Omkering bewijslast autorijschool onder meer op basis van gegevens CBR

Omkering bewijslast autorijschool onder meer op basis van gegevens CBR

Bij een autorijschool zijn o.a. naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.

De vraag is of deze naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat de autorijschool niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Op basis van de (objectieve) gegevens van het CBR over het aantal afgelegde (her)examens, realistische aannames over het aantal lessen per leerling en de verklaringen van A zelf heeft de Inspecteur de theoretische omzetten berekend. Deze omzetten liggen (zowel absoluut als relatief) aanzienlijk hoger dan de omzetten die in de aangiften zijn opgenomen. Deze verschillen zijn zo groot dat de autorijschool zich hiervan bewust moet zijn geweest. Gelet op het vorenstaande heeft de Belastingdienst aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.

In het onderhavige geval is de Belastingdienst uitgegaan van gegevens uit de administratie van belanghebbende, (objectieve) gegevens van het CBR en (realistische aannames op basis van) de verklaringen van de autorijschool zelf ten aanzien van het aantal lessen per leerling en het uurtarief. Daarmee heeft de Belastingdienst naar het oordeel van het Hof niet naar willekeur gehandeld. De schatting door de Belastingdienst van de omzetten kan de redelijkheidstoets dan ook doorstaan.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2021
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
19/00355 t/m 19/00359
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:920, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
OB en IB/PVV. Autorijschool. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Vereiste aangifte. Redelijke schatting. Vergrijpboetes.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Viditax (FutD), 30-7-2021

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/00355 tot en met 19/00359

uitspraakdatum: 20 juli 2021

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] h.o.d.n. [naam1] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2019, nummers AWB 17/4443 tot en met AWB 17/4447, ECLI:NL:RBGEL:2019:920, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1Ontstaan en loop van het geding

Omzetbelasting

1.1.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 22.538. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend van € 3.233 en is een boete opgelegd van € 11.269.

1.2.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.501 en de heffingsrente verminderd tot € 1.506. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 1.500.

1.3.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 34.110. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend van € 4.424 en is een boete opgelegd van € 17.055.

1.4.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 16.431 en de heffingsrente verminderd tot € 2.147. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 3.000.

Inkomstenbelasting

1.5.Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.241. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend van € 9.038 en is een boete opgelegd van € 24.459.

1.6.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.719 en de heffingsrente verminderd tot € 4.061. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 4.167.

1.7.Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.430. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend van € 3.971 en is een boete opgelegd van € 13.360.

1.8.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.241 en de heffingsrente verminderd tot € 1.959. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 4.167.

1.9.Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.850. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend van € 5.269 en is een boete opgelegd van € 22.472.

1.10.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.450 en de heffingsrente verminderd tot € 2.318. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 4.166.

Omzetbelasting en inkomstenbelasting

1.1.Belanghebbende is tegen de onder 1.2, 1.4, 1.6, 1.8 en 1.10 genoemde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur het griffierecht betaalt.

1.2.Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.3.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [naam2] en namens de Inspecteur mr. [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

2.1.Belanghebbende exploiteert sinds 1 oktober 2005 een autorijschool onder de naam [naam1] . In de jaren 2009 tot en met 2011 konden leerlingen lessen volgen van maandag tot en met vrijdag tussen 9:00-20:00.

2.2.Belanghebbende heeft in de jaren 2009 tot en met 2011 de beschikking gehad over een aantal auto’s en motoren: in 2009 2 auto’s en 3 motoren, in 2010 3 auto’s en 3 motoren en in 2011 8 auto’s en 3 motoren. In 2011 zijn er 6 auto’s verkocht.

2.3.Gegevens van het CBR vermelden dat op naam van [naam1] in 2009 241 examens zijn afgelegd (99 eerste examens en 142 herexamens), in 2010 236 examens (118 eerste examens en 117 herexamens) en in 2011 300 examens (176 eerste examens en 121 herexamens).

2.4.Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV en omzetbelasting omzetten aangegeven van € 74.292 (2009), € 65.481 (2010) en € 94.318 (2011). Belanghebbende heeft in de aangiften IB/PVV belastbare winsten aangegeven van € 10.807 (2009), € 7.856 (2010) en € 26.093 (2011). Belanghebbende heeft op aangiften omzetbelasting de volgende bedragen voldaan: € 3.461 (2009), € 4.940 (2010) en € 4.052 (2011).

2.5.Op 21 februari 2013 is een boekenonderzoek aangekondigd met als doel het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de omzetverantwoording in de aangiften IB/PVV en omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011.

2.6.Op 14 mei 2013 heeft de controlerend ambtenaar een inleidend gesprek gevoerd met belanghebbende. Daarnaast heeft de controlerend ambtenaar een onderzoek ter plaatse uitgevoerd. Hij heeft vervolgens de administratie in verband met een nader onderzoek meegenomen.

2.7.Met dagtekening 24 maart 2015 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking genomen, gebaseerd op artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In de beschikking zijn de volgende gronden opgenomen:

“• Er zijn geen agenda’s, er was een kladagenda maar deze is niet bewaard gebleven. Ook vastleggingen in het intern-geheugen van de telefoon zijn overschreven. Deze informatie is essentieel voor de bedrijfsvoering en dient te worden bewaard.

• Er zijn geen leskaarten raadpleegbaar, deze blijven bij de leerling. Ook is er geen overzicht waaruit blijkt hoeveel lessen een bepaalde leerling heeft gevolgd, hoeveel er voor de lessen is betaald, wanneer en op welke wijze (contant of bank). Later in het onderzoek heeft u alsnog jaarlijkse overzichten vervaardigd van leerlingen die contant zouden hebben betaald. De overzichten van de jaren 2010 en 2011 sluiten echter niet aan met de contante ontvangsten zoals vermeldt in de auditfile. Vanuit een geobjectiveerde benadering houdt een ondernemer dergelijke zaken bij zodat bepaald kan worden in hoeverre de opbrengstenverantwoording juist en volledig is;

• Er zijn factuurnummers gebruikt die niet doorlopend genummerd zijn, en regelmatig dubbel zijn gebruikt, hierover is in het inleidende gesprek geen melding gemaakt.

• Het genoemde uurtarief in het inleidende gesprek wijkt sterk af van het uurtarief dat staat vermeld op de vervaardigde overzichten van leerlingen die contant hebben betaald.

Inleidende gesprek: 2009 (€ 40,-) in 2010 (€ 41,-) in 2011 (6 42,-) en later in het contante overzicht: 2009 (€ 30,-) in 2010 (6 35,-) in 2011 (€ 35,-). Ook de bedragen m.b.t. examenkosten die zijn genoemd in het inleidende gesprek en die in de contante overzicht wijken van elkaar af;

• Ik constateer verschillen in het aantal leerlingen in de administratie in vergelijking met de gegevens die bekend zijn bij CBR. Als ik de examenomzet bereken aan de hand van de bij het CBR afgenomen examens en ik elimineer dit uit de door u aangegeven omzet dan weet ik hoeveel lesgeld er door u zou zijn ontvangen. Ik weet het aantal leerlingen volgens het CBR en kan dan berekenen hoeveel lessen per leerling gemiddeld is gelest. Deze berekeningen heb ik aan u overgelegd, er blijkt dat dit dan gemiddeld 5 a 6 lessen per leerling is. Dit is niet aannemelijk en wijkt sterk af van het gemiddelde aantal (30) dat in het inleidende gesprek door u is genoemd.”

2.8.Het definitieve rapport van het boekenonderzoek heeft als dagtekening 7 juli 2015. De in de informatiebeschikking opgenomen bevindingen zijn overgenomen in het rapport. Het rapport vermeldt, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…)

4 Fiscale winstberekening

4.1Opbrengstverantwoording

De aangegeven omzet over de jaren 2009 tot en met 2011 bedraagt respectievelijk € 74.292, € 65.481 en € 94.318.

Naast het genoemde bij punt 3.3.1. is tijdens het onderzoek door mij nog het volgende geconstateerd:

Formele gebreken:

  • -dat er facturen zijn uitgereikt aan leerlingen die per bank hebben betaald, waarbij het factuurnummer is gekoppeld aan de leerling en het totaal van de facturen is niet doorlopend genummerd;
  • -dat daardoor niet te controleren is hoeveel facturen er zijn opgemaakt;
  • -dat via de omzetrekening soms niet duidelijk is om welke leerling het gaat, omdat de naam ontbreekt.

Materiële gebreken:

  • -dat het aantal getelde leerlingen in de administratie van belastingplichtige afwijkt van het aantal leerlingen dat, met tussenkomst van [naam1] , bij het CBR examen heeft gedaan;
  • -dat dit verschil 11 leerlingen (124 volgens belastingplichtige en 135 volgens CBR) is in 2009;
  • -dat dit verschil 59 leerlingen (77 volgens belastingplichtige en 136 volgens CBR) is in 2010;
  • -dat dit verschil 26 leerlingen (153 volgens belastingplichtige en 179 volgens CBR) is in 2011;
  • -dat de aangegeven winst uit onderneming, opgenomen in de ingediende aangiften inkomstenbelasting van 2009 tot en met 2011 niet juist is;
  • -dat de aangiften omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011 niet juist zijn;

Nog op te merken valt dat belastingplichtige tijdens het inleidend gesprek heeft aangegeven dat de lesprijzen in 2009 tot en met 2011 respectievelijk € 40, € 41 en € 42 per uur (inclusief BTW) bedroegen en een examen/herexamen de leerling € 230 kostte (exclusief de eigen verklaring van € 30). Als ik op een later tijdstip vraag naar een leerlingenoverzicht waaruit blijkt hoeveel personen er hebben gelest, hoeveel lessen ze hebben gehad en op welke wijze en wanneer ze hebben betaald, ontvang ik dit overzicht met daarop afwijkende lesprijzen. De lesprijzen voor de jaren 2009 tot en met 2011 bedragen volgens de heer [belanghebbende] nu maar € 30, € 35 en € 35 en de examens respectievelijk € 210, € 230 en € 230.

Tijdens het inleidende gesprek heeft de heer [belanghebbende] verklaard dat er gemiddeld 30 rijlessen gegeven worden voordat een leerling klaar is voor het eerste rijexamen. In het jaar 2009 zouden dit minder lessen zijn omdat er toen les gegeven zou zijn aan leerlingen die al vrij goed konden autorijden. Echter gezien de wijze van administratie voeren door belastingplichtige is dar niet meer te controleren.

Uitgaande van gemiddeld 30 lessen per leerling, het genoemde uurtarief (in inleidende gesprek) en het aantal examens wat volgens het CBR is afgenomen kom ik tot de volgende (theoretische) berekening:

Omzet 2009 2010 2011
Omzet contant aangegeven € 35.605 € 27.713 € 63.042
Omzet per bank aangegeven € 38.687 € 37.768 € 31.276
Totaal aangegeven door bel.pl. € 74.292 € 65.481 € 94.318
Examenomzet volgens CBR
Examens (examens volgens CBR) € 47.101 € 39.616 € 49.520
Omzet lessen aangegeven resteert € 27.191 € 25.865 € 44.798
Les prijs incl. btw € 40 € 41 € 42
Les prijs excl. btw € 33,61 € 34,45 € 35,29
Aantal lessen 809 751 1.269
Personen gelest volgens Dhr. [belanghebbende] 124 77 153
Gem. aantal lessen p.p. berekend 6,52 9,75 8,3
Gem. aantal lessen p.p. volgens [belanghebbende] 30 30 30
Dus bij 30 lessen:
Zou er een lesomzet moeten zijn van: € 125.111 € 79.584 € 161.920
Omzet examens € 47.101 € 39.616 € 49.520
Totale omzet € 172.212 € 119.200 € 211.440
Aangegeven € 74.292 € 65.481 € 94.318
Correctie IB € 97.920 € 53.719 € 117.122
Bijbehorende BTW correctie € 18.804 € 10.206 € 22.253

(…)

9Boete

Inkomstenbelasting

Naast de navorderingsaanslagen wordt een vergrijpboete opgelegd wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. Ingevolge artikel 67e AWR en paragraaf 25 en 27 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt de vergrijpboete opgelegd over de verschuldigde belasting ter zake van de correcties genoemd onder punt 4.1 en bedraagt 50%. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van de genoemde correcties ten onrechte is of zou zijn teruggegeven of ten onrechte niet is of zou zijn betaald.

De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze boete opleg betreffen:

– het is algemeen bekend dat alle lesomzetten en ontvangen examenlesgelden in de omzet moeten worden verantwoord;

– tevens mag van belastingplichtige en de adviseur worden verwacht dat zij zich zouden overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting.

Op 1 juni 2015 is een mededeling gestuurd met het voornemen een boete op te leggen. Belastingplichtige heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd. De al eerder genoemde backup van verloren gewaande afspraakgegevens (zie punt 3.3.1. van dit rapport) kan in een eventuele bezwaarprocedure worden ingebracht. De boete zal opgelegd worden conform deze mededeling.

Omzetbelasting

Over de correcties genoemd onder punt 4.1. van dit rapport leg ik naast de naheffingsaanslagen een vergrijpboete wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. Ingevolge artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 28 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de boete 50%. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van de genoemde correcties ten onrechte is of zou zijn teruggegeven of ten onrechte niet is of zou zijn betaald.

De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze boete opleg betreffen:

– het is algemeen bekend dat de BTW die drukt op alle lesomzetten en ontvangen examenlesgelden in de in de aangifte BTW dient worden aan te geven;

– tevens mag van belastingplichtige en de adviseur worden verwacht dat zij zich zouden overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting.

Op 1 juni 2015 is een mededeling gestuurd met het voornemen een boete op te leggen. Belastingplichtige heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd. De al eerder genoemde backup van verloren gewaande afspraakgegevens (zie punt 3.3.1. van dit rapport) kan in een eventuele bezwaarprocedure worden ingebracht. De boete zal opgelegd worden conform deze mededeling.

(…)”

2.9.Aan belanghebbende zijn de onder 1.1, 1.3, 1.5, 1.7 en 1.9 weergegeven naheffingsaanslagen, navorderingsaanslagen opgelegd met beschikkingen heffingsrente en boetes.

2.10.De Inspecteur heeft naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende bezwaren de theoretische omzetten opnieuw berekend. Die berekening is als volgt weer te geven:

Omzetbelasting 2009 2010 2011
Omzet contant aangegeven € 35.605 € 27.713 € 63.042
Omzet per bank aangegeven € 38.687 € 37.768 € 31.276
Totaal aangegeven door bel.pl. € 74.292 € 65.481 € 94.318
Examens (examens volgens CBR) € 47.101 € 39.616 € 49.520
Les prijs incl. btw € 30 € 35 € 35
Les prijs excl. btw € 25,21 € 29,41 € 29,41
Aantal lessen herberekend door inspecteur 3.271 2.206 3.137
Lesomzet zou moeten zijn € 82.462 € 64.882 € 92.265
Omzet examens € 47.101 € 39.616 € 49.520
Totale omzet € 129.563 € 104.498 € 141.785
Aangegeven omzet € 74.292 € 65.481 € 94.318
correctie omzet € 55.271 € 39.017 € 47.467
Bijbehorende BTW correctie € 10.501 € 7.413 € 9.019
IB winstcorrectie € 53.646 € 36.280 € 44.117

Uit de motivering van de uitspraken op bezwaar volgt dat de Inspecteur daarbij rekening heeft gehouden met een prijs per les per uur (inclusief omzetbelasting) in 2009 van € 30 en in 2010 en 2011 van € 35, met gemiddeld 25 lessen voor een eerste examen en 6 lessen voor een herexamen per leerling en met het aantal examens en herexamens conform de opgaven van het CBR.

2.11.De navorderingsaanslagen IB/PVV zijn als gevolg van de nieuwe berekening verminderd tot € 21.608 (2009), € 12.755 (2010) en € 24.355 (2011), de naheffingsaanslagen omzetbelasting tot € 10.501 (2009) en € 16.431 (2010 en 2011). De boetes voor de IB/PVV zijn gematigd tot € 4.167 (2009), € 4.167 (2010) en € 4.166 (2011) en voor de omzetbelasting naar € 1.500 per belastingjaar. De Inspecteur heeft in de motivering van de uitspraken op bezwaar aangegeven dat bij de vermindering van de boetes rekening is gehouden met de financiële omstandigheden van belanghebbende en de doorlooptijd van de bezwaarschriften.

3Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslagen omzetbelasting 2009 en omzetbelasting 2010-2011 en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 met de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en boetes terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.

4Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.1.Artikel 27h, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.2.Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083).

4.3.Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften omzetbelasting en IB/PVV voor de jaren 2009, 2010 en 2011 heeft gedaan. Uit de gegevens van het CBR blijkt dat door belanghebbende respectievelijk 252 (2009), 262 (2010) en 308 (2011) examens (inclusief herexamens) zijn aangevraagd en respectievelijk 242 (2009), 236 (2010) en 300 (2011) examens zijn afgenomen. Volgens onderzoek van het CBR hebben leerlingen gemiddeld ruim 38 lesuren nodig om het rijexamen te halen. Belanghebbende zelf heeft in het inleidend gesprek van 14 mei 2013 verklaard dat zijn leerlingen ongeveer 30 lesuren nodig hebben voor een eerste examen. Tijdens het hoorgesprek heeft belanghebbende aangegeven dat hij soms lessen cadeau geeft en dat hij regelmatig lesgeeft aan leerlingen die al goed kunnen rijden. De Inspecteur is naar aanleiding hiervan bij de uitspraken op bezwaar uitgegaan van 25 lessen voor een eerste examen en 6 lessen voor een herexamen per leerling. Hiermee heeft de Inspecteur voldoende rekening gehouden met de door belanghebbende genoemde omstandigheden. De aantallen komen het Hof ook niet onrealistisch voor, gelet op de aard en omvang van belanghebbendes lespraktijk. Belanghebbende heeft in het inleidend gesprek ook verklaard dat de lesprijzen per uur € 40 (2009) en € 41 (2010) en € 42 (2011) inclusief omzetbelasting hebben bedragen. Later heeft belanghebbende deze bedragen gecorrigeerd naar € 30 (2009) en € 35 (2010 en 2011) inclusief omzetbelasting. De Inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar deze laatste bedragen gehanteerd. Op basis van de (objectieve) gegevens van het CBR over het aantal afgelegde (her)examens, realistische aannames over het aantal lessen per leerling en de verklaringen van belanghebbende zelf heeft de Inspecteur de theoretische omzetten berekend. Deze omzetten liggen (zowel absoluut als relatief) aanzienlijk hoger dan de omzetten die belanghebbende in de aangiften heeft opgenomen. Deze verschillen zijn zo groot dat belanghebbende zich hiervan bewust moet zijn geweest. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan.

Redelijke schatting

4.4.Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de naheffings- en navorderingsaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van de omzetten en daarmee ook van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.5.De schatting door de Inspecteur dient, zoals gezegd, de redelijkheidstoets te kunnen doorstaan. In het onderhavige geval is de Inspecteur uitgegaan van gegevens uit de administratie van belanghebbende, (objectieve) gegevens van het CBR en (realistische aannames op basis van) de verklaringen van belanghebbende zelf ten aanzien van het aantal lessen per leerling en het uurtarief. Daarmee heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet naar willekeur gehandeld. De schatting door de Inspecteur van de omzetten voor de jaren 2009, 2010 en 2011 en van het inkomen van belanghebbende voor deze jaren kan de redelijkheidstoets dan ook doorstaan.

4.6.Het Hof acht belanghebbende er niet in geslaagd het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren dat de geschatte omzetten lager zijn. Zijn stelling dat hij nimmer dergelijke omzetten kan hebben behaald, is daartoe onvoldoende. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur impliciet stelt dat belanghebbende 3.075 tót 4.576 uren per jaar zou hebben gewerkt, wordt door de Inspecteur gemotiveerd betwist, waarbij is aangegeven dat er aanwijzingen zijn dat belanghebbende mogelijk niet alleen heeft gewerkt. Hij zou iemand ingehuurd kunnen hebben. Hij beschikt immers over meerdere lesauto’s. Bovendien kan belanghebbende zelf heel veel uren hebben gewerkt. Belanghebbende heeft ook niet doen blijken dat hij meer dan incidenteel lessen heeft laten overnemen. Daar komt nog bij dat belanghebbende geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat bij het CBR meer leerlingen staan geregistreerd dan uit de administratie van belanghebbende blijkt. Van de stelling dat hij veel leerlingen had die al goed konden rijden, heeft belanghebbende nog niet eens een begin van bewijs geleverd. Het gemiddelde aantal rijlessen passend bij de door belanghebbende aangegeven omzetten acht het Hof onrealistisch laag en niet strokend met zijn verklaring ter zitting bij het Hof dat hij ook pakketten van 30 rijlessen verkocht.

4.7.Dat de Rechtbank met het oordeel dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan buiten de rechtsstrijd treedt, volgt het Hof niet. De Inspecteur heeft in de beroepsfase gesteld dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, zodat dit punt onderdeel was van het geschil. Het Hof merkt op dat zelfs als de Inspecteur dit niet zou hebben gesteld, het niet doen van de vereiste aangifte en de daarmee samenhangende omkering en verzwaring van de bewijslast een bepaling van openbare orde is. Dit vloeit namelijk voort uit de wet. Dit betekent dat de Rechtbank de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast voor het niet doen van de vereiste aangiften ook kan toepassen als de Inspecteur hierover niets heeft gesteld, zolang belanghebbende de gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de Rechtbank in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast de vraag aan de orde heeft gesteld of de vereiste aangiften zijn gedaan. Belanghebbende heeft voldoende gelegenheid gehad zich hierover ter zitting uit te laten.

4.8.Gelet op het vorenstaande behoeft de grief ten aanzien van de informatiebeschikking geen beantwoording meer.

Vergrijpboetes

4.9.Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2009, 2010 en 2011 vergrijpboetes opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e van de AWR) en het aan opzet van de belanghebbende is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet is betaald (artikel 67f van de AWR). Bij de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur rekening gehouden met de financiële omstandigheden van belanghebbende en de doorlooptijd van de bezwaarschriften (de redelijke termijn). Hij heeft de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV verminderd tot € 12.500 voor alle jaren (2009: € 4.167, 2010: € 4.167 en 2011: € 4.166). Op dezelfde gronden zijn de boetes bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting verminderd tot € 1.500 (2009) en € 3.000 (2010 en 2011).

4.10.Belanghebbende heeft nu de naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen in stand blijven ten aanzien van de boetes slechts naar voren gebracht dat de boetes moeten worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.11.Het Hof acht de door de Inspecteur opgelegde boetes, alle omstandigheden in aanmerking nemende, passend en geboden. Door de boetes bij uitspraak op bezwaar aanzienlijk te matigen en vast te stellen op de onder 4.9 genoemde bedragen, heeft de Inspecteur voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan door middel van omkering van de bewijslast en op basis van (theoretische) omzetberekeningen (Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962), met de lange behandelduur in de bezwaarfase en met de financiële omstandigheden van belanghebbende. Het Hof constateert dat hij niet binnen twee jaar nadat belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld uitspraak heeft gedaan. De redelijke termijn in hoger beroep is met minder dan een half jaar overschreden. Daarom dienen de boetes verder te worden verminderd met 5 percent, tot driemaal € 3.958 (IB/PVV 2009, 2010 en 2011), € 1.425 (omzetbelasting 2009) en € 2.850 (omzetbelasting 2010-2011).

Heffingsrente

4.12.Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 748 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 748). In de omstandigheid dat de proceskosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen wegens de matiging van de boete vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, ziet het Hof aanleiding om de wegingsfactor 0,5 te hanteren.

Tegen de beslissingen van de Rechtbank over het griffierecht en de proceskosten wordt in hoger beroep niet opgekomen, zodat het Hof die beslissingen in stand zal laten.

6Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de boetes betreft,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de boetes,

– vermindert de boetes tot respectievelijk driemaal € 3.958 (IB/PVV 2009, 2010 en 2011), € 1.425 (omzetbelasting 2009) en € 2.850 (omzetbelasting 2010-2011),

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 748, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt in verband met het hoger beroep bij het Hof van € 259.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.

De griffier, De voorzitter,

(P.W.L. van den Bersselaar) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 juli 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2021:6894

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AWB – 17 _ 4443
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:6894, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Wet omzetbelasting, autorijschool, omkering van de bewijslast, onder meer op basis van gegevens van het CBR, er is sprake van een redelijke schatting, vergrijpboete, voorwaardelijk opzet, matiging in verband met overschrijding redelijke termijn en financiële omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-03-2019
FutD 2019-0676
V-N Vandaag 2019/569
V-N 2019/26.27.9
NTFR 2019/810
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/4443 tot en met AWB 17/4447

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 februari 2019
in de zaken tussen

[X] , h.o.d.n. [Y] , te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Omzetbelasting

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 22.538, alsmede bij beschikking een boete van € 11.269. Tevens is bij beschikking € 3.233 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2017 de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot € 10.501, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 1.506 en de boete verminderd tot € 1.500.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 34.110, alsmede bij beschikking een boete van € 17.055. Tevens is bij beschikking € 4.424 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2017 de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot € 16.431, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 2.147 en de boete verminderd tot € 3.000.

Inkomstenbelasting

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 15 augustus 2015 de volgende navorderingsaanslagen met boetes opgelegd:


voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.241, alsmede een boete van € 24.459. Tevens is bij beschikking € 9.038 aan heffingsrente in rekening gebracht;


voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.430, alsmede een boete van € 13.360. Tevens is bij beschikking € 3.971 aan heffingsrente in rekening gebracht;


voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.850, alsmede een boete van € 22.472. Tevens is bij beschikking € 5.269 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.719, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 4.061 en de boete verminderd tot € 4.167.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.241, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 1.959 en de boete verminderd tot € 4.167.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.450, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 2.318 en de boete verminderd tot € 4.166.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar inkomstenbelasting en omzetbelasting bij brieven van 18 augustus 2017, ontvangen door de rechtbank op 22 augustus 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , drs. [A] en mr. [B] .

Overwegingen
Feiten

1. Eiser exploiteert sinds [2005] een autorijschool onder de naam [Y] .

2. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV en omzetbelasting omzetten aangegeven van € 74.292 (2009), € 65.481 (2010) en € 94.318 (2011). Eiser heeft in de aangiften IB/PVV belastbare winsten aangegeven van € 10.807 (2009), € 7.856 (2010) en € 26.093 (2011). Eiser heeft op aangiften omzetbelasting de volgende bedragen voldaan: € 3.461 (2009), € 4.940 (2010) en € 4.052 (2011).

3. Op 21 februari 2013 is een boekenonderzoek aangekondigd met als doel het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de omzetverantwoording in de aangiften IB/PVV en omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011.

4. Op 14 mei 2013 heeft de controlerend ambtenaar een inleidend gesprek gevoerd met eiser. Het verslag dat de controlerend ambtenaar van het gesprek heeft gemaakt behoort tot de stukken van het geding. Daarnaast heeft de controlerend ambtenaar een onderzoek ter plaatse uitgevoerd. Hij heeft vervolgens de administratie in verband met een nader onderzoek meegenomen.

5. Met dagtekening 24 maart 2015 heeft verweerder een informatiebeschikking genomen, gebaseerd op artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De informatiebeschikking is aan eiser verstuurd. In de beschikking zijn de volgende gronden opgenomen:


“Er zijn geen agenda’s, er was een kladagenda maar deze is niet bewaard gebleven. Ook vastleggingen in het intern-geheugen van de telefoon zijn overschreven. Deze informatie is essentieel voor de bedrijfsvoering en dient te worden bewaard.


Er zijn geen leskaarten raadpleegbaar, deze blijven bij de leerling. Ook is er geen overzicht waaruit blijkt hoeveel lessen een bepaalde leerling heeft gevolgd, hoeveel er voor de lessen is betaald, wanneer en op welke wijze (contant of bank). Later in het onderzoek heeft u alsnog jaarlijkse overzichten vervaardigd van leerlingen die contant zouden hebben betaald. De overzichten van de jaren 2010 en 2011 sluiten echter niet aan met de contante ontvangsten zoals vermeldt in de auditfile. Vanuit een geobjectiveerde benadering houdt een ondernemer dergelijke zaken bij zodat bepaald kan worden in hoeverre de opbrengstenverantwoording juist en volledig is;


Er zijn factuurnummers gebruikt die niet doorlopend genummerd zijn, en regelmatig dubbel zijn gebruikt, hierover is in het inleidende gesprek geen melding gemaakt.


Het genoemde uurtarief in het inleidende gesprek wijkt sterk af van het uurtarief dat staat vermeld op de vervaardigde overzichten van leerlingen die contant hebben betaald. Inleidende gesprek: 2009 (€ 40,-) in 2010 (€ 41,-) in 2011 (€ 42,-) en later in het contante overzicht: 2009 (€ 30,-) in 2010 (€ 35,-) in 2011 (€ 35,-). Ook de bedragen m.b.t. examenkosten die zijn genoemd in het inleidende gesprek en die in de contante overzicht wijken van elkaar af;


Ik constateer verschillen in het aantal leerlingen in de administratie in vergelijking met de gegevens die bekend zijn bij CBR. Als ik de examenomzet bereken aan de hand van de bij het CBR afgenomen examens en ik elimineer dit uit de door u aangegeven omzet dan weet ik hoeveel lesgeld er door u zou zijn ontvangen. Ik weet het aantal leerlingen volgens het CBR en kan dan berekenen hoeveel lessen per leerling gemiddeld is gelest. Deze berekeningen heb ik aan u overgelegd, er blijkt dat dit dan gemiddeld 5 à 6 lessen per leerling is. Dit is niet aannemelijk en wijkt sterk af van het gemiddelde aantal (30) dat in het inleidende gesprek door u is genoemd.”

6. Het definitieve rapport van het boekenonderzoek heeft als dagtekening 7 juli 2015. De in de informatiebeschikking opgenomen bevindingen zijn overgenomen in het rapport. In het rapport is een theoretische omzetberekening opgenomen. Verweerder heeft onder meer het door eiser in het inleidende gesprek genoemde uurtarief, het aantal personen dat lessen heeft gevolgd en het aantal lessen per persoon gehanteerd. De theoretische omzetberekening leidt tot de volgende correcties van de aangiften IB/PVV en OB.

Omzet

2009

2010

2011

Omzet contant aangegeven

€ 35.605

€ 27.713

€ 63.042

Omzet per bank aangegeven

€ 38.687

€ 37.768

€ 31.276

Totaal aangegeven door bel.pl.

€ 74.292

€ 65.481

€ 94.318

Examens (examens volgens CBR)

€ 47.101

€ 39.616

€ 49.520

Omzet lessen aangegeven resteert

€ 27.191

€ 25.865

€ 44.798

Les prijs incl. btw

€ 40

€ 41

€ 42

Les prijs excl. btw

€ 33,61

€ 34,45

€ 35,29

Aantal lessen

809

751

1.269

Personen gelest volgens

Dhr. [X]

124

77

153

Gem. aantal lessen p.p. berekend

6,52

9,75

8,30

Gem. aantal lessen p.p. volgens [X]

30

30

30

Dus bij 30 lessen:

Zou er een lesomzet moeten zijn van:

€ 125.111

€ 79.584

€ 161.920

Omzet examens

€ 47.101

€ 39.616

€ 49.520

Totale omzet

€ 172.212

€ 119.200

€ 211.440

Aangegeven

€ 74.292

€ 65.481

€ 94.318

Correctie

€ 97.920

€ 53.719

€ 117.122

Bijbehorende BTW correctie

€ 18.604

€ 10.206

€ 22.253

7. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser ingediende bezwaren de theoretische omzetten opnieuw berekend. Uit de motivering van de uitspraken op bezwaar volgt dat verweerder daarbij rekening heeft gehouden met:


een prijs per les per uur (inclusief omzetbelasting) in 2009 van € 30 en in 2010 en 2011 van € 35;


gemiddeld 25 lessen per leerling en 6 lessen voor een herexamen;


het aantal examens en herexamens conform de opgaven van het CBR.

8. De opnieuw vastgestelde theoretische omzetten en de daaruit voortvloeiende correcties bedragen:

Theoretische omzet

Aangegeven omzet

Verschil/correctie

2009

€ 129.563

€ 74.292

€ 55.271

2010

€ 104.498

€ 65.481

€ 39.017

2011

€ 141.786

€ 94.318

€ 47.468

9. De navorderingsaanslagen IB/PVV zijn verminderd tot € 21.608 (2009), € 12.755 (2010) en € 24.355 (2011). De naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn verminderd tot € 10.501 (2009) en € 16.431 (2010 en 2011).

Geschil

10. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil:


of verweerder terecht omkering en verzwaring van de bewijslast heeft toegepast;


of de navorderings- en naheffingsaanslagen berusten op een redelijke schatting;


of de boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd;


of en in hoeverre eiser recht heeft op vergoeding van proceskosten.

Beoordeling van het geschil

Omkering van de bewijslast

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2903) geoordeeld dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op de in artikel 25, derde lid, van de AWR voorziene omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen indien hetzij een informatiebeschikking onherroepelijk geworden is, hetzij de vereiste aangifte niet is gedaan.

12. De rechtbank zal eerst beoordelen of door eiser de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte uitsluitend kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet is geheven, op zichzelf beschouwd (absoluut), aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

14. Uit het rapport boekenonderzoek, met daarin onder meer de bevindingen uit de onder punt 5. genoemde informatiebeschikking, volgt dat de administratie van eiser zoveel gebreken vertoont dat deze niet bruikbaar is om de omzetten te berekenen. Verweerder heeft daarom op basis van de in de administratie wel aanwezige gegevens, verklaringen van eiser en gegevens van derden theoretische omzetberekeningen over de jaren 2009 tot en met 2011 gemaakt. Verweerder heeft daarbij onder meer gebruik gemaakt van gegevens van het CBR waaruit blijkt dat door eiser respectievelijk 252 (2009), 262 (2010) en 308 (2011) examens (inclusief herexamens) zijn aangevraagd en respectievelijk 242 (2009), 236 (2010) en 300 (2011) examens zijn afgenomen. Volgens onderzoek van het CBR hebben leerlingen ruim 38 lesuren nodig om het rijexamen te halen. Eiser heeft in het inleidend gesprek van 14 mei 2013 verklaard dat zijn leerlingen ongeveer 30 lesuren nodig hebben voor een eerste examen en 6 lesuren voor een herexamen. Tijdens het hoorgesprek heeft eiser aangegeven dat hij soms lessen cadeau geeft en dat hij regelmatig lesgeeft aan leerlingen die al goed kunnen rijden. Verweerder heeft dit aannemelijk geacht en is bij de uitspraken op bezwaar nader uitgegaan van 25 lessen per leerling. Eiser heeft in het inleidend gesprek ook verklaard dat de lesprijzen per uur € 40 (2009) en € 41 (2010) en € 42 (2011) inclusief omzetbelasting hebben bedragen. Later heeft eiser deze bedragen gecorrigeerd naar € 30 (2009) en € 35 (2010 en 2011) inclusief omzetbelasting. Verweerder heeft bij de uitspraken op bezwaar deze laatste bedragen gehanteerd.

15. Op basis van de hiervoor genoemde gegevens is aannemelijk dat de daadwerkelijk gerealiseerde omzetten uit de lessen aanzienlijk hoger zijn dan de omzetten die in de aangiften zijn opgenomen. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Ook als wordt uitgegaan van de bij de uitspraken op bezwaar berekende omzetten (punt 8 van deze uitspraak) wijkt de verschuldigde belasting zowel in relatief als in absoluut opzicht in grote mate af van de op basis van de aangiften verschuldigde belasting. De verschillen zijn zo groot dat eiser zich hiervan bewust moet zijn geweest. Het beroep moet dan ook met toepassing van de omkering van de bewijslast zoals geregeld in artikel 27e, eerste lid, van de AWR, ongegrond worden verklaard, tenzij eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. In het midden kan blijven of de informatiebeschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt.

Redelijke schatting

16. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslagen uit te gaan van redelijke schattingen. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

17. De rechtbank acht de door verweerder bij de uitspraken op bezwaar gehanteerde uitgangspunten (punt 7 van deze uitspraak) alleszins redelijk. Verweerder is bij de berekeningen terecht uitgegaan van het aantal aangevraagde en afgenomen examens conform de opgaven van het CBR. Gelet op de ervaringscijfers van het CBR en de verklaringen van eiser in het inleidende gesprek is het aantal lessen per leerling dat verweerder heeft gehanteerd zeker niet te hoog. Dit geldt ook voor het uurtarief dat verweerder eveneens heeft gebaseerd op verklaringen van eiser zelf. Er is gelet op het voorgaande sprake van redelijke schattingen.

18. Eiser heeft met zijn verklaringen de onjuistheid van de schattingen ook niet doen blijken. Zijn stelling dat hij nimmer dergelijke omzetten kan hebben behaald is hiervoor onvoldoende. De stelling van eiser dat verweerder met de correcties impliciet stelt dat eiser 3.075 tot 4.576 uren per jaar zou hebben gewerkt, wordt door verweerder gemotiveerd betwist. Volgens verweerder hoeft eiser niet alleen te hebben gewerkt. Hij kan iemand hebben ingehuurd. Hij beschikt immers over meerdere lesauto’s. Bovendien kan eiser zelf heel veel uren hebben gewerkt. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser uitsluitend vanwege het risico van uitval of regulier onderhoud van een lesauto twee of meer auto’s heeft aangeschaft. Eiser heeft ook niet doen blijken dat hij meer dan incidenteel lessen heeft laten overnemen door een andere rijschool.

19. De stelling van eiser dat veel examens wel zijn aangevraagd maar niet zijn afgenomen, strookt niet met de gegevens van het CBR. Gemiddeld bedraagt het aantal afgenomen examens (afgerond) 94% van het aantal aangevraagde examens. Eiser heeft ook overigens niet doen blijken dat deze gegevens onjuist zijn. Anders dan eiser stelt, kan uit de tot het geding behorende overzichten van het CBR worden afgeleid dat deze uitsluitend betrekking hebben op de praktijkexamens en niet ook op de theorie-examens. Eiser heeft evenmin doen blijken dat hij lagere tarieven hanteert dan € 30 respectievelijk € 35 inclusief omzetbelasting per uur, dat hij door vaste prijsafspraken minder ontvangt dan deze bedragen en dat hij vaak lesgegeven heeft aan leerlingen die bij een andere rijschool gezakt waren.

20. Gelet op het voorgaande is sprake van redelijke schattingen en zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en de naheffingsaanslagen OB niet tot te hoge bedragen opgelegd. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

21. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Vergrijpboetes

22. Verweerder heeft op grond van artikel 67e en 67f van de AWR in samenhang met paragraaf 25, 27 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst aan eiser vergrijpboetes opgelegd van 50 % van de nagevorderde en nageheven belasting omdat het volgens verweerder aan opzet van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiser en de doorlooptijd van de bezwaarschriften (de redelijke termijn). Hij heeft de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV verminderd tot € 12.500 voor alle jaren (2009: € 4.167, 2010: € 4.167 en 2011: € 4.166). In lijn hiermee zijn de boetes bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting verminderd tot € 1.500 (2009) en € 3.000 (2010 en 2011). Verweerder stelt subsidiair dat sprake is van grove schuld.

23. Verweerder heeft ter onderbouwing van de boetes aangevoerd dat uit de aansluiting tussen de gegevens van het CBR en die van eiser blijkt dat omzetten niet zijn aangegeven. Het is volgens verweerder van algemene bekendheid dat alle lesomzetten en ontvangen examenlesgelden in de omzet en de aangiften moeten worden verantwoord. Door het niet voeren van een adequate boekhouding waaruit alle omzet blijkt en het daardoor niet verantwoorden van alle omzet heeft eiser willens en wetens te lage aangiften gedaan. Wellicht heeft zijn administrateur te weinig actief opgetreden in de begeleiding van eiser maar door het niet verwerken van omzetgegevens in zijn kasstaten heeft eiser zelf schuld aan het niet kunnen verwerken van de gegevens door de administrateur.

24. Volgens eiser heeft verweerder geen bewijs geleverd voor zijn stellingen en de toepasselijkheid van het statistisch materiaal. Ook stelt eiser dat schuld ontbreekt omdat eiser van zijn boekhouder of de belastingdienst nooit een opmerking heeft gekregen over zijn administratie. Verder zijn de vereiste vormen niet in acht genomen bij het verhoor, door het onthouden van het consultatierecht op een advocaat en het verzuim om de cautie te verlenen.

25. De rechtbank overweegt als volgt. Opzet en grove schuld van een ander dan de belastingplichtige, bijvoorbeeld diens adviseur mag voor de vaststelling van de hoogte van de boete, niet aan de belastingplichtige worden toegerekend. Dit neemt niet weg dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur (Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741).

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet van eiser zelf door het niet voeren van een adequate boekhouding en het aanleveren van onjuiste dan wel onvolledige gegevens aan de boekhouder, waardoor deze aangiften naar te lage bedragen heeft gedaan. Uit het rapport boekenonderzoek volgt dat eiser zelf de administratie verzorgde en niet zijn boekhouder. Hij verzamelde de kostenbonnen, betaalde de kostenfacturen en maakte de verkoopfacturen op. Verder bestond de administratie uit een losbladig (klad)kasboek, CBR-overzichten en bankafschriften. Eiser verstrekte deze bescheiden één keer per kwartaal aan de boekhouder, die de bescheiden verwerkte in een boekhoudprogramma, de jaarrekeningen opmaakte en de aangiften indiende. Uit het rapport boekonderzoek volgt tevens dat diverse gegevens, zoals zakelijke agenda’s, aantekeningen gemaakt in de telefoon en leskaarten, niet bewaard zijn gebleven en ook niet zijn verstrekt aan de boekhouder. De theoretische omzetberekeningen wijken aanzienlijk af van de omzetten volgens de aangiften. De navorderingsaanslagen IB/PVV en de naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn weliswaar bij uitspraken op bezwaar aanzienlijk verlaagd maar zij zijn ook na de verminderingen in de bezwaarfase nog zo hoog en wijken nog zo sterk af van de ingediende aangiften dat, in combinatie met de omissies in de administratie, moet geoordeeld worden dat eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de aangiften de omzetten en de winsten op te lage bedragen zouden worden verantwoord. Nu zich deze omstandigheid heeft voorgedaan is het aan voorwaardelijk opzet van eiser te wijten dat te weinig belasting is betaald. De rechtbank acht boetes van 50% van de nagevorderde en nageheven belasting in beginsel passend en geboden.

27. Door de boetes aanzienlijk te matigen en vast te stellen op de onder 22. genoemde bedragen, heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan door middel van omkering van de bewijslast en op basis van (theoretische) omzetberekeningen (Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962), met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en met de financiële omstandigheden van eiser. De rechtbank acht de boetes daarom passend en geboden.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

28. Verweerder heeft aan eiser in de bezwaarfase in verband met de behandeling van de bezwaarschriften voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een proceskostenvergoeding toegekend van € 492 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246 en een wegingsfactor 1). Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedraagt de wegingsfactor bij vijf samenhangende zaken 1,5. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase daarom nader vast op € 762 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1,5). Volgens vaste rechtspraak wordt het gewicht van een zaak bepaald door de aard, het belang én de ingewikkeldheid. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat de zaken niet als zeer zwaar (factor 2) kunnen worden gekwalificeerd. Er is weliswaar sprake van meerdere geschilpunten maar de zaken zijn niet meer dan gemiddeld gecompliceerd. Voor zover verweerder het bedrag van € 492 al heeft betaald, dient hij nog aanvullend (€ 762 -/- € 492=) € 270 aan eiser te vergoeden.

Conclusie

29. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft.

Proceskostenveroordeling

30. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.536 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1,5).

Beslissing
De rechtbank:


verklaart de beroepen gegrond voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft;


vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre;


verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.298;


gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 februari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBGEL:2019:920

Scroll naar boven