Verlaagd btw-tarief hardlooptrainingen op openbare weg vanuit sportcomplex

Hardlopen op de openbare weg

Verlaagd btw-tarief hardlooptrainingen op openbare weg vanuit sportcomplex

Belanghebbende verzorgt hardlooptrainingen die beginnen en eindigen op een sportcomplex. Het hardlopen zelf vindt plaats op de openbare weg, onder begeleiding van een trainer. Voorafgaand aan en na afloop van de trainingen maken de deelnemers gebruik van de op het sportcomplex aanwezige kantine, kleedkamers en douches. Belanghebbende zorgt ervoor dat tijdens de trainingen een fysiotherapeut op het sportcomplex aanwezig is. Af en toe huurt belanghebbende de sporthal voor het houden van informatieavonden en zogeheten hardloopclinics in het kader van de door hem geboden trainingen.

Volgens de Hoge Raad bestaat de dienstverlening van belanghebbende uit het gelegenheid bieden een sport te beoefenen onder terbeschikkingstelling van een accommodatie. Belanghebbende stelt in staat tot het beoefenen van de hardloopsport in georganiseerd verband en bezigt daartoe een – kennelijk door hem gehuurde – locatie van waaruit de deelnemers vertrekken en waar zij ook weer terugkomen en zich verzorgen, en waar de door belanghebbende verzorgde sportieve en paramedische begeleiding van de deelnemers plaatsvindt. Dit een en ander is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in vorenbedoelde zin. Dat het eigenlijke sporten plaatsvindt op de – niet door belanghebbende ter beschikking gestelde – openbare weg, doet hieraan niet af. De door belanghebbende verrichte prestaties vallen onder post b.3 van tabel I Wet OB.

Hoge RaadGerechtshofRechtbank
Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
11/00311
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BP8389, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Artikel 9, lid 2, letter a, Wet OB 1968 jo. post b3 van Tabel I. Verlaagd tarief van toepassing op hardlooptrainingen? Sportaccommodatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2946
V-N 2011/66.23 met annotatie van Redactie
BNB 2012/31 met annotatie van D.B. Bijl
V-N 2012/28.18 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2948 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 11/00311

2 december 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 17 december 2010, nr. 09/00228, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/2674) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende verzorgt tegen vergoeding hardlooptrainingen en is daarvoor ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De hardlooptrainingen beginnen op een sportcomplex en eindigen daar ook. Het hardlopen zelf vindt plaats op de openbare weg, onder begeleiding van een trainer.

Voorafgaande aan de trainingen en na afloop daarvan maken de deelnemers gebruik van de op het sportcomplex aanwezige kantine, kleedkamers en douches. Belanghebbende draagt zorg ervoor dat tijdens de trainingen ten behoeve van de deelnemers een fysiotherapeut op het sportcomplex aanwezig is. Af en toe huurt belanghebbende de sporthal voor het houden van informatieavonden en zogeheten hardloopclinics in het kader van de door hem geboden trainingen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende verrichte prestaties niet kunnen worden aangemerkt als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van post b.3 van de bij de Wet behorende tabel I (hierna: tabel I). Hiertegen keert zich het middel met een rechtsklacht.

3.3. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, nr. 43169, LJN AZ3758, BNB 2007/277, moet post b.3 van tabel I zo worden uitgelegd dat de reikwijdte daarvan samenvalt met die van categorie 13 van Bijlage H bij de Zesde richtlijn, op grond waarvan de lidstaten het verlaagde btw-tarief mogen toepassen op het verlenen van ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. Buiten redelijke twijfel is hiervan sprake als de dienstverlening van een belastingplichtige bestaat uit het gelegenheid bieden een sport te beoefenen onder terbeschikkingstelling van een accommodatie.

In dit geval is hiervan sprake. Belanghebbende stelt in staat tot het beoefenen van de hardloopsport in georganiseerd verband en bezigt daartoe een – kennelijk door hem gehuurde – locatie van waaruit de deelnemers vertrekken en waar zij ook weer terugkomen en zich verzorgen, en waar de door belanghebbende verzorgde sportieve en paramedische begeleiding van de deelnemers plaatsvindt. Dit een en ander is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in vorenbedoelde zin. Dat het eigenlijke sporten plaatsvindt op de – niet door belanghebbende ter beschikking gestelde – openbare weg, doet hieraan niet af.

Op grond van het vorenstaande slaagt het middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Blijkens de stukken van het geding was voor het Hof niet in geschil dat, zo de door belanghebbende verrichte prestaties onder post b.3 van tabel I vallen, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

vernietigt de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 448, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 223, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 145, derhalve in totaal € 816,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski in raadkamer van 9 november 2011 en op 2 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2010
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
09/00228
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BI0718, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU6507, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende telt ca 300 leden en geeft hardlooptrainingen. Deze trainingen beginnen op een sportcomplex waar voor de leden kleedruimtes en douchefaciliteiten ter beschikking staan. In het complex vinden ook lezingen en vergaderingen plaats. De trainingen zelf vinden plaats op de openbare weg, waarbij op bepaalde gedeeltes gebruik gemaakt wordt van pylonen. Belanghebbende stelt dat het verlaagde tarief van toepassing moet zijn omdat er sprake is van gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van post b.3 van tabel I en subsidiair stelt belanghebbende dat er sprake is van schending van het Europees rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel.

Het Hof oordeelt dat het beroep dat belanghebbende doet op het zgn Nijmeegse vierdaagse arrest ( Hoge Raad 10 augustus 2007, nr. 43169) moet worden afgewezen, ook omdat de gebruikte pylonen niet een parkoers van de openbare weg afzetten, maar gebruikt worden voor de intervaltraining. Het beroep op de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden, 11 mei 2010, nr. 09/00013, LJN BM 6070, waarbij een zeilschool met jachthaven en een met boeien gemarkeerd vaarwater wel werd aangemerkt als sportaccommodatie verwerpt het Hof eveneens, en verwijst naar de uitspraak van de rechtbank. Het Hof ziet geen schending van een Europees rechtszekerheidsbeginsel of een gelijkheidsbeginsel, maar merkt nog wel op dat de Europese Commissie van oordeel is dat de Leeuwarder uitspraak een te ruime uitleg geeft aan de BTW-vrijstelling voor sportactiviteiten bij watersport. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/20.1.3
FutD 2011-0736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00228

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, h.o.d.n. Y,

wonende te Z,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 11 maart 2009, nummer AWB 08/2674, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Randmeren van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 20 februari 2007 over het jaar 2006 bij de Inspecteur een aangifte voor de omzetbelasting ingediend naar een te betalen bedrag van € 3.780. Bij de berekening van dit bedrag is belanghebbende er van uitgegaan dat de door hem verrichte prestaties belast zijn naar het algemene tarief van 19%.

1.2. Bij brief van 6 maart 2007, door de Inspecteur ontvangen op 8 maart 2007, heeft belanghebbende tegen deze aangifte bezwaar gemaakt, stellende dat op zijn prestaties het verlaagde tarief van 6% van toepassing is en dat hij dan, na aftrek van voorbelasting en toepassing van de kleine ondernemersregeling, over het jaar 2006 geen omzetbelasting is verschuldigd.

1.3. Bij brief aan belanghebbende van 5 april 2007 heeft de Inspecteur de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

” Ontvankelijkheid

Op datum dagtekening van deze brief is het op aangifte over het jaar 2006 af te dragen bedrag nog niet door de belastingdienst ontvangen. Met name gezien artikel 6:10 Algemene wet bestuursrecht acht ik het bezwaarschrift tijdig te zijn ingediend.

In het geval de betaling echter achterwege blijft zal voor het op aangifte te betalen bedrag een naheffingsaanslag worden opgelegd. In dat geval zal ik uw bezwaarschrift aan die naheffingsaanslag toerekenen. Ook in dat geval zal ik u ontvankelijk verklaren in uw bezwaar. “.

1.4. In verband met de omstandigheid dat betaling door belanghebbende van vorenvermeld bedrag van € 3.780 uitbleef, heeft de Inspecteur belanghebbende tot dat bedrag met dagtekening 25 april 2007 en met aanslagnummer 0000.00.000.B.01.6500 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 (hierna ook wel: de naheffingsaanslag).

1.5. Nadien is belanghebbende eerst bij brief van 5 november 2007 bij de Inspecteur teruggekomen op de onderhavige aangelegenheid. Bij uitspraak van 8 mei 2008 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd. Hierbij heeft hij belanghebbendes onder 1.2 vermelde bezwaarschrift van 6 maart 2007 toegerekend aan de naheffingsaanslag en dit, mede rekening houdend met het bepaalde in artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ontvankelijk verklaard.

1.6. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 145.

Bij schriftelijk uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.7. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem. Het Gerechtshof Arnhem heeft de zaak met toepassing van het bepaalde in artikel 8:13, tweede lid, van de Awb ter verdere behandeling naar dit Hof (hierna: het Hof) verwezen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 223.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2010 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.9. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota, met twee bijlagen, voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota, met de daarbij behorende bijlagen, tot de stukken van het geding.

1.10. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1. Eiser organiseert onder de naam “Y” hardloopactiviteiten in de omgeving van Z.

2.2. “Y” heeft 270 tot 300 leden en ongeveer 15 trainers.

2.3. Alle hardlooptrainingen van “Y” starten vanaf sportcomplex “A” in Z en eindigen daar ook. De trainingen zijn alleen toegankelijk voor leden.

2.4. De deelnemers hebben in het sportcomplex de beschikking over kleedkamers en douches. Daarnaast maken zij gebruik van de kantine bij het sportcomplex.

In de kantine vinden ook lezingen en vergaderingen plaats en worden nieuwe trainers opgeleid. Ook is tijdens de trainingen een fysiotherapeut in het complex aanwezig.

Af en toe wordt een sporthal in het complex gehuurd voor het houden van informatieavonden en hardloopclinics.

In de zomermaanden wordt het complex speciaal voor “Y” opengehouden. Alleen de kantine is dan gesloten.

2.5. De hardlooptrainingen zelf vinden plaats op de openbare weg, onder begeleiding van een trainer.”.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de prestaties van belanghebbende belast dienen te worden naar het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), zoals belanghebbende bepleit, dan wel naar het algemene tarief, zoals de Inspecteur stelt.

3.2. Belanghebbende stelt zich daarbij op het standpunt, primair, dat het gelegenheid geven tot hardlopen is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van post b.3 van de bij de Wet behorende tabel I en dat derhalve het verlaagde tarief van toepassing is, alsmede, subsidiair, dat het niet van toepassing verklaren van deze tabelpost in strijd is met het Europeesrechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en het Europeesrechtelijke gelijkheidsbeginsel.

De Inspecteur daarentegen neemt het standpunt in dat de door belanghebbende verleende diensten niet kunnen worden aangemerkt als prestaties zoals bedoeld in evengenoemde tabelpost en dat geen sprake is van strijd met de door belanghebbende aangevoerde beginselen.

3.3. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan tijdens het onderzoek ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag, alsmede tot vergoeding van de door hem in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof gemaakte proceskosten ad, exclusief omzetbelasting, € 5.000.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.1. Het Hof zal eerst beoordelen of de Inspecteur bij de bestreden uitspraak het bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.2. Gelet op hetgeen onder 1.1 tot en met 1.5 is vermeld, heeft belanghebbende eerst bij zijn onder 1.5 vermelde brief van 5 november 2007 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige, 25 april 2007 gedagtekende, naheffingsaanslag. Dit is na het verstrijken van de in artikel 6:7 van de Awb geregelde bezwaartermijn van zes weken. Gelet evenwel op de omstandigheid dat de Inspecteur belanghebbende in zijn onder 1.3 ten dele weergegeven ontvangstbevestiging van 5 april 2007 heeft medegedeeld dat indien betaling achterwege blijft, een naheffingsaanslag zal worden opgelegd en dat hij in dat geval het door belanghebbende tegen zijn aangifte ingediende bezwaarschrift aan die naheffingsaanslag zal toerekenen en dat hij belanghebbende ook in dat geval ontvankelijk zal verklaren in zijn bezwaar, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat

evenvermelde termijnoverschrijding aan een verzuim van belanghebbende is te wijten. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb dient alsdan niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbendes bezwaarschrift van 5 november 2007 achterwege te blijven. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de bestreden uitspraak derhalve terecht ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

Ten aanzien van het materiële geschilpunt

4.2. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen, zowel met betrekking tot belanghebbendes primaire, als met betrekking tot diens subsidiaire standpunt, zoals vermeld onder 3.2.

Het Hof sluit in dezen aan bij hetgeen de Rechtbank in zijn uitspraak onder ‘4. Beoordeling van het geschil’ heeft overwogen. Hetgeen belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting nog ter sprake heeft gebracht omtrent het gebruik maken van “pionnetjes” (pylonen), brengt het Hof niet tot een ander oordeel nu deze geen afbakening in de zin van het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 augustus 2007, nr. 43169 (het Nijmeegse Vierdaagse-arrest) vormen, doch eerder als hulpmiddelen bij de (interval)training moeten worden beschouwd.

Ook het door belanghebbende in zijn pleitnota gedane beroep op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 11 mei 2010, nr. 09/00013 (LJN: BM6070), waarbij een zeilschool met jachthaven en gemarkeerd vaarwater werd aangemerkt als een sportaccomodatie, doet niet af aan het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof. Overigens heeft de Europese Commissie Omzetbelasting op 24 juni 2010 naar aanleiding van deze uitspraak geoordeeld dat Nederland aldus een te ruime toepassing geeft inzake de btw-vrijstelling voor sportactiviteiten bij watersport (bron: FiscaNet Nieuwsbrief 8 juli 2010, punt 6).

4.3. Gelet op het vorenstaande moet het hoger beroep van belanghebbende ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 17 december 2010 door G.J. van Muijen, voorzitter, P.A.G.M. Cools en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/2674
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP8389, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet OB. Verlaagde tarief voor sportbeoefening. Loopgroep. Geen sportaccommodatie. Beroep op rechtszekerheidsbeginsel strandt op vierdaagse-arrest Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/25.2.4
FutD 2009-0819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/2674

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 11 maart 2009

inzake

[X], h.o.d.n. “[A]”, wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. [B], te [Z],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 met dagtekening 25 april 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [B.01]) omzetbelasting opgelegd ter hoogte van € 3.780.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 4 juni 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. [B]. Namens verweerder is verschenen [C]. Gemachtigde van eiser heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Feiten

2.1 Eiser organiseert onder de naam “[A]” hardloopactiviteiten in de omgeving van [Z].

2.2 “[A]” heeft 270 tot 300 leden en ongeveer 15 trainers.

2.3 Alle hardlooptrainingen van “[A]” starten vanaf sportcomplex “[D]” in [Z] en eindigen daar ook. De trainingen zijn alleen toegankelijk voor leden.

2.4 De deelnemers hebben in het sportcomplex de beschikking over kleedkamers en douches. Daarnaast maken zij gebruik van de kantine bij het sportcomplex.

In de kantine vinden ook lezingen en vergaderingen plaats en worden nieuwe trainers opgeleid. Ook is tijdens de trainingen een fysiotherapeut in het complex aanwezig.

Af en toe wordt een sporthal in het complex gehuurd voor het houden van informatieavonden en hardloopclinics.

In de zomermaanden wordt het complex speciaal voor “[A]” opengehouden. Alleen de kantine is dan gesloten.

2.5 De hardlooptrainingen zelf vinden plaats buiten op de openbare weg, onder begeleiding van een trainer.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de prestaties van eiser belast dienen te worden naar het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB), zoals eiser bepleit, danwel naar het algemene tarief, zoals verweerder stelt.

4. Beoordeling van het geschil

Sportaccommodatie

4.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie rond [A] wel degelijk kan vallen onder het begrip sportaccommodatie, zoals dat door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 augustus 2007, nr. 43169 (V-N 2007/40.27, LJN: AZ3758, hierna: het vierdaagse-arrest) met betrekking tot de Nijmeegse wandelvierdaagse is ingevuld. Begin en einde van de trainingen vinden plaats in sportcomplex “[D]”, zijnde een sportaccommodatie. De sportaccommodatie en de trainingen zijn alleen toegankelijk voor deelnemers. Zonder de sportaccommodatie zou de onderneming niet zoveel deelnemers kunnen trekken. Voorlichting en vergaderingen vinden plaats in de sportaccommodatie. Er is een fysiotherapeut aanwezig. Alleen het parkoers –voor zover dit loopt over de openbare weg- is niet gedurende de duur van de sportbeoefening gereserveerd. Eiser wijst in dit verband naar het Nijmeegse vierdaagse-parkoers, waarbij een heel groot deel van de route ook niet met dranghekken is afgezet, maar dat volgens de Hoge Raad desondanks als sportaccommodatie kwalificeerde.

4.2 De rechtbank verwerpt die stelling. Uit het vierdaagse-arrest komt naar voren dat een parkoers, om te kunnen vallen onder het begrip sportaccommodatie, gedurende de duur van de sportbeoefening moet zijn gereserveerd voor die sportbeoefening. Daarbij is niet van belang of het gehele parkoers is afgezet met dranghekken. Wel is van belang dat de sporters op dat moment het min of meer exclusieve gebruiksrecht van het parkoers hebben. De routes waarlangs de loopgroepen van eiser hardlopen bevinden zich op de openbare weg en zijn tijdens de duur van de sportbeoefening ook toegankelijk voor andere verkeersdeelnemers. De routes zijn dus niet gereserveerd voor de sportbeoefening zoals bedoeld door de Hoge Raad. Daaraan doet niet af dat –zoals eiser ter zitting nog heeft aangevoerd- de leden van een andere loopgroep in [Z] een andere route kiezen wanneer zij zien dat een bepaalde route door een loopgroep van eiser wordt gebruikt.

4.3 Ook de overige omstandigheden kunnen niet ertoe leiden dat sprake is van een sportaccommodatie. Vast staat dat de hardloopactiviteiten plaatsvinden op de openbare weg. Het sportcomplex “[D]” wordt alleen gebruikt voor het omkleden, geven van informatie en andere ondersteunende diensten. Het gebruik van het sportcomplex vindt dus niet plaats voor actieve sportbeoefening en is voorts dermate ondergeschikt aan de eigenlijke activiteit (het hardlopen) dat dit niet kan bewerkstelligen dat de prestaties van eiser naar hun aard zijn aan te merken als de terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.4 Eiser heeft zich ook beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens eiser is de tekst van de bepaling in Tabel I, behorende bij de Wet OB, post b.3, volstrekt helder en duidelijk. Daar staat namelijk: “het geven van de gelegenheid tot sportbeoefening”. Volgens eiser is het duidelijk dat [A] gelegenheid geeft tot sportbeoefening. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dan dat deze bepaling van toepassing is.

4.5 De rechtbank overweegt dat de tekst van Tabel I, post b.3 afwijkt van het bepaalde in artikel 12, derde lid, letter a, van de Zesde richtlijn (hierna: de Zesde richtlijn) juncto de omschrijving van bijlage H, categorie 13, bij de Zesde richtlijn, luidende: “Het recht gebruik te maken van sportaccommodaties”.

De Hoge Raad heeft in het vierdaagse-arrest reeds beslist over de uitleg van de tekstueel van de Zesde richtlijn afwijkende bepaling in Tabel I, post b.3. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat post b.3 richtlijnconform uitgelegd dient te worden en dat dit meebrengt dat het in de rede ligt het nationale begrip ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’ zo op te vatten dat daarmee wordt bedoeld het gelegenheid geven tot sportbeoefening in een gebouw dat, of een locatie die voor sportbeoefening is ingericht.

Het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel in verband met de andersluidende Nederlandse tekst faalt, reeds omdat in de overwegingen van de Hoge Raad de opvatting besloten ligt dat in het geval van tabelpost b3 de rechtszekerheid niet in de weg staat aan richtlijnconforme interpretatie (zie r.o. 3.4 en 3.5 van het vierdaagse-arrest). Daarbij komt dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 28015, nr. 3, p. 29-30) duidelijk volgt dat het ook de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest om, net als in de Zesde richtlijn, alleen het gebruik van sportaccommodaties tegen het verlaagde tarief te belasten. De omstandigheid dat het woord “sportaccommodatie” niet in de Nederlandse tekst is gekomen, doet daaraan niet af.

Gelijkheidsbeginsel

4.6 Ten slotte heeft eiser zich nog beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser dienen gelijke prestaties (sport is sport, hardlopen is hardlopen) gelijk behandeld te worden. De rechtbank overweegt dat het verlaagde tarief van de Zesde richtlijn en daarmee dat van de Wet OB van toepassing is op alle sporten waarbij gebruik wordt gemaakt van een sportaccommodatie. De sportactiviteiten van eiser vinden plaats op de openbare weg en niet in een sportaccommodatie. Derhalve is ten opzichte van situaties waarbij de sportactiviteiten wel plaatsvinden in een sportaccommodatie, geen sprake van gelijke gevallen, zodat te dezen evenmin sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het onderscheid tussen sport met een sportaccommodatie en sport zonder sportaccommodatie is bovendien door de richtlijngever zelf gemaakt, zodat ook een beroep op het Europeesrechtelijke gelijkheidsbeginsel of op het neutraliteitsbeginsel eiser ook niet kan baten.

Voor zover eiser bedoelt te zeggen dat de wandelvierdaagse of de Rotterdamse marathon zodanig vergelijkbaar zijn met de hardloopactiviteiten van [A] dat die gevallen moeten worden beschouwd als aan eiser gelijke gevallen, faalt ook die stelling. Het specifieke verschil zit immers in het door de Hoge Raad gebezigde criterium dat het parkoers is gereserveerd voor de sportbeoefening, waarvan in de door eiser genoemde gevallen sprake is, terwijl dit bij de loopactiviteiten van [A] juist niet het geval is.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 maart 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, voorzitter,

mr. U.E. Tromp en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.