Ook schuldpreventie valt onder begrip schuldhulpverlening

0
33
man zonder geld in zijn zakken schuld arme schulden

Ook schuldpreventie valt onder begrip schuldhulpverlening

Belanghebbenden voeren onder andere financiële administraties, openen en beheren bankrekeningen, gaan passende risicoverzekeringen aan, vragen bijzondere bijstand en/of toeslagen aan en dienen aangiften inkomstenbelasting in voor hun cliënten. Voor het overgrote deel van hun cliënten treden ze op als bewindvoerder.

De kern van het geschil is de verschillende uitleg die partijen geven aan het begrip ‘schuldhulpverlening’.

De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden die eiseressen verrichten, vallen onder de vrijstelling uit art. 11 lid 1 onderdeel f Wet OB in verbinding met art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post b.33 van Bijlage B bij dit Uitvoeringsbesluit. Onder het begrip ‘schuldhulpverlening’ valt namelijk niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, maar ook schuldpreventie.

Rechtbank
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB – 16 _ 3728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De feitelijke werkzaamheden die eiseressen voor hun cliënten verrichten bestaan onder meer uit het voeren van financiële administraties, het openen en beheren van bankrekeningen, het aangaan van passende risicoverzekeringen, het aanvragen van bijzondere bijstand en/of toeslagen

en het indienen van aangiften inkomstenbelasting. Eiseressen treden voor het overgrote deel van hun cliënten op als bewindvoerder. De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden die eiseressen verrichten, vallen onder de vrijstelling uit artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post

b.33 van Bijlage B bij dit Uitvoeringsbesluit. Onder het begrip ‘schuldhulpverlening’ valt namelijk niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, maar ook schuldpreventie. De rechtbank wijst het verzoek van eiseressen om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten wijst de rechtbank af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-02-2019
V-N Vandaag 2019/436
FutD 2019-0590
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 februari 2019 in de zaak tussen

1. [eiseres 1],

2. [Eiseres 2] ,

beide te [plaats] , hierna respectievelijk eiseres 1, eiseres 2 en samen eiseressen,

(gemachtigde: P.I.M. Cramer RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder.

(gemachtigde: [naam] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

in de zaak met nummer LEE 16/4204

Verweerder heeft aan eiseres 1 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd over het vierde kwartaal van 2012 tot een bedrag van € 14.972. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 september 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 1.476 aan belastingrente in rekening gebracht.

Eiseres 1 heeft bezwaar gemaakt voormelde naheffingsaanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 ongegrond verklaard.

in de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4205 tot en met LEE 16/4216

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het jaar 2013 tot een bedrag van € 93.153. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 maart 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 4.517 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 4.657.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het jaar 2014 tot een bedrag van € 131.464. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 februari 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 3.943.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het eerste kwartaal van 2015 tot een bedrag van € 52.983. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 28 mei 2015.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.589.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het tweede kwartaal van 2015 ten bedrage van € 47.517. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 27 augustus 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.425.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het derde kwartaal van 2015 tot een bedrag van € 48.787. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 november 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.463.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over de maand oktober 2015 tot een bedrag van € 15.956. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 28 december 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 478.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over de maand november 2015 tot een bedrag van € 17.204. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 25 januari 2016. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 516.

Eiseres 2 heeft op 24 januari 2016 een bedrag van € 25.975 aan OB op aangifte voldaan over de maand december 2015.

Eiseres 2 heeft op 26 februari 2016 een bedrag van € 17.400 aan OB op aangifte voldaan over de maand januari 2016.

Eiseres 2 heeft op 30 maart 2016 een bedrag van € 17.088 aan OB op aangifte voldaan over de maand februari 2016.

Eiseres 2 heeft op 28 april 2016 een bedrag van € 17.836 aan OB op aangifte voldaan over de maand maart 2016.

Eiseres 2 heeft op 30 mei 2016 een bedrag van € 15.890 aan OB op aangifte voldaan over de maand april 2016.

Eiseres 2 heeft op 27 juni 2016 een bedrag van € 16.942 aan OB op aangifte voldaan over de maand mei 2016.

Eiseres 2 heeft bezwaar gemaakt tegen elk van voormelde naheffingsaanslagen en voldoeningen op aangifte.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 maart 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 tegen de betaling op aangifte van OB over de maand december 2015 gegrond verklaard. Verweerder heeft eiseres een teruggaaf van € 4.222 verleend.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 tegen de betaling op aangifte van OB over de maand april 2016 ongegrond verklaard.

Bij uitspraken op bezwaar, gedaan in één geschrift, van 6 oktober 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiseres 2 tegen de naheffingsaanslagen en de bijbehorende rente- en boetebeschikkingen, evenals de bezwaren tegen de betalingen op aangifte van OB over de maanden januari 2016, februari 2016, maart 2016 en mei 2016, ongegrond verklaard.

in de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen voormelde uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens eiseressen is hun gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam] , [naam] en [naam] . Namens verweerder is diens gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1[Exploitant] dreef tot 15 november 2012 een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Vervolgens heeft hij [eenmanszaak] ingebracht in de besloten vennootschap [dochtervennootschap] . [Exploitant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [holding] . die op haar beurt bestuurder en enig aanhouder is van [dochtervennootschap] Met ingang van 1 januari 2013 vormen beide besloten vennootschappen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

1.2.In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat als omschrijving van de activiteiten van achtereenvolgens [holding] en [dochtervennootschap] . het volgende vermeld:

“Beleggingsinstellingen met beperkte toetreding. Het verzekeren en uitvoering geven aan pensioenen en het sluiten en uitvoering geven aan overeenkomsten van levensverzekeringen, stamrecht overeenkomsten, lijfrente en soortgelijke overeenkomsten.”

en

“Het beheren van vermogens ten behoeve van natuurlijke personen en rechtspersonen.”

1.3

De feitelijke werkzaamheden die eiseressen voor hun cliënten verrichten bestaan

onder meer uit het voeren van financiële administraties, het openen en beheren van

bankrekeningen, het aangaan van passende risicoverzekeringen, het aanvragen van

bijzondere bijstand en/of toeslagen en het indienen van aangiften inkomstenbelasting.

1.4Eiseressen treden voor het overgrote deel van hun cliënten op als bewindvoerder.

1.5Op 18 maart 2016 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij eiseressen. Verweerder heeft daarvan een rapport opgemaakt, gedateerd 18 april 2016. Verweerder heeft de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften omzetbelasting die eiseressen hebben gedaan van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Het rapport besluit als volgt:

“Naar aanleiding van het onderzoek, zullen de ingediende bezwaren worden afgewezen. Belastingplichtige en de adviseur zijn van mening dat al de activiteiten die bestaan uit inkomensbeheer en inkomensbegeleiding zijn vrijgesteld voor de omzetbelasting op grond van de totstandkoming van post b-33. De Belastingdienst is van mening dat alle prestaties belast zijn.”

Geschil en beoordeling

2.1In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht heeft opgelegd aan eiseressen en of verweerder de bezwaren van eiseressen tegen de voldoeningen op aangifte terecht ongegrond heeft verklaard. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen of de diensten van eiseressen zijn vrijgesteld op grond van:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB, in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; of

b. artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB, in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post b.29 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; of

c. rechtstreekse werking van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn).

2.2Tijdens de zitting op 29 januari 2019 heeft verweerder verklaard dat de beschikkingen waarbij hij verzuimboetes aan eiseressen heeft opgelegd, kunnen worden vernietigd. In overeenstemming daarmee zal de rechtbank de onder procesverloop vermelde boetebeschikkingen vernietigen.

2.3Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het er over eens zijn dat:

– de naheffingsaanslagen en aangiften correct zijn als geen van de diensten van eiseressen is vrijgesteld; en

– de naheffingsaanslagen vervallen en de op aangifte betaalde bedragen terugbetaald dienen te worden als de diensten van eiseressen volledig zijn vrijgesteld.

2.4Voor de leesbaarheid zal de rechtbank in deze uitspraak de onder 2.1 genoemde vrijstellingen steeds aanduiden als ’11-1-f’. Het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting zal de rechtbank aanduiden als ‘Uitvoeringsbesluit’ en de posten van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit (in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit) steeds als ‘post b.’ gevolgd door het betreffende nummer.

Verzoek tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

3. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad. Volgens eiseressen zijn zowel zijzelf als hun branchegenoten gebaat bij snelle duidelijkheid (tot in hoogste instantie). Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er nog te veel (feitelijke) onduidelijkheden zijn om over te gaan tot het voorleggen van prejudiciële vragen.

4.1.De rechtbank overweegt dat in (het met ingang van 1 januari 2016 in werking getreden) artikel 27ga, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het volgende is bepaald:

“De rechtbank kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen.”

In de Memorie van Toelichting betreffende deze prejudiciële procedure (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015/16, 34 305, nr. 3, p. 6) staat onder meer het volgende:

“Tegelijkertijd is het in het maatschappelijke belang dat opgeworpen (rechts)vragen zo snel mogelijk beantwoord worden en dat dit voor de betrokken partijen – belastingplichtigen, de Belastingdienst en de rechterlijke macht – op een zo efficiënt en effectief mogelijke wijze geschiedt, zeker als er (potentieel) een groot aantal vergelijkbare geschillen speelt. Om dit te waarborgen, stelt het kabinet voor een aantal verbeteringen aan te brengen in de massaalbezwaarprocedure en om ook in belastingzaken een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad in te voeren.”.

4.2.De rechtbank overweegt verder dat zij op 11 oktober 2018 heeft beslist in een vergelijkbare zaak waarbij de gemachtigde van eiseressen eveneens was betrokken (zie ECLI:NL:RBNNE:2018:4384). Over de onder 2.1.a en 2.1.c. genoemde (rechts)vragen heeft de rechtbank ook in die procedure geoordeeld. Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In zoverre ligt het niet voor de hand dat de rechtbank nu (alsnog) prejudiciële vragen voorlegt aan de Hoge Raad. Daar komt bij dat partijen ter zitting hebben verklaard dat op dit moment een aantal vergelijkbare zaken speelt. Van een (potentieel) groot aantal vergelijkbare geschillen als bedoeld in de onder 4.1 geciteerde Memorie van Toelichting lijkt geen sprake. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nu alsnog in de onderhavige procedure prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen.

Artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33

5. Eiseressen stellen primair dat de diensten die zij verrichten, vallen onder de

vrijstelling van artikel 11-1-f van de Wet OB, en post b.33. Eiseressen stellen verder dat

schuldhulpverlening een verzamelnaam is voor verschillende werkzaamheden, waarbij aan

hulpbehoeftige personen hulp wordt verleend bij het beheren en saneren van schulden,

maar ook het voorkomen van het ontstaan van (nieuwe) schulden, waarbij de bedoelde

schulden niet noodzakelijk een problematisch karakter hoeven te hebben.

6. Verweerder heeft het primaire standpunt van eiseressen betwist. Hij heeft aangevoerd

dat schuldhulpverlening in het kader van deze vrijstellingsbepaling alleen aan de orde kan

zijn als er sprake is van problematische schuldsituaties. Dat is volgens verweerder het geval

als redelijkerwijs is te voorzien dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het

betalen van zijn schulden, of is opgehouden deze te betalen. Schuldhulpverlening in de zin

van de vrijstellingsbepaling is daarnaast altijd gericht op het oplossen van schuldenproblematiek,

aldus verweerder. Hij heeft in dat verband verwezen naar de definitie van het begrip

schuldhulpverlening uit artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, welke wet op 1

juli 2012 inwerking is getreden (hierna: Wgs). Deze definitie luidt als volgt: “het ondersteunen bij

het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs

is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn

schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de

nazorg.”.

7.1

De rechtbank overweegt het volgende. Kern van het geschil op dit punt is de

verschillende uitleg die partijen geven aan het begrip ‘schuldhulpverlening’ uit post b.33.

Volgens de tekst van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 zijn van omzetbelasting

vrijgesteld de diensten verricht door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van

schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke

schuldsaneringsregeling, voor zover de diensten niet al kunnen worden gebracht onder

artikel 11-1-j van de Wet OB.

7.2Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen geen bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling verrichten. De rechtbank onderschrijft deze constatering. Uit de Algemene aantekening onder Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit volgt verder dat het voor de diensten als bedoeld in post b.33 niet uitmaakt of er winst wordt beoogd.

7.3.

De rechtbank overweegt verder dat, zoals ook verweerder heeft opgemerkt, het

begrip schuldhulpverlening als bedoeld in post b.33 niet is gedefinieerd in fiscale wet- of regelgeving. Het is derhalve zaak dat de rechtbank vaststelt wat de fiscale wet- en regelgever met dit begrip bedoeld heeft. De Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herziening van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen (Stb. 2005, 687) (hierna: de Nota van Toelichting) bevat de nodige aanknopingspunten.

7.4Allereerst staat in de Nota van Toelichting:

“De nieuwe post b.33 ziet op instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Het gaat hierbij met name om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken die als zodanig zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK).”.

Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze passage – gelet op het gebruik van de term ‘met name’- andere vormen van schuldhulpverlening dan door de (gemeentelijke) kredietbanken worden verleend niet uit en evenmin sluit deze passage uit dat die hulpverlening door andere instellingen dan kredietbanken wordt verricht.

Dit blijkt ook uit de Nota van Toelichting zelf, die vervolgt met de volgende passage:

“Onder schuldhulpverlening vallen in de praktijk verschillende werkzaamheden, zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject (waarbij een schuldenaar veelal door tussenkomst van een schuldregelaar op minnelijke wijze met zijn schuldeisers overeenstemming tracht te bereiken over het aflossen van zijn schulden) en de afgifte van een zogeheten WSNP-verklaring (Wet schuldsanering natuurlijke personen).”.

Tot slot staat in de Nota van Toelichting vermeld:

“Instellingen die op dit gebied werkzaam zijn, houden zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat, en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties.”.

Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 oktober 2018 al eerder heeft geoordeeld (zie 4.2), laat het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat niet alleen hulp bij problematische schulden, maar ook schuldpreventie onder schuldhulpverlening valt in de door de fiscale regelgever bedoelde zin. Immers, het voorkomen van het (opnieuw) ontstaan van problematische schulden is nadrukkelijk als een onderdeel van schuldhulpverlening aangemerkt. Bovendien heeft de wet- en regelgever daarvoor niet als voorwaarde gesteld dat er eerst (of ooit) daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van problematische schulden, nog daargelaten dat niet is aangegeven wat daaronder in het kader van de vrijstellingsbepaling zou moeten worden verstaan. Anders dan verweerder is de rechtbank dus van oordeel dat niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, in de door verweerder gedefinieerde zin, onder schuldhulpverlening valt, maar ook hulp bij het voorkomen van het ontstaan van (problematische) schulden.

7.5

De rechtbank heeft verder in ogenschouw genomen dat de conclusie dat

schuldhulpverlening ook preventieve schuldhulp omvat, aansluit bij de ratio van post

b.33; het gaat daarbij immers om de uitwerking van de vrijstelling van artikel 11-1-f, die

spreekt over prestaties van sociale of culturele aard. Daarbij is de uitleg die het Hof van

Justitie van de Europese Unie pleegt te geven aan het belang van de achterliggende

bepaling uit de Btw-richtlijn (artikel 132, eerste lid, onderdeel g), naar het oordeel van de

rechtbank eveneens relevant. Het gaat erom bepaalde diensten van algemeen belang

goedkoper te maken voor de personen die daar gebruik van (moeten) maken. Het bredere

maatschappelijke belang (het sociale karakter van de diensten) staat daarbij voorop. De

rechtbank twijfelt er niet aan dat de diensten die eiser verricht in dit opzicht een sociaal

karakter hebben. Het is immers van breder maatschappelijk belang dat mensen die hun

eigen financiën niet kunnen beheren, daarbij hulp krijgen. Ook vanuit deze optiek valt

schuldpreventie aan die personen onder het begrip ‘schuldhulpverlening’, zoals dat op grond

van artikel 11-1-f Wet OB is aangewezen als een dienst van sociale aard.

7.6

Verweerder staat een striktere uitleg van het begrip schuldhulpverlening voor, te weten dat daarvan slechts sprake kan zijn ingeval van eenmaal ontstane problematische schulden. Van problematische schulden is volgens verweerder sprake als een schuldenaar

– kort gezegd – niet meer in staat is zijn schulden af te lossen. Gelet op wat de rechtbank hiervoor met betrekking tot de Nota van Toelichting en de ratio van post b.33 heeft overwogen en beslist (zie 7.4 en 7.5), volgt zij die uitleg niet. De verwijzing van verweerder naar de definitie van het begrip schuldhulpverlening in de Wgs (zie 6.) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet alleen is de Wgs geen fiscale wetgeving, maar de fiscale wet- en regelgeving verwijst ook niet naar de definitie uit de Wgs.

8.1

Resteert de vraag of de diensten die eiseressen verrichten kwalificeren als

schuldhulpverlening in de hiervoor bedoelde zin. Die vraag moet naar het oordeel van de

rechtbank bevestigend worden beantwoord. Zij komt als volgt tot dit oordeel.

8.2Uit de processtukken, waaronder in het bijzonder het controlerapport, gedateerd 18 april 2016 (zie 1.5), volgt dat eiseressen in de in geding zijnde jaren haar omzet heeft behaald uit de navolgende verrichte diensten:

a. inkomensbeheer.

b. bewindvoering; en

c. curatorschap.

Dat eiseressen, zoals door verweerder is aangevoerd, op hun website hebben vermeld ook de dienst van mentorschap te kunnen verlenen, is in de onderhavige procedure niet van belang, omdat daaruit geen omzet is behaald. Met betrekking tot het inkomensbeheer, de bewindvoering en het curatorschap overweegt de rechtbank als volgt.

8.3

Eiseressen hebben verklaard dat de cliënten voor wie zij de dienst inkomensbeheer verrichten, al dan niet als schuldenbewindvoerder, niet zelfstandig (meer) in staat zijn hun financiële huishouding naar behoren te voeren, maar daarbij ondersteuning nodig hebben. Deze cliënten worden veelal door hulporganisaties als GGZ, maatschappelijk werk of thuiszorg naar hen doorverwezen, aldus eiseressen. Door verweerder is de juistheid van deze verklaring niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast aannemelijk dat voor de cliënten voor wie eiseressen de dienst van beschermingsbewind-voering of curatorschap verrichten ook geldt dat zij niet bij machte zijn om hun financiële huishouding op orde (te brengen en) te houden. Beschermingsbewind is immers bedoeld voor mensen met uiteenlopende fysieke of psychische problemen (waaronder het door verweerder ter zitting genoemde voorbeeld van (beginnende) dementie, maar bijvoorbeeld ook laaggeletterdheid of verslaving). Het is een maatregel gericht op vermogensbeheer voor mensen die niet in staat zijn om de eigen financiën op een goede manier te beheren.

Voor (de verdergaande maatregel van) curatele is slechts plaats in geval van – kort gezegd – een geestelijke stoornis, verkwisting of drankmisbruik als gevolg waarvan iemand niet in staat is of wordt bemoeilijkt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is dat zonder de diensten van eiseressen bij al hun cliënten vrijwel zeker schulden zouden ontstaan, terwijl deze cliënten bovendien niet in staat zullen zijn om te voorkomen dat die schulden op enig moment problematische vormen aan zouden gaan nemen. Daarmee is aannemelijk dat alle diensten van eiseressen ten minste zijn gericht op schuldpreventie.

9. Op grond van wat de rechtbank onder 7.1 tot en met 8.3 heeft overwogen en beslist, is zij van oordeel dat de diensten die eiseressen verrichten voor hun cliënten bestaande uit inkomensbeheer, (alle vormen van) bewindvoering én curatorschap, volledig zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB. Nu de omzet volledig is behaald uit die diensten, zijn de beroepen van eiseressen reeds daarom gegrond. Gelet hierop behoeven de overige inhoudelijke standpunten van partijen geen bespreking meer.

Immateriële schadevergoeding

10. Eiseressen hebben verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11.1De rechtbank is van oordeel dat de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216 in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat bij het bepalen van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip waarop eiseressen voor het eerst een rechtsmiddel hebben aangewend. In dit geval heeft verweerder het eerste bezwaarschrift ontvangen op 10 februari 2015. Sindsdien zijn er vier jaar en elf dagen verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 25 maanden overschreden. In beginsel leidt dat tot een immateriële schadevergoeding van € 2.500 (5 maal een half jaar à € 500) voor zowel eiseres 1 als eiseres 2. In dit geval heeft de omstandigheid dat eiseressen samen, met dezelfde gemachtigde en gelijkluidende processtukken, een procedure hebben gevoerd en hun zaken gezamenlijk zijn behandeld, naar het oordeel van de rechtbank een matigende invloed op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die zij hebben ondervonden door deze te lang durende procedures. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de toe te kennen schadevergoeding te matigen, in die zin dat zij voormeld bedrag van € 2.500 aan eiseressen gezamenlijk zal toekennen, te weten aan ieder van hen de helft. Daarbij blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147).

11.2

De bezwaarfase heeft, uitgaande van de uitspraken op bezwaar van 6 oktober 2016, één jaar, één maand en elf dagen (oftewel afgerond veertien maanden) langer in beslag genomen dan de daarvoor redelijk te achten termijn van een half jaar. De overschrijding is dus voor veertien maanden toe te rekenen aan verweerder. Voor de resterende elf maanden komt de overschrijding op het conto van de rechtbank. Aldus ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 van de immateriële schade tot een bedrag van € 700 (1/2 x 14/25 x € 2.500) en de Minister tot een bedrag van € 550 (1/2 x 11/25 x € 2.500). Deze veroordelingen zal de rechtbank uitspreken in de zaken met de nummers LEE 16/4204 (eiseres 1) en LEE 16/3728 (eiseres 2).

Omdat het totale bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op de beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, alsmede de regeling van 27 oktober 2017, Stcrt. 2017, nr. 62751, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Griffierecht

12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 het betaalde griffierecht van € 334 vergoedt.

Proceskostenvergoeding

13. Eiseressen hebben verzocht om vergoeding van hun werkelijke proceskosten.

Verweerder heeft betwist dat hiervoor aanleiding bestaat.

14.1De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een vergoeding van de integrale proceskosten toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is onder meer grond indien een bestuursorgaan:

a. het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft, doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden; of

b. in vergaande mate onzorgvuldig handelt;

(zie Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

14.2

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden in de onder 14.1 bedoelde zin. Nu eiseressen zelf hebben verzocht om prejudiciële vragen te stellen, kan de rechtbank hen ook niet volgen in hun stelling dat het ‘evident’ is dat hun activiteiten zijn vrijgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van eiseressen. Wel zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de forfaitaire kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.298 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512 en een wegingsfactor 1,5 vanwege samenhang). Omdat de zaken van eiseres 1 en eiseres 2 gelijktijdig zijn behandeld, in deze zaken dezelfde problematiek speelt, dezelfde gemachtigde optreedt en een gelijkluidend beroepschrift is ingediend, wordt zowel in de zaak van eiseres 1 als in de zaken van eiseres 2 de helft van de hiervoor berekende vergoeding berekend, te weten € 1.149 (1/2 x € 2.298). Deze vergoedingen zal de rechtbank toekennen in de zaken met de zaaknummers LEE 16/4204 (eiseres 1) en LEE 16/3728 (eiseres 2).

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met nummer LEE 16/4204

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de naheffingsaanslag OB betreffende het vierde kwartaal 2012 en vernietigt de bijbehorende beschikking belastingrente;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

– veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 700;

– veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 550;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres 1 te vergoeden;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 1.149.

in de zaken met nummers LEE 3728 en LEE 16/4205 tot en met LEE 16/4216

– verklaart de beroepen gegrond;

– vernietigt de uitspraken op bezwaar;

– vernietigt de naheffingsaanslag OB betreffende het jaar 2013 en vernietigt de bijbehorende belastingrente- en boetebeschikking;

– vernietigt de naheffingsaanslagen OB betreffende het jaar 2014, het eerste kwartaal van 2015, het tweede kwartaal van 2015, het derde kwartaal van 2015, de maand oktober 2015 en de maand november 2015 en vernietigt de bijbehorende boetebeschikkingen;

– gelast verweerder om eiseres 2 de navolgende teruggaven OB te verlenen tot een bedrag van:

– € 21.753 betreffende de maand december 2015;

– € 17.400 betreffende de maand januari 2016;

– € 17.088 betreffende de maand februari 2016;

– € 17.836 betreffende de maand maart 2016;

– € 15.890 betreffende de maand april 2016;

– € 16.942 betreffende de maand mei 2016;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

– veroordeelt verweerder in de zaak met nummer LEE 16/3728 tot het betalen van een

immateriële schadevergoeding aan eiseres 2 tot een bedrag van € 700;

– veroordeelt de Minister in de zaak met nummer LEE 16/3728 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 550;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres 2 te vergoeden;

– veroordeelt verweerder in de zaak met nummer LEE 16/728 in de proceskosten van eiseres 2 tot een bedrag van € 1.149.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en

mr. M. Nusmeier, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het

openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

Griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

ECLI:NL:RBNNE:2019:627