Verlaagd btw-tarief voor innovatieve openluchtbioscoop: wandelroute met filmprojecties

Verlaagd btw-tarief voor innovatieve openluchtbioscoop: wandelroute met filmprojecties

A BV exploiteert een animatiestudio en organiseert in de wintermaanden een audiovisuele voorstelling in een park. Bezoekers leggen, gereguleerd via tijdsloten, een afgebakende wandelroute van circa 2,5 kilometer af. Tijdens deze wandeling bekijken zij in etappes een (animatie)film die met beeld en geluid wordt geprojecteerd op onder meer kasteelmuren, bomen en standbeelden. Van de gemiddeld 90 minuten die een bezoeker aan het evenement besteedt, neemt de wandeling in het park 45 minuten in beslag, waarvan 30 minuten feitelijk wordt besteed aan het bekijken van de film.

De vraag is of op deze prestaties het verlaagde btw-tarief van 9% van toepassing is, specifiek onder de noemer van het verlenen van toegang tot een bioscoop (artikel 9(2)a Wet OB i.s.m. Tabel I post b14(e)). A BV stelt dat het verlaagde tarief geldt, terwijl de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat het algemene btw-tarief van 21% moet worden toegepast.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch stelt A BV in het gelijk en oordeelt dat de prestaties kwalificeren als het verlenen van toegang tot een bioscoop. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het HvJ (Phantasialand, ECLI:EU:C:2021:720 en X, ECLI:EU:C:2020:786) overweegt het hof dat uitzonderingen op het algemene btw-tarief weliswaar strikt moeten worden uitgelegd, maar wel volgens de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis. Deze betekenis is niet statisch en omvat mede concepten zoals een openluchtbioscoop. Het hof oordeelt dat de filmvertoning de hoofdprestatie is en de wandeling slechts ondergeschikt is. Daarnaast wordt de film niet individueel bekeken (zoals aan de orde was in HvJ 18 maart 2010, Erotic Center, ECLI:EU:C:2010:149), maar samen met de maximaal 280 andere bezoekers binnen een tijdslot, wat het collectieve karakter van een bioscoop bevestigt.

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2026
Datum publicatie
17-03-2026
Zaaknummer
24/531
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1989, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Artikel 9, tweede lid, onderdeel a, in samenhang gelezen met Tabel I, post b.14, onderdeel e, van de Wet OB. Kwalificatie van prestatie als het verlenen van toegang tot een bioscoop.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026031801
V-N Vandaag 2026/501
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/531

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 maart 2024, nummer BRE 23/3064, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan van door haar over de periode 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 verschuldigde omzetbelasting.

1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en [naam 2] en, als gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld van [naam 3] en [naam 4] ,

en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en de wederpartij.

1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2Feiten
2.1.
Belanghebbende exploiteert een animatiestudio. Zij maakt audiovisuele producties en brengt verhalen tot leven door middel van projectie en film. Een van haar projecten is het project ‘ [voorstelling] ’. [voorstelling] worden in december en begin januari georganiseerd in het park van [locatie] in [plaats] .

2.2.
Een toegangsbewijs voor [voorstelling] geeft toegang tot de voorstelling in het park. De voorstelling wordt tijdens een wandeling van circa 2,5 kilometer vertoond. Bij het verlenen van toegang wordt gewerkt met tijdssloten, waarbij om het kwartier maximaal 280 bezoekers worden toegelaten. De wandeling vindt plaats binnen een vast parcours dat is afgezet met touwen. Daarnaast zijn stewards aanwezig om te waarborgen dat de bezoeker niet kan afwijken van het parcours. Het parcours heeft een ingang en een uitgang. Het is aan de bezoeker om te bepalen op welk tempo [voorstelling] wordt beleefd.

2.3.
Belanghebbende heeft een verzoek om vooroverleg ingediend. Daarbij heeft zij het standpunt ingenomen dat op haar activiteiten in Nederland het verlaagde omzetbelastingtarief van 9% van toepassing is. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het algemene tarief van 21% van toepassing is.

2.4.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de door haar over de periode 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 verschuldigde omzetbelasting. Het aangiftebiljet vermeldt een bedrag van € 15.528 en dit bedrag is betaald op 25 oktober 2022. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar besloten geen teruggaaf te verlenen.

3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het verlaagde omzetbelastingtarief van artikel 9, tweede lid, onderdeel a, in samenhang gelezen met Tabel I, post b.14, onderdeel e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) van toepassing is op de prestaties van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of de prestaties van belanghebbende kwalificeren als het verlenen van toegang tot een bioscoop.

3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van € 8.873 en tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden
Ten aanzien van het geschil

Is sprake van het verlenen van toegang tot een bioscoop?

4.1.
Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Wet OB in samenhang gelezen met post b.14, onderdeel e, van Tabel I is het verlenen van toegang tot bioscopen onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief. Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 98, eerste en tweede lid, Btw-richtlijn 2006 (hierna: btw-richtlijn) in samenhang gelezen met Bijlage III, punt 7, bij die richtlijn. Volgens dit punt 7 mogen de lidstaten het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen aan een verlaagd btw-tarief onderwerpen.

4.2.
De btw-richtlijn bevat geen definitie van het begrip ‘toegang verlenen tot bioscopen’ in de zin van bijlage III, punt 7, en uitvoeringsverordening nr. 282/2011 voorziet evenmin in een definitie van dit begrip. Bovendien bevat noch de btw-richtlijn, noch uitvoeringsverordening nr. 282/2011 in dit verband een verwijzing naar het recht van de lidstaten, zodat het begrip een autonoom Unierechtelijke begrip is dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd.1

4.3.
Aangezien artikel 98, eerste en tweede lid, btw-richtlijn en de bijbehorende Bijlage III de lidstaten toestaan af te wijken van het beginsel dat het algemene btw-tarief van toepassing is, moeten de in die bijlage gebruikte begrippen strikt worden uitgelegd, tegen de achtergrond van de context waarin zij worden gebruikt en overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan.2

4.4.
Het hof overweegt dat de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van een ‘bioscoop’ niet is beperkt tot de klassieke verschijningsvorm, namelijk die waarin in een theater een film aan publiek wordt vertoond, maar dat deze ook andere verschijningsvormen omvat zoals de ‘drive-in bioscoop’ en de ‘openluchtbioscoop’. Ook is de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van naar het spraakgebruik uit te leggen begrip niet statisch en hebben ontwikkelingen en innovaties invloed daarop.

4.5.
Belanghebbende heeft in haar nadere stuk en ter zitting bij het hof de feitelijke situatie met betrekking tot [voorstelling] verduidelijkt. Nu de inspecteur die feiten niet (dan wel onvoldoende) heeft weersproken, zal het hof daarvan uitgaan.

4.6.
Een bezoeker van [voorstelling] bekijkt tijdens een wandeling van circa 2,5 kilometer een (animatie)film. De film wordt in gedeelten vertoond door middel van projectie op de kasteelmuren, bomen, standbeelden en eigen achtergronden (zoals een bol en een spiegel) en met bijbehorend geluid. Per object wordt gedurende twee tot vier minuten aan film vertoond. Het gedeelte van de film wordt herhaaldelijk achter elkaar afgespeeld op hetzelfde object. Er is geen sprake van stilstaande projecties.

4.7.
Een bezoeker van [voorstelling] heeft daar in totaal gemiddeld 90 minuten voor nodig. Deze tijd is als volgt te verdelen:

– 5 minuten parkeren;

– 15 minuten lopen naar het park en toegangscontrole;

– 45 minuten wandeling door het park, waarin 30 minuten film is verwerkt;

– 15 minuten pauze met horeca;

– 10 minuten terug naar het parkeerterrein en vertrek.

4.8.
Het hof is van oordeel dat de prestaties van belanghebbende kwalificeren als het verlenen van toegang tot een bioscoop. Een bezoeker van [voorstelling] krijgt tegen vergoeding toegang tot een evenement waarbij een film (een verhaal met beeld en geluid) aan het publiek wordt vertoond. Het vertonen van de film is bovendien de hoofdprestatie en de wandeling in het park is daaraan ondergeschikt. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een toegangsbewijs voor [voorstelling] alleen toegang geeft tot het parcours en niet tot [locatie] , dat gemiddeld genomen het merendeel van de wandeling bestaat uit het bekijken van de film (30 van de 45 minuten durende wandeling), en dat een toegangsbewijs € 23 kost terwijl een toegangsbewijs voor een normaal bezoek aan het park € 8 kost. Dat de film in gedeelten wordt vertoond, dat een bezoeker de mogelijkheid heeft die gedeelten vaker te bekijken en dat de film niet zittend wordt bekeken, is van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen. Anders dan de inspecteur, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een meer individuele belevenis vergeleken met een klassieke bioscoop. De samenstelling van de groep bezoekers verandert weliswaar tussentijds doordat bezoekers [voorstelling] op eigen tempo beleven, maar per tijdslot worden maximaal 280 bezoekers toegelaten en de film wordt samen met andere bezoekers bekeken. Die situatie is niet vergelijkbaar met een waarin een bezoeker een film of filmfragment individueel bekijkt, bijvoorbeeld in een privécabine of thuis. De omstandigheid dat het evenement buiten plaatsvindt acht het hof niet van belang, omdat dit ook geldt voor iedere openluchtbioscoop.

4.9.
De overige beroepsgronden behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling.

Tussenconclusie

4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.12.
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het tijdens het vooroverleg innemen van het standpunt dat op de prestaties van belanghebbende het algemene btw-tarief van toepassing is. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.15.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868 en voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van de vertegenwoordigers van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen van respectievelijk € 110 en € 110, is in totaal € 220. Voor de berekening van de reiskosten is het hof uitgegaan van twee personen en het door belanghebbende in de beroepsfase overgelegde formulier waaruit een bedrag van € 27,50 aan reiskosten enkele reis, tweede klasse blijkt. Belanghebbende heeft in de hogerberoepsfase geen nadere specificatie van de gemaakte reiskosten overgelegd.

5Beslissing
Het hof:


verklaart het hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank;


verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


bepaalt dat van de op aangifte voldane belasting € 8.873 wordt teruggegeven;


bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.956.

De uitspraak is gedaan door L.D.M.A. Reijs, voorzitter, A. van Dongen en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van T.S.K.L. Tjon, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

De griffier, De voorzitter,

T.S.K.L. Tjon L.D.M.A. Reijs

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. HvJ 9 september 2021, Phantasialand, ECLI:EU:C:2021:720, punt 28.

2 Vgl. HvJ 1 oktober 2020, X, ECLI:EU:C:2020:786, punten 24 en 30 en HvJ 18 maart 2010, Erotic Center, ECLI:EU:C:2010:149, punten 14 en 16.

ECLI:NL:GHSHE:2026:191

Scroll naar boven