VOF A drijft sinds 2008 een onderneming in luxe horloges en tegels. De activiteiten in 2016 bestonden voornamelijk uit de handel in exclusieve gebruikte en nieuwe horloges. Deze werden vaak ingekocht van ondernemers in Spanje. In februari 2016 stelde de Belastingdienst vast dat VOF A nieuwe horloges met Spaanse omzetbelasting inkocht en deze in Nederland met toepassing van de margeregeling verkocht, wat leidde tot een aangekondigd boekenonderzoek voor de jaren 2011-2015. Pogingen om Spaanse omzetbelasting terug te vorderen voor 2015 mislukten vanwege administratieve gebreken. Hierop volgde op 26 januari 2017 een vaststellingsovereenkomst tussen VOF A en de Inspecteur. Daarin werd geconcludeerd dat de margeregeling in 2011-2015 onjuist was toegepast en afgesproken dat vanaf 2016 de omzetbelasting op nieuwe en gebruikte horloges correct en controleerbaar gesplitst zou worden. VOF A erkende in deze overeenkomst expliciet dat deze zonder dwang tot stand was gekomen en deed afstand van eventuele schadeclaims. De naheffingsaanslag voor 2016 werd in 2021 opgelegd, gebaseerd op een balansschuld omzetbelasting van €23.355 die in de eigen boekhouding van VOF A was opgenomen.
VOF A betoogde dat de aanslag onjuist was berekend en dat het vertrouwensbeginsel aan naheffing in de weg stond. Dit laatste argument was gebaseerd op een beweerde afspraak uit 2016 tussen de toenmalige belastingadviseur en de controlerend ambtenaar dat niet zou worden nageheven. Tevens stelde VOF A dat de vaststellingsovereenkomst moest worden vernietigd wegens dwang, en dat de berekende invorderingsrente onjuist was.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het Hof wees het verzoek om aanhouding en het aanbod om getuigen te horen af. Het Hof oordeelde dat VOF A niet voldoende inspanningen had verricht om de getuigen tijdig op te roepen of mee te brengen, vooral gezien het tijdsverloop en de relatief eenvoudige vindbaarheid van adressen. Daarbij achtte het Hof het horen van de getuigen niet zinvol, aangezien de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk bepaalde dat vanaf 2016 de wettelijke regels zouden worden nageleefd. Daardoor was eventueel eerder gewekt vertrouwen door de overeenkomst opgezegd. De stelling dat de vaststellingsovereenkomst onder dwang tot stand kwam, werd verworpen, mede omdat VOF A werd bijgestaan door een professionele adviseur en de overeenkomst zelf de afwezigheid van wilsgebreken vermeldde. De juistheid van de naheffingsaanslag werd bevestigd op basis van de eigen boekhouding van VOF A, waaruit de balansschuld voor 2016 voortvloeide.
Bron: ECLI:NL:GHARL:2025:5180