Toegang verlenen tot openluchtzwembad deels belast deels vrijgesteld voor btw

Waterglijbaan Waterpark Aquapark Zwembad Water Dia

Toegang verlenen tot openluchtzwembad deels belast deels vrijgesteld voor btw

A exploiteert een openluchtzwembad dat wordt gebruikt voor recreatief (“vrij”) zwemmen, banenzwemmen, lessen zoals bootcamp, aquafit en dergelijke, zwemlessen, schoolzwemmen en diverse evenementen.

De vraag is of de vergoedingen die A ontvangt voor de genoemde diensten zijn vrijgesteld van btw. Niet in geschil is dat, indien de vrijstelling niet van toepassing is, het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de betreffende vergoedingen. Er is dan volgens partijen namelijk sprake van het gelegenheid geven tot zwemmen en baden als bedoeld in post b.3 van Tabel I Wet OB of het gelegenheid geven tot dagrecreatie als bedoeld in post b.14 van Tabel I. Ook is niet in geschil dat bij de door A verleende diensten als genoemd telkens sprake is van één samengestelde prestatie die voor de btw niet moet worden gesplitst. Verder moeten, zo begrijpt de rechtbank uit de door partijen ingenomen standpunten, de prestaties met betrekking tot de kiosk buiten de beoordeling worden gelaten.

Rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat een deel van de vergoedingen die A ontvangt voor het toegang verlenen tot het zwembadcomplex vrijgesteld is, en een deel belast. A heeft daarom recht op gedeeltelijke aftrek van voorbelasting.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-10-2022
Datum publicatie
10-02-2023
Zaaknummer
AWB – 20 _ 5456
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. Eiseres exploiteert een openluchtzwembad dat wordt gebruikt voor recreatief (“vrij”) zwemmen, banenzwemmen, lessen zoals bootcamp, aquafit en dergelijke, zwemlessen, schoolzwemmen en diverse evenementen. De rechtbank is van oordeel dat een deel van de vergoedingen die eiseres ontvangt voor het toegang verlenen tot het zwembadcomplex vrijgesteld is, en een deel belast. Eiseres heeft daarom recht op gedeeltelijke aftrek van voorbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-2-2023
NLF 2023/0435
FutD 2023-0463
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/5456

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 oktober 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor [plaats 3], verweerder.

Procesverloop
Eiseres heeft voor het vierde kwartaal van 2019 aangifte omzetbelasting gedaan naar nihil. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om teruggaaf van omzetbelasting.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 18 september 2020 niet aan het bezwaar tegemoetgekomen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022 te Haarlem. Op de zitting zijn ook behandeld de zaken met zaaknummers HAA 21/932, HAA 21/937, HAA 21/938 en HAA 21/1428. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] en mr. [naam 5] . Het onderzoek is ter zitting geschorst om partijen gelegenheid te geven zich te beraden over een subsidiair standpunt.

Partijen hebben naar aanleiding daarvan gereageerd in een brief van 16 juni 2022 (verweerder) en van 17 juni 2022 (eiseres).

De rechtbank heeft het onderzoek op 6 oktober 2022 gesloten.

Overwegingen
Feiten

1. Eiseres is opgericht op 6 februari 2013. Zij exploiteert de faciliteiten van openluchtzwembad, “ [zwembad] ”, in [plaats 1] (gemeente [plaats 2] ). In het handelsregister staat voor zover relevant vermeld bij activiteiten “Zwembaden”. Volgens de statuten heeft zij ten doel de exploitatie van een zwembad, het verrichten van alle verdere handelingen die daarmee in ruimste zin verband houden of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn en het bevorderen van watergerelateerde lichaamsbeweging en hobby in de gemeente [plaats 2] en het verrichten van al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Eiseres dient het algemeen belang en beoogt geen winst. Het openluchtzwembad wordt voornamelijk gerund door vrijwilligers.

2. Eiseres biedt toegang tot het complex waartoe het openluchtzwembad behoort aan. De totale oppervlakte van het complex is 7.900 m2. Het zwembad heeft drie bassins, waarvan twee grote baden en één peuterbad (‘pierenbad’). In één van de grote baden zijn banen aangegeven door verschillende kleuren in de betegeling. Dit bad (het wedstrijdbad) heeft een lengte van 25 meter en is (nagenoeg) rechthoekig en relatief diep. Het andere grote bad is minder diep en kent een meer speelse vorm. De baden zijn verwarmd, behalve het peuterbad. Er is ook een zonneweide. In en rond het water en op de zonneweide staan meerdere speelattributen, zoals een glijbaan en een klimtoestel. Verder zijn er een kleed- en douchegelegenheid en een kiosk met terras waar koffie, thee en diverse snacks verkocht worden. De opening van het complex is seizoensgebonden, elk jaar ongeveer vanaf april tot en met september. Het is in die periode bijna elke dag geopend. De omzet van eiseres bestaat uit opbrengsten van de kiosk, sponsoring, toegangsgelden en subsidies. Het complex wordt jaarlijks bezocht door circa 20.000 bezoekers.

3. Het openluchtzwembad wordt gebruikt voor de volgende activiteiten:

– Recreatief (“vrij”) zwemmen. Toegang wordt verleend op basis van diverse abonnementen, te weten een gezinsabonnement of een persoonlijk abonnement. Een abonnementhouder heeft tijdens het seizoen bijna dagelijks gratis toegang tot het openluchtzwembad, als ook in vier in de buurt gelegen openluchtzwembaden met vergelijkbare faciliteiten. Daarnaast wordt toegang verleend op basis van dagkaarten (toegang gedurende één dag) en 10-banenkaarten (geldig als 10 dagkaarten).

– Banenzwemmen. Toegang wordt verkregen op dezelfde wijze als voor recreatief zwemmen: met een abonnement, een dagkaart of een 10-banenkaart. Tijdens de coronatijd werden ook kaarten specifiek voor banenzwemmen verkocht.

– Lessen zoals bootcamp, aquafit en dergelijke. Niet elke les wordt elk jaar georganiseerd. Veelal vinden de lessen één keer of enkele keren per week plaats. Voor toegang tot deze lessen is een abonnement, dagkaart of 10-banenkaart vereist. Soms wordt daarnaast een aparte vergoeding in rekening gebracht.

– Zwemlessen. Dit wordt niet elk jaar aangeboden. De zwemlessen betreffen zwemlessen voor het behalen van diploma’s A, B en C. In sommige jaren worden ook zwemlessen in snorkelen, zwemvaardigheid, survivalzwemmen, plankspringen of een dergelijke activiteit aangeboden. Voor het volgen van de zwemlessen voor diploma’s A, B en C is een abonnement vereist en een aparte vergoeding verschuldigd. Voor de overige zwemlessen wordt soms een aparte vergoeding in rekening gebracht naast het abonnement, dagkaart of 10-banenkaart. Tijdens de zwemlessen is het zwembad geheel of gedeeltelijk gesloten.

– Schoolzwemmen. Dit gebeurt niet in alle jaren. Tijdens het schoolzwemmen is het zwembad geheel of gedeeltelijk gesloten.

– Diverse evenementen. Het betreft evenementen zoals een kampeernacht, disco-zwemavonden, zeemeerminzwemmen, zwemmen met je hond en de Zwemvierdaagse of een dergelijk evenement. Eiseres biedt één of meerdere keren per jaar een evenement aan. Niet elk soort evenement wordt elk jaar georganiseerd. Voor toegang tot deze evenementen is een abonnement, dagkaart of 10-banenkaart vereist. Soms wordt daarnaast een aparte vergoeding in rekening gebracht.

Geschil
4. In geschil is of de vergoedingen die eiseres ontvangt voor de in 3 genoemde diensten zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, letter e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Niet in geschil is dat, indien de vrijstelling niet van toepassing is, het verlaagde tarief van toepassing is op de betreffende vergoedingen. Er is dan volgens partijen namelijk sprake van het gelegenheid geven tot zwemmen en baden als bedoeld in post b.3 van Tabel I behorende bij de Wet OB of het gelegenheid geven tot dagrecreatie als bedoeld in post b.14 van Tabel I. Ook is niet in geschil dat bij de door eiseres verleende diensten als genoemd in 3 telkens sprake is van één samengestelde prestatie die voor de omzetbelasting niet moet worden gesplitst. Verder moeten, zo begrijpt de rechtbank uit de door partijen ingenomen standpunten, de prestaties met betrekking tot de kiosk buiten de beoordeling worden gelaten.

5. Eiseres stelt primair dat zij geen of nagenoeg geen gelegenheid geeft tot sportbeoefening, zodat de diensten niet zijn vrijgesteld. Daarom heeft zij recht op teruggaaf van aan haar ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting. Subsidiair stelt eiseres dat de diensten waarvoor algehele toegang wordt verleend belast zijn, zodat zij ter zake recht op aftrek heeft. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van € 2.080. Subsidiair concludeert zij ook tot gegrondverklaring van het beroep en verlening van een teruggaaf.

6. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht. Daarom heeft zij geen recht op vooraftrek. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

7.1.
Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet OB, zijn onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen.

Op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wet OB zijn de voornoemde nauw samenhangende leveringen en diensten van vrijstelling uitgesloten wanneer zij:

a. niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen; of

b.in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de heffing van belasting onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen.

Op grond van artikel 11, derde lid, van de Wet OB, is de voornoemde vrijstelling slechts van toepassing indien de ondernemer geen winst beoogt. Onder het beogen van winst wordt mede verstaan het behalen van exploitatieoverschotten, tenzij deze worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht.

7.2.
Bij de uitlegging van de in geschil zijnde vrijstelling is relevant artikel 132, eerste lid, sub b, van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel over de toegevoegde waarde (BTW-richtlijn). Op grond daarvan kunnen de lidstaten vrijstelling verlenen voor sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen. De bepaling heeft tot doel bepaalde activiteiten van algemeen belang, te weten diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding, die door instellingen zonder winstoogmerk worden verstrekt ten behoeve van personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen, te bevorderen. Deze bepaling beoogt dus de beoefening van sport of lichamelijke opvoeding door brede lagen van de bevolking te bevorderen. Verder vormen de in artikel 132 van de BTW-richtlijn bedoelde vrijstellingen autonome begrippen van het Unierecht die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen. De bewoordingen waarin de in artikel 132 bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd. Bij gebreke van een definitie van het begrip ‘sport’ in de BTW-richtlijn moeten de betekenis en de draagwijdte van dit begrip worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en van de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt. Het begrip ‘sport’ in de omgangstaal duidt doorgaans op een lichamelijke activiteit of, met andere woorden, op een activiteit die wordt gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component (Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 26 oktober 2017, The English Bridge Union Limited, ECLI:EU:C:2017:814, r.o. 22)

7.3.
Het HvJ EU heeft zich in het arrest van 21 februari 2013, Mesto Zamberk ECLI:EU:C:2013:95, uitgelaten over de uitleg van artikel 132, eerste lid, sub m, van de BTW-richtlijn. Daar betrof het een dienst bestaande uit het verlenen van toegang tot een aquapark waarvan de installaties door de bezoekers niet alleen konden worden gebruikt voor de beoefening van sportactiviteiten maar ook voor andere soorten van recreatie of ontspanning. De te beantwoorden vraag was onder meer of sprake was van een dienst die nauw samenhangt met de beoefening van sport. Het HvJ EU oordeelde dat het aan de verwijzende rechter is om te bepalen of dit in die zaak het geval was. Daarbij werd relevant geacht wat de gemiddelde consument het overheersende element vond van de prestatie: de mogelijkheid om de onder artikel 132, eerste lid, sub m, van de BTW-richtlijn vallende sportactiviteiten te beoefenen, dan wel het louter rusten en zich ontspannen. Het standpunt van de gemiddelde consument moet volgens het HvJ EU worden afgebakend op basis van een geheel van objectieve gegevens. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de wijze waarop het betrokken openluchtzwembad is bedacht, hetgeen blijkt uit de objectieve kenmerken ervan, te weten de verschillende types installaties waarvan gebruik kan worden gemaakt, de inrichting ervan, hun aantal en het belang ervan in verhouding tot de volledige infrastructuur (vergelijk r.o. 33 van dit arrest). Verder is overwogen dat het voor de toepassing van artikel 132, eerste lid, sub m, van de BTW-richtlijn niet is vereist dat de sportactiviteit op een bepaald niveau wordt beoefend – bijvoorbeeld op professioneel niveau – en evenmin dat de betrokken sportactiviteit op een bepaalde manier wordt beoefend, te weten op regelmatige basis, in georganiseerd verband of met het oog op deelneming aan sportcompetities, voor zover deze activiteit evenwel niet louter ter ontspanning en vermaak wordt uitgeoefend (r.o. 22).

Zijn alle prestaties vrijgesteld?

8.1.
Verweerder stelt dat alle diensten die eiseres verricht nauw met sportbeoefening samenhangen en daarom zijn vrijgesteld. Het toegang verlenen voor banenzwemmen en zwemlessen en dergelijke geeft recht op gebruik van een deel van de infrastructurele onderdelen van het openluchtzwembad en is naar zijn aard een vrijgestelde dienst. De prestaties met betrekking tot recreatief zwemmen, waarbij recht wordt gegeven op het gebruik van alle infrastructurele onderdelen, zijn ook diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport. Gewezen wordt op de objectieve kenmerken van het complex. De kern van het zwembad zijn de drie bassins en dus zal het zwemmen als overheersend worden gezien. En zwemmen is sporten. De overige voorzieningen maken het zwemmen aantrekkelijker want het zijn aanvullende/ondergeschikte faciliteiten. Er is geen sprake van een accommodatie die vooral is ingericht voor het vermaak, zoals een waterpretpark, aldus verweerder.

8.2.
De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat alle diensten van eiseres vrijgesteld zijn. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

8.3.
De te beoordelen prestaties zijn diensten van verschillende aard. Overkoepelend kenmerk is dat toegang wordt verleend tot het openluchtzwembadcomplex. Eiseres verleent toegang voor verschillende activiteiten, onder meer voor recreatief zwemmen. Vanuit het oogpunt van de gemiddelde afnemer wordt bij recreatief zwemmen gebruik gemaakt van de bassins om in te zwemmen, maar deze wijze van zwemmen is niet aan te merken als sportbeoefening. Zwemmen is niet per definitie een vorm van sporten. Het kan (net als lopen en fietsen) een ander karakter hebben. Er is sprake van een activiteit met een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Bij zwemmen is dat bewegen in water. Echter, het recreatief zwemmen wordt niet gekenmerkt daardoor. Gezien de feiten is aannemelijk dat het zwemmen bij recreatief gebruik is gericht op ‘afkoelen’, ontspannen of bijvoorbeeld spelen. Daarbij is relevant dat het peuterbad bij uitstek een bad is geschikt hiervoor en niet voor sportbeoefening. Dit geldt ook voor het ondiepe bad. En aannemelijk is dat zelfs het wedstrijdbad, dat gezien de feiten is ingericht voor sportbeoefening, bij recreatief zwemmen voor afkoelen, ontspannen en spelen wordt gebruikt. Daarbij komt dat er ook ‘natte’ faciliteiten in en rond de bassins zijn, zoals glijbanen, die niet gemaakt zijn voor bij het sporten, maar voor vermaak. En uit de feiten volgt verder dat het complex omvangrijker is dan nodig is voor het gebruik van de drie bassins. Gewezen wordt op de zonneweide, de klimtoestellen en de kiosk. Aannemelijk is dat juist deze worden gebruikt bij het recreatief zwemmen. De inrichting, maar ook dat bij de kiosk met name snacks en dergelijke worden verkocht, wijst hier ook op.

8.4.
Het standpunt van verweerder dat de objectieve kenmerken van het complex wijzen op sportbeoefening, volgt de rechtbank niet. Het complex is niet alleen ingericht voor sportief zwemmen, maar ook zwemmen voor afkoelen, ontspanning en spelen. Het overgrote deel van de bassins en de faciliteiten zijn juist voor die vorm van zwemmen ontworpen. Dat er minder speelfaciliteiten aanwezig zijn dan bij een waterpretpark, maakt niet dat sprake is van een badencomplex dat niet met name is ingericht voor vermaak.

8.5.
Omdat toegang wordt verleend voor een niet sportactiviteit is, anders dan verweerder heeft gesteld, geen sprake van diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport.

8.6.
Bij deze oordelen wordt niet meegenomen dat het recreatief zwemmen op een minder hoog niveau wordt verricht dan ‘sportief zwemmen’, en ook niet dat geen sprake is van een competitie- of georganiseerd verband. Dit zou niet toegestaan zijn, zoals verweerder terecht heeft gesteld, gezien het arrest Mesto Zamberk, overweging 22 (zie ook hierboven). Het kenmerkende element bij recreatief zwemmen is dat het geen sportief karakter heeft, maar wordt gedaan ter vermaak.

8.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de prestaties bestaande uit het verlenen van toegang voor recreatief zwemmen niet als vrijgestelde prestaties moeten worden aangemerkt. Daarmee faalt het standpunt van verweerder dat alle prestaties van eiseres zijn vrijgesteld.

Zijn alle prestaties belast?

9.1.
Eiseres stelt (primair) dat alle diensten die zij verricht niet vrijgesteld zijn. Zij wijst in dit verband erop dat het complex is ingericht om te recreëren en te ontspannen. Het complex wordt met name daarvoor gebruikt. Er is vooral sprake van dag- en zwemrecreatie in en om het zwembad. Verder worden er geen zwemwedstrijden gehouden en is geen zwemvereniging verbonden aan het complex. Er is sprake van een verwaarloosbaar lichamelijk element. De lichamelijke inspanning heeft geen competitief element en is puur recreatief en om te ontspannen. Er is geen sprake van sport, aldus eiseres.

9.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat alle diensten van eiseres belast zijn. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

9.3.
Eiseres verleent toegang voor andere activiteiten dan recreatief zwemmen. Zo verleent zij toegang voor banenzwemmen, bootcamp en aquafit, en ook voor zwemlessen A/B/C en schoolzwemmen. De diensten bestaande uit het verlenen van toegang voor zwemlessen en voor schoolzwemmen dienen te worden aangemerkt als diensten in nauwe samenhang met lichamelijke opvoeding. Het zwemmen op deze wijze heeft een educatief karakter. Het beoogt immers het veilige zwemmen. De diensten bestaande uit het verlenen van toegang voor banenzwemmen, lessen aquafit en bootcamp zijn diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport. Aquafit is een vorm van lichaamsoefening op muziek in ondiep water. Bootcamp is een vorm van intensief bewegen gericht op conditie en kracht, kennelijk bij eiseres (gedeeltelijk) in een bassin. Banenzwemmen is gericht op zwemmen voor snelheid, conditie en kracht. Aquafit, bootcamp en banenzwemmen kunnen dan ook als sportbeoefening worden aangemerkt. Het toegang verlenen tot het complex voor deze activiteiten hangt dan ook nauw samen met de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding.

9.4.
Voor zover eiseres heeft bedoeld dat het toegang verlenen voor de sportactiviteiten en lichamelijke opvoeding zo beperkt is dat deze verwaarloosbaar zijn ten opzichte van het toegang verlenen voor recreatief zwemmen, en dat het eerste toegang verlenen daarom opgaat in dat laatste, volgt de rechtbank eiseres ook niet. Aannemelijk is dat het toegang verlenen voor de sportactiviteiten en lichamelijke opvoeding juist een belangrijk element vormen van eiseres’ activiteiten. Daarop wijst ook dat circa 10% van de opbrengsten voor de toegangskaartjes hieraan toerekenbaar is (zie hierna).

9.5.
Het standpunt van eiseres dat, indien de prestaties van waterpretparken geheel niet vrijgesteld zijn, dat ook voor haar zou moeten gelden, slaagt niet. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft betoogd, is de vormgeving van dergelijke waterpretparken anders dan die van het complex van eiseres. Er zullen geen baden ingericht als wedstrijdbad zijn. Bovendien zal er geen toegang worden verleend voor sportbeoefening en lichamelijke oefening, zoals bij eiseres wel gebeurd. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.

9.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de prestaties bestaande uit het verlenen van toegang voor bootcamp, banenzwemmen, aquafit, zwemlessen A/B/C en schoolzwemmen als vrijgestelde prestaties moeten worden aangemerkt. Daarmee faalt het primaire standpunt van eiseres dat geen van haar prestaties zijn vrijgesteld.

Prestaties eiseres zijn gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet vrijgesteld

10.1.
Gezien het voorgaande is een deel van de vergoedingen die eiseres ontvangt voor het toegang verlenen tot het zwembadcomplex vrijgesteld, en een deel belast.

10.2.
Op de zitting van 23 mei 2022 is het onderzoek geschorst. Partijen hebben overlegd over een uitsplitsing van de ontvangen entreegelden. Zij zijn tot een gezamenlijk standpunt gekomen, inhoudende dat voor de onderhavige procedure ervan kan worden uitgegaan dat van de totaal ontvangen entreegelden 90,5% toerekenbaar is aan algehele toegang tot het complex en 9,5% aan toegang tot het complex voor banenzwemmen, aquafit, zwemlessen “etcetera”.

10.3.
Gezien de brieven van partijen gaat de rechtbank ervan uit dat 9,5% van de entreegelden alleen betrekking heeft op sportactiviteiten, zodat 9,5% van die inkomsten vrijgesteld is, en 90,5% van de entreegelden alleen betrekking heeft op recreatief zwemmen, zodat 90,5% van de inkomsten belast is. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de 90,5% betrekking heeft op alle vergoedingen voor de abonnementen, dagkaarten en 10-banenkaarten. Een deel van die vergoedingen zou toerekenbaar kunnen zijn aan sportactiviteiten en dus vrijgesteld kunnen zijn. Immers, voor deelname aan bijvoorbeeld zwemlessen A/B/C of bootcamp is een abonnement, dagkaart of 10-banenkaart vereist. De inhoud van de brieven leiden echter niet tot die conclusie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat volgens partijen de gemiddelde consument het recreatief zwemmen het overheersende element vindt van de prestaties waarvoor die vergoedingen worden betaald.

10.4.
Voor de bepaling van de omvang van het recht op aftrek is relevant artikel 15, zesde lid, van de Wet OB, in samenhang met artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Eiseres heeft pro rata recht op aftrek van de voorbelasting, tenzij die uitsluitend betrekking heeft op goederen en diensten die gebruikt worden voor vrijgestelde prestaties (dan is er geen aftrekrecht en dus ook geen recht op teruggaaf) of voor belaste prestaties (dan heeft eiseres recht op teruggaaf van € 2.080, overeenkomstig haar primaire standpunt). De pro rata aftrek kan worden bepaald op basis van de omzetverhouding (de hoofdregel) of het werkelijke gebruik. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de wijze waarop de aftrek van eiseres zou moeten worden bepaald. Gesteld noch aannemelijk is dat de voorbelasting geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op kosten die uitsluitend gemaakt zijn voor vrijgestelde of belaste prestaties. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de voorbelasting ziet op algemene kosten en dat de pro rata moet worden bepaald op basis van omzetverhouding.

10.5.
Hierbij is buiten beschouwing gelaten de evenementen die eiseres organiseert zoals omschreven onder het laatste gedachtestreepje van overweging 3. Sommige van deze evenementen hebben een meer sportief karakter (zoals de Zwemvierdaagse), terwijl die bij andere evenementen ontbreekt (zoals de kampeernacht). Omdat partijen zich in de voornoemde brieven hier niet nader over hebben uitgelaten en aannemelijk is dat het belang ter zake gering is, laat de rechtbank dit rusten.

10.6.
Verder is eiseres in haar aangifte ervan uitgegaan dat de prestaties vrijgesteld zijn, in overeenstemming met het standpunt van verweerder. De uitkomst van deze procedure leidt tot de conclusie dat zij ter zake van een deel van de door haar ontvangen vergoeding omzetbelasting verschuldigd is naar het verlaagde tarief. De onderhavige procedure ziet op een tijdvak waarin mogelijk ook dergelijke vergoedingen zijn begrepen, ondanks dat dit buiten het seizoen is. Uit het ter zitting gestelde kan echter worden afgeleid dat dit niet het geval is. Het is verder aan verweerder om over te gaan tot eventuele naheffing.

Conclusie

11. Het beroep is gegrond. Eiseres heeft gedeeltelijk recht op aftrek van de aan haar in rekening gebrachte voorbelasting. Gezien het voorgaande berekent de rechtbank het bedrag aan teruggaaf daarom op 90,5% * € 2.080 = (afgerond) € 1.883.

12. Omdat het beroep gegrond is heeft eiseres recht op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. De te vergoeden proceskosten worden vastgesteld op € 536,10 voor door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Daarbij is ervan uitgegaan dat de op 23 mei 2022 behandelde zaken gezien artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht samenhangen, zodat op grond van dat Besluit in elke zaak 1/5e deel van € 2.680,50 wordt vergoed door verweerder. Het totale bedrag is berekend door uit te gaan van 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde van € 759 per punt; 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 269; een factor van 1 vanwege het gemiddelde gewicht; een factor van 1,5 omdat het aantal samenhangende zaken vijf is. Andere te vergoeden proceskosten zijn gesteld noch aannemelijk.

Beslissing
De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– verleent een teruggaaf van € 1.883;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 536,10;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en mr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBNHO:2022:12175