OB-geschil melkveehouderij: compromis ter zitting over BTW-teruggaaf

Compromis ter zitting in BTW-geschil melkveehouderij over voorbelasting van €57.666 na afschaffing landbouwregeling, resulterend in €28.833 extra teruggaaf.

Een melkveehouderij (een maatschap) ontving een btw-teruggaaf van € 48.915, wat na bezwaar werd verhoogd naar € 93.802. De maatschap ging in beroep bij Rechtbank Noord-Nederland. Tijdens dit proces waren er verzoeken voor geheimhouding en beperkte inzage in documenten, inclusief een strafvonnis. De Rechtbank verklaarde het beroep van de maatschap ongegrond op 3 oktober 2023, maar kende wel een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten toe vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. De maatschap stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waar zij ter zitting akkoord ging met de eerdere beslissingen over beperkte kennisneming.

De vraag was of de maatschap recht had op aftrek van € 57.666 voorbelasting. Dit bedrag betrof omzetbelasting die een vorige eigenaar (overdrager) eerder had terugbetaald (hersteld), nadat hij in 2016 een melkveehouderij verkocht had en de landbouwregeling per 1 januari 2018 was afgeschaft. De maatschap stelde primair dat zij, als fiscale rechtsopvolger, recht had op een gedeeltelijke teruggaaf van deze door de vorige eigenaar herziene omzetbelasting, omdat zij de onroerende zaken vanaf 2018 voor belaste prestaties ging gebruiken. Subsidiair beriep de maatschap zich op het neutraliteitsbeginsel en meer subsidiair op het vertrouwensbeginsel. De Rechtbank verwierp al deze argumenten, stellende dat zelfs indien de vorige eigenaar de omzetbelasting ten onrechte had herzien, de maatschap deze niet via een eigen herziening kon terugkrijgen.

Op 11 juni 2025 bereikten de partijen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een compromis. Dit hield in dat de teruggaafbeschikking omzetbelasting voor het betreffende tijdvak werd verhoogd met € 28.833 (de helft van het betwiste bedrag van € 57.666) tot een totaal van € 122.635, plus een navenante verhoging van de belastingrente. Verder spraken partijen af dat zij hun eigen proceskosten in hoger beroep zouden dragen, en dat de Belastingdienst het door de maatschap betaalde griffierecht (€ 548) zou vergoeden. Ondanks de schikking gaven partijen aan dat zij vasthielden aan hun oorspronkelijke standpunten, maar overeenkwamen het geschil te beslechten. Het Hof heeft op 1 juli 2025 dienovereenkomstig geoordeeld, het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behalve de eerder toegekende beslissingen over griffierecht, proceskosten en immateriële schade

GerechtshofRechtbank

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2025
Datum publicatie
11-07-2025
Zaaknummer
23/2888
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2023:4004, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
OB. Compromis ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 23/2888

uitspraakdatum: 1 juli 2025

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2023, nummer LEE 20/3578, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 48.915. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 490 aan rente vergoed.

1.2.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 november 2020 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De Inspecteur heeft daarbij de teruggaafbeschikking omzetbelasting verhoogd tot een bedrag van € 93.802 en de rentebeschikking verhoogd tot € 3.370.

1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 3 mei 2022 het verzoek om geheimhouding volledig toegewezen. Hierna heeft de Inspecteur, met betrekking tot een nieuw ingebracht gedingstuk (een strafvonnis), wederom een verzoek tot beperkte kennisneming ingediend. Bij tussenbeslissing van 13 juli 2023 heeft de Rechtbank geoordeeld dat het beroep op beperkte kennisneming niet geheel gerechtvaardigd is. Hierop heeft de Inspecteur een afschrift van het strafvonnis overgelegd dat is geschoond overeenkomstig de tussenbeslissing van de Rechtbank van 13 juli 2023. Afschriften van de (aldus) geschoonde stukken zijn belanghebbende ter beschikking gesteld.

1.4.
De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 oktober 2023 ongegrond verklaard.

1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende en mr. drs. A.E.T.M. van de Camp, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur.

2Beoordeling van het geschil
2.1.
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard zich neer te leggen bij de tussenbeslissingen van 3 mei 2022 en 13 juli 2023 van de Rechtbank omtrent de beperkte kennisneming. Belanghebbende had bij brief van 31 mei 2024 het Hof reeds toestemming verleend van het gehele dossier, inclusief de ongeschoonde stukken, kennis te nemen.

2.2.
Ter zitting hebben partijen een compromis gesloten. Het compromis houdt in dat de teruggaafbeschikking omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 wordt verhoogd met een bedrag van € 28.833 (zijnde de helft van het bedrag van € 57.666 dat tussen partijen in geschil was) tot een bedrag van € 122.635 en dat de beschikking te vergoeden belastingrente dienovereenkomstig zal worden verhoogd. Omtrent de proceskosten hebben partijen afgesproken dat ieder in hoger beroep de eigen kosten zal dragen. Ten slotte is afgesproken dat de Inspecteur het voor de behandeling van het hoger beroep door belanghebbende betaalde griffierecht zal vergoeden.

2.3.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

2.4.
Partijen hebben ter zitting aangegeven eraan te hechten dat zij van mening zijn en blijven dat de door hen ingenomen stellingen juist zijn, maar dat zij om het geschil te beslechten akkoord zijn gegaan met het compromis. Partijen hebben het Hof verzocht het bovenstaande expliciet in de uitspraak op te nemen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

3Beslissing
Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– verhoogt de teruggaafbeschikking omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 met een bedrag van € 28.833 tot een bedrag van € 122.635,

– verhoogt de teruggaafbeschikking belastingrente dienovereenkomstig, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 1 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2025:4117

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2023
Datum publicatie
11-10-2023
Zaaknummer
LEE 20/3578
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2025:4117, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
OB, gevolgen herziening voor uiteindelijk overnemer na toepassing artikel 37d Wet OB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2023/2471
NLF 2023/2365
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/1006
V-N 2023/55.15 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2024/3.5
Viditax (FutD) 2023101101
FutD 2023-2662
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3578

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming

(de Minister).

Procesverloop
Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 aan eiseres bij beschikking met dagtekening 21 juni 2019 op grond van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 48.915. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 490 aan rente vergoed.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 november 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de teruggaafbeschikking omzetbelasting verhoogd tot een bedrag van € 93.802 en de rentebeschikking verhoogd tot € 3.370.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eerste verzoek art. 8:29 Awb (geheimhouding)

Verweerder heeft bij het verweerschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij heeft verweerder in een begeleidende brief met dagtekening 28 januari 2021 met betrekking tot bepaalde gedeelten van bijlage 16 bij het verweerschrift een beroep gedaan op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De integrale, ongeschoonde stukken behorende tot bijlage 16 bij het verweerschrift (8:29-stukken) heeft verweerder aangeleverd in een afzonderlijke, gesloten envelop.

De rechtbank heeft het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken, met uitzondering van de envelop met de 8:29-stukken, doorgezonden naar de gemachtigde van eiseres. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 11 maart 2021 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verweerder tot geheimhouding van de 8:29-stukken. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 25 maart 2021. Daarbij heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de geheimhouding van een deel van de 8:29-stukken (2 verslagen van interne overleggen).

De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 3 mei 2022 het verzoek om geheimhouding volledig toegewezen. Op het verzoek van de rechtbank aan eiseres om aan te geven of eiseres akkoord is met beperkte kennisneming van de 8:29-stukken heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. Eiseres heeft dus geen toestemming gegeven voor beperkte kennisneming. Dat betekent dat de meervoudige kamer van de rechtbank die deze uitspraak doet, geen kennis heeft genomen van de 8:29-stukken.

Tweede verzoek art. 8:29 Awb (beperkte kennisneming)

Op 31 mei 2023 heeft verweerder opnieuw een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Deze keer ging het om een afschrift van een strafvonnis van de rechtbank Overijssel van 5 december 2022. Verweerder heeft een geschoonde en een ongeschoonde versie van het afschrift van dat vonnis aan de rechtbank gestuurd. In de begeleidende brief heeft verweerder met betrekking tot de geschoonde gedeelten van het strafvonnis een verzoek gedaan om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft de begeleidende brief en het door verweerder geschoonde strafvonnis doorgezonden naar de gemachtigde van eiseres. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres bij bericht van 7 juni 2023 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verweerder tot beperkte kennisneming van het strafvonnis.

De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 23 juni 2023. De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gewichtige redenen zijn voor het vrijwel volledig schonen van de inhoud van het strafvonnis. Verder schrijft hij dat hij de rechtbank toestemming geeft om kennis te nemen van de ongeschoonde versie van het vonnis. Dat heeft de meervoudige kamer van de rechtbank die deze uitspraak doet, vervolgens ook gedaan.

Bij bericht van 13 juli 2023 heeft de rechtbank verweerder meegedeeld dat het beroep op beperkte kennisneming met betrekking tot bepaalde inhoudelijke gedeelten van het vonnis niet gerechtvaardigd is, en verweerder in de gelegenheid gesteld om al dan niet opvolging te geven aan deze tussenbeslissing.

Bij brief van 17 juli 2023 heeft verweerder een afschrift van het strafvonnis van de rechtbank Overijssel van 5 december 2022 overgelegd, dat hij heeft geschoond overeenkomstig de tussenbeslissing van de rechtbank van 13 juli 2023. Dit afschrift is doorgezonden aan de gemachtigde van eiseres.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken en een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [persoon 1 (vader van maat 1)] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon 2] en [persoon 3] .

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Overwegingen
Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.
Eiseres is een maatschap, opgericht op 19 december 2017, gedreven door [maat 1] en zijn echtgenote [maat 2] . Eiseres exploiteert een melkveehouderij.

1.2.
Tot 1 januari 2018 waren de prestaties van eiseres vrijgesteld op grond van de zogenoemde landbouwregeling.1 Hierdoor kon eiseres de aan de vrijgestelde prestaties toerekenbare voorbelasting niet in aftrek brengen. Met ingang van 1 januari 2018 zijn de prestaties van eiseres op grond van de hoofdregel wél belast met omzetbelasting, wegens het per die datum vervallen van de landbouwregeling.

1.3.
In september 2015 heeft [persoon 1 (vader van maat 1)] voor een koopprijs van € 2.100.000 een melkveehouderij gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] gekocht van [overdrager] . De koopprijs van € 2.100.000 heeft blijkens de akte van levering van 6 januari 2016 betrekking op de volgende (onroerende) zaken (hierna: de bedrijfsgoederen):

Bedrijfsgebouwen (inclusief woning met ondergrond), voeropslag en erfverharding

€ 648.322

Inrichting en installaties (zijnde melkinstallaties,

krachtvoerautomaten en voersilo’s)

€ 175.000

Bedrijfserf groot 1 hectare

€ 110.000

Woning

€ 200.000

Ondergrond woning groot 0.10.00 hectare

€ 50.000

Betalingsrechten

€ 35.000

Landerijen in eigendom 1.48.80 hectare

€ 77.700

Landerijen in erfpacht 57.86.75 hectare

€ 803.978

Totaal

€ 2.100.000

1.4.
In de akte van levering staat verder – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Omzetbelasting
Verkoper staat er tegenover koper voor in dat met betrekking tot deze overdracht geen

omzetbelasting is verschuldigd.

(…)

FISCALE VERKLARING
Ter berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting verklaart koper dat:
– de woningen met ondergrond een waarde heeft van in totaal drie honderd veertig duizend euro (€ 340.000,00).

Namens koper wordt opgave gedaan van het bedrag van de overdrachtsbelasting

dat koper hierover moet betalen, groot zes duizend acht honderd euro (€ 6.800,00).

Dit bedrag is vastgesteld naar het tarief van twee procent (2%).

– de bedrijfsgebouwen, voeropslag, erfverharding en bedrijfserf een waarde heeft van een zes honderd acht en zestig duizend drie honderd twee en twintig euro

(€ 668.322,00).

Namens koper wordt opgave gedaan van het bedrag van de overdrachtsbelasting

dat koper hierover moet betalen, groot veertig duizend acht en neentig euro

(€ 40.098,00).

Dit bedrag is vastgesteld naar het tarief van zes procent (6%).

Met voormelde tarieven is de overdrachtsbelasting berekend die verschuldigd is over

de hiervoor vermelde bedragen, zijnde totaal aan overdrachtsbelasting zes en veertig

duizend acht honderd acht en negentig euro (€ 46.898,00).

VRIJSTELLING OVERDRACHTSBELASTING

Koper doet een beroep op de vrijstelling als bedoeld in artikel 15 lid 1 letter q van de

Wet op Belastingen van Rechtsverkeer, aangezien koper de in erfpacht uitgegeven cultuurgrond als bedoeld in dit wetsartikel, ten behoeve van de landbouw

bedrijfsmatig exploiteert of doet exploiteren.

(…).”

1.5.
Tot 19 december 2017 heeft [persoon 1 (vader van maat 1)] de melkveehouderij c.q. de bedrijfsgoederen (1.3.) om niet ter beschikking gesteld aan [maatschap 2] , die werd gedreven door [persoon 1 (vader van maat 1)] en twee van zijn zoons (waaronder [maat 1] ). Vanaf 19 december 2017 stelt [persoon 1 (vader van maat 1)] de bedrijfsgoederen om niet ter beschikking aan eiseres, die de exploitatie van de melkveehouderij heeft voortgezet.

1.6.
[overdrager] heeft destijds aftrek van voorbelasting genoten ter zake van de omzetbelasting die hem in rekening is gebracht toen hij de bedrijfsgoederen geleverd heeft gekregen en de investeringen in de bedrijfsgebouwen heeft gedaan. Tot het tijdstip van de levering van de bedrijfsgoederen op 6 januari 2016 aan [persoon 1 (vader van maat 1)] heeft [overdrager] deze goederen gebruikt voor het verrichten van belaste prestaties ( [overdrager] paste de landbouwregeling – in ieder geval aanvankelijk – niet toe). Voor de levering aan [persoon 1 (vader van maat 1)] is niet geopteerd voor een belaste levering voor de omzetbelasting. Ter zake van deze levering is daarom geen omzetbelasting als verschuldigd aangegeven of voldaan (zie ook 1.4.). Vervolgens heeft [overdrager] op 19 juni 2019 met betrekking tot de onroerende zaken een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend wegens herziening van de eerder genoten aftrek van voorbelasting voor wat betreft de jaren 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020. Het gaat blijkens de herzieningsberekening van [overdrager] voor de jaren 2018, 2019 en 2020 om de volgende herzieningsbedragen:

2018

2019

2020

Ligboxenstal 2010

€ 95

€ 95

€ 95

Ligboxenstal 2011

€ 1.180

€ 1.180

€ 1.180

Ligboxenstal 2011

€ 15.892

€ 15.892

€ 15.892

Ligboxenstal 2012

€ 51

€ 51

€ 51

Sleufsilo’s

€ 3.006

€ 3.006

€ 20.224

€ 20.224

€ 17.218

Deze bedragen die zien op 2018, 2019 en 2020 tellen op tot € 57.666. Verweerder heeft op 26 september 2019 aan [overdrager] een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (ten bedrage van in totaal € 98.799) overeenkomstig de door hem ingediende suppletieaangifte over alle jaren (inclusief 2016 en 2017).

1.7.
Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangifte omzetbelasting van eiseres over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder een controlerapport met dagtekening 17 mei 2019 opgesteld. In dit rapport heeft verweerder, voor zover hier van belang, onder meer het volgende geschreven:

“3.5.4. De herzienings-btw op de onroerende zaken heeft zowel betrekking op de boerderij in [plaatsnaam 2] als de boerderij in [plaatsnaam] . Beiden zijn eigendom van de heer [persoon 1 (vader van maat 1)] . De boerderij in [plaatsnaam] wordt aan [eiseres] ter beschikking gesteld om niet. De eventuele herzienings-btw kan dan op grond van § 6.3.5 Besluit aftrek van omzetbelasting bij de maatschap beoordeeld worden.

Wat betreft de onroerende zaken [adres] in [plaatsnaam] is geen herzienings-btw mogelijk. Uit de notariële akte blijkt dat ‘Verkoper staat er tegenover koper voor in dat met betrekking tot deze overdracht geen omzetbelasting is verschuldigd’. Daarom is door de notaris in totaal € 46.898 aan overdrachtsbelasting in rekening gebracht. Uit de berekeningen die door de accountant zijn aangeleverd blijkt dat uit de aankoopwaarde vermeerderd met de overdrachtsbelasting de omzetbelasting is berekend (21/121). Deze zelf berekende omzetbelasting is vervolgens herzien. Dit is niet juist.”

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres de eerder door [overdrager] herziene omzetbelasting vanwege de afschaffing van de landbouwregeling per 1 januari 2018 nu zélf moet (of mag) herzien. Daarbij is het geschil in de beroepsfase beperkt tot louter de vraag of eiseres per 1 januari 2018 (alsnog) recht heeft op aftrek van voorbelasting van € 57.666 (zie 1.6.), wegens herziening van de omzetbelasting die was begrepen in de door [overdrager] op 6 januari 2016 aan [persoon 1 (vader van maat 1)] geleverde onroerende zaken.

3. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting van € 57.666, te weten het gedeelte van de door [overdrager] herziene omzetbelasting ter zake van de bedrijfsgebouwen (die behoren tot de op 6 januari 2016 door [persoon 1 (vader van maat 1)] van [overdrager] verworven melkveehouderij) dat gelet op de herzieningstermijn op 1 januari 2018 nog resteert. Primair voert eiseres aan dat ter zake van de levering op 6 januari 2016 achteraf bezien sprake was van een overgang van een algemeenheid van goederen en dat de maatschap [maatschap 2] en eiseres voor wat betreft de toepassing van artikel 37d van de Wet OB 1968 en het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 november 20112 dienen te worden beschouwd als één belastingplichtige, zodat eiseres voor omzetbelastingdoeleinden moet worden geacht in de plaats te zijn getreden van [overdrager] . Omdat eiseres gedurende een periode van de nog lopende herzieningstermijn – vanaf 1 januari 2018 – de onroerende zaken is gaan gebruiken voor belaste prestaties als gevolg van de afschaffing van de landbouwregeling, brengt dit mee dat eiseres voor die periode, in haar hoedanigheid als rechtsopvolger (voor omzetbelastingdoeleinden) van [overdrager] , recht heeft op een (gedeeltelijke) teruggaaf van de eerder door [overdrager] herziene omzetbelasting. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van strijd met het neutraliteitsbeginsel, omdat enerzijds wel omzetbelasting is betaald, doordat [overdrager] materieel over de gehele, op 6 januari 2016 nog resterende herzieningstermijn heeft herzien, maar anderzijds gedurende de op 1 januari 2018 nog resterende herzieningstermijn geen aftrek meer mogelijk zou zijn, terwijl vanaf dat moment sprake is van gebruik voor belaste prestaties. Meer subsidiair stelt eiseres dat in het controlerapport van verweerder een expliciete standpuntbepaling is opgenomen, zodat het vertrouwensbeginsel verhindert dat het recht op herziening van de vooraftrek nu wordt geweigerd.

4. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

5. De rechtbank laat in haar beoordeling in het midden of inderdaad sprake is geweest van een overgang van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet OB 1968 vanaf het tijdstip van de levering op 6 januari 2016 tot en met het uiteindelijke gebruik door eiseres van de ter beschikking gestelde goederen. Wel zal de rechtbank daar veronderstellenderwijs vanuit gaan. De rechtbank neemt verder aan dat de bedrijfsgoederen eerst onder de vigeur van een algemeenheid van goederen zijn overgegaan naar en zijn gebruikt door de maatschap [maatschap 2] en daarna (opvolgend) zijn overgegaan naar en zijn gebruikt door eiseres.

Toepassing herzieningsregels

6.1.
De rechtbank gaat er dus veronderstellenderwijs vanuit dat eiseres kwalificeert als degene op wie de goederen (uiteindelijk) over zijn gegaan in de zin van artikel 37d van de Wet OB 1968. Dat betekent dat eiseres voor wat betreft de omzetbelastingpositie en in het bijzonder wat betreft de herzieningsregels in de plaats is getreden van [overdrager]. Tussen partijen is niet in geschil dat [overdrager] voorafgaand aan de overdracht op 6 januari 2016 met de toen overgedragen bedrijfsgoederen met omzetbelasting belaste prestaties verrichtte en dat hij destijds (in de periode daaraan voorafgaand) terecht aftrek van voorbelasting heeft genoten toen hij de bedrijfsgoederen geleverd heeft gekregen of daarin heeft geïnvesteerd. Ten slotte gaat de rechtbank er – zoals eiseres heeft verdedigd – vanuit dat de bedrijfsgoederen in de periode van 6 januari 2016 tot 1 januari 2018 zijn gebruikt voor vrijgestelde prestaties waarvoor de toenmalige landbouwregeling heeft gegolden.

6.2.
Uitgaande van de juistheid van de stellingen van eiseres, moest volgens de herzieningsregels3 in de jaren 2016 en 2017 telkens één jaarmoot (1/10 deel) van de eerder geclaimde aftrek van voorbelasting worden herzien, omdat de bedrijfsgoederen in die periode werden gebruikt voor vrijgestelde prestaties. Vanaf 1 januari 2018 is opnieuw het belaste regime gaan gelden, zoals dat ook voordien gold voor [overdrager] tot aan het tijdstip van diens levering op 6 januari 2016. De regimeovergang op 1 januari 2018 heeft bij eiseres, in haar hoedanigheid van fiscaal rechtsopvolger van [overdrager] , in de daaropvolgende jaren dus geen herziening veroorzaakt. In plaats daarvan blijft juist de eerder genoten aftrek (die feitelijk was genoten door [overdrager] ) in stand. Die aftrek heeft eiseres in haar hoedanigheid van fiscaal rechtsopvolger nu geacht zélf te hebben genoten. Met andere woorden: er gebeurt herzieningstechnisch niets op 1 januari 2018 en daarna (gedurende de resterende periode van de herzieningstermijn) als het primaire standpunt van eiseres gevolgd wordt. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op aftrek van voorbelasting wegens herziening, want er heeft geen regimewijziging plaatsgevonden ten opzichte van het regime waarin de eerder geclaimde aftrek is genoten door de fiscaal rechtsvoorganger van eiseres. Er is weliswaar sprake van een regimewijzing op 1 januari 2018 ten opzichte van het regime dat gold vanaf 6 januari 2016 tot 1 januari 2018, maar dát is niet het regime waarin de aanvankelijke aftrek van voorbelasting door de rechtsvoorganger van eiseres is genoten. Díe voorbelasting stamt uit de periode vóór 6 januari 2016 en wordt niet herzien. De primaire stelling van eiseres kan daarom, wat daar verder ook van zij, hoe dan ook niet leiden tot het door haar gewenste gevolg.

Neutraliteitsbeginsel

7.1.
Eiseres stelt dat sprake is van strijd met het neutraliteitsbeginsel omdat enerzijds wel omzetbelasting is betaald, maar anderzijds over een ‘belaste’ periode geen aftrek (meer) mogelijk is. Dat komt volgens eiseres omdat [overdrager] eerst 100% aftrek van voorbelasting heeft gehad en deze daarna voor de gehele, nog resterende herzieningsperiode vanaf 6 januari 2016 terug heeft betaald. Op macroniveau blijkt dat dit achteraf ten onrechte is geweest, omdat de bedrijfsgoederen en in het bijzonder de onroerende zaken gedurende de herzieningstermijn alsnog voor een paar jaren (2018, 2019 en 2020) zijn gebruikt voor belaste prestaties.

7.2.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat [overdrager] omzetbelasting heeft herzien en gesuppleerd, mogelijk berust op het ten onrechte niet of onvoldoende onderkennen van het bestaan of de gevolgen van artikel 37d van de Wet OB 1968. Wat daar verder ook van zij, dat brengt in elk geval niet mee dat eiseres (een deel van) de door [overdrager] (wellicht ten onrechte) herziene omzetbelasting terug kan krijgen door middel van herziening. Het is ook niet in strijd met de neutraliteit, omdat er in dat geval sprake is van ten onrechte geheven omzetbelasting (bij [overdrager] ), terwijl Nederland voldoende toegankelijke voorzieningen heeft getroffen (voor [overdrager] ) om dergelijke omzetbelasting terug te krijgen (bezwaar en beroep, verzoek om ambtshalve vermindering, verzoek om teruggaaf). Dus zelfs als de herziening door [overdrager] volledig ten onrechte was geweest, kan eiseres die herziene omzetbelasting niet terugkrijgen door een eigen herziening.

8. De rechtbank is bij de beslissingen over de beroepsgronden niet gaan twijfelen over de uitleg van het Unierecht en ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Vertrouwensbeginsel

9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat verweerder in dit specifieke geval (al dan niet expliciet) heeft toegezegd dat eiseres recht heeft het een teruggaaf van omzetbelasting van – ten minste – € 57.666.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet het van haar verlangde bewijs geleverd. Uit de door eiseres aangehaalde passage uit het controlerapport (zie 1.7.) kon en mocht eiseres redelijkerwijs niet afleiden dat verweerder heeft toegezegd dat eiseres recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting ter zake van de door [overdrager] aan [persoon 1 (vader van maat 1)] geleverde onroerende zaken. Verweerder heeft geschreven dat eventuele ‘herzienings-btw’ ter zake van de door [overdrager] aan [persoon 1 (vader van maat 1)] geleverde onroerende zaken bij eiseres ‘beoordeeld’ kan worden en heeft dat vervolgens gedaan. Daarna heeft de verweerder de uitkomst van die inhoudelijke beoordeling – dat wat betreft de door [overdrager] aan [persoon 1 (vader van maat 1)] geleverde onroerende zaken geen ‘herzienings-btw’ mogelijk is – expliciet aan eiseres duidelijk gemaakt.

10. Het beroep is ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade

11.1.
Eiseres heeft verzocht om toekenning van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting heeft de rechtbank met partijen afgestemd dat als de rechtbank binnen twaalf weken na de zitting uitspraak doet, de vergoeding van immateriële schade dan € 2.500 bedraagt, en dat die vergoeding voor € 1.000 voor rekening komt voor verweerder en voor € 1.500 voor de Minister. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

11.2.
Omdat het bedrag van de vergoeding van immateriële schade minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.5

Proceskosten en griffierecht

12.1.
De rechtbank ziet, louter vanwege de toegekende vergoeding van immateriële schade, aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand blijft.6 Overigens heeft eiseres voor die fase ook geen (tijdig) verzoek om vergoeding van de kosten gedaan.

12.2.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De wegingsfactor is 0,5, omdat de veroordeling in de proceskosten zijn grond louter vindt in de toekenning van de vergoeding van immateriële schade en het beroep inhoudelijk ongegrond is.7

12.3.
Vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354 wordt vergoed.

12.4.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de vergoeding van de proceskosten en van het griffierecht deels plaatsvinden door verweerder en deels door de Minister. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid verdeelt de rechtbank de vergoeding gelijkelijk, zodat verweerder en de Minister ieder de helft betalen.8

Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;


veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.500;


draagt verweerder op de helft van het betaalde griffierecht, dus € 177, aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;


draagt de Minister op de helft van het betaalde griffierecht, dus € 177, aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. R.R. van der Heide en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl . Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1 Artikel 27 van de Wet OB 1968 (vervallen per 1 januari 2018).

2 BLKB 2011/641M, Staatscourant 2011, nr. 21834.

3 Artikel 15, zesde lid, van de Wet OB 1968 jo. artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en de artikelen 184 tot en met 188 van de Btw-richtlijn 2006/112/EG.

4 Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.

5 Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 202.

6 Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.1.

7 Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2.

8 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

ECLI:NL:RBNNE:2023:4004

Scroll naar boven