Verordening (EEG) nr. 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

0
40

31986R1336

Verordening (EEG) nr. 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

Publicatieblad Nr. L 119 van 08/05/1986 blz. 0021 – 0024

VERORDENING (EEG) Nr. 1336/86 VAN DE RAAD van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1335/86 (2), inzonderheid op artikel 5 quater, lid 6, Gezien het voorstel van de Commissie, Overwegende dat het Europese Parlement zich bij resolutie van 21 februari 1986 over dit voorstel heeft uitgesproken; Overwegende dat de ontwikkeling van de markt voor melk een verlaging met 3 % noodzakelijk heeft gemaakt van de gegarandeerde totale hoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 en in de bijlage van Verordening (EEG) nr. 857/84 (3) houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de regeling inzake de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten, laatstelijk gewijzigd bij de Akte betreffende de toetreding van Spanje en Portugal; dat deze verlaging in twee etappes plaatsvindt, te weten met 2 % per 1 april 1987 en met 1 % per 1 april 1988; Overwegende dat, ter vergemakkelijking van de vermindering van de leveranties en directe verkoop waarmede de verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden gepaard gaat, een communautaire regeling moet worden ingesteld voor de financiering van de definitieve beëindiging van de melkproduktie door aan elke producent op diens verzoek en mits hij aan bepaalde voorwaarden voldoet, een vergoeding toe te kennen als tegenprestatie voor de toezegging zijnerzijds om de melkproduktie definitief te beëindigen; Overwegende dat, gezien de opgedane ervaring, de vergoeding kan worden vastgesteld op 4 Ecu per 100 kg melk of melkequivalent, te betalen in zeven jaar; dat het, ter bereiking van de verlaging, evenwel nodig kan blijken de vergoeding te verhogen; dat de Lid-Staten derhalve gemachtigd moeten worden over te gaan tot aanvullende financiering waarvan het bedrag kan worden aangepast aan specifieke regionale omstandigheden; dat de aldus door een communautaire en eventueel nationale financiering opgekochte hoeveelheden niet aan de nationale reserve mogen worden toegevoegd noch opnieuw aan producenten of verkopers mogen worden toegewezen; Overwegende dat de vergoeding in beginsel wordt toegekend voor de gehele referentiehoeveelheid; dat dit recht in bepaalde gevallen evenwel moet worden beperkt, met dien verstande dat producenten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening gebruik hebben gemaakt van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 857/84 ervan zijn uitgesloten; Overwegende dat, indien een deel van de voor de communautaire financiering uitgetrokken bedragen, welke in de bijlage bij deze verordening zijn vastgesteld, niet door de Lid-Staten zou worden gebruikt, de betrokken Lid-Staten de bevoegdheid moeten krijgen om de nog beschikbare bedragen voor herstructureringsdoeleinden te gebruiken in het kader van nationale programma’s voor de opkoop van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 857/84, zulks ten gunste van producenten die na de inwerkingtreding van deze verordening aan die programma’s mogen deelnemen; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de gevallen waarin voor het bedrijf pachtovereenkomsten zijn gesloten; Overwegende dat de communautaire vergoeding er op gericht is het evenwicht op de markt van de betrokken produkten te herstellen en derhalve kan worden beschouwd als een interventie in de zin van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 870/85 (5), HEEFT DE VOLGENDE VERORDENINGVASTGESTELD:

Artikel 1

1. Op verzoek van de belanghebbende, onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en binnen de grenzen van de in bijlage I bedoelde hoeveelheden wordt een vergoeding toegekend aan elke producent, zoals deze is gedefinieerd in artikel 12, onder c), eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 857/84, die zich ertoe verbindt om de melkproduktie definitief te beëindigen. Ingeval artikel 12, onder c), tweede alinea, van bovengenoemde verordening van toepassing is, wordt de vergoeding onder dezelfde voorwaarden aan elke aangesloten producent toegekend. De beëindiging van de melkproduktie moet effectief zijn uiterlijk:- op 31 maart 1987 voor het eerste jaar van toepassing;-op 31 maart 1988 voor het tweede jaar van toepassing.2. Voor toepassing van de regeling komen producenten in aanmerking aan wie op grond van artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 een referentiehoeveelheid is toegewezen, hetzij in het kader van de formules A of B, hetzij in het kader van de rechtstreekse verkoop. De Lid-Staten kunnen evenwel besluiten om de vergoeding niet toe te kennen aan producenten met minder dan zes koeien of met een referentiehoeveelheid van minder dan 25 000 kg per jaar. 3. De vergoeding wordt verleend voor de referentiehoeveelheden waarop de producenten bij de inwerkingtreding van deze verordening recht hebben, met uitzondering van die welke op grond van artikel 3, onder 1 en 2, en artikel 4, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EEG) nr. 857/84 zijn toegewezen.

Artikel 2

1. De communautaire financiering van de in deze verordening vastgestelde actie is beperkt tot de in bijlage II genoemde bedragen. 2. De Lid-Staten mogen in het kader van deze bedragen een vergoeding uitkeren van ten hoogste 4 Ecu per jaar en per 100 kg melk of melkequivalent als omschreven in de Verordeningen (EEG) nr. 857/84 en (EEG) nr. 1371/84 (1).De vergoeding wordt gedurende 7 jaar uitbetaald. 3. De Lid-Staten kunnen aan de financiering van de actie bijdragen door de vergoeding te verhogen.Binnen de Lid-Staten kan deze verhoging worden aangepast om rekening te houden met de verschillende plaatselijke omstandigheden ten aanzien van:- de ontwikkeling van de melkproduktie,- het gemiddelde peil van de leveringen per producent,- de noodzaak om de herstructurering van de melkproduktie niet te belemmeren,- het bestaan van mogelijkheden om over te schakelen op andere produktieactiviteiten,- het feit dat de melkproduktie plaatsvindt in een van de gebieden als bedoeld in artikel 3, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG (2), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 82/786/EEG (3). 4. De vergoeding wordt, onder voorbehoud van artikel 1, lid 3, voor de totale referentiehoeveelheid van de aanvrager toegekend.Ingeval een producent twee referentiehoeveelheden heeft, dat wil zeggen een voor de leverantie en een voor de rechtstreekse verkoop, wordt de vergoeding voor de twee referentiehoeveelheden toegekend. 5. Het is mogelijk dat de in bijlage II bedoelde bedragen niet volledig worden gebruikt hetzij in het geval dat de in bijlage I bedoelde hoeveelheden worden bereikt met een vergoeding van minder dan 4 Ecu, hetzij in het geval dat betaling van een vergoeding van ten minste 4 Ecu aan alle rechthebbenden het niet mogelijk maakt die hoeveelheden te bereiken.In die gevallen kan het resterende gedeelte van de in bijlage II bedoelde bedragen terstond door de betrokken Lid-Staat worden gebruikt in het kader van de bepalingen bedoeld in artikel 3, onder 2, en artikel 4, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 857/84. 6. Referentiehoeveelheden die door toepassing van de leden 1 tot en met 4 vrijkomen, mogen niet voor andere bestemmingen worden gebruikt of opnieuw worden toegewezen.

Artikel 3

1. Ingeval er een pachtovereenkomst is gesloten, dient de aanvraag voor de vergoeding door de pachter te worden ingediend. 2. De Lid-Staten kunnen de voorwaarden bepalen waaronder de pachter de aanvraag ter verkrijging van de vergoeding kan indienen en waaronder de vergoeding kan worden uitgekeerd.

Artikel 4

Eenmaal per jaar verstrekken de Lid-Staten de Commissie, uiterlijk op 31 mei 1987 en 31 mei 1988 respectievelijk voor de perioden die op 31 maart 1987 en 31 maart 1988 verstrijken, alle gegevens die noodzakelijk zijn ter beoordeling van de doelmatigheid van de in deze verordening bedoelde actie.

Artikel 5

De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 30 van Verordening (EEG) nr. 804/68 de uitvoeringsbepalingen van deze verordening vast en met name:a) de periode voor de indiening van de aanvragen en de gegevens die deze moeten bevatten;b)de voorwaarden en de termijnen voor de goedkeuring van de aanvragen;c)de voorschriften inzake de uitkering van de vergoeding;d)de voorschriften inzake de controle op de inachtneming van de verbintenissen die uit de toekenning van de vergoeding voortvloeien;e)de voorschriften inzake de terugvordering van de uitgekeerde bedragen als die verbintenissen niet in acht worden genomen;f)de wijze van toepassing van artikel 2, lid 5, en artikel 4.

Artikel 6

De in artikel 2, lid 1, vastgestelde financiering van de actie wordt beschouwd als een interventie in de zin van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 729/70.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 1986.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 6 mei 1986. Voor de Raad De Voorzitter P. H. van ZEIL

(1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13.

(2) Zie blz. 19 van dit Publikatieblad.

(3) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 13.

(4) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13.

(5) PB nr. L 95 van 2. 4. 1985, blz. 1.

(1) PB nr. L 132 van 18. 5. 1984, blz. 11.

(2) PB nr. L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1.

(3) PB nr. L 327 van 24. 11. 1982, blz. 19.