Een onderneemster die drie auto’s cash leverde aan een Duitse afnemer, kon het nultarief voor de omzetbelasting niet toepassen. De rechtbank oordeelde dat zij wist of had moeten weten dat zij deelnam aan btw-fraude. De gebrekkige administratie, het gebruik van een reeds verkochte bedrijfsnaam, de contante betalingen en onvolledige CMR-vrachtbrieven waren hiervoor doorslaggevend.
Onderneemster A had in het vierde kwartaal van 2019 drie auto’s verkocht aan het Duitse B GmbH voor een totaalbedrag van € 494.000. Hiervoor reikte zij facturen uit onder de naam van haar voormalige, reeds verkochte, onderneming (groothandel in sieraden). De auto’s waren ingekocht bij een leverancier die eigendom is van haar partner. De transacties werden volledig contant betaald (!). A paste het nultarief toe, maar diende haar btw-aangifte en opgave intracommunautaire prestaties (ICP) voor het betreffende tijdvak te laat in.
Na een boekenonderzoek weigerde de Belastingdienst de toepassing van het nultarief en legde een naheffingsaanslag op, omdat A volgens de Belastingdienst wist of had moeten weten dat zij betrokken was bij btw-fraude. Tussen de partijen was niet in geschil dat de Duitse afnemer een zogenoemde missing trader was en er dus sprake was van btw-fraude in de handelsketen.
Rechtbank Den Haag stelde de Belastingdienst in het gelijk en oordeelde dat de toepassing van het nultarief terecht was geweigerd. De bewijslast dat A wist of had moeten weten van de fraude, rust op de Belastingdienst. De rechtbank achtte dit bewijs geleverd op basis van de volgende omstandigheden:
- Gebrekkige administratie: Er ontbraken contracten, e-mails, correspondentie en informatie over leveringsvoorwaarden. Zelfs de contactgegevens van de Duitse afnemer waren niet in de administratie aanwezig.
- Contante betalingen: De grote som van € 494.000 werd contant betaald, zonder dat er kwitanties aanwezig waren waaruit de identiteit van de betaler kon worden afgeleid.
- Onjuiste en onvolledige documenten: A gebruikte facturen van haar reeds verkochte onderneming. De overgelegde CMR-vrachtbrieven waren onvolledig ingevuld, niet correct ondertekend, vermeldden een onjuist afleveradres in Nederland in plaats van Duitsland en de transporteur was niet ingevuld.
- Gebrek aan zorgvuldigheid: A, die naar eigen zeggen zeer ervaren was in de autohandel, had zich bewust moeten zijn van de bekende risico’s op btw-fraude in deze branche. Het gebruik van onjuiste facturen getuigt op zichzelf al niet van de handelwijze van een zorgvuldig ondernemer.
- Kennis van onderzoek bij partner: Er liep reeds een derdenonderzoek bij het bedrijf van haar partner naar leveringen aan dezelfde Duitse afnemer, B GmbH. Deze kennis wordt aan A toegerekend.
De rechtbank concludeerde dat de combinatie van deze feiten, die door A onvoldoende zijn betwist, met zich meebrengt dat zij wist of had moeten weten van de btw-fraude. De rechtbank verwijst hiervoor niet naar andere jurisprudentie.
Bron: ECLI:NL:RBDHA:2025:13101