Rente die notariskantoor heeft ontvangen op derdengeldenrekening in pro rata

Notaris

Rente die notariskantoor heeft ontvangen op derdengeldenrekening in pro rata

A BV drijft een notariskantoor. Voor haar activiteiten beschikt A BV over een derdengeldenrekening, waartoe zij is verplicht op grond van artikel 25 Wet op het notarisambt. Op deze rekening staan gelden die cliënten en derden aan het beheer van A BV, of althans de bij haar werkzame notarissen, hebben toevertrouwd in verband met de werkzaamheden van de notarissen en die niet aan A BV moeten gaan toebehoren. Door de aard van de praktijk van A BV stonden met grote regelmaat zeer grote bedragen op de derdengeldenrekening (kwaliteitsrekening). Op de derdengeldenrekening is rente vergoed die door A BV is genoten.

De vraag is of A BV terecht de voorbelasting op haar algemene kosten integraal in aftrek heeft gebracht, zoals zijzelf bepleit, dan wel of zij slechts een deel daarvan had mogen aftrekken op basis van een pro rata, zoals de Belastingdienst meent. Voor het geval het gelijk in zoverre aan de Belastingdienst is, is voor de boeten met name in geschil of A BV een pleitbaar standpunt heeft ingenomen door voorbelasting op algemene kosten volledig in aftrek te brengen dan wel alle schuld bij haar ontbreekt.

Volgens Rechtbank Noord-Holland vormt de rente die A BV heeft genoten vanwege het positieve saldo op de derdengeldenrekening de vergoeding voor enige door haar als ondernemer verrichte handeling als bedoeld in artikel 1 onder a Wet OB 1968. Het aanhouden van de derdengeldenrekening, en het in verband daarmee genieten van de rente, is namelijk een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van de belastbare activiteit van een notariskantoor. De vrijstelling van artikel 11 lid 1 onder j Wet OB 1968 is van toepassing. Er is geen sprake van omzet uit bijkomstige financiële handelingen die op grond van artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn buiten beschouwing kan blijven bij het bepalen van het pro rata. Er is ook geen sprake van een pleitbaar standpunt. Wel vermindering van de boetes i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-04-2022
Datum publicatie
17-06-2022
Zaaknummer
AWB – 20 _ 3723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
OB. Eiseres drijft een notariskantoor. De rente die eiseres heeft genoten vanwege het positieve saldo op de derdengeldenrekening vormt de vergoeding voor enige door haar als ondernemer verrichte handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, Wet OB 1968. Het aanhouden van de derdengeldenrekening, en het in verband daarmee genieten van de rente, is namelijk een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van de belastbare activiteit van een notariskantoor. De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder j, Wet OB 1968 is van toepassing.

Er is geen sprake van omzet uit bijkomstige financiële handelingen die op grond van artikel 174, tweede lid, Btw-richtlijn buiten beschouwing kan blijven bij het bepalen van het pro rata.

Geen pleitbaar standpunt. Vermindering boetes ivm overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-6-2022
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/3723 en HAA 20/3725

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2022 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. Ph. Boerman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Op de aanslagbiljetten zijn ook boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente respectievelijk belastingrente bekendgemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 mei 2020 de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep inzake 2011 is geregistreerd onder het zaaknummer HAA 20/3723 en het beroep inzake 2012 en 2013 is geregistreerd onder het zaaknummer HAA 20/3725.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en mr. [naam 1] . Namens verweerder zijn mr. [naam 2] , mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en [naam 5] verschenen.

Overwegingen
Feiten

1. Eiseres drijft een notariskantoor en verleent uiteenlopende notariële diensten. Zij heeft een grote commerciële vastgoedpraktijk.

2. Voor haar activiteiten beschikt eiseres over een derdengeldenrekening, waartoe zij is verplicht op grond van artikel 25 van de Wet op het notarisambt. Op deze rekening staan gelden die cliënten en derden aan het beheer van eiseres, of althans de bij haar werkzame notarissen, hebben toevertrouwd in verband met de werkzaamheden van de notarissen en die niet aan eiseres moeten gaan toebehoren. Door de aard van de praktijk van eiseres stonden met grote regelmaat zeer grote bedragen op de derdengeldenrekening (kwaliteitsrekening).

3. Op de derdengeldenrekening is rente vergoed die door eiseres is genoten. In 2011 gaat het om een bedrag van € 114.130, in 2012 om € 113.184 en in 2013 om € 119.215. Deze rente hoefde eiseres niet aan de rechthebbenden van het tegoed op de derdengeldenrekening te vergoeden, omdat zij verband houdt met gelden die slechts voor zeer korte duur op de derdengeldenrekening hebben gestaan. Zonder rekening te houden met de rente heeft eiseres in genoemde jaren vergoedingen voor diensten ontvangen ten belope van € 1.487.592, € 1.342.830 respectievelijk € 1.319.854.

4. Eiseres heeft alle voorbelasting op haar algemene kosten in aftrek gebracht. Verweerder heeft na een in 2016 en 2017 uitgevoerd boekenonderzoek een deel van die afgetrokken voorbelasting nageheven. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiseres in zoverre een evenredige (‘pro rata’) aftrek moet toepassen, waarbij de rente als omzet uit vrijgestelde handelingen in aanmerking moet worden genomen. Verder heeft verweerder verzuimboetes van 10% opgelegd.

Geschil
5. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, alsmede of de boetebeschikkingen terecht zijn genomen. Als het antwoord op beide vragen bevestigend is, dan staat de juistheid van de bedragen niet ter discussie. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres terecht de voorbelasting op haar algemene kosten integraal in aftrek heeft gebracht, zoals zijzelf bepleit, dan wel of zij slechts een deel daarvan had mogen aftrekken op basis van een pro rata, zoals verweerder meent. Voor het geval het gelijk in zoverre aan verweerder is, is voor de boeten met name in geschil of eiseres een pleitbaar standpunt heeft ingenomen door voorbelasting op algemene kosten volledig in aftrek te brengen dan wel alle schuld bij haar ontbreekt.
6. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop die standpunten steunen, verwijst de rechtbank verder naar de stukken van het geding en naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

Beoordeling van het geschil

Rente genoten als vergoeding voor een prestatie?

7. Verweerder stelt zich ook in beroep op het standpunt dat de rente die eiseres heeft genoten vanwege het positieve saldo op de derdengeldenrekening, de vergoeding is voor het verlenen van krediet. Dat is op grond van artikel 11, eerste lid, onder j, ten tweede, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) vrijgesteld. Niet van belang is dat geen kapitaal van eiseres zelf aan de bank ter beschikking wordt gesteld, aldus verweerder.

8. Eiseres betoogt dat de rente niet de vergoeding voor een prestatie is, omdat zij niet jegens de bank als belegger of depositoverstrekker handelt. Met name krijgt de bank niet voor een bepaalde, overeengekomen duur de beschikking over de gelden die worden gestort op de derdengeldenrekening. Voor het geval de rente toch de vergoeding voor een prestatie is, betwist eiseres niet dat het een vrijgestelde dienst betreft.

9. De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust van feiten waaruit volgt dat zij integraal recht heeft op aftrek van voorbelasting op haar algemene kosten. Het is daarom in de eerste plaats aan eiseres om feiten en omstandigheden te stellen waaruit haar aftrekrecht volgt. Gezien het standpunt van eiseres zouden dat feiten en omstandigheden moeten zijn waaruit volgt dat de rente niet de vergoeding vormt voor enige als ondernemer verrichte handeling bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet OB 1968.

10. Eiseres heeft echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat de rente is voortgesproten uit loutere eigendom van een vermogensbestanddeel dan wel anderszins niet is genoten uit hoofde van een rechtsbetrekking waarbinnen over en weer wordt gepresteerd, en de rente daarom niet de werkelijke tegenwaarde vormt voor enige prestatie (vergelijk bijvoorbeeld Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) 13 juni 2018, Gmina Wrocław, C‑665/16, ECLI:EU:C:2018:431, punt 43). De relevantie van het wel gestelde feit dat de bank niet voor een bepaalde, overeengekomen duur kan beschikken over de gelden die op de derdengeldenrekening staan, is de rechtbank niet duidelijk. De bank vergoedt rente naar rato van het saldo op de rekening in de loop van het rentetijdvak. In de rede ligt dat de bank hiertoe alleen bereid is als de aanwezigheid van dat saldo – ondanks de onzekerheid omtrent de duur dat het op de rekening blijft staan – een voordeel voor de bank is. Verder is niet gesteld dat de bank niet contractueel verplicht is de rente te vergoeden, dan wel de vergoeding van rente voor eiseres niet een voorwaarde vormt om de derdengeldenrekening bij de betrokken bank aan te houden. Veeleer bestaat reden het tegendeel aan te nemen. Banken plegen immers niet rente te vergoeden als zij daartoe niet contractueel verplicht zijn. Voor eiseres was het daarnaast nodig een rekening te hebben waarop aan de rechthebbenden tot het saldo een gebruikelijke rente wordt vergoed, omdat dit wordt vereist in de regeling over derdengeldenrekeningen in en krachtens artikel 25 van de Wet op het notarisambt. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat eiseres de door haar genoten rente heeft bedongen en dat een rechtstreeks verband bestaat met (een) door haar verrichte handeling(en).

11. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat zij de bedoelde handeling(en) niet als ondernemer heeft verricht, oftewel buiten het kader van haar economische activiteit, treft dat betoog geen doel. Het aanhouden van de derdengeldenrekening, en het in verband daarmee genieten van de rente, is namelijk een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van haar belastbare activiteit als notariskantoor, waardoor eiseres moet worden geacht als ondernemer te handelen (vergelijk Hof van Justitie 11 juli 1996, Régie Dauphinoise, C-306/94, ECLI:EU:C:1996:290, punt 18). De rechtstreeksheid volgt uit de omstandigheid dat transacties die met notariële tussenkomst van eiseres plaatsvinden, financieel over de derdengeldenrekening worden afgewikkeld. Omdat eiseres de rekening permanent aanhoudt, is bovendien van duurzaamheid sprake. En het staat vast dat het aanhouden van de rekening noodzakelijk is voor een notariskantoor (zie onder 2).

12. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om partijen niet te volgen in hun standpunt dat in dit geval een vrijstelling geldt. In het midden kan blijven of zij terecht veronderstellen dat eiseres krediet verleent, wat zou moeten betekenen dat de bank jegens eiseres (en niet de rechthebbenden tot het saldo) een hoofdsom schuldig is (vergelijk HR 23 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:28, r.o. 3.4.2). De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder j, van de Wet OB 1968 omvat namelijk meer diensten dan het verlenen van krediet, namelijk ook de bemiddeling inzake krediet. Tegen die achtergrond is het standpunt van partijen niet zonder meer in strijd met het recht te achten.

Bijkomstige financiële handelingen?

13. Voor het geval dat de genoten rente de vergoeding voor vrijgestelde financiële diensten is, heeft eiseres aangevoerd dat de bedragen van die rente bij de berekening van het aftrekbare gedeelte van de voorbelasting (het pro rata) buiten beschouwing moeten blijven op grond van artikel 174, tweede lid, van richtlijn 2006/112/EG (de Btw-richtlijn). Zij stelt de ingekochte prestaties niet of in hooguit zeer beperkte mate voor de bedoelde financiële diensten te hebben gebruikt. De rente komt immers vanzelf binnen. Daarom is, aldus eiseres, sprake van bijkomstige financiële handelingen waarvan de omzet door (rechtstreekse werking van) de voormelde bepaling buiten beschouwing mag blijven bij de berekening van het pro rata.

14. Volgens verweerder kan het aanhouden van de derdengeldenrekening niet bijkomstig zijn, omdat het voor eiseres een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van haar belastbare activiteit is. Voorts zijn baten van meer dan € 100.000 moeilijk als bijkomstig te beschouwen. Ten slotte heeft verweerder gewezen op de hoge administratieve lasten die beweerdelijk met een derdengeldenrekening zijn gemoeid.

15. In het arrest van 11 juli 1996, Régie Dauphinoise, C-306/94, ECLI:EU:C:1996:290 heeft het HvJ in punt 21 overwogen dat de berekening van de aftrek zou worden vervalst als daarbij rekening moest worden gehouden met alle opbrengsten van financiële handelingen van een belastingplichtige die met een belastbare activiteit verband houden, zelfs wanneer de verkrijging van die opbrengsten geen of slechts een zeer beperkt gebruik impliceert van door de belastingplichtige ingekochte goederen en diensten waarvoor btw is verschuldigd. Uit punt 22 van hetzelfde arrest volgt dat handelingen die een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit betreffen, echter hoe dan ook niet als bijkomstige financiële handelingen kunnen worden aangemerkt in de zin van (thans) artikel 174, tweede lid, van de Btw-richtlijn. Dit laatste aspect komt niet meer terug in het arrest van het HvJ van 29 april 2004, EDM, C-77/01, ECLI:EU:C:2004:243 (zie punt 69). De rechtbank acht dat echter onvoldoende om te veronderstellen dat het HvJ is teruggekomen op zijn arrest in de zaak Régie Dauphinoise en dat slechts nog van belang is of de verkrijging van ‘financiële opbrengsten’ geen of hooguit een zeer beperkt gebruik impliceert van ingekochte goederen en diensten waarvoor btw is verschuldigd.

16. Hiervoor onder 11 is geoordeeld dat (het genieten van rente in verband met) het aanhouden van de derdengeldenrekening door eiseres een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van haar belastbare activiteit als notariskantoor vormt. Hoewel op zich niet doorslaggevend, wijst bovendien het relatieve aandeel van het bedrag van de genoten rente in het totaal van de opbrengsten van eiseres erop dat in de voorliggende jaren van bijkomstigheid geen sprake was. De door eiseres genoten rente is reeds om die redenen geen omzet uit bijkomstige financiële handelingen die op grond van (de rechtstreekse werking van) artikel 174, tweede lid, van de Btw-richtlijn buiten beschouwing kan blijven bij het bepalen van het pro rata. In het midden kan dan verder blijven of het genereren van de rente hooguit een zeer beperkt gebruik impliceert van door eiseres ingekochte goederen en diensten. In de gegeven omstandigheden is het in aanmerking nemen van de rente bij het bepalen van het pro rata van eiseres niet in strijd met het neutraliteitsbeginsel (vergelijk HvJ 11 juli 1996, Régie Dauphinoise, C-306/94, ECLI:EU:C:1996:290, punt 22).

Boeten

17. Gelet op het voorgaande staat vast dat het beboetbare feit is begaan. Daarbij hoeft oplegging van een verzuimboete slechts achterwege te blijven als eiseres geen verwijt kan worden gemaakt. Eiseres heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit het geval is. Evenmin acht de rechtbank het door eiseres ingenomen standpunt naar objectieve maatstaven beoordeeld pleitbaar.

18. De rechtbank constateert nochtans – met verweerder – dat de redelijke termijn voor de berechting van de boeten in eerste aanleg met meer dan twee jaar is overschreden. De rechtbank zal daarom het bedrag van de boeten (€ 370 en € 1.912) met twintig percent matigen tot € 296 en € 1.529.

Slotsom

19. De beroepen in beide zaken dienen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Verweerder heeft in zijn verweerschrift(en) gesteld dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat de boeten vanwege de overschrijding van de redelijke termijn dienen te worden gematigd. Hoewel dit niet vanzelfsprekend is bij een ongegrond beroep, ziet de rechtbank in dit geval onvoldoende reden om anders te oordelen. Bedoelde kosten, en dan uitsluitend voor de beroepsfase, stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing
De rechtbank:


verklaart de beroepen ongegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de boetebeschikkingen betreft;


vermindert de boete voor het jaar 2011 tot € 296 en de boete voor de jaren 2012 en 2013 tot € 1.529;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar, en


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, voorzitter, en mr. T.N. van Rijn en mr. C. Huisman leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBNHO:2022:4656