Onderneming werd door man en niet door zijn ex-partner gedreven

man vrouw onderneming vraagteken (1)

Onderneming werd door man en niet door zijn ex-partner gedreven

X en Y hadden een relatie, woonden samen en hebben kinderen. Tijdens een boekenonderzoek door de Belastingdienst zijn facturen, grootboekkaarten en correspondentie opgevraagd bij afnemers van de bij de KvK ingeschreven eenmanszaak van Y. Daarnaast is aan de afnemers informatie gevraagd over de gang van zaken en gevraagd wie voor hen het aanspreekpunt was bij bijvoorbeeld het doen van bestellingen. De afnemers hebben verklaard dat X voor hen het aanspreekpunt was. De relatie is omstreeks 2017 geëindigd, waarna X een BV heeft opgericht waarvan hij bestuurder en 100% aandeelhouder is. In de gesprekken tijdens de bezwaarfase tussen de Belastingdienst, X, de advocaat en de adviseur is ontkend noch bevestigd dat de X de ondernemer is.

In geschil is of de onderneming door X of door zijn ex-partner Y werd gedreven.

De Belastingdienst heeft naar het oordeel van Rechtbank Noord-Nederland aannemelijk gemaakt dat de inkomsten uit de onderneming aan X kunnen worden toegerekend. De rechtbank wijst daarbij op de door de Belastingdienst overgelegde verklaringen van derden en facturen die ten name van X zijn uitgereikt door leveranciers. Verder had X beschikking over de gelden van de onderneming omdat deze mede op de rekening van zijn minderjarige dochter werden gestort. De rechtbank acht de hoogte van de nageheven belasting aannemelijk omdat dit gebaseerd is op door X overgelegde administratie en de derdenonderzoeken.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
LEE 20/1190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag omzetbelasting.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de hoorplicht niet is geschonden.

In geschil is verder of een onderneming door eiser of door zijn ex-partner werd gedreven.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de inkomsten uit de onderneming aan eiser kunnen worden toegerekend. De rechtbank wijst daarbij op de door verweerder overgelegde verklaringen van derden en facturen die ten name van eiser zijn uitgereikt door leveranciers. Verder had eiser beschikking over de gelden van de onderneming omdat deze mede op de rekening van zijn minderjarige dochter werden gestort. De rechtbank acht de hoogte van de nageheven belasting aannemelijk omdat dit gebaseerd is op door eiser overgelegde administratie en de derdenonderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-8-2022
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1190

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Firdgum, eiser,
en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop
Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 aan eiser met dagtekening 25 april 2019 een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting ten bedrage van € 159.375. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 21.174 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep is ingesteld door mr. [advocaat] , die de rechtbank per fax van 7 juni 2021 heeft laten weten niet langer als gemachtigde te zullen optreden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker verweerder] en [medewerker verweerder] . Ter zitting is de zaak gezamenlijk behandeld met de zaken van eiser met zaaknummers LEE 19/4517, LEE 19/4519 t/m LEE 19/4523 en LEE 20/3419. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

De rechtbank heeft op 30 juni 2022 om 8:12 uur een e-mail van eiser ontvangen. De rechtbank heeft voor het eerst na sluiting van het onderzoek kennis genomen van deze e-mail. De rechtbank ziet in hetgeen hierin is geschreven geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

Overwegingen
Feiten

1.1.
Eiser heeft vanaf omstreeks 1986 een relatie gehad met [Y] ( [Y] ). Eiser en [Y] woonden samen. De relatie is omstreeks 2017 geëindigd. Sinds 2021 staan zij niet meer op hetzelfde adres ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens.

1.2.
Eiser en [Y] hebben twee kinderen, waaronder [A] , geboren op [datum] 1999.

1.3.
Eiser is in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 niet door verweerder uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting.

1.4.
Met startdatum [datum] 2008 stond in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een eenmanszaak ten name van [Y] ingeschreven onder de naam ‘ [eenmanszaak] .’ De werkzaamheden bestonden volgens het handelsregister uit onderzoek, analyse en productie van biotechnologische producten voor veterinaire doeleinden, land- en tuinbouw en algemene bio-industrie.

1.5.
[eenmanszaak] is op 23 juni 2016 uitgeschreven uit het handelsregister. In het handelsregister staat daarover vermeld: “Op 23-06-2016 is de inschrijving wegens opheffing van de onderneming ambtshalve doorgehaald.”

1.6.
Per 12 juni 2017 is [B BV] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De activiteiten van deze besloten vennootschap worden in het handelsregister omschreven als de ontwikkeling en productie van biochemische gebruiksproducten te weten voedingssupplementen, cosmetica en agrarische meststoffen. Eiser is directeur en 100% aandeelhouder van [B BV]

1.7.
Op 13 januari 2017 heeft verweerder aan [Y] medegedeeld dat er bij haar een boekenonderzoek omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 wordt ingesteld.

1.8.
Met dagtekening 7 februari 2017 heeft verweerder aan [Y] en eiser medegedeeld dat het boekenonderzoek wordt uitgebreid met de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 en met de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2014 en 2015 van zowel [Y] als eiser.

1.9.
Tijdens het boekenonderzoek zijn balansen en winst- en verliesrekeningen overgelegd over de jaren 2014 tot en met 2016. Daarin staan de volgende bedragen:

2014 2015 2016
Omzet € 233.434 € 188.928 € 252.260
Kosten € 190.966 € 157.206 € 236.095
Winst € 42.468 € 31.722 € 16.165

1.10.Op de overgelegde balansen staan drie zakelijke bankrekeningen, twee op naam van [Y] en één op naam van de dochter van eiser en [Y] , [A] (zie 1.2.).

1.11.Tijdens het boekenonderzoek zijn door verweerder facturen, grootboekkaarten en correspondentie opgevraagd bij afnemers van [eenmanszaak] , waaronder [D] , [E] , [F] , [G] en [H] . Daarnaast is aan de afnemers informatie gevraagd over de gang van zaken bij [eenmanszaak] en gevraagd wie voor hen het aanspreekpunt was bij bijvoorbeeld het doen van bestellingen. De afnemers hebben verklaard dat eiser voor hen het aanspreekpunt was.

1.12.Verweerder heeft de uitkomsten van het boekenonderzoek vastgelegd in een controlerapport van 10 juli 2018. Daarin heeft verweerder de omzet van de onderneming aan de hand van de overgelegde bankmutaties en kasadminstratie als volgt berekend:

2014 2015 2016
Omzet o.b.v. bankafschriften € 243.856,75 € 204.731,66 € 290.794,34
Omzet o.b.v. kasontvangsten € 29.313,15 € 42.253,01 € –
Totale omzet € 273.169,91 € 246.984,67 € 290.794,34

1.13.Verweerder heeft in het rapport van 10 juli 2018 tevens aangegeven een correctie in de omzetbelasting toe te passen wegens het privégebruik van meerdere auto’s en een deel van de voorbelasting te corrigeren vanwege het ontbreken van facturen.

1.14.In het rapport boekenonderzoek van 10 juli 2018 is de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 als volgt door verweerder berekend:

2014 2015 2016 totaal
Omzet totaal € 273.170 € 246.985 € 290.794
Verschuldigde omzetbelasting € 57.366 € 51.867 € 61.067
Privégebruik auto + € 5.074 € 4.741 € 5.755
Totaal € 62.440 € 56.607 € 66.822
Voorbelasting (geaccepteerd) – € 9.715 € 8.504 € 8.275
Te betalen omzetbelasting € 52.725 € 48.103 € 58.547
€ 159.375

De geaccepteerde voorbelasting is als volgt door verweerder berekend:

2014 2015 2016
Voorbelasting volgens administratie € 16.136 € 11.828 € 15.068
Geen facturen grondstoffen en verpakkingsmaterialen (af) € 3.108 € 1.634 € 4.398
Geen facturen communicatie (af) € 1.011 € 946 € 2.381
Geen facturen reis- en verblijfkosten (af) € 100 € 350 € 14
Onbetaalde rekening [M] (af) € 1.290
Onbetaald facturen [N] (af) € 530
Verzekeringen vrijgesteld (af) € 383 € 394
Geaccepteerde voorbelasting € 9.715 € 8.504 € 8.275

1.15.

Verweerder heeft de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 overeenkomstig de berekeningen uit het boekenonderzoek opgelegd.

1.16.
Verweerder heeft tevens aan [Y] een naheffingsaanslag omzetbelasting over dezelfde omzet over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 opgelegd.

1.17.
In de bezwaarfase heeft op 2 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, [Y] eiser, de toenmalige gemachtigden van eiser en [Y] , te weten [adviseur] en [advocaat] , en namens verweerder [medewerker verweerder 3] en [medewerker verweerder 4] . Van dit gesprek is door verweerder een verslag gemaakt dat op 5 november 2019 aan [advocaat] is gemaild. Daarin is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Belanghebbende:

– De adviseur en de advocaat geeft uitleg over de activiteiten van de onderneming. Omdat ze structureel niet alle gevraagde gegevens ontvangen van hun cliënt (en) kan de adviseur en de advocaat niet verklaren wie de ondernemer is.

– De adviseur verklaart dat [eiser] , na definitieve aanslagen, bereid is om alle belastingschulden te willen betalen.

– De adviseur geeft aan dat hij de belangen per 2018 behartigt van [eiser]

bij zijn nieuwe onderneming.

– De advocaat is gemachtigd voor de bezwaarperiode.

– De adviseur en de advocaat bevestigen dat ze betaald worden door [eiser] en dat ze regelmatig contact hebben met [eiser] .

(…)

Belastingdienst:

– Op grond van de feiten is de Belastingdienst van mening dat [eiser] ondernemer is voor de omzetbelasting en de inkomstenbelasting. De adviseur en de advocaat geven aan dat de feiten een goed beeld geeft van de situatie.

(…)

– De bestreden aanslagen inkomstenbelasting /premie volksverzekeringen, alsmede de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage ZvW t.n.v. mw. [Y] zullen worden verminderd overeenkomstig de ingediende bezwaarschriften. Vastgesteld is immers dat niet mw. [Y] de ondernemer is in deze maar [eiser].”

1.18.
Op 4 november 2019 heeft verweerder de verklaringen (zie 1.11.) van derden aan [advocaat] doen toekomen.

1.19.
[advocaat] heeft per e-mail van 8 november 2019 op het verslag van 5 november 2019 gereageerd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“De adviseur en de advocaat hebben niet gezegd dat de feiten een goed beeld geven van de situatie. Gezegd is dat als er derden verklaringen zouden zijn die aangeven dat [eiser] de ondernemer is we de conclusie van de belastingdienst zouden kunnen volgen. Daarom is verzocht om de derden verklaringen (die op 4 november zijn toegezonden).”

1.20.
Verweerder heeft per e-mail van 12 november 2019 gereageerd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“Verder heeft u niet volmondig gesteld dat [eiser] de ondernemer was, maar enige andere conclusie uit uw betoog en dat van dhr. [adviseur] was er feitelijk niet te trekken. Dit heeft u in mijn beleving beiden bevestigd. Inmiddels is dit ook gebleken uit de verklaringen die ik u heb toegemaild. En uit het feit dat de onderneming inmiddels in de BV van [eiser] is ingebracht. Mw. [Y] heeft hier niets mee van doen. We hebben dan ook afgesproken dat de aanslagen IH van mw. [Y] en de aanslagen OB van mw. [Y]

en van de samenwerkingsverband zouden worden vernietigd. Hier was zowel u als dhr. [adviseur] het mee eens.”

1.21.
Verweerder heeft in de beroepsfase facturen en aanmaningen van leveranciers uit de periode 2012 tot en met 2015 overgelegd. Deze zijn allemaal gericht aan [eenmanszaak] ( [eenmanszaak] ) ter attentie van eiser. Verweerder heeft ook aan eiser gerichte facturen van [autobedrijf] overgelegd die betrekking hebben op werkzaamheden aan een auto die op de ondernemingsbalans staat.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. Meer specifiek is allereerst in geschil of de hoorplicht is geschonden. Verder is in geschil of de onderneming ‘ [eenmanszaak] ’ door eiser werd gedreven en of verweerder de omzetbelasting als gevolg daarvan terecht bij eiser heeft nageheven.

3.1.
Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden omdat hij niet is gehoord, omdat – naar de rechtbank begrijpt – hij vooraf geen volledige dossierinzage heeft gekregen. . Eiser wijst er in dat verband op dat de verklaringen van de afnemers (derdenverklaringen) ontbraken tijdens het gesprek van 2 oktober 2019. Eiser verzoekt daarom om vernietiging van de uitspraken op bezwaar en terugwijzing naar verweerder.

3.2.
Verweerder stelt dat er op 2 oktober 2019 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden en dat daarbij ook inzage in het dossier is verleend. Volgens verweerder ontbraken op dat moment de derdenverklaringen (zie 1.11) in het dossier en zijn deze op 4 november 2019 alsnog overgelegd (zie 1.18). Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij eiser had uitgenodigd voor een hoorgesprek en inzage in het dossier en dat telefonisch de datum van 2 oktober 2019 is afgesproken. Aan het begin van het gesprek van 2 oktober 2019 is volgens verweerder gezamenlijk afgesproken om het gesprek ook als een hoorgesprek aan te merken. Tijdens het gesprek heeft eiser een mondelinge toelichting kunnen geven. Na ontvangst van de derdenverklaringen heeft eiser volgens verweerder niet om een nieuw (hoor)gesprek verzocht. Verweerder wijst er verder nog op dat de derdenverklaringen wel beschikbaar waren tijdens een hoorgesprek over de aanslag IB/PVV 2017, maar dat eiser hier toen niets over op te merken had.

3.3.
De rechtbank overweegt dat verweerder geloofwaardig heeft verklaard dat tijdens het gesprek van 2 oktober 2019 is afgesproken om het gesprek als een hoorgesprek aan te merken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser om een hoorgesprek heeft verzocht, dat verweerder eiser heeft uitgenodigd voor een gesprek en daarbij een aantal datavoorstellen heeft gedaan en dat partijen vervolgens telefonisch de datum van 2 oktober 2019 hebben afgestemd. Weliswaar blijkt uit de correspondentie na het gesprek op 2 oktober 2019 dat beide partijen er vooraf niet vanuit gingen dat het gesprek als hoorgesprek zou fungeren, maar de rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van verweerder dat dit tijdens het gesprek van 2 oktober 2019 is besproken. Eiser heeft deze afspraak als zodanig ook niet betwist. Eiser meent dat er ondanks deze afspraak geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden omdat de derdenverklaringen op dat moment niet aanwezig waren. Die omstandigheid maakt echter niet dat er geen hoorgesprek kon plaatsvinden. Voor het houden van een hoorgesprek is namelijk niet vereist dat alle op de zaak betrekking hebbende bescheiden voor eiser beschikbaar moet zijn (geweest). Wel kan het reden zijn om een tweede hoorgesprek te houden, maar dat is door eiser niet aangevoerd en een dergelijk verzoek is in de bezwaarfase ook niet door eiser gedaan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er dus wel degelijk een hoorgesprek op 2 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de hoorplicht niet is geschonden.

3.4.
Voor zover eiser betoogt dat het inzagerecht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat de derdenverklaringen tijdens het hoorgesprek op 2 oktober 2019 niet aanwezig waren. Wel zijn de betreffende stukken op 4 november 2019 toegezonden (zie 1.18.). Eiser is daardoor voldoende in de gelegenheid gesteld om van deze stukken kennis te nemen en daarop te reageren en is aldus naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belangen geschaad.1

4.1.
Eiser voert verder aan dat de naheffingsaanslag omzetbelasting onterecht aan hem is opgelegd, omdat de onderneming ‘ [eenmanszaak] ’ niet voor zijn rekening en risico werd gedreven. Eiser voert aan dat uit het summiere derdenonderzoek niet kan worden afgeleid dat hij de ondernemer is.

4.2.
Verweerder stelt dat eiser de onderneming wel voor zijn rekening en risico heeft gedreven. Verweerder wijst daartoe op het volgende. Eiser fungeerde blijkens de overgelegde verklaringen als aanspreekpunt voor afnemers en leveranciers. De facturen van het autobedrijf en van leveranciers staan op naam van eiser en hij werd ook aansprakelijk gesteld voor de betalingen van de onderneming. De onderneming is in 2017 overgegaan in [B BV] , waarvan eiser directeur en enig aandeelhouder is. Ten slotte merkt verweerder op dat eiser, in ieder geval via de bankrekening van zijn dochter, de beschikkingsmacht had over geld van de onderneming.

4.3.
De rechtbank overweegt dat omzetbelasting wordt geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, die in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht.2 Ondernemer is eenieder die zelfstandig een economische activiteit uitoefent.3 De bewijslast – dat wil zeggen de last om aannemelijk te maken dat eiser kwalificeert als ondernemer – rust in dit geval op verweerder.

4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser ondernemer is voor de omzetbelasting en heeft hij daarmee aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de facturen van afnemers, leveranciers en het autobedrijf en uit de verklaringen van de leveranciers blijkt dat eiser als contactpersoon fungeerde en door hen aangesproken werd voor schulden van de onderneming (zie 1.11. en 1.21.). Daarnaast is niet weersproken dat eiser de beschikking had over gelden van de onderneming op de rekening van zijn (destijds minderjarige) dochter (zie 1.10). De rechtbank acht daarom aannemelijk dat eiser, handelend als ondernemer, onder de handelsnaam van [eenmanszaak] leveringen verrichtte. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet.

4.5.
Eiser heeft de hoogte van het bedrag aan nageheven omzetbelasting niet betwist. De rechtbank acht het bedrag aan nageheven omzetbelasting ook aannemelijk, omdat dit bedrag is gebaseerd op de tijdens het boekenonderzoek overgelegde administratie (zie 1.12. en 1.13.). De rechtbank wijst er daarbij voor de volledigheid nog op dat het aan eiser is om de aftrek van voorbelasting aannemelijk te maken en dat eiser hiertoe niets heeft aangevoerd.

5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Kattenberg, voorzitter, en mr. P.P.D. Mathey-Bal en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2Op grond van artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

3Zie ook artikel 7, eerste lid, van de Wet OB.

ECLI:NL:RBNNE:2022:2782