Naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht vernietigd ondanks redelijke schatting

bankoverschrijving mobiel bankieren bancaire transactie tussen mobiele telefoons

Naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht vernietigd ondanks redelijke schatting

A BV is een startup op het gebied van mobiele financiële dienstverlening. De Belastingdienst heeft eerst het standpunt ingenomen dat A BV geen ondernemer is, maar nodigt haar daarna weer uit tot het doen van aangiften omzetbelasting. A BV retourneert de aangiften niet, waarna de Belastingdienst naheffingsaanslagen oplegt.

De Belastingdienst is in hoger beroep gegaan tegen het oordeel van de rechtbank dat de naheffingsaanslagen van € 250 per kwartaal niet berusten op een redelijke schatting en dat deze daarom moeten worden vernietigd.

Naar het oordeel van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden mocht de Belastingdienst, ondanks zijn eerdere andersluidende standpunt, doorgaan met A BV uit te nodigen tot het doen van aangifte.  A BV moest de in de uitnodigingen tot het doen van aangifte verlangde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekken, maar heeft ervoor gekozen stil te zitten en in het geheel geen aangifte te doen. Op grond van artikel 20 AWR stond het de Belastingdienst daarom vrij voor de betreffende tijdvakken naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen (in dit geval: € 250 per kwartaal) op te leggen. Tevens stond het de Belastingdienst vrij op grond van artikel 67b AWR een aangifteverzuimboete van € 65 op te leggen en op grond van artikel 67c AWR een betalingsverzuimboete van € 50. Deze boetes zijn ook opgelegd in overeenstemming met de voorschriften van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan niet worden gezegd dat de opgelegde naheffingsaanslagen niet op een redelijke schatting berusten. Een geschat bedrag van € 250 per kwartaal kan op zichzelf niet als onredelijk hoog worden beschouwd. De Belastingdienst beschikt immers niet over de actuele gegevens die nodig zijn om een meer accurate schatting te maken.

Het Hof is echter op andere gronden van oordeel dat de Rechtbank de naheffingsaanslagen terecht heeft vernietigd, namelijk omdat A BV heeft doen blijken dat in de betreffende tijdvakken geen belasting was verschuldigd. Daarnaast heeft de Belastingdienst ter zitting verklaard dat grote twijfel bestond over het ondernemerschap en dat als A BV een nihilaangifte zou hebben ingediend, deze gewoon zou zijn gevolgd. Ook wijst het Hof erop dat A BV per 1 januari 2019 daadwerkelijk als ondernemer uit de administratie van de Inspecteur is afgevoerd. De Rechtbank heeft daarom de naheffingsaanslagen en de daarbij behorende betalingsverzuimboetes terecht vernietigd.

GerechtshofRechtbank

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2022
Datum publicatie
24-06-2022
Zaaknummer
20/00377 en 20/00378
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:257, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
OB. Vereiste aangifte. Redelijke schatting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-6-2022
V-N Vandaag 2022/1590
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN
locatie Arnhem

nummer 20/00377 en 20/00378

uitspraakdatum:

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 januari 2020, nummers AWB 18/4525 en AWB 19/672, ECLI:NL:RBGLD:2020:257, in het geding tussen belanghebbende en

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen deze uitspraak

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 26 augustus 2017 over het tijdvak 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 250. Bij beschikkingen zijn een betalingsverzuimboete van € 50 en een aangifteverzuimboete van € 65 opgelegd.

1.2.
Aan belanghebbende is met dagtekening 28 augustus 2018 over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 250. Bij beschikkingen zijn een betalingsverzuimboete van € 50 en een aangifteverzuimboete van € 65 opgelegd.

1.3.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep tegen de naheffingsaanslagen en de betalingsverzuimboetes gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en de betalingsverzuimboetes vernietigd. Het beroep tegen de aangifteverzuimboetes is ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de Inspecteur ter zake van het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen een dwangsom van € 2.690 heeft verbeurd. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 500 en de Staat tot betaling van een bedrag van € 1.500. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 260 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021 en 13 januari 2022. Van de zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. De zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers 20/00088, 20/00089 en 20/00090 (IB/PVV, ZVW en OB ten name van [naam1] ).

2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende is op 6 november 2014 opgericht door [naam1] (hierna: [naam1] ). [naam1] is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. Belanghebbende verricht ICT-activiteiten op het gebied van mobiele betaalsystemen.

2.2.
Aan belanghebbende is over het eerste kwartaal van 2016 een naheffingsaanslag OB van € 1.369 opgelegd. De naheffing betreft de op aangifte in aftrek gebrachte voorbelasting. Op 25 oktober 2016 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het ingediende bezwaar. In de uitspraak wordt als motivering daarvoor op de eerste plaats vermeld dat de Inspecteur van mening is dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting omdat belanghebbende niet (langer) als ondernemer kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft namelijk in de aangiften OB van 2015 en de eerste twee kwartalen van 2016 geen enkele omzet aangegeven en kan door het ontbreken van omzet niet geacht kan worden nog economische prestaties te leveren. In de tweede plaats is de Inspecteur van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt recht te hebben op aftrek van voorbelasting omdat belanghebbende in het geheel geen facturen of grootboekrekeningen heeft verstrekt waaruit het recht op aftrek zou kunnen blijken.

2.3.
Naar aanleiding van het door de Inspecteur in deze uitspraak ingenomen standpunt dat belanghebbende geen ondernemer meer is, heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat zij dan ook niet meer is gehouden aangifte te doen. De Inspecteur heeft belanghebbende voor elk kwartaal in de jaren 2017 en 2018 nog uitgenodigd aangifte voor de heffing van de omzetbelasting (hierna: OB) te doen. Belanghebbende heeft geen aangiften ingediend. Ook niet voor het tweede kwartaal van 2017 en het tweede kwartaal van 2018. De Inspecteur heeft vervolgens de thans in geschil zijnde aanslagen van elk € 250 opgelegd en daarnaast telkens een betalingsverzuimboete van € 50 en een aangifteverzuimboete van € 65 opgelegd. Aanslag en boetebeschikkingen zijn telkens in één geschrift opgenomen.

2.4.
Op 27 december 2018 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag OB aan belanghebbende opgelegd over het tijdvak 1 november 2014 tot en met 31 december 2016. Door middel van deze naheffingsaanslag is de aftrek van alle voorbelasting van deze periode teruggenomen. Bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2019 heeft de Inspecteur deze aanslag, met inachtneming van enkele correcties wegens onjuistheden, gehandhaafd. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende geen voor aftrek kwalificerende facturen overgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende in haar aangiften over 2015 en 2016 in het geheel geen omzet wegens geleverde prestaties vermeld en kan daarom voor eventueel aan belanghebbende in rekening gebrachte voorbelasting ook geen verband worden gelegd met belaste prestaties.

2.5.
Op 8 april 2019 hebben belanghebbende en de Inspecteur overleg gevoerd. Naar aanleiding van dat overleg is belanghebbende door de Inspecteur per 1 januari 2019 uit diens administratie afgevoerd als ondernemer.

2.6.
Belanghebbende is tegen de thans in geschil zijnde aanslagen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 25 juni 2019 geoordeeld dat belanghebbende per naheffingsaanslag recht heeft op één dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn door de Inspecteur. In haar einduitspraak heeft de Rechtbank het eerdere oordeel over de dwangsommen bevestigd en dwangsommen van respectievelijk € 1.260 en € 1.430 verbeurdverklaard. De Rechtbank heeft het beroep tegen de naheffingsaanslagen en de betalingsverzuimboetes gegrond verklaard omdat zij van oordeel is dat de aanslagen niet op een redelijke schatting berusten. De Rechtbank heeft daarom de naheffingsaanslagen en de betalingsverzuimboetes vernietigd. Het beroep tegen de aangifteverzuimboetes is ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 500 en de Staat tot betaling van een bedrag van € 1.500. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 260 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

3Geschil
3.1.
Het hoger beroep van de Inspecteur is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de naheffingsaanslagen van € 250 per kwartaal niet berusten op een redelijke schatting en dat deze daarom moeten worden vernietigd. Het hoger beroep richt zich tevens op het vervallen van de daarmee samenhangende betalingsverzuimboetes.

3.2.
Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende is gericht tegen de aangifteverzuimboetes en tegen het toekennen van slechts één dwangsom per aanslag. Daarnaast vordert belanghebbende een schadevergoeding van € 25.000 en 4% rente over dwangsom, proceskostenvergoeding en griffierecht. Haar klacht over schending van de hoorplicht heeft belanghebbende ter zitting ingetrokken.

4Beoordeling van het geschil
Hoger beroep van de Inspecteur

4.1.
Op grond van artikel 6 van de AWR kan de Inspecteur met betrekking tot belastingen die op aangifte worden voldaan, zoals de omzetbelasting, degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte. Naar het oordeel van het Hof mocht de Inspecteur, ondanks diens op 25 oktober 2016 andersluidende standpunt, doorgaan met belanghebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte. De discussie over het ondernemerschap was immers op dat tijdstip nog geenszins afgerond en de Inspecteur hoefde niet uit te sluiten dat belanghebbende anders dan in de jaren 2015 en 2016 prestaties in het economische verkeer zou gaan verrichten.

4.2.
Uit artikel 8 van de AWR volgt dan dat belanghebbende, ondanks haar andersluidende opvatting daarover, verplicht was de in de uitnodigingen tot het doen van aangifte verlangde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. Bij handhaving van haar standpunt dat zij geen ondernemer meer was, had belanghebbende bijvoorbeeld door vermelding van nihil op de daarvoor geschikte plaatsen en/of door het verstrekken van een toelichting, aan die verplichting kunnen voldoen. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen stil te zitten en in het geheel geen aangifte te doen. Op grond van artikel 20 AWR stond het de Inspecteur daarom vrij voor de betreffende tijdvakken naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen (in dit geval: € 250 per kwartaal) op te leggen. Tevens stond het de Inspecteur vrij op grond van artikel 67b AWR een aangifteverzuimboete van € 65 op te leggen en op grond van artikel 67c AWR een betalingsverzuimboete van € 50. Deze boetes zijn ook opgelegd in overeenstemming met de voorschriften van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

4.3.
In artikel 27e AWR is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, zoals hier het geval is, de rechter het beroep ongegrond verklaart, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dat betekent niet dat de Inspecteur de aanslag naar willekeur kan vaststellen. Hij dient een redelijke schatting van de verschuldigde belasting te maken.

4.4.
Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, kan niet worden gezegd dat de opgelegde naheffingsaanslagen niet op een redelijke schatting berusten. Een geschat bedrag van € 250 per kwartaal kan op zichzelf niet als onredelijk hoog worden beschouwd. De Inspecteur beschikt immers niet over de actuele gegevens die nodig zijn om een meer accurate schatting te maken. De omstandigheid dat in het verleden teruggaven zijn verleend kan hier niet aan afdoen, omdat ook die gegevens onvoldoende zeggen over de omstandigheden in het tijdvak waarvoor een aanslag moet worden opgelegd. Bij het beoordelen van de redelijkheid van de schatting kan ook geen rekening worden gehouden met het in beroep door belanghebbende naar voren gebrachte standpunt dat zij in de jaren 2017 en 2018 weliswaar werkzaamheden verrichtte, maar daarvoor nog niets kon factureren. Dat is een omstandigheid waarmee de Inspecteur bij de (geautomatiseerde) oplegging van aanslagen uiteraard geen rekening mee heeft kunnen houden.

4.5.
Het Hof is echter op andere gronden van oordeel dat de Rechtbank de naheffingsaanslagen terecht heeft vernietigd, namelijk omdat belanghebbende heeft doen blijken dat in de betreffende tijdvakken geen belasting was verschuldigd. Het Hof wijst daarvoor op de brief van de Inspecteur van 25 oktober 2016 waarin het standpunt wordt ingenomen dat belanghebbende geen ondernemer is en de aan belanghebbende over de periode van 1 november 2014 tot en met 2016 opgelegde naheffingsaanslag waarmee alle aftrek van voorbelasting is gecorrigeerd, onder andere omdat belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 geen omzet wegens geleverde prestaties heeft vermeld. Daarnaast heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat grote twijfel bestond over het ondernemerschap en dat als belanghebbende een nihilaangifte zou hebben ingediend, deze gewoon zou zijn gevolgd. Ook wijst het Hof erop dat belanghebbende per 1 januari 2019 daadwerkelijk als ondernemer uit de administratie van de Inspecteur is afgevoerd. Ten slotte neemt het Hof in de overwegingen mee dat de activiteiten van belanghebbende zich vooral op buitenlandse opdrachtgevers richtten en dat als zij daarvoor als ondernemer zou moeten worden beschouwd, de kans dat de voorbelasting de verschuldigde belasting overtreft niet kan worden verwaarloosd. Hiermee is naar het oordeel van het Hof overtuigend komen vast te staan dat belanghebbende over deze twee tijdvakken geen belasting was verschuldigd. De Rechtbank heeft daarom de naheffingsaanslagen en de daarbij behorende betalingsverzuimboetes terecht vernietigd.

Incidenteel hoger beroep van belanghebbende

4.6.
In incidenteel hoger beroep voert belanghebbende in de eerste plaats aan dat ook de aangifteverzuimboete moet vervallen. Zij wijst in dit verband erop dat een aan [naam1] opgelegde naheffingsaanslag over het vierde kwartaal van 2015 bij uitspraak op bezwaar is vernietigd en dat daarbij niet alleen de betalingsverzuimboete, maar ook de aangifteverzuimboete is vernietigd.

4.7.
Het Hof is van oordeel dat de vernietiging van de aan [naam1] opgelegde aangifteverzuimboete niet kan leiden tot vernietiging van de aan belanghebbende opgelegde aangifteverzuimboete omdat bij [naam1] kennelijk sprake was van een incidenteel geval en bij belanghebbende sprake is van het willens en wetens structureel niet doen van aangifte. Van gelijke gevallen is geen sprake. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat deze boetes passend en geboden zijn.

4.8.
Belanghebbende voert aan dat de Rechtbank haar ten onrechte slechts één dwangsom per aanslag en bijbehorende boetebeschikkingen heeft toegekend. Belanghebbende wijst erop dat zij van het automatiseringscentrum van de Belastingdienst per kwartaal twee uitspraken heeft ontvangen: één met betrekking tot de aanslag en de betalingsverzuimboete en één met betrekking tot de aangifteverzuimboete.

4.9.
Het Hof overweegt dat de aanslag, de betalingsverzuimboete en de aangifteverzuimboete voor beide tijdvakken op één biljet zijn verenigd en dat belanghebbende ook telkens tegen het geheel bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge artikel 24a, lid 2, AWR wordt een tegen de belastingaanslag gericht bezwaar geacht tevens gericht te zijn tegen de op hetzelfde biljet vermelde bestuurlijke boete. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:485, vertonen de aanslag, boetebeschikking en heffingsrente in een dusdanig geval daardoor een zodanige samenhang dat met betrekking de uitspraak op daartegen gerichte bezwaren slechts één dwangsom kan worden verbeurd. De omstandigheid dat na de aankondiging van de Inspecteur met de inhoudelijke beoordeling nog per zaak twee uitspraken van het automatiseringscentrum van de Belastingdienst zijn ontvangen, doet hier niet aan af. De Rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak heeft op vier, maar op twee dwangsommen.

4.10.
Belanghebbende heeft in haar aan de Rechtbank gerichte brief van 4 augustus 2019 vergoeding van wettelijke rente gevorderd. Omdat de Rechtbank hierop niet op heeft beslist, zal het Hof dit alsnog doen. Het Hof zal bepalen dat aanspraak bestaat op vergoeding van wettelijke rente over de aan belanghebbende door de Rechtbank toegekende vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht vanaf vier weken na de datum van de uitspraak van de Rechtbank. Voor de toegekende dwangsommen begint de termijn te lopen acht weken na de laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd (HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1774). Uitgaande van ingebrekestellingen op 2 december 2017 en op 13 december 2018, twee weken termijn ingebrekestelling en zes weken termijn waarover een dwangsom is verschuldigd, eindigt de laatste dag waarover dwangsom is verschuldigd op respectievelijk 16 februari 2018 en 7 februari 2019. Rekening houdend met de hiervoor genoemde acht-wekentermijn is wettelijke rente verschuldigd bij betaling van de dwangsommen na 13 april 2018 (dwangsom 2e kwartaal 2017) en na 4 april 2019 (dwangsom 2e kwartaal 2018).

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger van de Inspecteur beroep ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5Griffierecht, proceskosten en schadevergoeding
Griffierecht

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaart, zal het Hof bepalen dat van de Inspecteur griffierecht wordt geheven.

Proceskosten

5.2
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van de verletkosten van de talloze uren die zij aan de procedures heeft moeten besteden. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet, voor zover van belang, slechts in vergoeding van verletkosten voor het bijwonen van de mondelinge behandeling(en). In de vergoeding van verletkosten voor voorbereidingstijd voorziet het Besluit niet. Het Hof stelt de verletkosten vast op drie uur per zitting, ofwel op 6 x € 89 = € 534. De reiskosten worden vastgesteld op 2 x € 10 = € 20. In totaal derhalve € 554. Het Hof kent hiervan 1/3 deel (€ 184) toe aan belanghebbende, 1/3 aan [naam1] (voor de hoger beroepen IB/PVV en ZVW) en 1/3 deel (€ 185) eveneens aan [naam1] voor diens hoger beroep OB.

Vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding

5.3.
Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld op 22 januari 2022. Bij brief van 30 mei 2021 heeft belanghebbende gesteld dat de door het onderzoek naar de registratie in FSV opgelopen vertraging – gelet op de overschrijding van de redelijke termijn – voor rekening van de Belastingdienst moet komen. Het Hof vat dit op als een verzoek om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding. Gelet op het bovenstaande is de redelijke termijn met minder dan 6 maanden overschreden. Met betrekking tot de vergoeding voor immateriële schade is het Hof van oordeel dat deze zaak samenhangt met de zaak met rolnummer 20/00088 en 20/00089 en 20/00090, zodat in deze 2/5e deel van € 500, derhalve € 200 zal worden toegewezen. De overschrijding van de redelijke termijn dient naar het oordeel van het Hof voor rekening van de minister van Justitie en Veiligheid te komen.

Vergoeding overige schade

5.4.
Belanghebbende heeft in haar hogerberoepschrift verzocht haar ten laste van de Inspecteur een vergoeding van € 25.000 toe te kennen wegens geleden (immateriële) schade. Bij brief van 3 januari 2022 heeft belanghebbende een schadevergoeding van € 1.000.000 gevorderd voor het gedurende 10 jaar nutteloos procederen in deze en andere zaken. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur in ernstige mate in strijd gehandeld met hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, zoals het – ondanks daarover gemaakte afspraken – ter discussie stellen van het ondernemerschap, het niet goed lezen van door hem op vragen gegeven antwoorden, het veelvuldig stellen van overbodige vragen en het tegen beter weten in vasthouden aan onjuiste standpunten. Volgens belanghebbende heeft zij daardoor schade geleden. Indien het Hof belanghebbende hierin niet volgt, eist belanghebbende dat het Hof een deskundige aanwijst die de schade van belanghebbende vaststelt.

5.5.
Ingevolge de tekst van artikel 8:73 van de Awb tot 1 juli 2013, welk artikel op grond van overgangsrecht nog van toepassing is, kan de rechter bij een gegrond (hoger) beroep schadevergoeding toekennen. Belanghebbende heeft de door haar gestelde schade niet verder gespecificeerd of met bewijsstukken onderbouwd. Voor zover het belanghebbende gaat om de kosten van de tijd (verletkosten) die zij zelf heeft moeten steken in de onderhavige procedures, verwijst het Hof hiervoor naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de proceskosten. Voor het aanwijzen van een deskundige ziet het Hof evenmin aanleiding. Het Hof wijst deze verzoeken daarom af. Ook de Rechtbank heeft het beroep in zoverre terecht ongegrond verklaard.

6Beslissing
Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de wettelijke rente betreft en bevestigt de uitspraak voor het overige,

– bepaalt dat de Inspecteur wettelijke rente over de dwangsom van € 1.260 is verschuldigd vanaf 14 april 2018 tot de dag van algehele voldoening daarvan,

– bepaalt dat de Inspecteur wettelijke rente over de dwangsom van € 1.430 is verschuldigd vanaf 5 april 2019 tot de dag van algehele voldoening daarvan,

– bepaalt dat de wettelijke rente over de door de Rechtbank vastgestelde vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 184,

– bepaalt dat de minister voor Justitie en Veiligheid aan belanghebbende betaalt een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 200,

– bepaalt dat de wettelijke rente over de laatste twee bedragen gaat lopen vier weken na de datum van deze uitspraak,

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 354.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. P.L.M. van Gorkom en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 juni 2022.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2022:5095