Verhuur onzelfstandige ruimte van woning aan eigen BV in beginsel geen economische activiteit

zolderverdieping zolderkamer zolderetage

Verhuur onzelfstandige ruimte van woning aan eigen BV in beginsel geen economische activiteit

De staatssecretaris van Financiën ziet af van instellen beroep in cassatie tegen Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, nrs. 18/00464 t/m 18/00470, ECLI:NL:GHARL:2019:5043. Van het tegen dit oordeel van het Hof beroep in cassatie instellen valt volgens de staatssecretaris geen succes te verwachten, nu dit oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard.

Terzijde merkt de staatssecretaris op dat de casus nadrukkelijk dient te worden geplaatst in het licht van de door de Inspecteur aanvaarde duiding van de verhuur van de zolderverdieping als belaste verhuur. Mede onder verwijzing naar het gemeente Borsele arrest van het HvJ kan naar mening van de staatssecretaris namelijk worden gesteld dat de verhuur van een onzelfstandige ruimte van een woning aan een ‘eigen’ BV in beginsel geen economische activiteit vormt voor de omzetbelasting.

Toelichting op afzien instelling beroep: onderschrift zolderverdieping

Omzetbelasting

Toelichting op afzien instellen beroep in cassatie tegen Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, nrs. 18/00464 t/m 18/00470, ECLI:NL:GHARL:2019:5043.

Inhoudsindicatie uitspraak Hof op rechtspraak.nl:

OB. Bouw woning. Belaste verhuur zolderverdieping. Ingangsdatum huur is gelegen na de datum van ingebruikneming van de woning. Het onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen is niet van belang voor het aftrekrecht, maar uitsluitend voor de omvang van dat recht. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de zolderverdieping na de oplevering van de woning bestemd is en gebruikt is voor (de voorbereiding van) belaste verhuur.

De staatssecretaris van Financiën ziet af van instellen beroep in cassatie. Ter toelichting merkt hij het volgende op:

Het Hof concludeert in de uitspraak met betrekking tot de naheffingsaanslagen in r.o. 4.6 uiteindelijk dat er geen sprake is van een wijziging van gebruik of bestemming ten tijde van de oplevering van de woning. Deze conclusie is tot stand gekomen na een beoordeling door het Hof in r.o. 4.5 van de maatschapsovereenkomst, de intentieovereenkomst, de aan de BV gerichte factuur voor het leggen van de vloerbedekking op de zolderverdieping en de huurovereenkomst met als ingangsdatum 18 maart 2016, alsmede de geloofwaardig bevonden verklaring van een van de maten van belanghebbende. Dusdoende heeft het Hof op grond van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk geoordeeld dat er geen sprake is van wijziging van gebruik of bestemming ten tijde van de oplevering van de woning. Daarmee komt de grond onder de naheffingsaanslagen te ontvallen.

Van het tegen dit oordeel van het Hof beroep in cassatie instellen valt geen succes te verwachten, nu dit oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard.

Het Hof heeft – ten overvloede – tevens overwogen dat zelfs als het standpunt van de Inspecteur moet worden gevolgd dat de woning in eerste instantie geheel voor privédoeleinden in gebruik is genomen, dit uitsluitend gevolgen heeft voor de omvang van het aftrekrecht. Het Hof trekt die conclusie uit het arrest Gmina Ryjewo (HvJ 25 juli 2018, C-140/17, ECLI:FU:C:2018:595).

Indien deze overweging van het Hof zo zou moeten worden begrepen dat voor de door de Inspecteur voorgestane herziening van de voorbelasting bij de ingebruikneming voor volledig onbelaste prestaties dan geen plaats meer zou zijn, acht ik een dergelijke conclusie rechtens onjuist.

Nu deze overweging van het Hof echter ten overvloede is gegeven, kan gegrondbevinding van een daartegen ingediende klacht niet tot cassatie van de aangevallen beslissing leiden.

Uit het voornoemde arrest Gmina Ryjewo volgt mijns inziens dat het moment van en wijze van ingebruikneming van goederen geen definitief uitsluitsel geeft of nadien recht op herziening van de aftrek zich kan voordoen. Daarvoor is beslissend of de afnemer ten tijde van de verkrijging als ondernemer kwalificeerde en deze, gelet op alle omstandigheden van het geval, het betrokken investeringsgoed heeft verworven met het door objectieve factoren bevestigde voornemen een economische activiteit te gaan uitoefenen.

Terzijde merk ik in dit verband voorts nog op dat de voorliggende casus nadrukkelijk dient te worden geplaatst in het licht van de door de Inspecteur aanvaarde duiding van de verhuur van de zolderverdieping als belaste verhuur. Mede onder verwijzing naar HvJ 12 mei 2016, C-520/14 (gemeente Borsele), ECLI:EU:C:2016;334, kan mijns inziens namelijk worden gesteld dat de verhuur van een onzelfstandige ruimte van een woning aan een ‘eigen’ BV in beginsel geen economische activiteit vormt voor de omzetbelasting.

Bron: Toelichting op afzien instelling beroep: onderschrift zolderverdieping