bezwarende titel, niettegenstaande de aanwezigheid van free riders.

4.2.4.
Evenmin wordt belanghebbende gevolgd in haar betoog dat van de aanmelders niet de werkelijke tegenwaarde is bedongen voor door belanghebbende verleende diensten. Dat betoog berust op een vergelijking tussen het inschrijfgeld voor het eerste lot van een enkele aanmelder (€ 35) en de beweerdelijke kosten die [C BV] in totaal vanaf 2008 heeft gemaakt (€ 34 miljoen). Dat is echter niet een juiste vergelijking, nog daargelaten dat de beoordeling of de werkelijke tegenwaarde is betaald niet is beperkt tot de verhouding tussen opbrengst en kosten. Een vergelijking tussen het totaal van de opbrengsten vanaf 2015 en de kosten vanaf 2015 zou reëler zijn geweest, maar daarin heeft belanghebbende geen inzicht verschaft. Ook overigens ziet het Hof geen reden om de door aanmelders verschuldigde vergoeding als symbolisch te beschouwen, temeer als voorts de mogelijkheid van een succesvergoeding in aanmerking wordt genomen.

4.2.5.
De omstandigheid dat die inspanningen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, doet, ten slotte, evenmin af aan het oordeel in 4.2.2. De verbintenis van [C BV] , en daarmee de dienst van belanghebbende, was immers het (doen) leveren van een bepaalde inspanning, terwijl op zich wordt erkend, althans niet bestreden, dat die inspanning is geleverd.

Plaats van dienst

4.3.
Als tweede grond van het hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat haar diensten aan de aanmelders waarvan zij in het eerste kwartaal van 2015 inschrijfgelden heeft ontvangen, niet kunnen worden geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland. [C BV] zou namelijk de zetel van haar bedrijfsuitoefening op 30 maart 2015 naar Guernsey (VK) hebben verplaatst, terwijl de afnemers van haar diensten uitsluitend niet-ondernemers zijn.

4.4.1.
Ook die grond slaagt niet.

4.4.2.
Voor de beoordeling van de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening is gelegen, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders bijeenkomen. De plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding worden genomen is doorslaggevend wanneer deze criteria geen uitsluitsel bieden (artikel 10 Uitvoeringsverordening EU nr. 282/2011).

4.4.3.
Belanghebbende heeft onvoldoende feiten gesteld om aan de hand van de in 4.4.2 weergegeven criteria tot het oordeel te komen dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van [C BV] per 30 maart 2015 niet langer in Nederland is gelegen. In het bijzonder heeft zij niets gesteld, laat staan gesubstantieerd, over een wijziging van de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van [C BV] werden genomen of de plaats waar de bestuurders van [C BV] bijeenkwamen. Dat had gezien het verloop van de procedure wel op haar weg gelegen. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur immers al uiteengezet dat zijns inziens de plaats waar feitelijk leiding wordt gegeven aan [C BV] niet is verplaatst naar Guernsey. Kennelijk heeft hij daarmee bedoeld dat de zetel van de bedrijfsuitoefening per 30 maart 2015 onverminderd in Nederland is gebleven. De rechtbank heeft bovendien in de bestreden uitspraak overwogen dat onvoldoende grond aanwezig is voor de conclusie dat belanghebbende per 30 maart 2015 niet meer in Nederland is gevestigd voor de heffing van omzetbelasting. En ter zitting in hoger beroep heeft de inspecteur (nogmaals) betwist dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van [C BV] is verplaatst naar Guernsey.

4.4.4.
Hoewel het voor de beoordeling van de plaats van de bedrijfsuitoefening van [C BV] verder niet uitmaakt, merkt het Hof nog op dat partijen en de rechtbank ervan uitgaan dat de statutaire vestigingsplaats naar Guernsey is verplaatst, terwijl uit de stukken van het geding het tegendeel blijkt. Slechts het vestigingsadres in het handelsregister is gewijzigd. Zelfs in een akte van statutenwijziging uit 2017 is nog vermeld dat [C BV] statutair gevestigd is te Heerhugowaard en dat (enkel) haar feitelijke adres op Guernsey is. Hetzelfde is te lezen in het uittreksel uit het handelsregister van [B BV] , het andere onderdeel van belanghebbende.

4.4.5.
Een en ander brengt mee dat belanghebbende haar diensten, die zijn afgenomen door nietondernemers, op grond van artikel 6, lid 2, van de Wet moet worden geacht te hebben verricht in Nederland.

Gelijkheidsbeginsel

4.5.
De laatste grond van het hoger beroep is dat de inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. [E Stichting] , dat dezelfde voorwaarden als [C BV] hanteerde en eveneens met [loterij] heeft onderhandeld over een schaderegeling, zij het met succes, heeft volgens belanghebbende namelijk geen omzetbelasting voldaan.

4.6.
Die grond faalt eveneens. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen, waarbij aan de belastingplichtige moet zijn onthouden (i) begunstigend beleid, (ii) een gunstiger behandeling van een enkele andere belastingplichtige met het oogmerk van begunstiging door de inspecteur, dan wel (iii) een fout die is gemaakt in de meerderheid van de gelijke gevallen. Aan die voorwaarden is niet voldaan. Zelfs als belanghebbende wordt gevolgd in haar standpunt dat [E Stichting] een gelijk geval betreft, ontbreken namelijk aanwijzingen voor begunstigend beleid of een oogmerk van individuele begunstiging door de inspecteur (belanghebbende heeft daarover ook niets gesteld). En als de inspecteur al een fout heeft gemaakt bij [E Stichting] , dan betreft het een fout in een van twee gevallen, zodat niet aan de meerderheidsregel is voldaan.

Slotsom

4.7.
Het hoger beroep is ongegrond.

5Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

ECLI:NL:GHAMS:2026:792

Scroll naar boven