Parkeren en stallen fietsen bij Efteling geen bijkomende dienst

efteling sprookjesboom attractiepark

Parkeren en stallen fietsen bij Efteling geen bijkomende dienst

Belanghebbende exploiteert attractiepark De Efteling en een bij de ingang van dat park gelegen parkeerterrein en fietsenstalling.

De vraag is of het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen bij een attractiepark een (bijkomende) dienst is voor de btw.

Onder verwijzing naar het arrest Card Protection Plan heeft het Hof geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.

De Hoge Raad is het met het Hof eens.

DictumDictum
Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
10-03-2006
Zaaknummer
41811
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Is het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen bij een attractiepark een (bijkomende) dienst in de zin van post b.14, aanhef en letter g, van de bij de Wet behorende Tabel I?

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/220
Belastingadvies 2006/8.11
V-N 2006/15.19 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.811

10 maart 2006

LC

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 17 september 2004, nr. 03/01407, betreffende na te melden door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.

1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2002 tot en met 31 oktober 2002 op aangifte een bedrag van € 64.568 aan omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van een bedrag van € 25.798, welke verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert het attractiepark “X”, alsmede een bij de ingang van dat park gelegen parkeerterrein en fietsenstalling. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

3.1.2. Belanghebbende vraagt voor zowel de toegang tot het park als het gebruik maken van het parkeerterrein en de fietsenstalling een vergoeding.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen moet worden aangemerkt als een op zichzelf staande dienst welke belanghebbende niet verricht in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van post b.14, aanhef en letter g, van de bij de Wet behorende Tabel I.

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, Jurispr. 1999, blz. I-00973, BNB 1999/224, heeft het Hof voorts geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.

3.3. De klachten die tegen deze oordelen opkomen, falen. ’s Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2006.

Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest getekend door de raadsheer P. Lourens.

ECLI:NL:HR:2006:AV4043

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2004
Datum publicatie
03-01-2005
Zaaknummer
03/01407
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV4043
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Hoewel circa 2/3-gedeelte van de bezoekers van het park per personenauto of fiets komt en vrijwel al deze bezoekers van het parkeerterrein of de fietsenstalling gebruikmaken, vormt het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen naar het oordeel van het Hof geen middel om het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Het parkeren van hun personenauto of het stallen van hun fiets vormt, mede gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, voor de bezoekers van het park een doel op zich en staat daarmede los van het verlenen van toegang tot het park. Derhalve is het Hof van oordeel dat het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/11.1.11
FutD 2005-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01407

HET GERECHTSHOF TE ‘s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/YY van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende het bedrag dat door haar over het tijdvak oktober 2002 als omzetbelasting op aangifte is voldaan.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 28 november 2002 heeft de belanghebbende als door haar over het tijdvak oktober 2002 verschuldigde omzetbelasting een bedrag van € 64.568,= op aangifte voldaan. Naar aanleiding van het door haar bij schrijven van 23 december 2002 -door de Inspecteur ontvangen op 24 december 2002- tegen dit bedrag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 18 april 2003 besloten van dit bedrag geen teruggaaf te verlenen.

1.2. Tegen die uitspraak is de belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van € 232,=. De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 1 april 2004 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. V, als gemachtigde van de belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer K FB, beiden verbonden aan het kantoor te Z van Q Belastingadviseurs, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. S, verbonden aan vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst.

De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende exploiteert het attractiepark “X”, alsmede een bij de ingang van dat park (hierna: het park) gelegen parkeerterrein en fietsenstalling (hierna: het parkeerterrein, onderscheidenlijk: de fietsenstalling). Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst voor het jaar 2002; hierna: de Wet).

2.2. Het parkeerterrein biedt plaats aan 175 touringcars en 6.300 personenauto’s. In de fietsenstalling is plaats voor 3.000 fietsen. Het parkeerterrein is omheind met een hekwerk en is zowel bij de inrit als bij de uitrit voorzien van slagbomen. Het betalen voor het parkeren op het parkeerterrein vindt plaats door het kopen van een munt. Deze munten zijn te verkrijgen aan de kassa bij de ingang van het park, bij de gastenservice op het park en bij automaten bij de ingang van het park, gelegen achter de kassa, maar vóór de kaartcontrole. Voor het verlaten van het parkeerterrein dient de munt in een automaat te worden geworpen, waarna de slagboom bij de uitrit automatisch opengaat.

2.3. Voor het gebruikmaken van het parkeerterrein en de fietsenstalling brengt de belanghebbende de volgende bedragen, met inbegrip van omzetbelasting, in rekening:

– Het parkeren van touringcars is gratis.

– Het parkeren van een personenauto kost € 5,= per dag.

– Bezoekers die in het bezit zijn van een toegangsabonnement voor het park kunnen tevens een parkeerabonnement voor een personenauto kopen, welk abonnement bij een zomerabonnement € 30,= kost en bij een winterabonnement € 12,50.

– De vergoeding voor het stallen van een fiets bedraagt € 0,50 per dag.

2.4. Het park zelf heeft een eigen ingang met een aparte kaartcontrole. Een (standaard)dagkaart voor het park kost gedurende het zomerseizoen € 21,= en gedurende het winterseizoen € 19,=. Een abonnement kost voor het zomerseizoen € 90,= en voor het winterseizoen € 42,=.

2.5. In het voorseizoen bezoeken gemiddeld 7.000 à 10.000 personen per dag het park; in het hoogseizoen 20.000 à 25.000 personen per dag. Circa 2/3-gedeelte van de bezoekers komt per personenauto of fiets, de overige bezoekers komen per touringcar of per openbaar vervoer.

2.6. Bezoekers van het park die per personenauto of fiets komen, zijn niet verplicht gebruik te maken van het parkeerterrein casu quo de fietsenstalling, doch de facto bestaat er voor hen vrijwel geen andere mogelijkheid om hun auto te parkeren dan wel hun fiets te stallen.

In theorie is het mogelijk een munt voor het parkeerterrein te kopen, onderscheidenlijk te betalen voor de fietsenstalling, zonder tevens een bezoek aan het park te brengen.

2.7. Bij de berekening van het bedrag dat door haar over het onderhavige tijdvak als omzetbelasting op aangifte is voldaan, is de belanghebbende er van uitgegaan dat zij ter zake van de exploitatie van het parkeerterrein en de fietsenstalling omzetbelasting naar het algemene tarief is verschuldigd. In bezwaar heeft zij gesteld, hetgeen zij thans in beroep herhaalt, dat zij te dier zake omzetbelasting naar het verlaagde tarief als vermeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet is verschuldigd.

Niet is in geschil dat indien dit laatste inderdaad het geval is, de belanghebbende een bedrag van € 25.798,= teveel als door haar over het onderhavige tijdvak verschuldigde omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Vormt het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park en het door haar geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen, één enkele dienst, welke is aan te merken als het verlenen van toegang tot het park en welke derhalve op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet jo. post b.14, aanhef en onderdeel g, van de bij de Wet behorende tabel I is belast naar het verlaagde tarief van 6%?

II. Indien de onder I vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en er derhalve meerdere diensten moeten worden onderkend, te weten enerzijds het verlenen van toegang tot het park en anderzijds het geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen, is deze laatste dienst dan te beschouwen als een bijkomende dienst welke het fiscale lot van de hoofddienst, te weten het verlenen van toegang tot het park, deelt en derhalve ook naar het verlaagde tarief is belast?

De belanghebbende is van oordeel dat deze beide vragen bevestigend

moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde

opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken, waaronder de onder 1.3 vermelde pleitnota, de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, voor zover niet reeds onder de Feiten verwerkt en zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De belanghebbende

Aan de voor de exploitatie van het park verleende hinderwetvergunning is door de desbetreffende gemeente de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende voor voldoende parkeergelegenheid voor de bezoekers van het park zorgt.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/224 (hierna: het CPP-arrest), is beslissend of de modale consument één, dan wel meerdere van elkaar te onderscheiden diensten ervaart.

Het ligt voor de hand dat de belanghebbende door de gemeente is verplicht voor voldoende parkeergelegenheid te zorgen, doch dit heeft geen invloed op de wijze waarop de modale consument de prestaties van de belanghebbende ervaart.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. De belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en het verlenen van teruggaaf van een bedrag van € 25.798,=. De Inspecteur concludeert, eveneens naar het Hof begrijpt, tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park en het door haar geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen één enkele dienst vormt welke is aan te merken als het verlenen van toegang tot het park.

4.2. Dienaangaande is het, gelet op de omstandigheid dat elke dienstverrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd en dat de dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald ten einde de functionaliteit van het BTW-stelsel niet aan te tasten, van belang vast te stellen, wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn ten einde te bepalen of de belanghebbende de consument, beschouwd als een modale consument, meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofddiensten dan wel één enkele dienst verleent (zie punt 29 van het CPP-arrest).

4.3. Het geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen is geen dienst waarop post b.14, aanhef en onderdeel g, van de bij de Wet behorende tabel I (hierna: de tabelpost) van toepassing is. Dit is niet anders in het onderhavige geval, waarin de belanghebbende een attractiepark exploiteert en zij aan de bezoekers daarvan tegen betaling van een vergoeding de gelegenheid biedt tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen. De belanghebbende verleent immers tegen vergoeding toegang tot het park -ook aan personen die anders dan met een personenauto of een fiets arriveren- en verlangt (slechts) van de bezoekers van het park die per auto of fiets komen en die ervoor kiezen gebruik te maken van het parkeerterrein of de fietsenstalling een (afzonderlijke) vergoeding, uitdrukkelijk voor het mogen parkeren of stallen, welke vergoeding ook voor wat betreft de personenauto’s een vast bedrag is, ongeacht het aantal inzittenden.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de onder 2.2 bedoelde munt niet alleen tegelijkertijd met het toegangsbewijs voor het park kan worden gekocht, maar ook bij de automaten bij de ingang van het park, gelegen achter de kassa, doch vóór de kaartcontrole, waardoor de modale consument zal menen gebruik te maken van meerdere, van elkaar te onderscheiden diensten, kan het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen niet anders worden aangemerkt dan als een op zichzelf staande dienst welke zij niet in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van de tabelpost verricht (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2003, nr. 38.661, NTFR 2003/1728). Van een dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, is geen sprake.

De omstandigheid dat de belanghebbende verplicht is voor voldoende parkeergelegenheid te zorgen en dat er voor bezoekers van het park die per personenauto of per fiets komen de facto vrijwel geen andere mogelijkheid bestaat om hun auto te parkeren dan wel hun fiets te stallen, doet aan het vorenstaande niet af.

4.4. Met betrekking tot de onder 4.1 vermelde vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

4.5. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen kan worden beschouwd als een bijkomende dienst welke het fiscale lot van de hoofddienst, te weten het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park, deelt.

4.6. Naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in punt 30 van het CPP-arrest heeft overwogen, moet een dienst worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst, wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

4.7. Hoewel circa 2/3-gedeelte van de bezoekers van het park per personenauto of fiets komt en vrijwel al deze bezoekers van het parkeerterrein of de fietsenstalling gebruikmaken, vormt het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen naar het oordeel van het Hof geen middel om het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Het parkeren van hun personenauto of het stallen van hun fiets vormt, mede gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, voor de bezoekers van het park een doel op zich en staat daarmede los van het verlenen van toegang tot het park. Derhalve is het Hof van oordeel dat het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto’s en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.

4.8. Ook met betrekking tot de onder 4.5 vermelde vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

4.9. Voor het geval het gelijk met betrekking tot de beide in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur is, is niet in geschil dat de belanghebbende over het onderhavige tijdvak niet een te hoog bedrag als omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Het beroep is derhalve ongegrond.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van de belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en G.D. van Norden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 17 september 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 17 september 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580