Onterecht gefactureerde btw toch als voorbelasting in aanmerking

Energie lamp

Onterecht gefactureerde btw toch als voorbelasting in aanmerking

A is een vennootschap die zich bezighoudt met introductie, uitvoering en handel in aan energie gerelateerde industriële goederen en technologieën. A heeft zaken gedaan met een andere in Nederland gevestigde vennootschap X. De door vennootschap X aan A gefactureerde btw heeft A in haar aangiften omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. De Belastingdienst heeft naheffingsaanslagen opgelegd en een btw-teruggaaf geweigerd, omdat volgens hem A geen recht heeft op vooraftrek van de door X gefactureerde btw.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant is van oordeel dat A niet aannemelijk heeft gemaakt dat levering van de goederen aan haar in Nederland heeft plaatsgevonden, zodat X ten onrechte btw aan A in rekening heeft gebracht. Onder verwijzing naar het door het HvJ arrest Farkas stelt A dat de beginselen van neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid in dit geval meebrengen dat de onterecht gefactureerde btw toch als voorbelasting in aanmerking moet worden genomen. Dat beroep slaagt.

Met overlegging van de aangiften omzetbelasting van X heeft A aannemelijk gemaakt dat X de aan A gefactureerde btw, als verschuldigde btw in haar aangiften heeft verantwoord en heeft betaald. Omdat verder vaststaat dat het voor A ten minste uiterst moeilijk wordt om van X terugbetaling van de onterecht gefactureerde btw te krijgen en de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat sprake is van fraude, is aan de in het arrest Farkas genoemde criteria voldaan. A kan zich daarom voor terugbetaling van de ten onrechte verschuldigde btw rechtstreeks tot de Belastingdienst wenden. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslagen en verleent de door A gevraagde btw-teruggaaf.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-01-2022
Datum publicatie
24-01-2022
Zaaknummer
BRE 19 /1613, 19/1614, 19/1641
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, heeft zaken gedaan met een andere in Nederland gevestigde vennootschap (hierna vennootschap X). De door vennootschap X aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting heeft belanghebbende in haar aangiften omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen opgelegd en een teruggaaf van omzetbelasting geweigerd, omdat volgens hem belanghebbende geen recht heeft op vooraftrek van de door vennootschap X gefactureerde omzetbelasting.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat – voor zover nog in geschil – levering van de goederen aan haar in Nederland heeft plaatsgevonden, zodat vennootschap X ten onrechte omzetbelasting aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Onder verwijzing naar het door het Hof van Justitie gewezen arrest Farkas (C-564/15) stelt belanghebbende dat de beginselen van neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid in dit geval meebrengen dat de onterecht gefactureerde omzetbelasting toch als voorbelasting in aanmerking moet worden genomen. Dat beroep slaagt. Met overlegging van de aangiften omzetbelasting van vennootschap X heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat vennootschap X de aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting, als verschuldigde omzetbelasting in haar aangiften heeft verantwoord en heeft betaald. Omdat verder vaststaat dat het voor belanghebbende ten minste uiterst moeilijk wordt om van vennootschap X terugbetaling van de onterecht gefactureerde omzetbelasting te krijgen en de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat sprake is van fraude, is aan de in het arrest Farkas genoemde criteria voldaan. Belanghebbende kan zich daarom voor terugbetaling van de ten onrechte verschuldigde omzetbelasting rechtstreeks tot de inspecteur wenden. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslagen en verleent de door belanghebbende gevraagde teruggaaf omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-1-2022
V-N Vandaag 2022/190
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/1613, 19/1614 en 19/1641

uitspraak van 14 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , statutair gevestigd te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 6 september 2017 een beschikking ‘geen teruggaaf van omzetbelasting’ over het tijdvak 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (nummer: [nummer] ) afgegeven (hierna: de beschikking geen teruggaaf over het tweede kwartaal 2017).

1.2.
Verder heeft de inspecteur met dagtekening 24 februari 2018 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 opgelegd (aanslagnummer: [nummer] naar een bedrag van € 41.137 (hierna: de naheffingsaanslag over het eerste kwartaal 2017).

1.3.
Tot slot heeft de inspecteur aan belanghebbende, eveneens met dagtekening 24 februari 2018, een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 opgelegd (aanslagnummer: [nummer] ) naar een bedrag van € 337.625 (hierna: de naheffingsaanslag over 2015-2016). In hetzelfde geschrift is € 16.551 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.4.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2019 het bezwaar gericht tegen de beschikking geen teruggaaf over het tweede kwartaal 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak op bezwaar van 8 maart 2019 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag over het eerste kwartaal van 2017 verminderd tot een bedrag van € 15.314. Verder heeft de inspecteur bij uitspraak van 15 maart 2019 de naheffingsaanslag over 2015-2016 verminderd tot een bedrag van € 144.606. De bij die naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 6.908.

1.5.
Belanghebbende heeft tegen de voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij brieven van respectievelijk 14 maart 2019, 15 maart 2019 en 4 april 2019. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de volgende zaaknummers:
– BRE 19/1613 betreffende de beschikking geen teruggaaf over het tweede kwartaal 2017;

– BRE 19/1614 betreffende de naheffingsaanslag over het eerste kwartaal 2017; en

– BRE 19/1641 betreffende de naheffingsaanslag over 2015-2016.

Ter zaken van de beroepen heeft de griffier van belanghebbende driemaal griffierecht geheven van € 345.

1.6.
De inspecteur heeft voor de drie beroepen één verweerschrift ingediend.

1.7.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken en een pleitnota ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [persoon A] , en namens de inspecteur, [inspecteur] , [inspecteur] en [inspecteur] .

1.9.
De inspecteur heeft ter zitting aan de rechtbank en aan belanghebbende een pleitnota overgelegd.

1.10.
Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1.
Belanghebbende is een vennootschap die zich, volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel, bezighoudt met introductie, uitvoering en handel in aan energie gerelateerde industriële goederen en technologieën. Verder houdt belanghebbende zich bezig met ontwikkeling, consultancy en begeleiding van internationale energieprojecten tussen Europese bedrijven en bedrijven uit Oost-Europa.

2.2.
De aandelen van belanghebbende worden gehouden door [vennootschap Y] , een op Aruba gevestigde vennootschap. Enig bestuurder van belanghebbende is [vennootschap Z] (hierna: [vennootschap Z] ). [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is directeur-grootaandeelhouder van [vennootschap Z] .

2.3.
Behoudens [persoon A] zijn er geen personen bij belanghebbende werkzaam. [persoon A] voert zelf de dagelijkse administratie voor belanghebbende en verzorgt, onder meer, de aangiften omzetbelasting.

2.4.
Belanghebbende heeft in de jaren 2016 en 2017 zaken gedaan met [vennootschap X] (hierna: [vennootschap X] ). [vennootschap X] is een in [plaats 2 (Nederland)] gevestigde vennootschap, wiens aandelen worden gehouden door [persoon B] .

2.5.
[vennootschap X] heeft aan belanghebbende in de tijdvakken die voorliggen facturen uitgereikt waarop omzetbelasting is vermeld. Belanghebbende heeft deze facturen, inclusief omzetbelasting, aan [vennootschap X] voldaan.

2.6.
De door [vennootschap X] gefactureerde omzetbelasting heeft belanghebbende in haar aangiften omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. Ten aanzien van de kwartalen gelegen in het jaar 2016 en het eerste half jaar van 2017 gaat dat om de volgende bedragen:

Kwartaal

Inkoop bij [vennootschap X]

In aftrek gebrachte omzetbelasting

1e kwartaal 2016

€ 46.838

€ 9.951

2e kwartaal 2016

€ 163.712

€ 34.379

3e kwartaal 2016

€ 323.973

€ 68.034

4e kwartaal 2016

€ 179.833

€ 37.765

Totaal 2016

€ 150.129

1e kwartaal 2017

€ 69.926

€ 15.314

2e kwartaal 2017

€ 882.633

€ 186.082

2.7.
Belanghebbende heeft de door [vennootschap X] ingediende aangiften omzetbelasting overgelegd. [vennootschap X] heeft, voor zover relevant, de volgende bedragen in haar aangiften aangegeven:

Kwartaal

Binnenlandse prestaties (rubriek 1a)

Prestaties vanuit het buitenland (rubriek 4b)

Aangegeven omzetbelasting

In aftrek gebrachte omzetbelasting

1e kwartaal 2016

€ 445.239

€ 445.205

€ 186.696

€ 186.484

2e kwartaal 2016

€ 683.065

€ 818.198

€ 283.477

€ 281.069

3e kwartaal 2016

€ 841.139

€ 1.025.148

€ 353.721

€ 354.168

4e kwartaal 2016

€ 819.476

€ 986.886

€ 343.406

€ 342.632

1e kwartaal 2017

€ 217.496

€ 217.473

€ 91.343

€ 91.338

2e kwartaal 2017

€ 992.632

€ 12.000

€ 208.452

€ 233.964

2.8.
Bij belanghebbende is op 3 april 2017 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Het onderzoek is vervolgens uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het jaar 2015 en het eerste half jaar van 2017.

2.9.
Op 29 mei 2017 is een boekenonderzoek bij [vennootschap X] aangekondigd. Dit boekenonderzoek heeft door omstandigheden niet plaatsgevonden. Wel zijn aan [vennootschap X] naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.

2.10.
De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn opgenomen in een rapport met dagtekening 24 oktober 2017. Kern van de bevindingen is dat belanghebbende teveel voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Volgens de inspecteur mag, onder meer, de betaalde omzetbelasting op de facturen van [vennootschap X] niet als voorbelasting worden aangemerkt, omdat er geen feitelijke leveringen van [vennootschap X] aan belanghebbende hebben plaatsgevonden, dan wel omdat de plaats van de leveringen niet in Nederland is gelegen. Op die grond heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen en rentebeschikking opgelegd. Tevens heeft de inspecteur op die grond gedurende het boekenonderzoek het in de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017 gedane verzoek om teruggaaf van € 186.082 afgewezen (zie 1.1).

2.11.
In bezwaar heeft de inspecteur een aantal correcties laten vervallen. Dit heeft er in geresulteerd dat de naheffingsaanslagen zijn verminderd en de beschikking geen teruggaaf is gehandhaafd (zie 1.4).

2.12.
Belanghebbende heeft in beroep facturen overgelegd van de vervoerders [transportbedrijf 1] en [transportbedrijf 2] . Van deze laatste firma zijn verschillende documenten overgelegd. Een tweetal documenten vermeldt een route en plaatsen waar spullen worden geladen. Het eerste document1 vermeldt onder meer:

“Routing: Zaporoje (Ukraine) – Itzehoe (Germany) – Kaiseraugst (Switzerland) – Rotterdam (Netherlands) – Zaporoje (Ukraine)

Place of loading: Itzehoe (Germany) – Kaiseraugst (Switzerland) – Rotterdam (Netherlands)

Place of delivery: Zaporoje (Ukraine)”

Het tweede document2 ziet op transporten in de periode februari 2016 tot april 2016 en vermeldt onder meer het volgende:

“Routing: Zaporoje (Ukraine) – Itzehoe (Germany) – Rotterdam (Netherlands) – Zaporoje (Ukraine)

Place of loading: Itzehoe (Germany) – Rotterdam (Netherlands)

Place of delivery: Zaporoje (Ukraine)”

Beide documenten zijn ondertekend en gestempeld door (onder meer) belanghebbende. Gegevens van [vennootschap X] staan niet op deze documenten.

3Geschil
3.1.
Tussen partijen is in geschil of de voornoemde naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de teruggaaf over het tweede kwartaal 2017 terecht en niet tot een te hoog bedrag is geweigerd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende in de betreffende tijdvakken recht heeft op vooraftrek van de door [vennootschap X] aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting.

3.2.
Ter beantwoording van voornoemde vraag is allereerst tussen partijen in geschil of [vennootschap X] terecht omzetbelasting aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Daartoe is de plaats van levering van goederen aan belanghebbende, dan wel de plaats van dienstverlening verricht door [vennootschap X] , in geschil (vraag 1). Belanghebbende stelt dat ten aanzien van alle door [vennootschap X] gefactureerde omzetbelasting de plaats van dienstverlening dan wel levering van goederen in Nederland is gelegen. De inspecteur heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat voor een gedeelte van de door [vennootschap X] gefactureerde omzetbelasting aannemelijk is dat sprake is van dienstverlening, dan wel levering van goederen waarvan de plaats van dienstverlening/levering in Nederland is gelegen. De naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal 2017 moet daarom worden vernietigd en de naheffingsaanslag 2015-2016 moet worden verminderd. Voor het overige stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de plaats van levering niet in Nederland is gelegen dan wel dat geen sprake is van dienstverlening.

3.3.
Indien sprake is van dienstverlening dan wel levering van goederen door [vennootschap X] waarvan de plaats van dienstverlening/levering in Nederland is gelegen, is tussen partijen niet in geschil dat [vennootschap X] terecht omzetbelasting aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Belanghebbende heeft die omzetbelasting dan terecht als voorbelasting in aanmerking genomen.

3.4.
Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de plaats van dienstverlening/levering niet in Nederland is gelegen, staat tussen partijen vast dat [vennootschap X] ten onrechte omzetbelasting aan belanghebbende heeft gefactureerd. In dat geval is tussen partijen in geschil of die ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting bij belanghebbende terecht is nageheven en/of terecht heeft geleid tot de beschikking geen teruggaaf (vraag 2). Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.5.
Verder is tussen partijen in geschil of de inspecteur enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, en of hij vooringenomen heeft gehandeld (vraag 3). Tot slot is de kostenvergoeding voor de bezwaarfase onderdeel van het geschil (vraag 4).

4Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader

4.1.
Op grond van artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) wordt onder meer omzetbelasting geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht.

4.2.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet OB zijn leveringen van goederen onder andere de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.

4.3.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet OB is de plaats waar de levering wordt verricht, de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt ingeval het goed in verband met de levering wordt verzonden of vervoerd. In alle andere gevallen is de plaats waar de levering wordt verricht, de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van levering.

4.4.
Artikel 6, eerste lid, van de Wet OB bepaalt dat de plaats van een dienst, verricht voor een als zodanig handelende ondernemer, in beginsel de plaats is waar die ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitvoering heeft gevestigd.

4.5.
Verder bepaalt artikel 15, eerste lid, van de Wet OB dat als voorbelasting aftrekbaar is de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

Vraag 1: Plaats van levering en dienstverlening

Naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2017

4.6.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2017 de inspecteur ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat deze naheffingsaanslag vernietigd moet worden, omdat de betreffende facturen van [vennootschap X] zien op dienstverlening met als plaats van dienst Nederland. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

Naheffingsaanslag omzetbelasting 2015-2016 en weigering teruggaaf tweede kwartaal 2017

4.7.
Ten aanzien van de naheffingsaanslag 2015-2016 heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat op grond van een door belanghebbende overgelegde factuur waarop staat “market onderzoek” sprake is van dienstverlening met als plaats van dienst Nederland. In zoverre is de omzetbelasting terecht in rekening gebracht en heeft belanghebbende recht op aftrek van voorbelasting. Dit leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag 2015-2016 van € 365. Verder heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat op grond van de overgelegde vervoersdocumenten van de firma [transportbedrijf 1] aannemelijk is dat voor (een aantal) leveringen in het tweede en derde kwartaal van 2016 het transport van de goederen in Nederland is aangevangen, en daarmee de leveringen in Nederland hebben plaatsgevonden en op de facturen van [vennootschap X] dus terecht bedragen aan btw zijn vermeld. De inspecteur concludeert dus aanvullend tot vermindering van de naheffingsaanslag 2015-2016 met de betreffende bedragen van in totaal € 94.632.

4.8.
Gelet op het nadere standpunt van de inspecteur is tussen partijen uitsluitend nog in geschil of de overige door [vennootschap X] gefactureerde omzetbelasting terecht in rekening is gebracht.

4.9.
Belanghebbende voert aan dat [vennootschap X] terecht aan haar omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Er is namelijk sprake van levering van goederen waarbij de plaats van levering zich in Nederland bevindt dan wel dienstverlening in Nederland verricht door [vennootschap X] . Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende haar handelswijze toegelicht, die volgens haar het volgende inhoudt. Belanghebbende verkoopt goederen aan in Oekraïne gevestigde klanten. (Onderdelen van) die goederen worden uit verschillende landen door [vennootschap X] ingevoerd en opgeslagen in diens loods in [plaats 2 (Nederland)] . Vervolgens worden de goederen aan belanghebbende geleverd, die de goederen gereedmaakt voor verzending. Pas als de goederen compleet zijn, geeft belanghebbende tot slot de goederen mee aan het transportbedrijf van haar koper. Belanghebbende stelt dat haar handelswijze nagenoeg voor iedere order hetzelfde was. Ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van de resterende correcties heeft zij onder meer de in 2.12 beschreven documenten van het transportbedrijf [transportbedrijf 2] . ( [transportbedrijf 2] ) overgelegd.

4.10.
De inspecteur betwist dat uit de door belanghebbende overlegde stukken volgt dat de levering van de betreffende goederen is aangevangen in Nederland en daarmee in Nederland plaatsvond. Hij wijst daartoe op de documenten van [transportbedrijf 2] , waarop meerdere in het buitenland gelegen “places of loading” staan beschreven. Volgens de inspecteur zijn de facturen van [vennootschap X] onjuist omdat de plaats van levering buiten Nederland is gelegen waardoor geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting.

4.11.
De rechtbank overweegt dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de levering van de goederen aan haar in Nederland heeft plaatsgevonden. Daarin is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Hoewel belanghebbende heeft geschetst hoe de gang van zaken is geweest en uit de door belanghebbende overgelegde documenten kan worden afgeleid dat één of meerdere goederen in Nederland door het transportbedrijf zijn geladen, ondersteunen de documenten echter onvoldoende de stelling dat belanghebbende (pas) in Nederland de beschikkingsmacht over de goederen verkreeg, en dat het vervoer in verband met de levering aan belanghebbende in Nederland is aangevangen.

Allereerst scheppen deze documenten namelijk geen duidelijkheid over de juridische afspraken met betrekking tot de goederen. De documenten vermelden niets over enige betrokkenheid van [vennootschap X] bij deze goederenbewegingen. Dit terwijl belanghebbende juist bepleit dat het naar Nederland halen van de goederen door [vennootschap X] gebeurde en belanghebbende zelf alleen voor de verkoop en het vervoer van de goederen vanuit Nederland naar Oekraïne zorgde. Uit de stukken van [transportbedrijf 2] valt een dergelijke scheiding van de transacties echter niet op te maken. Ook uit de overige stukken die zijn overgelegd valt niet te herleiden wat nu exact de rol van [vennootschap X] was.

Uit de documenten van [transportbedrijf 2] valt verder niet eenduidig op te maken wat de feitelijke gang van zaken is geweest ten aanzien van de betreffende goederenleveringen. Immers staan op de facturen meerdere plaatsen van het laden van goederen, zonder dat daarbij inzichtelijk is welke goederen op welke plek zijn geladen. Aan de hand van deze informatie is dus niet vast te stellen waar het vervoer van (welk deel van) de goederen aanvangt. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld dat de plaats van levering zich in Nederland bevindt. Ook uit de verder overgelegde stukken valt dit niet af te leiden.

Met dat wat is overgelegd maakt belanghebbende dus niet aannemelijk dat [vennootschap X] terecht Nederlandse btw in rekening heeft gebracht omdat [vennootschap X] in Nederland goederen heeft geleverd aan belanghebbende.

4.12.
Voor zover belanghebbende stelt dat de in aftrek gebrachte voorbelasting van [vennootschap X] ziet op in Nederland verrichte dienstverlening, kan ook deze stelling niet slagen. Immers zijn voor de tijdvakken 2015-2016 en het tweede kwartaal van 2017 geen facturen overgelegd die daarop wijzen. Met de enkele verwijzing naar een algemeen dienstverleningscontract tussen haar, [vennootschap Z] en [vennootschap X] voldoet belanghebbende niet aan haar bewijslast.

4.13.
De door [vennootschap X] in het tijdvak 2015-2016 dan wel tweede kwartaal 2017 gefactureerde omzetbelasting van respectievelijk € 55.132 (€ 150.129 – € 94.997) en € 186.082 is dus ten onrechte aan belanghebbende in rekening gebracht.

Vraag 2: Ten onrechte gefactureerde omzetbelasting

4.14.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de door [vennootschap X] aan belanghebbende ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting in dit geval toch door belanghebbende als voorbelasting in aanmerking mag worden genomen.

4.15.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat [vennootschap X] ten onrechte omzetbelasting aan haar heeft gefactureerd, en daarom de betaalde omzetbelasting bij haar in aftrek dient te worden toegestaan. Allereerst doet zij daartoe een beroep op het door het Hof van Justitie gewezen arrest Farkas3.

4.16.
De rechtbank stelt voorop dat het recht op aftrek van voorbelasting in de regel zich niet uitstrekt tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur4. Het staat de inspecteur derhalve vrij om zowel bij de afnemer als de verrichter de prestaties te corrigeren. Indien de omzetbelasting bij de afnemer wordt gecorrigeerd, kan de afnemer in beginsel langs civielrechtelijke weg het onverschuldigd betaalde van de leverancier terugvorderen5.

4.17.
Voor de situatie dat het voor de afnemer echter onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om de omzetbelasting van de leverancier terug te vorderen, heeft het Hof van Justitie in de zaak Farkas het volgende overwogen:

“53. Het doeltreffendheidsbeginsel kan echter vereisen dat, indien de terugbetaling van de btw onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolventie van de verkoper, de koper van het goed zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten. De lidstaten moeten aldus voorzien in de middelen en procedures waarmee de koper de ten onrechte gefactureerde belasting kan terugvorderen, zodat aan het doeltreffendheidsbeginsel wordt voldaan (zie in die zin arrest van 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken, C-35/05, EU:C:2007:167, punt 41).

54. In het kader van het hoofdgeding zij erop gewezen dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat verkoper die de mobiele loods in het hoofdgeding heeft geleverd, in een faillissementsprocedure is verwikkeld, wat erop zou kunnen wijzen dat het onmogelijk of uiterst moeilijk is dat Farkas de terugbetaling verkrijgt van de btw die deze verkoper onterecht heeft gefactureerd. Voorts is, als gevolg van de beslissingen van de Hongaarse belastingdienst, geoordeeld dat Farkas die btw aan de schatkist was verschuldigd, terwijl hij deze aan de verkoper heeft betaald. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan op Farkas over de mogelijkheid beschikt om van die verkoper de teruggaaf te verkrijgen van de onverschuldigde belasting.

55. Daar zij bovendien aan toegevoegd dat, volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter, er in de onderhavige zaak geen aanwijzingen van fraude zijn en dat de verkoper, opsteller van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde factuur, de btw aan de schatkist heeft betaald, zodat zij geen schade heeft geleden door het feit dat die factuur verkeerdelijk is opgesteld krachtens de gewone belasting in plaats van volgens de verleggingsregeling.

56. Voor zover de terugbetaling door de verkoper in het hoofdgeding aan Farkas, koper van het betrokken goed, van de onterecht gefactureerde btw onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolvabiliteit van die verkoper, moet Farkas bijgevolg zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kunnen richten.

57. Gelet op wat voorafgaat, dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van richtlijn 2006/112 alsook de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat in een situatie als in het hoofdgeding aan de koper van een goed het recht wordt ontzegd om de btw af te trekken die hij onterecht aan de verkoper heeft betaald op basis van een factuur die is opgemaakt volgens de gewone btw-regeling, terwijl de relevante handeling onder de verleggingsregeling viel, wanneer de verkoper die belasting aan de schatkist heeft betaald. Voor zover de terugbetaling door de verkoper aan de koper van de onterecht gefactureerde btw onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolvabiliteit van de verkoper, vereisen die beginselen echter dat de koper zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten.”

4.18.
Uit het arrest Farkas leidt de rechtbank af dat indien terugbetaling van de onterecht gefactureerde omzetbelasting door de leverancier onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid meebrengen dat de afnemer zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de inspecteur kan richten. Dit geldt slechts indien er geen aanwijzingen zijn van fraude en de leverancier de ten onrechte gefactureerde omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

4.19.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het arrest Farkas, en daarmee een beroep op de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid slaagt. Zij overweegt daartoe als volgt. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat bij [vennootschap X] geen mogelijkheden voorhanden zijn voor inning van de opgelegde naheffingsaanslagen. Zodoende staat vast dat het voor belanghebbende ten minste uiterst moeilijk wordt om van [vennootschap X] terugbetaling van de onterecht gefactureerde omzetbelasting te krijgen. Verder heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat er sprake is van fraude. De inspecteur stelt dat [vennootschap X] de gefactureerde omzetbelasting niet op aangifte heeft voldaan, en daarom een beroep op het arrest Farkas niet kan slagen. Belanghebbende heeft dat weersproken en de aangiften omzetbelasting van [vennootschap X] overgelegd (zie 2.7). Uit deze aangiften volgt dat de door [vennootschap X] verantwoorde omzet en omzetbelasting hoger is dan hetgeen [vennootschap X] aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Verder volgt uit deze aangiften dat [vennootschap X] over 2016 per saldo € 2.947 heeft betaald en over het tweede kwartaal van 2017 een teruggaaf heeft ontvangen van € 25.512. Dit laatste bedrag is het verschil tussen € 208.452 aan verschuldigde omzetbelasting en € 233.964 aan aftrekbare voorbelasting. De verschuldigde omzetbelasting is daarmee verrekend met de aftrekbare voorbelasting. Belanghebbende heeft met overlegging van die aangiften naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat [vennootschap X] de aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting, als verschuldigde omzetbelasting in haar aangiften heeft verantwoord en heeft betaald. De stelling van de inspecteur dat naheffingsaanslagen bij [vennootschap X] zijn opgelegd die niet zijn betaald, leidt niet tot een ander oordeel, nu de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de nageheven omzetbelasting bij [vennootschap X] verband houdt met niet verantwoorde omzetbelasting die [vennootschap X] heeft gefactureerd aan belanghebbende.

4.20.
Nu een beroep op de beginselen van neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid slaagt, kan belanghebbende zich voor terugbetaling van de ten onrechte verschuldigde omzetbelasting rechtstreeks tot de inspecteur wenden. Dat betekent dat de in geschil zijnde correcties ten aanzien van de betreffende facturen van [vennootschap X] geen stand kunnen houden. Voor het jaar 2016 heeft dat tot gevolg dat de naheffingsaanslag 2015-2016 moet worden vernietigd. Ook de beschikking geen teruggaaf voor het tweede kwartaal van 2017 dient te worden vernietigd, en aan belanghebbende moet voor dat kwartaal een teruggaaf van

€ 186.082 worden verleend.

4.21.
Gelet op deze beslissingen behoeven andere door belanghebbende aangedragen gronden tegen de uitspraken van de inspecteur (vraag 3) geen bespreking meer.

Vraag 4: Bezwaarkostenvergoeding

4.22.
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschriften van 15 augustus 2018 tegen de naheffingsaanslag 2015-2016 en naheffingsaanslag over het eerste kwartaal 2017 om een kostenvergoeding voor deze bezwaarfases verzocht. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraken op bezwaar van 15 maart 2019 respectievelijk 8 maart 2019 geen beslissingen op de verzoeken om een kostenvergoeding zijn genomen. De rechtbank zal daarom op verzoek van partijen een beslissing op de tijdige verzoeken om kostenvergoeding voor de bezwaarfase nemen.

4.23.
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van voornoemde bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van de werkelijke kosten in bezwaar ziet de rechtbank, anders dan belanghebbende stelt, geen aanleiding. Overeenkomstig het standpunt van de inspecteur stelt de rechtbank de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.623 (2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 541 en wegingsfactor 1). Voor een kostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de beschikking geen teruggaaf over het tweede kwartaal 2017 bestaat geen aanleiding, reeds omdat belanghebbende niet tijdig om een kostenvergoeding voor die bezwaarfase heeft verzocht.

Slotsom

4.24.
De beroepen dienen gegrond te worden verklaard.

5Proceskosten
Beroepsfase

5.1.
Nu de beroepen gegrond zijn verklaard, ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor de beroepsfase heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van de (werkelijke) proceskosten, tot een bedrag van € 30.000. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft belanghebbende facturen van juridische dienstverleners overgelegd.

5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval voor de beroepsfase betreffende de naheffingsaanslag over het eerste kwartaal van 2017 bijzondere omstandigheden aanwezig, die een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen rechtvaardigen. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase aan de inspecteur de facturen van [vennootschap X] overgelegd die aan de naheffingsaanslag ten grondslag lagen. Gelet op de op die facturen gegeven omschrijving van de werkzaamheden is onmiskenbaar dat die facturen zien op dienstverlening. Door het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren, treft de inspecteur het verwijt een uitspraak te doen, terwijl op dat moment al duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. De rechtbank vindt hierin aanleiding aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in de beroepsfase voor het beroep betreffende de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2017 (BRE 19/1614) toe te kennen van € 1.000. De rechtbank acht dit bedrag redelijk.

5.3.
Ten aanzien van de beroepen tegen de naheffingsaanslag 2015-2016 en de beschikking geen teruggaaf over het tweede kwartaal 2017 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een vergoeding afwijkend van de in het Besluit gehanteerde tarieven. De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 759 en wegingsfactor 1 voor zowel de zwaarte van de zaken als voor samenhang).

6Beslissing
De rechtbank:


verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar;


vernietigt de naheffingsaanslag over 2015-2016 en de daarbij in rekening gebrachte rente;


vernietigt de naheffingsaanslag over het eerste kwartaal 2017;


vernietigt de beschikking ‘geen teruggaaf’ over het tweede kwartaal 2017;


verleent een teruggaaf van € 186.082 voor het tweede kwartaal 2017;

– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.382;

– gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 1.035 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. drs. J.H. Bogert en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier, op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl..

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Onderdeel van bijlage 3 bij het nader stuk van belanghebbende.

2 Onderdeel van bijlage 4 bij het nader stuk van belanghebbende.

3 HvJ van 26 april 2017, Farkas, C-564/15, ECLI:EU:C:2017:302.

4 HvJ van 13 december 1989, Genius Holding, C-323/87, ECLI:EU:C:1989:635.

5 Zie HvJ van 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken GmbH, C-35/05, EU:C:2007:167, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

ECLI:NL:RBZWB:2022:147