Ter inzage leggen van stukken is voldoende in bezwaarfase
Aan A zijn aanslagen in de watersysteemheffing gebouwd, de ingezetenenheffing en de zuiveringsheffing opgelegd. A stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar A, voordat hij hem uitnodigde voor een hoorzitting, alle op de zaak betrekking hebbende stukken had moeten toezenden. Nu de Heffingsambtenaar A heeft uitgenodigd voor het hoorgesprek zonder vooraf deze stappen te zetten, heeft hij, aldus A, de hoorplicht geschonden.
Gerechtshof Den Haag wijst erop dat de plicht van het bestuursorgaan om in de bewaarfase, voorafgaand aan het horen, de op zaak betrekking hebbende stukken gedurende ten minste een week voor de belanghebbende ter inzage te leggen (artikel 7:4 lid 2 Awb) afwijkt van de plicht van het bestuursorgaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen de daar genoemde termijn aan de bestuursrechter te zenden. Ter inzage leggen van stukken is (een vorm van) passieve informatieverstrekking; toezenden van stukken is (een vorm van) actieve informatieverstrekking. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar voldaan aan zijn plicht tot passieve informatieverstrekking als bedoeld in artikel 7:2 lid 4 Awb. Het Hof wijst erop dat de Heffingsambtenaar daarenboven de Tariefberekening aan A heeft toegezonden en voorts dat de Begroting/Meerjarenraming op een eigentijdse wijze voor eenieder, dus ook voor A, raadpleegbaar heeft gemaakt, namelijk door publicatie van dit stuk op zijn website, op welke publicatie de Heffingsambtenaar A in de uitnodiging voor de hoorzitting heeft gewezen. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat het niet aan A is om voorwaarden te stellen waaraan moet zijn voldaan voordat de Heffingsambtenaar hem kan uitnodigen voor een hoorgesprek. Niet alleen ontbreekt daarvoor een wettelijke grondslag maar ook zou, als het uitnodigen van A voor een hoorgesprek afhankelijk zou zijn van de vervulling van door A gestelde voorwaarden, de afhandeling van het door A gemaakte bezwaar zonder goede grond ernstig worden vertraagd.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond (art 81 RO).
Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2024
Datum publicatie
05-07-2024
Zaaknummer
22/04186
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2022:1946
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken,Cassatie
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2024/1473
NLF 2024/1647
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04186
Datum 5 juli 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 september 2022, nr. BK-21/007381, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/5167) betreffende aanslagen in de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing van het Hoogheemraadschap Delfland voor het jaar 2020.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2024.