Pensioenfonds loopt geen beleggingsrisico vergelijkbaar met beleggingsfonds – Btw-vrijstelling niet van toepassing

Gerechtshof Den Haag oordeelt dat een beroepspensioenfonds met een collectieve beschikbare premieregeling niet kwalificeert voor de btw-vrijstelling voor beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens (artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten derde, Wet OB 1968).

Dragen deelnemers aan het pensioenfonds het beleggingsrisico in die zin dat het bedrag van pensioenrechten en -uitkeringen “in de eerste plaats” afhankelijk is van beleggingsresultaten?

Gerechtshof Den Haag wachtte het arrest van het HvJ EU van 5 september 2024 (C-639/22 tot C-644/22) af, waarin werd bepaald dat deelnemers slechts het beleggingsrisico dragen wanneer pensioenuitkeringen “in de eerste plaats” afhankelijk zijn van beleggingsresultaten, niet van dienstjaren en arbeidsinkomen. Het pensioenfonds voerde een uitkeringsregeling uit op basis van middelloonsystematiek. Hoewel beleggingsresultaten invloed hadden op indexatie en kortingen, waren aanspraken en uitkeringen primair gebaseerd op pensioengevend inkomen en dienstjaren. De deelnemer liep slechts indirect een beperkt risico, gedempt door waarborgen en de rekenrente die fluctuaties voorkomt. Het feit dat gemiddeld 66% van uitkeringen uit beleggingsresultaat bestaat, maakte dit niet anders – het ging om vergelijkbaar beleggingsrisico, niet om de omvang van beleggingsresultaten.
Het Hof verwierp ook het subsidiaire beroep op fiscale neutraliteit. Belanghebbende was niet vergelijkbaar met Defined Contribution-fondsen omdat:

  • Deelnemers een gegarandeerde aanspraak hadden op uitkeringen
  • Geen individuele beleggingskeuzes mogelijk waren
  • Solidariteit en dempend effect van rekenrente golden
  • Deelnemers niet direct en volledig deelden in positieve/negatieve uitschieters

Conclusie is dat het pensioenfonds niet kwalificeert als ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen voor btw-doeleinden.

Bron: ECLI:NL:GHDHA:2025:1328

Scroll naar boven