Strikte uitleg begrip schuldhulpverlening btw door Gerechtshof

geen geld niet betaling schuldenaar schulden

 

Strikte uitleg begrip schuldhulpverlening btw door Gerechtshof

Belanghebbende (eenmanszaak, later ingebracht in fiscale eenheid omzetbelasting bestaande uit holding + werkmaatschappij) voert financiële administraties, opent en beheert bankrekeningen, gaat passende risicoverzekeringen aan, vraagt bijzondere bijstand en/of toeslagen aan en dient aangiften inkomstenbelasting in. Belanghebbende treedt voor het overgrote deel van zijn cliënten op als bewindvoerder.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de diensten die belanghebbende verricht voor zijn cliënten bestaande uit inkomensbeheer, (alle vormen van) bewindvoering en curatorschap, btw-vrijgesteld zijn o.g.v. artikel 11 lid 1 onder f Wet OB en post b.33 van Bijlage B Uitvoeringsbesluit OB.

De vraag voor het Gerechtshof is of de handelingen van belanghebbenden zijn vrijgesteld.

Het Hof is van oordeel dat de term “schuldhulpverlening” strikt moet worden uitgelegd. Het gaat dus om werkzaamheden die zijn gericht op het oplossen van een problematische schuldsituatie. Werkzaamheden die worden verricht om te voorkomen dat een voormalig schuldenaar wederom in een problematische schuldsituatie terechtkomt, kunnen delen in de vrijstelling. De werkzaamheden worden in de nota van toelichting niet nader geduid, maar wel het doel: oplossen van een problematische schuldsituatie. De beperking zit dus niet zozeer in de aard van de werkzaamheden, maar in het doel daarvan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dergelijke werkzaamheden verricht.

Belanghebbende verricht vooral werkzaamheden die stabilisatie en preventie tot doel hebben. De werkzaamheden die belanghebbenden in de onderhavige periode hebben verricht zijn niet te kwalificeren als schuldhulpverlening in strikte zin. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbenden meer hebben gedaan dan administratieve werkzaamheden die inherent zijn aan het beheren van het budget van de desbetreffende cliënt. De werkzaamheden die erop zijn gericht om cliënten uit een onoplosbare schuldsituatie te halen en te voorkomen dat ze terugvallen, worden door derden uitgevoerd, zoals de gemeenten en de kredietbanken. Dit eigenlijke schuldhulptraject vindt plaats onder regie van de verantwoordelijke gemeente. De diensten van belanghebbenden zijn zelfstandige diensten die voor de cliënten een eigen betekenis hebben en niet slechts dienen om de hoofddienst (schuldhulpverlening) aantrekkelijker te maken. Evenmin vormen de diensten van belanghebbenden een concreet en specifiek aspect van schuldhulpverlening. Het Hof acht de schuldpositie (geen, draagbaar of problematisch) van een cliënt niet van belang gelet op de omschrijving van de diensten van belanghebbende en de strikte invulling die het Hof geeft aan het begrip schuldhulpverlening.

Het rechtstreeks beroep van belanghebbende op artikel 132 lid 1 sub g Btw-richtlijn faalt ook.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
19/00283 tm 19/00296
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:627, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Strikte uitleg schuldhulpverlening. Werkzaamheden in het kader van budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering kwalificeren zijn niet vrijgesteld van omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 19/00283 tot en met 19/00296

uitspraakdatum: 14 juli 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 februari 2019, nummers LEE 16/3728 en 16/4204 tot en met 16/4216, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] B.V. en fiscale eenheid [Y] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbenden)

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Aan belanghebbenden zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en zijn verzuimboeten opgelegd.

1.2.De fiscale eenheid heeft bij aangifte over diverse tijdvakken omzetbelasting voldaan.

1.3.De Inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan.

1.4.Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boeten vernietigd, de Inspecteur gelast aan de fiscale eenheid teruggaven omzetbelasting te verlenen, aan belanghebbenden vergoedingen toegekend wegens geleden immateriële schade, de Inspecteur gelast het betaalde griffierecht te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot € 1.149 voor elk van de twee belanghebbenden.

1.5.De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze (via beeldbellen) plaatsgevonden op 23 juni 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

2.1.[A] dreef tot 15 november 2012 een eenmanszaak onder de naam [B] (hierna: [B] ). Hij heeft [B] ingebracht in de besloten vennootschap [X] B.V. [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V., die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder is van [X] B.V. Met ingang van 1 januari 2013 vormen beide besloten vennootschappen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

2.2.

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat als omschrijving van de activiteiten van achtereenvolgens [C] B.V. en [X] B.V. het volgende vermeld:

“Beleggingsinstellingen met beperkte toetreding. Het verzekeren en uitvoering geven aan pensioenen en het sluiten en uitvoering geven aan overeenkomsten van levensverzekeringen, stamrecht overeenkomsten, lijfrente en soortgelijke overeenkomsten.”

en

“Overige administratiekantoren. Het beheren van vermogens ten behoeve van natuurlijke personen en rechtspersonen.”

2.3.De feitelijke werkzaamheden die belanghebbenden voor hun cliënten verrichten bestaan onder meer uit het voeren van financiële administraties, het openen en beheren van bankrekeningen, het aangaan van passende risicoverzekeringen, het aanvragen van bijzondere bijstand en/of toeslagen en het indienen van aangiften inkomstenbelasting. Belanghebbenden treden voor het overgrote deel van hun cliënten op als bewindvoerder.

2.4.De Inspecteur heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek bij belanghebbenden de naheffingsaanslagen en de beschikkingen opgelegd en de bezwaren tegen de voldoening van omzetbelasting door de fiscale eenheid afgewezen. In het controlerapport worden de feitelijke handelingen van belanghebbenden als volgt omschreven:

– Aanvragen van bijzondere bijstand, toeslagen, kindgebonden budget, verzekeringen, inboedelverzekering, uitvaartverzekering;

– Begeleiden naar schuldverlening door gemeenten, begeleiden curandus;

– Bij bewindvoering is er een reguliere taak om het traject van de schulden te bepalen en in de gaten te houden. Indien het regelbare schulden zijn dan mag [B] er voor kiezen dit uit te besteden aan de kredietbank. Indien het problematische schulden zijn die niet regelbaar zijn dan dient [B] dit als zodanig te onderbouwen;

– Het beschikbaar stellen van weekgeld;

– Het beheren van bankrekeningen, budgetplannen, het maken en uitvoeren van een plan van aanpak;

– Het afleggen van rekening en verantwoording aan de kantonrechter. In principe legt [B] verantwoording af aan de klant en stuurt deze verantwoording ter goedkeuring door naar de kantonrechter die ze dan tekent “voor gezien”;

– Het verzorgen van inkomensreparatie en optimalisatie;

– Het doen van aangifte inkomstenbelasting;

– Het treffen van betalingsregelingen;

– En verder alles wat noodzakelijk is om te komen tot een evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven van cliënten.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een model “Overeenkomst tot inkomensbeheer”. Hierin is onder andere het volgende opgenomen:

“In overweging nemende dat:

 de inkomensbeheerder zich onder meer ten doel heeft gesteld, krachtens overeenkomst, het inkomen van meerderjarigen te administreren, te beheren en te budgetteren.

Verklaren hierbij en zijn overeengekomen dat:

1. De cliënt verklaart door ondertekening van deze overeenkomst van zijn financiële situatie een volledige en juiste opgave aan de inkomensbeheerder te hebben gedaan.

2. De cliënt geeft volledige openheid van alle zaken ten aanzien van alle inkomsten, uitgaven en lopende betalingsverplichtingen en van het saldo van alle bank- en/of girorekeningen die op zijn naam zijn gesteld.

3. De cliënt verplicht zich om geen nieuwe schulden en/of andere financiële verplichtingen aan te gaan die het opgestelde of gewijzigde budgetplan zouden kunnen frustreren.

4. De cliënt verplicht zich de inkomensbeheerder van wijzigingen in zijn financiële omstandigheden en persoonlijke omstandigheden direct op eigen initiatief in kennis te stellen, indien deze wijzigingen van belang zijn voor de uitvoering van het inkomensbeheer onder bijvoeging van de daarop betrekking hebbende schriftelijke bewijsstukken.

5. De cliënt machtigt de inkomensbeheerder om alle huidige en toekomstige inkomsten, van welke aard dan ook, namens de cliënt in ontvangst te nemen en al het nodige ter uitvoering van deze machtiging te verrichten.

6. De cliënt blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor een toereikend saldo, zodat de inkomensbeheerder tot betaling volgens het overeengekomen budgetplan kan overgaan.”

2.6.De Rechtbank heeft geoordeeld dat de diensten die belanghebbenden verrichten voor hun cliënten bestaande uit inkomensbeheer, (alle vormen van) bewindvoering en curatorschap, zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit OB). Nu de omzet volledig is behaald uit die diensten, zijn de beroepen van belanghebbenden gegrond verklaard.

3Geschil

In geschil is of de handelingen van belanghebbenden zijn vrijgesteld. Dat de verzuimboeten ten onrechte zijn opgelegd en dat belanghebbenden recht hebben op de door de Rechtbank toegekende schadevergoeding, proceskostenvergoeding en vergoeding griffierecht, is niet in geschil.

4Beoordeling van het geschil

4.1.Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de diensten zijn vrijgesteld op de voet van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB jo. artikel 7 Uitvoeringsbesluit OB jo. post 33 van Bijlage B (primair), dezelfde bepalingen maar dan jo. post 29 van Bijlage B (subsidiair) dan wel met een rechtstreeks beroep op artikel 132, eerste lid, sub g, Btw-richtlijn (meer subsidiair). Gelet op de wijze van doorwerking van het Unierecht zal het Hof eerst het Unierechtelijk kader en vervolgens het nationale kader uiteenzetten.

4.2.

Artikel 132, eerste lid, sub g, Btw-richtlijn is de Unierechtelijke basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB. Eerstbedoelde bepaling luidt als volgt:

“diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;”

4.3.In zijn arrest van 10 september 2002, C-141/00, Kügler, ECLI:EU:C:2002:473, overweegt het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) over een rechtstreeks beroep op de voorganger van artikel 132, eerste lid, sub g, Btw-richtlijn:

44 Dienaangaande volstaat het vast te stellen dat blijkens de bewoordingen van artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn gezondheidskundige verzorging van therapeutische aard ingevolge het bepaalde sub c is vrijgesteld, terwijl algemene verzorging en huishoudelijke hulp welke een ambulante verpleegdienst verstrekt aan personen die fysiek of economisch hulpbehoevend zijn, zoals de personen ten behoeve van wie Kügler diensten verrichtte, in beginsel samenhangen met maatschappelijk werk en derhalve vallen onder het in die bepaling sub g bedoelde begrip „diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid”.

45. Met het tweede deel van de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft, zodat een justitiabele er zich voor de nationale rechter op kan beroepen.

(…)

51 Volgens vaste rechtspraak (zie inzonderheid arresten van 19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurispr. blz. 53, punt 25; 25 mei 1993, Mohsche, C-193/91, Jurispr. blz. I-2615, punt 17, en 26 september 2000, IGI, C-134/99, Jurispr. blz. I-7717, punt 36) kunnen particulieren, wanneer de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen, zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is of voorzover die bepalingen rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden.

52 In de eerste plaats bepaalt artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn weliswaar dat de lidstaten de erin voorziene vrijstellingen toepassen „onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen”, maar een lidstaat kan een belastingplichtige die kan aantonen dat hij onder een van de ingevolge de richtlijn vrijgestelde categorieën valt, niet tegenwerpen dat de bepalingen die de toepassing van de betrokken vrijstelling juist moeten vergemakkelijken, nog niet zijn vastgesteld (zie, aangaande artikel 13, B, van de Zesde richtlijn, arrest Becker, reeds aangehaald, punt 33).

53 In de tweede plaats zij vastgesteld dat artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn op voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke wijze de werkzaamheden vaststelt die voor vrijstelling in aanmerking komen.

54 Wat ten slotte de organisaties betreft „die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend”, is het inderdaad zo dat, zoals de Duitse regering stelt, artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn de lidstaten een beoordelingsbevoegdheid verleent om de sociale aard van bepaalde organisaties te erkennen.

55 Zolang de lidstaten de grenzen van de hun bij artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid eerbiedigen, kunnen particulieren niet op basis van deze bepaling in de betrokken lidstaat de erkenning als organisatie van sociale aard afdwingen.

4.4.

In zijn arrest van 21 januari 2016, C-335/14, Les Jardins de Jouvence, ECLI:EU:C:2016:36, overweegt het HvJ:

“32 Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 13, A, lid 1, onder g), van de Zesde richtlijn niet preciseert onder welke voorwaarden en op welke wijze de erkenning van andere dan publiekrechtelijke instellingen als instellingen van sociale aard dient te geschieden. In beginsel is het dus een zaak van het nationale recht van elke lidstaat om te bepalen volgens welke regels dergelijke organisaties kunnen worden erkend (zie arrest Zimmermann, C‑174/11, EU:C:2012:716, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 In die omstandigheden kunnen de lidstaten krachtens artikel 13, A, lid 2, onder a), van de Zesde richtlijn de toekenning van de in artikel 13, A, lid 1, onder g), van deze richtlijn bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen afhankelijk stellen van een of meer voorwaarden die zijn opgesomd in lid 2, onder a). De lidstaten kunnen deze facultatieve voorwaarden voor de toekenning van de betrokken vrijstelling naar vrije keuze aanvullend opleggen (zie arrest Zimmermann, C‑174/11, EU:C:2012:716, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Hieruit volgt dat artikel 13, A, lid 1, onder g), van de Zesde richtlijn de lidstaten een beoordelingsmarge verleent om bepaalde, andere dan publiekrechtelijke, organisaties als instellingen van sociale aard te erkennen (zie in die zin arrest Kingscrest Associates en Montecello, C‑498/03, EU:C:2005:322, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale autoriteiten overeenkomstig het Unierecht en onder het toezicht van de nationale rechterlijke instanties verschillende elementen in aanmerking dienen te nemen bij de vaststelling van niet-publiekrechtelijke instellingen die als instellingen van „sociale aard” moeten worden erkend. Hierbij kan worden gedacht aan bestaande specifieke bepalingen, ongeacht of het gaat om nationale of regionale bepalingen, om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of om fiscale voorschriften dan wel om voorschriften op het gebied van de sociale zekerheid, aan het algemeen belang van de activiteiten van de betrokken belastingplichtige, aan het feit dat andere belastingplichtigen die dezelfde activiteiten uitoefenen reeds een soortgelijke erkenning hebben verkregen, alsook aan het feit dat de kosten van de betrokken prestaties mogelijkerwijs grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen of andere socialezekerheidsinstellingen (arrest Zimmermann, C‑174/11, EU:C:2012:716, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(…)

51 Overigens moet erop worden gewezen dat uit de formulering van de eerste vraag blijkt dat sommige van de door [D] in het kader van haar activiteiten van exploitant van een assistentiewoning tegen betaling verstrekte diensten facultatief worden aangeboden aan zowel de bewoners van de assistentiewoning als aan niet-bewoners. Het betreft meer bepaald de toegang tot een bar-restaurant, een kap- en een schoonheidssalon, een fysiotherapiezaal, ergotherapeutische activiteiten, een wasserij, een lokaal voor bloedafnamen en een artsenpraktijk.

52 Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat de lidstaten overeenkomstig artikel 13, A, lid 2, onder b), eerste streepje, van de Zesde richtlijn diensten als bedoeld in met name artikel 13, A, lid 1, onder g), van deze richtlijn van vrijstelling moeten uitsluiten indien zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen. Zoals uit de rechtspraak van het Hof volgt, stelt deze voor de lidstaten verbindende bepaling immers voorwaarden waarmee rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van de verschillende erin bedoelde gevallen van vrijstelling, die, net als die waarin wordt voorzien door artikel 13, A, lid 1, onder g), van die richtlijn, betrekking hebben op prestaties of leveringen die „nauw samenhangen” of een „nauwe band” hebben met een activiteit van algemeen belang (zie in die zin arrest Ygeia, C‑394/04 en C‑395/04, EU:C:2005:734, punt 26).

53 Wat de in punt 51 van het onderhavige arrest vermelde facultatieve diensten betreft, staat het aan de nationale rechterlijke instantie om vast te stellen welke daarvan worden verlangd door de toepasselijke nationale wettelijke regeling. Deze diensten kunnen, voor zover zij overeenkomen met die welke door de bejaardentehuizen worden aangeboden, worden geacht nauw samen te hangen met inzonderheid maatschappelijk werk en onontbeerlijk te zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen.

54 In dit verband moet worden vastgesteld dat uit de opmerkingen van [D] en [E] blijkt dat in het besluit van 3 december 1998 wordt bepaald dat de mogelijkheid om een maaltijd te nemen, de mogelijkheid om de particuliere woongedeelten minstens eenmaal per week te laten reinigen en de mogelijkheid om de eigen kleren en het beddengoed van de bewoner te laten wassen, tot de verlangde facultatieve diensten behoren. Deze diensten lijken dan ook, voor zover zij overeenkomen met die welke door de bejaardentehuizen worden aangeboden, onontbeerlijk te zijn voor het verrichten – door een assistentiewoning – van de vrijgestelde handelingen. Wat daarentegen de verstrekking – in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding – van andere facultatieve diensten betreft, zoals de diensten van een kap- en een schoonheidssalon, lijkt de betrokken nationale wettelijke regeling de assistentiewoningen niet de verplichting op te leggen, net zomin als dat voor de bejaardentehuizen het geval is, om die diensten te verstrekken, aangezien dergelijke facultatieve diensten niet kunnen worden geacht onontbeerlijk te zijn voor het verrichten – door een assistentiewoning – van de vrijgestelde handelingen. Het staat echter aan de verwijzende rechter om dit te verifiëren.”

4.5.Artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB is de omzetting in Nederlands recht van artikel 132, eerste lid, sub g, Btw-richtlijn en bepaalt dat van omzetbelasting zijn vrijgesteld de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen van goederen en diensten van sociale en culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en geen verstoring van de concurrentie optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen. De vrijstelling is uitgewerkt in artikel 7 Uitvoeringsbesluit OB, waarin onder meer wordt verwezen naar de bijbehorende Bijlage B.

Post 29 van Bijlage B luidt als volgt:

“instellingen voor algemeen maatschappelijk en bedrijfsmaatschappelijk werk;”

Post 33 van Bijlage B luidt als volgt:

“instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling, voorzover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet;”

4.6.

In de nota van toelichting bij post 33 (Besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, 687) is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“De nieuwe post b.33 ziet op instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Het gaat hierbij met name om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken die als zodanig zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Onder «schuldhulpverlening» vallen in de praktijk verschillende werkzaamheden, zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject (waarbij een schuldenaar veelal door tussenkomst van een schuldregelaar op minnelijke wijze met zijn schuldeisers overeenstemming tracht te bereiken over het aflossen van zijn schulden) en de afgifte van een zogeheten WSNP-verklaring (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Instellingen die op dit gebied werkzaam zijn, houden zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat, en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties. De vrijstelling is niet van toepassing op bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling. Voorts mist de vrijstelling toepassing als de diensten op het gebied van schuldhulpverlening al kunnen worden gerangschikt onder de bancaire vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet, zoals het verlenen van krediet voor schuldsanering. Hoewel de activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening niet snel winstgevend zullen zijn, kunnen echter ook commerciële instellingen optreden als aanbieder van bepaalde activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening. Gelet hierop is de voorwaarde dat met de prestaties geen winst wordt beoogd vervallen (zie onderdeel E.8, derde alinea).”

4.7.

Artikel 1 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (in werking getreden op 1 juli 2012) bevat een aantal definities, waaronder:

“schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;”

4.8.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Tweede Kamer 2009-2010, 32 291, nr. 3, blz 6/7 en 21) staat onder meer het volgende:

“3. De inhoud van het wettelijk kader gemeentelijke schuldhulpverlening

(…)

Integrale schuldhulpverlening en de regierol van de gemeente

Een belangrijk uitgangspunt van het wettelijk kader gemeentelijke schuldhulpverlening is dat de schuldhulpverlening een integraal karakter heeft. Dit betekent dat er bij de schuldhulpverlening niet alleen aandacht moet zijn voor het oplossen van de financiële problemen van een cliënt, maar ook voor eventuele omstandigheden die op enigerlei wijze in verband kunnen staan met de financiële problemen van een cliënt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om psychosociale factoren, relatieproblemen, de woonsituatie, de gezondheid, de verslaving of de gezinssituatie. Het is van belang in het kader van de schuldhulpverlening de eventuele oorzaken, die ten grondslag liggen aan het ontstaan van de schulden, zo mogelijk weg te nemen. Het zelfde geldt uiteraard ook voor het wegnemen van omstandigheden die het oplossen van problematische schulden in de weg staan. Kortom het wegnemen van deze oorzaken of omstandigheden is in veel gevallen essentieel om de financiële problemen van de cliënt in structurele zin op te lossen. Dit betekent dat ook voor schuldeisers een integrale schuldhulpverlening van belang is.

Het spreekt daarbij vanzelf dat deze vorm van integrale schuldhulpverlening toegesneden moet zijn op de individuele schuldenaar en dus er sprake is van maatwerk. In individuele gevallen kan het nodig zijn om voor het oplossen van het financiële probleem van een schuldenaar of zelfs voor groepen van schuldenaren eerst een ander probleem – bijvoorbeeld een verslaving – op te lossen. De integrale schuldhulpverlening moet zo worden vormgegeven dat deze ook adequaat is voor groepen als bijvoorbeeld dak- en thuislozen, ex-gedetineerden en licht verstandelijk gehandicapten.

Om integrale schuldhulpverlening succesvol te kunnen laten zijn geldt in algemene zin dat de medewerking van de schuldenaar een eerste vereiste is. Het is van belang dat de gemeente de schuldenaar ook actief aanspreekt op de eigen verantwoordelijkheid.

Activiteiten gericht op preventie om problematische schulden zoveel mogelijk te voorkomen door bijvoorbeeld voorlichting, vroegsignalering, bestrijding van niet gebruik of budgetbegeleiding zijn onderdeel van integrale schuldhulpverlening. Dit geldt ook voor het verlenen van nazorg op individueel en collectief niveau. Dit om te voorkomen dat schuldenaren opnieuw met problematische schulden te maken krijgen. Het door de gemeenteraad vast te stellen plan voor integrale schuldhulpverlening zal dus ook op deze preventie en nazorg moeten ingaan.

(…)

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1 Begripsbepalingen

Schuldhulpverlening omvat zowel het voorkomen van problematische schulden (preventie), het helpen van een schuldenaar bij het vinden van een oplossing voor zijn problematische schulden als het voorkomen van terugval in de oude situaties (nazorg). Schuldhulpverlening dient een integraal karakter te hebben. Zowel materiële als immateriële aspecten maken onderdeel uit van schuldhulpverlening. Integrale schuldhulpverlening is een samenhangend hulpaanbod van preventie tot en met zorg gericht op zowel de financiële- als psychosociale en andere oorzaken van schulden. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om relatieproblemen, de woonsituatie, de gezondheid, de verslaving en de gezinssituatie.”

4.9.

Op 1 januari 2014 is de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap in werking getreden. In de memorie van toelichting (Tweede Kamer vergaderjaar 2011-2012, 33 054, nr. 3, blz. 6/7) staat onder andere het volgende:

“3. Voornaamste wijzigingen

a. Wijziging van de gronden voor curatele en beschermingsbewind en publicatieplicht

Het uitgangspunt dat een maatregel passend is en niet verder ingrijpt dan noodzakelijk heeft in de eerste plaats geleid tot wijziging van de gronden van curatele en beschermingsbewind. Zo verdwijnt «verkwisting» als curatelegrond en verschijnt zij als grond voor beschermingsbewind. Daarmee wordt het ingrijpen beperkt tot de sfeer waar het probleem zich ook voordoet, namelijk die van het vermogen. Tevens wordt uitdrukkelijk bepaald dat ondercuratelestelling slechts kan plaatsvinden indien een voldoende behartiging van de belangen van betrokkene niet met een meer passende, minder ver strekkende voorziening kan worden bewerkstelligd. Voorts worden, mede naar aanleiding de consultatie, de gronden voor curatele gestroomlijnd met die van bewind en mentorschap en geactualiseerd (zie onderdeel A).

Naast «verkwisting» als grond voor beschermingsbewind wordt voorgesteld daaraan toe te voegen «het hebben van problematische schulden». Bij de introductie van het beschermingsbewind in 1982 had men dergelijke situaties niet in het vizier. Inmiddels vormen «schuldenbewinden» een substantieel deel van het totale aantal bewinden en relatief ook het snelst stijgende deel ervan. Mensen met problematische schulden komen in eerste instantie terecht bij de gemeente voor minnelijke of buitengerechtelijke schuldhulpverlening. Indien er geen reële mogelijkheden zijn voor een minnelijke of buitengerechtelijke schuldregeling, kan men in aanmerking komen voor schuldsanering op basis van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Voordat aan de rechter kan worden verzocht om de toepassing van de Wsnp uit te spreken, is een met redenen omklede verklaring van het college van burgemeester en wethouders vereist dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een minnelijke of buitengerechtelijke schuldregeling (artikel 285 lid 1 sub f Fw). Beschermingsbewind heeft in drie gevallen toegevoegde waarde ten opzichte van schuldhulpverlening en schuldsanering. In de eerste plaats kan beschermingsbewind als «vangnet» fungeren voor mensen die niet kunnen worden toegelaten tot de Wsnp. Soms is toelating tot de Wsnp niet mogelijk, omdat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest of omdat de schuldenaar reeds eerder gebruik heeft gemaakt van de schuldsaneringsregeling. In dit soort gevallen kan het beschermingsbewind een wenselijk en noodzakelijk alternatief zijn om de omvang van de problematische schulden te beperken en zo mogelijk te verminderen. In de tweede plaats kan beschermingsbewind voorafgaande aan en tijdens de Wsnp van nut zijn. Omdat een schuldsanering een min of meer technisch-juridische ingreep is in het leven van de betrokkene, verdient het vaak aanbeveling dat de situatie van de betrokkene zich eerst stabiliseert, voordat een (in beginsel eenmalig) beroep op de Wsnp wordt gedaan. Het per 1 januari 2008 ingevoerde artikel 288 lid 3 Faillissementswet gaat hier ook van uit. Een dergelijke stabilisering kan intreden op basis van een beschermingsbewind. De kans op een succesvol verloop van de schuldsaneringsprocedure wordt dan navenant groter. In de derde plaats kan beschermingsbewind nuttig zijn indien personen niet in aanmerking komen voor schuldhulpverlening. Het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening (Kamerstukken I, 2010–2011, 32 291, A) biedt gemeenten de mogelijkheid om op basis van vastgesteld beleid een persoon niet in aanmerking te laten komen voor gemeentelijke schuldhulpverlening vanwege fraude of recidive. Ook in dergelijke gevallen kan beschermingsbewind als «vangnet» fungeren. Het verschil tussen beschermingsbewind enerzijds en schuldhulpverlening en schuldsanering anderzijds is dat beschermingsbewind niet is gericht op het aflossen van de schulden, maar op het stabiliseren van de situatie en in voorkomende gevallen, het zorgen voor de basisvoorzieningen (betalen van huur, gas, water, licht en leefgeld). Dit is ook van belang voor de mensen die niet in aanmerking komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering. Met de onderbewindstelling in geval van problematische schulden wordt deze feitelijke situatie wettelijk bevestigd en nader ingekaderd, opdat voor alle betrokkenen duidelijk is wat er van eenieder mag worden verwacht (zie voor de taak van de bewindvoerder onder 3.k en bij de artikelsgewijze toelichting onderdeel M).”

4.10.

In de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, nr. 577811 houdende de invoering van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren), Staatscourant 2014, 32 149, blz. 12 en 13 staat onder meer het volgende:

“TOELICHTING

(…)

2. Artikelsgewijs

(…)

Artikel 3

(…)

Lid 2, onderdeel a

Onder de wettelijke taak van een bewindvoerder wordt onder meer begrepen: het beheren van het vermogen, het regelen van de financiële huishouding, regelmatig contact met rechthebbende, contact met mentor, contact met instanties (gemeente, belastingdienst, UWV, CJIB), het bijwonen van zittingen van de kantonrechter, verstrekken van een maandelijks mutatieoverzicht, belastingaangifte over afgelopen kalenderjaar, het treffen van enkele afbetalingsregelingen, het opmaken en afleggen van rekening en verantwoording.

Taak van de bewindvoerder is tevens om de zelfredzaamheid van de rechthebbende te bevorderen, voor zover mogelijk; dit is één van de uitgangspunten van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. De bewindvoerder stelt daartoe een plan van aanpak op, waarin de wederzijdse afspraken worden neergelegd. Daarin kan bijvoorbeeld staan welke uitgaven de rechthebbende zelf mag doen, of wanneer weekgeld in plaats van maandgeld wordt uitgekeerd.

Aanvankelijk is gepoogd om naast de categorie standaardwerkzaamheden van een bewindvoerder een categorie werkzaamheden te onderscheiden waarin geen sprake is van problematische schulden als bedoeld in onderdeel b, maar waarin wel de financiële zelfredzaamheid van de rechthebbende kan worden bevorderd. De conceptregeling bevatte daartoe naast de categorie ‘standaardbewind’ onder meer de categorie ‘bevorderen van financiële zelfredzaamheid’. De jaarbeloning voor een standaardbewind was gebaseerd op 14 uren. De LOVCK-aanbevelingen meerderjarigenbewind (versie 21 januari 2014) gaan uit van 16 uren per jaar voor zogenoemde standaardwerkzaamheden. Dit aantal is gebaseerd op de solidariteit van de ‘onderlinge’: eenvoudige zaken betalen mee aan complexe zaken. De onderhavige regeling gaat meer uit van de vergoeding van de feitelijke werkzaamheden van de vertegenwoordiger. Daarom werd de jaarbeloning voor een ‘standaardbewind’ in de conceptregeling gebaseerd op 14 uren.

Gebleken is dat geen sluitende omschrijving van ‘het bevorderen van financiële zelfredzaamheid’ kan worden gegeven. Uit de reacties in de consultatiefase kwam naar voren dat deze categorie veel onduidelijkheid oplevert en in de praktijk dan ook mogelijk afbreuk zou doen aan wat met deze regeling wordt beoogd, te weten om de zaken waarin bewindvoerders verzoeken om een beloning voor hun werkzaamheden zo eenvoudig mogelijk te houden. Daarnaast bleek uit deze reacties dat van veel gevallen gezegd zou kunnen worden dat financiële zelfredzaamheid kan worden bevorderd. Gevallen waarin geen enkele potentie is om zelfredzaamheid te bevorderen en geen sprake is van problematische schulden zouden zeldzaam zijn. Daarom is geen categorie werkzaamheden ten behoeve van het bevorderen van financiële zelfredzaamheid in de regeling opgenomen en worden de uren die aanvankelijk voor de in dit kader verrichte werkzaamheden zouden worden toegekend (3 uren), meegerekend in de jaarbeloning voor standaardwerkzaamheden, die daarmee wordt gebaseerd op 17 uren.

De jaarbeloning bedraagt in dit geval (17 uren * € 65 =) € 1.105.

Lid 2, onderdeel b

Een bewindvoerder kan om een hogere jaarbeloning dan voor een standaardbewind verzoeken indien de rechthebbende ‘problematische schulden’ heeft.

Van problematische schulden is sprake indien redelijkerwijs is te voorzien dat een rechthebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of hij heeft opgehouden te betalen. De rechthebbende is niet in staat om bestaande schulden te betalen en voortzetting van zijn gedrag leidt mogelijk tot nieuwe schulden. De hoogte van de schuldenlast zegt in dit kader op zichzelf niet zoveel, maar moet worden afgezet tegen de inkomsten, het vermogen, de huishoudsituatie en de leeftijd, gezondheid en opleiding en verdiencapaciteit van de schuldenaar. Door de Hoge Raad is uitgemaakt dat, in weerwil van de meervoudsvorm ‘schulden’ in het eerste lid van artikel 284 van de Faillissementswet, ook een enkele schuld reeds tot de situatie kan leiden dat een schuld te problematisch is geworden om nog te kunnen aflossen. Het probleemgehalte van een schuldenlast vraagt een weging die sterk afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval. Een hoge schuldenlast kan goed draaglijk zijn voor een verdienend stel zonder kinderen, terwijl een relatief kleine schuldenlast algauw problematisch kan zijn voor een alleenstaande ouder met kinderen. Voor beide gevallen geldt echter dat schulden die nog wel kunnen worden afgelost, ook moeten worden afgelost.

In geval van problematische schulden gaat het in het bijzonder om werkzaamheden ten behoeve van het ongedaan maken van een of meer beslagen waarbij de beslagvrije voet niet wordt geëerbiedigd, het stabiliseren van problematische schuldsituaties, het toeleiden tot een minnelijke schuldhulpverlening of WSNP en schuldbemiddeling in het kader van artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: ‘Wck’). In geval van schuldbemiddeling heeft de bewindvoerder geen aanspraak op een vergoeding conform artikel 48, tweede lid, Wck, nu hij voor die werkzaamheden reeds wordt beloond als bewindvoerder.

Voor de toeleiding naar de schuldhulpverlening stelt de bewindvoerder een schuldenoverzicht op en begeleidt hij de rechthebbende op het intakegesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlener. Voor de toeleiding naar de WSNP verschaft de bewindvoerder informatie aan de WSNP-bewindvoerder en woont hij de toelatingszitting bij. In de aanloop naar de schuldhulpverlening dan wel schuldsanering en ingeval de rechthebbende niet in aanmerking komt voor schuldhulpverlening en/of schuldsanering, is het de taak van de bewindvoerder om de situatie te stabiliseren. Dat betekent dat de bewindvoerder de vaste lasten betaalt (huur, water, energie), de beslagvrije voet bewaakt en de contacten met schuldeisers onderhoudt.

Het gaat erom dat de bewindvoerder vanwege de problematische schulden extra werkzaamheden verricht. Hoewel de meeste werkzaamheden zich in het eerste jaar zullen voordoen, wordt deze jaarbeloning aangehouden totdat er geen problematische schulden meer zijn, bijvoorbeeld indien de rechthebbende met een schone lei uit de WSNP komt.”

4.11.Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbenden diensten van budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering verlenen, al dan niet met gebruikmaking van diverse civiele instrumenten.

4.12.Het Hof is van oordeel dat de term “schuldhulpverlening” strikt moet worden uitgelegd. Het gaat dus om werkzaamheden die zijn gericht op het oplossen van een problematische schuldsituatie. Werkzaamheden die worden verricht om te voorkomen dat een voormalig schuldenaar wederom in een problematische schuldsituatie terechtkomt, kunnen delen in de vrijstelling. De werkzaamheden worden in de nota van toelichting niet nader geduid, maar wel het doel: oplossen van een problematische schuldsituatie. De beperking zit dus niet zozeer in de aard van de werkzaamheden, maar in het doel daarvan. Belanghebbenden hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij dergelijke werkzaamheden verrichten. Belanghebbenden beheren langdurig de financiën van hun cliënten en verrichten in dit kader allerlei vooral administratieve en geautomatiseerde werkzaamheden (zie 2.3. en 2.4. van deze uitspraak). Daarnaast doen belanghebbenden aan budgetbegeleiding en advisering.

4.13.Belanghebbenden hebben ter zitting van het Hof verklaard dat zij maatwerk leveren en een plan van aanpak opstellen voor iedere cliënt. Het doel is om de inkomsten en uitgaven te stabiliseren. Zodra dit is gelukt bestaan diverse opties, zoals doorgeleiding naar de gemeentelijke kredietbank, het doen van een aanvraag voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen, een minnelijke schuldenregeling of het zoeken van oplossingen met schuldeisers. Belanghebbenden verrichten de daarmee verbonden werkzaamheden niet zelf of verrichten zelf slechts een deel daarvan. Belanghebbenden verrichten vooral werkzaamheden die stabilisatie en preventie tot doel hebben. De werkzaamheden die belanghebbenden in de onderhavige periode hebben verricht zijn niet te kwalificeren als schuldhulpverlening in strikte zin. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbenden meer hebben gedaan dan administratieve werkzaamheden die inherent zijn aan het beheren van het budget van de desbetreffende cliënt. In dit opzicht concurreren belanghebbenden met andere administratiekantoren. De werkzaamheden die erop zijn gericht om cliënten uit een onoplosbare schuldsituatie te halen en te voorkomen dat ze terugvallen, worden door derden uitgevoerd, zoals de gemeenten en de kredietbanken. Dit eigenlijke schuldhulptraject vindt plaats onder regie van de verantwoordelijke gemeente. Gelet op alle mogelijke situaties waarin de cliënten verkeren, komen zij ook niet allemaal in een dergelijk traject terecht. Niet kan worden gezegd dat belanghebbenden nauw met schuldhulpverlening samenhangende diensten hebben verleend, omdat niet iedere cliënt deze hulp uiteindelijk nodig heeft. De diensten van belanghebbenden zijn zelfstandige diensten die voor de cliënten een eigen betekenis hebben en niet slechts dienen om de hoofddienst (schuldhulpverlening) aantrekkelijker te maken. Evenmin vormen de diensten van belanghebbenden een concreet en specifiek aspect van schuldhulpverlening. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat een aanzienlijk deel van de cliënten schulden heeft. Het Hof acht de schuldpositie (geen, draagbaar of problematisch) van een cliënt niet van belang gelet op de omschrijving van de diensten van belanghebbende en de strikte invulling die het Hof geeft aan het begrip schuldhulpverlening.

4.14.Belanghebbenden leiden à contrario uit de uitsluiting van de bewindvoering op de voet van de Wet schuldsanering natuurlijke personen af dat beschermingsbewindvoering wel onder de vrijstelling valt. Het Hof verwerpt dit standpunt onder verwijzing naar de geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. De toevoeging van problematische schulden als grond voor het instellen van beschermingsbewind is pas met ingang van 1 januari 2014 geregeld, dus ver na de invoering van de vrijstelling voor schuldhulpverlening. De chronologie is op zich al een aanwijzing dat de conclusie van belanghebbende niet juist is, maar het Hof ziet ook inhoudelijke aanwijzingen die het standpunt van belanghebbende ontkrachten. Uit genoemde passage kan worden afgeleid dat schuldhulpverlening en beschermingsbewind complementair kunnen zijn en dat schuldhulpverlening in bepaalde gevallen niet mogelijk is, zodat beschermingsbewind als vangnet kan worden ingezet. Ook wordt uiteengezet dat schuldhulpverlening en beschermingsbewind niet hetzelfde doel hebben. De conclusie is dat beschermingsbewind en schuldhulpverlening niet hetzelfde zijn. De wetswijziging kan dus geen licht werpen op de inhoud van post 33 van Bijlage B.

4.15.Belanghebbenden hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij een instelling van maatschappelijk werk zijn. Het Hof wijst het beroep op post 29 van Bijlage B af.

4.16.Belanghebbenden doen tot slot een rechtstreeks beroep op artikel 132, eerste lid, sub g, Btw-richtlijn. Dit beroep faalt. Het is aan de lidstaten de diensten te omschrijven die onder deze vrijstelling vallen, regels te stellen voor de erkenning van de instellingen die deze mogen vrijstellen en tot slot passende voorwaarden te stellen. De lidstaten dienen hierbij de beginselen van het Unierecht, zoals het neutraliteitsbeginsel, te respecteren. Nederland heeft zich, voor zover het Hof kan beoordelen, van de aan hem opgedragen taak gekweten op een richtlijnconforme wijze die binnen het Unierecht past. Belanghebbenden hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Zoals eerder geoordeeld, heeft de Nederlandse regelgever de diensten van belanghebbenden niet vrijgesteld. Een beroep op de Btw-richtlijn kan belanghebbenden binnen het strakke kader dat het HvJ heeft geschapen, dan niet baten (zie punt 55 van het onder 4.3. aangehaalde arrest).

4.17.Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbenden hebben hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre gegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5Proceskosten

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 1.149 voor ieder van de twee belanghebbenden. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

6Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de boeten, de immateriëleschadevergoedingen, de proceskosten en het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– bevestigt de uitspraken van de Inspecteur over de naheffingsaanslagen, de voldoeningen op aangifte en de beschikkingen inzake de belastingrente.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 14 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 juli 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB – 16 _ 3728
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5437, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De feitelijke werkzaamheden die eiseressen voor hun cliënten verrichten bestaan onder meer uit het voeren van financiële administraties, het openen en beheren van bankrekeningen, het aangaan van passende risicoverzekeringen, het aanvragen van bijzondere bijstand en/of toeslagen

en het indienen van aangiften inkomstenbelasting. Eiseressen treden voor het overgrote deel van hun cliënten op als bewindvoerder. De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden die eiseressen verrichten, vallen onder de vrijstelling uit artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post

b.33 van Bijlage B bij dit Uitvoeringsbesluit. Onder het begrip ‘schuldhulpverlening’ valt namelijk niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, maar ook schuldpreventie. De rechtbank wijst het verzoek van eiseressen om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten wijst de rechtbank af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-02-2019
V-N Vandaag 2019/436
FutD 2019-0590
V-N 2019/22.2.3
NTFR 2019/560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 februari 2019 in de zaak tussen

1. [eiseres 1],

2. [Eiseres 2] ,

beide te [plaats] , hierna respectievelijk eiseres 1, eiseres 2 en samen eiseressen,

(gemachtigde: P.I.M. Cramer RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder.

(gemachtigde: [naam] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

in de zaak met nummer LEE 16/4204

Verweerder heeft aan eiseres 1 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd over het vierde kwartaal van 2012 tot een bedrag van € 14.972. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 september 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 1.476 aan belastingrente in rekening gebracht.

Eiseres 1 heeft bezwaar gemaakt voormelde naheffingsaanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 ongegrond verklaard.

in de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4205 tot en met LEE 16/4216

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het jaar 2013 tot een bedrag van € 93.153. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 maart 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 4.517 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 4.657.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het jaar 2014 tot een bedrag van € 131.464. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 februari 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 3.943.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het eerste kwartaal van 2015 tot een bedrag van € 52.983. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 28 mei 2015.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.589.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het tweede kwartaal van 2015 ten bedrage van € 47.517. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 27 augustus 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.425.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over het derde kwartaal van 2015 tot een bedrag van € 48.787. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 november 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.463.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over de maand oktober 2015 tot een bedrag van € 15.956. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 28 december 2015. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 478.

Verweerder heeft aan eiseres 2 een naheffingsaanslag OB opgelegd over de maand november 2015 tot een bedrag van € 17.204. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 25 januari 2016. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 516.

Eiseres 2 heeft op 24 januari 2016 een bedrag van € 25.975 aan OB op aangifte voldaan over de maand december 2015.

Eiseres 2 heeft op 26 februari 2016 een bedrag van € 17.400 aan OB op aangifte voldaan over de maand januari 2016.

Eiseres 2 heeft op 30 maart 2016 een bedrag van € 17.088 aan OB op aangifte voldaan over de maand februari 2016.

Eiseres 2 heeft op 28 april 2016 een bedrag van € 17.836 aan OB op aangifte voldaan over de maand maart 2016.

Eiseres 2 heeft op 30 mei 2016 een bedrag van € 15.890 aan OB op aangifte voldaan over de maand april 2016.

Eiseres 2 heeft op 27 juni 2016 een bedrag van € 16.942 aan OB op aangifte voldaan over de maand mei 2016.

Eiseres 2 heeft bezwaar gemaakt tegen elk van voormelde naheffingsaanslagen en voldoeningen op aangifte.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 maart 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 tegen de betaling op aangifte van OB over de maand december 2015 gegrond verklaard. Verweerder heeft eiseres een teruggaaf van € 4.222 verleend.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 tegen de betaling op aangifte van OB over de maand april 2016 ongegrond verklaard.

Bij uitspraken op bezwaar, gedaan in één geschrift, van 6 oktober 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiseres 2 tegen de naheffingsaanslagen en de bijbehorende rente- en boetebeschikkingen, evenals de bezwaren tegen de betalingen op aangifte van OB over de maanden januari 2016, februari 2016, maart 2016 en mei 2016, ongegrond verklaard.

in de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen voormelde uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens eiseressen is hun gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam] , [naam] en [naam] . Namens verweerder is diens gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1[Exploitant] dreef tot 15 november 2012 een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Vervolgens heeft hij [eenmanszaak] ingebracht in de besloten vennootschap [dochtervennootschap] . [Exploitant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [holding] . die op haar beurt bestuurder en enig aanhouder is van [dochtervennootschap] Met ingang van 1 januari 2013 vormen beide besloten vennootschappen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

1.2.In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat als omschrijving van de activiteiten van achtereenvolgens [holding] en [dochtervennootschap] . het volgende vermeld:

“Beleggingsinstellingen met beperkte toetreding. Het verzekeren en uitvoering geven aan pensioenen en het sluiten en uitvoering geven aan overeenkomsten van levensverzekeringen, stamrecht overeenkomsten, lijfrente en soortgelijke overeenkomsten.”

en

“Het beheren van vermogens ten behoeve van natuurlijke personen en rechtspersonen.”

1.3

De feitelijke werkzaamheden die eiseressen voor hun cliënten verrichten bestaan

onder meer uit het voeren van financiële administraties, het openen en beheren van

bankrekeningen, het aangaan van passende risicoverzekeringen, het aanvragen van

bijzondere bijstand en/of toeslagen en het indienen van aangiften inkomstenbelasting.

1.4Eiseressen treden voor het overgrote deel van hun cliënten op als bewindvoerder.

1.5Op 18 maart 2016 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij eiseressen. Verweerder heeft daarvan een rapport opgemaakt, gedateerd 18 april 2016. Verweerder heeft de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften omzetbelasting die eiseressen hebben gedaan van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Het rapport besluit als volgt:

“Naar aanleiding van het onderzoek, zullen de ingediende bezwaren worden afgewezen. Belastingplichtige en de adviseur zijn van mening dat al de activiteiten die bestaan uit inkomensbeheer en inkomensbegeleiding zijn vrijgesteld voor de omzetbelasting op grond van de totstandkoming van post b-33. De Belastingdienst is van mening dat alle prestaties belast zijn.”

Geschil en beoordeling

2.1In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht heeft opgelegd aan eiseressen en of verweerder de bezwaren van eiseressen tegen de voldoeningen op aangifte terecht ongegrond heeft verklaard. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen of de diensten van eiseressen zijn vrijgesteld op grond van:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB, in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; of

b. artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB, in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post b.29 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; of

c. rechtstreekse werking van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn).

2.2Tijdens de zitting op 29 januari 2019 heeft verweerder verklaard dat de beschikkingen waarbij hij verzuimboetes aan eiseressen heeft opgelegd, kunnen worden vernietigd. In overeenstemming daarmee zal de rechtbank de onder procesverloop vermelde boetebeschikkingen vernietigen.

2.3Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het er over eens zijn dat:

– de naheffingsaanslagen en aangiften correct zijn als geen van de diensten van eiseressen is vrijgesteld; en

– de naheffingsaanslagen vervallen en de op aangifte betaalde bedragen terugbetaald dienen te worden als de diensten van eiseressen volledig zijn vrijgesteld.

2.4Voor de leesbaarheid zal de rechtbank in deze uitspraak de onder 2.1 genoemde vrijstellingen steeds aanduiden als ’11-1-f’. Het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting zal de rechtbank aanduiden als ‘Uitvoeringsbesluit’ en de posten van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit (in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit) steeds als ‘post b.’ gevolgd door het betreffende nummer.

Verzoek tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

3. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad. Volgens eiseressen zijn zowel zijzelf als hun branchegenoten gebaat bij snelle duidelijkheid (tot in hoogste instantie). Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er nog te veel (feitelijke) onduidelijkheden zijn om over te gaan tot het voorleggen van prejudiciële vragen.

4.1.De rechtbank overweegt dat in (het met ingang van 1 januari 2016 in werking getreden) artikel 27ga, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het volgende is bepaald:

“De rechtbank kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen.”

In de Memorie van Toelichting betreffende deze prejudiciële procedure (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015/16, 34 305, nr. 3, p. 6) staat onder meer het volgende:

“Tegelijkertijd is het in het maatschappelijke belang dat opgeworpen (rechts)vragen zo snel mogelijk beantwoord worden en dat dit voor de betrokken partijen – belastingplichtigen, de Belastingdienst en de rechterlijke macht – op een zo efficiënt en effectief mogelijke wijze geschiedt, zeker als er (potentieel) een groot aantal vergelijkbare geschillen speelt. Om dit te waarborgen, stelt het kabinet voor een aantal verbeteringen aan te brengen in de massaalbezwaarprocedure en om ook in belastingzaken een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad in te voeren.”.

4.2.De rechtbank overweegt verder dat zij op 11 oktober 2018 heeft beslist in een vergelijkbare zaak waarbij de gemachtigde van eiseressen eveneens was betrokken (zie ECLI:NL:RBNNE:2018:4384). Over de onder 2.1.a en 2.1.c. genoemde (rechts)vragen heeft de rechtbank ook in die procedure geoordeeld. Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In zoverre ligt het niet voor de hand dat de rechtbank nu (alsnog) prejudiciële vragen voorlegt aan de Hoge Raad. Daar komt bij dat partijen ter zitting hebben verklaard dat op dit moment een aantal vergelijkbare zaken speelt. Van een (potentieel) groot aantal vergelijkbare geschillen als bedoeld in de onder 4.1 geciteerde Memorie van Toelichting lijkt geen sprake. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nu alsnog in de onderhavige procedure prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen.

Artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33

5. Eiseressen stellen primair dat de diensten die zij verrichten, vallen onder de

vrijstelling van artikel 11-1-f van de Wet OB, en post b.33. Eiseressen stellen verder dat

schuldhulpverlening een verzamelnaam is voor verschillende werkzaamheden, waarbij aan

hulpbehoeftige personen hulp wordt verleend bij het beheren en saneren van schulden,

maar ook het voorkomen van het ontstaan van (nieuwe) schulden, waarbij de bedoelde

schulden niet noodzakelijk een problematisch karakter hoeven te hebben.

6. Verweerder heeft het primaire standpunt van eiseressen betwist. Hij heeft aangevoerd

dat schuldhulpverlening in het kader van deze vrijstellingsbepaling alleen aan de orde kan

zijn als er sprake is van problematische schuldsituaties. Dat is volgens verweerder het geval

als redelijkerwijs is te voorzien dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het

betalen van zijn schulden, of is opgehouden deze te betalen. Schuldhulpverlening in de zin

van de vrijstellingsbepaling is daarnaast altijd gericht op het oplossen van schuldenproblematiek,

aldus verweerder. Hij heeft in dat verband verwezen naar de definitie van het begrip

schuldhulpverlening uit artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, welke wet op 1

juli 2012 inwerking is getreden (hierna: Wgs). Deze definitie luidt als volgt: “het ondersteunen bij

het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs

is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn

schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de

nazorg.”.

7.1

De rechtbank overweegt het volgende. Kern van het geschil op dit punt is de

verschillende uitleg die partijen geven aan het begrip ‘schuldhulpverlening’ uit post b.33.

Volgens de tekst van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 zijn van omzetbelasting

vrijgesteld de diensten verricht door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van

schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke

schuldsaneringsregeling, voor zover de diensten niet al kunnen worden gebracht onder

artikel 11-1-j van de Wet OB.

7.2Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen geen bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling verrichten. De rechtbank onderschrijft deze constatering. Uit de Algemene aantekening onder Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit volgt verder dat het voor de diensten als bedoeld in post b.33 niet uitmaakt of er winst wordt beoogd.

7.3.

De rechtbank overweegt verder dat, zoals ook verweerder heeft opgemerkt, het

begrip schuldhulpverlening als bedoeld in post b.33 niet is gedefinieerd in fiscale wet- of regelgeving. Het is derhalve zaak dat de rechtbank vaststelt wat de fiscale wet- en regelgever met dit begrip bedoeld heeft. De Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herziening van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen (Stb. 2005, 687) (hierna: de Nota van Toelichting) bevat de nodige aanknopingspunten.

7.4Allereerst staat in de Nota van Toelichting:

“De nieuwe post b.33 ziet op instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Het gaat hierbij met name om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken die als zodanig zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK).”.

Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze passage – gelet op het gebruik van de term ‘met name’- andere vormen van schuldhulpverlening dan door de (gemeentelijke) kredietbanken worden verleend niet uit en evenmin sluit deze passage uit dat die hulpverlening door andere instellingen dan kredietbanken wordt verricht.

Dit blijkt ook uit de Nota van Toelichting zelf, die vervolgt met de volgende passage:

“Onder schuldhulpverlening vallen in de praktijk verschillende werkzaamheden, zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject (waarbij een schuldenaar veelal door tussenkomst van een schuldregelaar op minnelijke wijze met zijn schuldeisers overeenstemming tracht te bereiken over het aflossen van zijn schulden) en de afgifte van een zogeheten WSNP-verklaring (Wet schuldsanering natuurlijke personen).”.

Tot slot staat in de Nota van Toelichting vermeld:

“Instellingen die op dit gebied werkzaam zijn, houden zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat, en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties.”.

Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 oktober 2018 al eerder heeft geoordeeld (zie 4.2), laat het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat niet alleen hulp bij problematische schulden, maar ook schuldpreventie onder schuldhulpverlening valt in de door de fiscale regelgever bedoelde zin. Immers, het voorkomen van het (opnieuw) ontstaan van problematische schulden is nadrukkelijk als een onderdeel van schuldhulpverlening aangemerkt. Bovendien heeft de wet- en regelgever daarvoor niet als voorwaarde gesteld dat er eerst (of ooit) daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van problematische schulden, nog daargelaten dat niet is aangegeven wat daaronder in het kader van de vrijstellingsbepaling zou moeten worden verstaan. Anders dan verweerder is de rechtbank dus van oordeel dat niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, in de door verweerder gedefinieerde zin, onder schuldhulpverlening valt, maar ook hulp bij het voorkomen van het ontstaan van (problematische) schulden.

7.5

De rechtbank heeft verder in ogenschouw genomen dat de conclusie dat

schuldhulpverlening ook preventieve schuldhulp omvat, aansluit bij de ratio van post

b.33; het gaat daarbij immers om de uitwerking van de vrijstelling van artikel 11-1-f, die

spreekt over prestaties van sociale of culturele aard. Daarbij is de uitleg die het Hof van

Justitie van de Europese Unie pleegt te geven aan het belang van de achterliggende

bepaling uit de Btw-richtlijn (artikel 132, eerste lid, onderdeel g), naar het oordeel van de

rechtbank eveneens relevant. Het gaat erom bepaalde diensten van algemeen belang

goedkoper te maken voor de personen die daar gebruik van (moeten) maken. Het bredere

maatschappelijke belang (het sociale karakter van de diensten) staat daarbij voorop. De

rechtbank twijfelt er niet aan dat de diensten die eiser verricht in dit opzicht een sociaal

karakter hebben. Het is immers van breder maatschappelijk belang dat mensen die hun

eigen financiën niet kunnen beheren, daarbij hulp krijgen. Ook vanuit deze optiek valt

schuldpreventie aan die personen onder het begrip ‘schuldhulpverlening’, zoals dat op grond

van artikel 11-1-f Wet OB is aangewezen als een dienst van sociale aard.

7.6

Verweerder staat een striktere uitleg van het begrip schuldhulpverlening voor, te weten dat daarvan slechts sprake kan zijn ingeval van eenmaal ontstane problematische schulden. Van problematische schulden is volgens verweerder sprake als een schuldenaar

– kort gezegd – niet meer in staat is zijn schulden af te lossen. Gelet op wat de rechtbank hiervoor met betrekking tot de Nota van Toelichting en de ratio van post b.33 heeft overwogen en beslist (zie 7.4 en 7.5), volgt zij die uitleg niet. De verwijzing van verweerder naar de definitie van het begrip schuldhulpverlening in de Wgs (zie 6.) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet alleen is de Wgs geen fiscale wetgeving, maar de fiscale wet- en regelgeving verwijst ook niet naar de definitie uit de Wgs.

8.1

Resteert de vraag of de diensten die eiseressen verrichten kwalificeren als

schuldhulpverlening in de hiervoor bedoelde zin. Die vraag moet naar het oordeel van de

rechtbank bevestigend worden beantwoord. Zij komt als volgt tot dit oordeel.

8.2Uit de processtukken, waaronder in het bijzonder het controlerapport, gedateerd 18 april 2016 (zie 1.5), volgt dat eiseressen in de in geding zijnde jaren haar omzet heeft behaald uit de navolgende verrichte diensten:

a. inkomensbeheer.

b. bewindvoering; en

c. curatorschap.

Dat eiseressen, zoals door verweerder is aangevoerd, op hun website hebben vermeld ook de dienst van mentorschap te kunnen verlenen, is in de onderhavige procedure niet van belang, omdat daaruit geen omzet is behaald. Met betrekking tot het inkomensbeheer, de bewindvoering en het curatorschap overweegt de rechtbank als volgt.

8.3

Eiseressen hebben verklaard dat de cliënten voor wie zij de dienst inkomensbeheer verrichten, al dan niet als schuldenbewindvoerder, niet zelfstandig (meer) in staat zijn hun financiële huishouding naar behoren te voeren, maar daarbij ondersteuning nodig hebben. Deze cliënten worden veelal door hulporganisaties als GGZ, maatschappelijk werk of thuiszorg naar hen doorverwezen, aldus eiseressen. Door verweerder is de juistheid van deze verklaring niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast aannemelijk dat voor de cliënten voor wie eiseressen de dienst van beschermingsbewind-voering of curatorschap verrichten ook geldt dat zij niet bij machte zijn om hun financiële huishouding op orde (te brengen en) te houden. Beschermingsbewind is immers bedoeld voor mensen met uiteenlopende fysieke of psychische problemen (waaronder het door verweerder ter zitting genoemde voorbeeld van (beginnende) dementie, maar bijvoorbeeld ook laaggeletterdheid of verslaving). Het is een maatregel gericht op vermogensbeheer voor mensen die niet in staat zijn om de eigen financiën op een goede manier te beheren.

Voor (de verdergaande maatregel van) curatele is slechts plaats in geval van – kort gezegd – een geestelijke stoornis, verkwisting of drankmisbruik als gevolg waarvan iemand niet in staat is of wordt bemoeilijkt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is dat zonder de diensten van eiseressen bij al hun cliënten vrijwel zeker schulden zouden ontstaan, terwijl deze cliënten bovendien niet in staat zullen zijn om te voorkomen dat die schulden op enig moment problematische vormen aan zouden gaan nemen. Daarmee is aannemelijk dat alle diensten van eiseressen ten minste zijn gericht op schuldpreventie.

9. Op grond van wat de rechtbank onder 7.1 tot en met 8.3 heeft overwogen en beslist, is zij van oordeel dat de diensten die eiseressen verrichten voor hun cliënten bestaande uit inkomensbeheer, (alle vormen van) bewindvoering én curatorschap, volledig zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB. Nu de omzet volledig is behaald uit die diensten, zijn de beroepen van eiseressen reeds daarom gegrond. Gelet hierop behoeven de overige inhoudelijke standpunten van partijen geen bespreking meer.

Immateriële schadevergoeding

10. Eiseressen hebben verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11.1De rechtbank is van oordeel dat de zaken met nummers LEE 16/3728 en LEE 16/4204 tot en met LEE 16/4216 in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat bij het bepalen van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip waarop eiseressen voor het eerst een rechtsmiddel hebben aangewend. In dit geval heeft verweerder het eerste bezwaarschrift ontvangen op 10 februari 2015. Sindsdien zijn er vier jaar en elf dagen verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 25 maanden overschreden. In beginsel leidt dat tot een immateriële schadevergoeding van € 2.500 (5 maal een half jaar à € 500) voor zowel eiseres 1 als eiseres 2. In dit geval heeft de omstandigheid dat eiseressen samen, met dezelfde gemachtigde en gelijkluidende processtukken, een procedure hebben gevoerd en hun zaken gezamenlijk zijn behandeld, naar het oordeel van de rechtbank een matigende invloed op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die zij hebben ondervonden door deze te lang durende procedures. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de toe te kennen schadevergoeding te matigen, in die zin dat zij voormeld bedrag van € 2.500 aan eiseressen gezamenlijk zal toekennen, te weten aan ieder van hen de helft. Daarbij blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147).

11.2

De bezwaarfase heeft, uitgaande van de uitspraken op bezwaar van 6 oktober 2016, één jaar, één maand en elf dagen (oftewel afgerond veertien maanden) langer in beslag genomen dan de daarvoor redelijk te achten termijn van een half jaar. De overschrijding is dus voor veertien maanden toe te rekenen aan verweerder. Voor de resterende elf maanden komt de overschrijding op het conto van de rechtbank. Aldus ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 van de immateriële schade tot een bedrag van € 700 (1/2 x 14/25 x € 2.500) en de Minister tot een bedrag van € 550 (1/2 x 11/25 x € 2.500). Deze veroordelingen zal de rechtbank uitspreken in de zaken met de nummers LEE 16/4204 (eiseres 1) en LEE 16/3728 (eiseres 2).

Omdat het totale bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op de beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, alsmede de regeling van 27 oktober 2017, Stcrt. 2017, nr. 62751, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Griffierecht

12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 het betaalde griffierecht van € 334 vergoedt.

Proceskostenvergoeding

13. Eiseressen hebben verzocht om vergoeding van hun werkelijke proceskosten.

Verweerder heeft betwist dat hiervoor aanleiding bestaat.

14.1De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een vergoeding van de integrale proceskosten toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is onder meer grond indien een bestuursorgaan:

a. het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft, doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden; of

b. in vergaande mate onzorgvuldig handelt;

(zie Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

14.2

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden in de onder 14.1 bedoelde zin. Nu eiseressen zelf hebben verzocht om prejudiciële vragen te stellen, kan de rechtbank hen ook niet volgen in hun stelling dat het ‘evident’ is dat hun activiteiten zijn vrijgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van eiseressen. Wel zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de forfaitaire kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.298 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512 en een wegingsfactor 1,5 vanwege samenhang). Omdat de zaken van eiseres 1 en eiseres 2 gelijktijdig zijn behandeld, in deze zaken dezelfde problematiek speelt, dezelfde gemachtigde optreedt en een gelijkluidend beroepschrift is ingediend, wordt zowel in de zaak van eiseres 1 als in de zaken van eiseres 2 de helft van de hiervoor berekende vergoeding berekend, te weten € 1.149 (1/2 x € 2.298). Deze vergoedingen zal de rechtbank toekennen in de zaken met de zaaknummers LEE 16/4204 (eiseres 1) en LEE 16/3728 (eiseres 2).

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met nummer LEE 16/4204

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de naheffingsaanslag OB betreffende het vierde kwartaal 2012 en vernietigt de bijbehorende beschikking belastingrente;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

– veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 700;

– veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 550;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres 1 te vergoeden;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 1.149.

in de zaken met nummers LEE 3728 en LEE 16/4205 tot en met LEE 16/4216

– verklaart de beroepen gegrond;

– vernietigt de uitspraken op bezwaar;

– vernietigt de naheffingsaanslag OB betreffende het jaar 2013 en vernietigt de bijbehorende belastingrente- en boetebeschikking;

– vernietigt de naheffingsaanslagen OB betreffende het jaar 2014, het eerste kwartaal van 2015, het tweede kwartaal van 2015, het derde kwartaal van 2015, de maand oktober 2015 en de maand november 2015 en vernietigt de bijbehorende boetebeschikkingen;

– gelast verweerder om eiseres 2 de navolgende teruggaven OB te verlenen tot een bedrag van:

– € 21.753 betreffende de maand december 2015;

– € 17.400 betreffende de maand januari 2016;

– € 17.088 betreffende de maand februari 2016;

– € 17.836 betreffende de maand maart 2016;

– € 15.890 betreffende de maand april 2016;

– € 16.942 betreffende de maand mei 2016;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

– veroordeelt verweerder in de zaak met nummer LEE 16/3728 tot het betalen van een

immateriële schadevergoeding aan eiseres 2 tot een bedrag van € 700;

– veroordeelt de Minister in de zaak met nummer LEE 16/3728 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres 1 tot een bedrag van € 550;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres 2 te vergoeden;

– veroordeelt verweerder in de zaak met nummer LEE 16/728 in de proceskosten van eiseres 2 tot een bedrag van € 1.149.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en

mr. M. Nusmeier, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het

openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

Griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.