Weigering nultarief metaalhandel: gebrekkige KYC en onzakelijke buffers leiden tot wetenschap btw-fraude
Belanghebbende, een fiscale eenheid actief in de groothandel in (oude) metalen, heeft in 2017 intracommunautaire leveringen (ICL’s) verricht aan diverse afnemers in het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van signalen uit strafrechtelijke onderzoeken (FIOD) en informatie-uitwisseling met de Britse autoriteiten (HMRC), heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat deze transacties onderdeel waren van een keten van btw-fraude. De Britse afnemers bleken zogenoemde missing traders of buffers die geen btw afdroegen, fictieve inkopen opvoerden of onbereikbaar waren voor de fiscus. De Belastingdienst heeft daarop de toepassing van het nultarief geweigerd en een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, omdat belanghebbende wist of behoorde te weten van de fraude. Kenmerkend in deze casus was het gebruik van tussenschakels (buffer-BV’s) zonder economische toegevoegde waarde, via welke betalingen nagenoeg één-op-één werden doorgeleid naar belanghebbende.
In geschil is of de Belastingdienst het nultarief terecht heeft geweigerd. De kernvraag is of sprake is van fraude in de keten en of belanghebbende dit wist dan wel behoorde te weten. Belanghebbende stelt dat zij te goeder trouw handelde, kredietchecks liet uitvoeren en niet kon weten dat een afnemer bijvoorbeeld fictieve inkoopfacturen gebruikte. Volgens de Belastingdienst, gelet op de rechtspraak van het HvJ (o.a. Italmoda en Kittel), vervalt het recht op het nultarief omdat belanghebbende onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht in een risicosector en signalen van fraude heeft genegeerd.
Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat weigering van het nultarief mogelijk is indien de ondernemer wist of moest weten dat hij deelnam aan fraude (HvJ Italmoda, C-131/13; Ferimet, C-281/20). Het Hof acht bewezen dat er sprake was van btw-fraude bij de Britse afnemers. Vervolgens oordeelt het Hof dat belanghebbende dit behoorde te weten. Het Hof wijst op het gebrekkige Know Your Customer (KYC)-onderzoek; zo handelde een afnemer volgens het handelsregister in telecom in plaats van metaal en ontbraken milieuvergunningen. Ook de constructie met nutteloze tussenschakels, het snelle verloop van afnemers en eerdere waarschuwingen aan leidinggevenden wegen zwaar. Dat belanghebbende geen complexe controles hoeft uit te voeren zoals de fiscus (Global Ink Trade, C-537/22), ontslaat haar niet van haar plicht redelijke maatregelen te nemen.
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2025
Datum publicatie
02-02-2026
Zaaknummer
BK-25/285
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:4628, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Tabel II, post a.6 Wet op de omzetbelasting 1968. Aannemelijk dat afnemers van belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk btw-fraude hebben gepleegd. Belanghebbende wist dan wel behoorde te weten dat btw-fraude in de handelsketens plaatsvond waarvan zij deel uitmaakte. Het nultarief op de intracommunautaire leveringen aan de afnemers in het Verenigd Koninkrijk is terecht geweigerd.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026020304
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/126
V-N Vandaag 2026/191
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/285
Uitspraak van 17 december 2025
in het geding tussen:
(gemachtigde: B.F.M. de Koning)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 maart 2025, nummer SGR 23/5136.
Procesverloop
1.1.
Aan de fiscale eenheid [belanghebbende] (de fiscale eenheid) is voor het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 2.572.394 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 483.695 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 21 oktober 2025 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 6 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Algemeen
2.1.1.
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).
2.1.2.
In het tijdvak waarop de naheffingsaanslag ziet, bestond belanghebbende uit [Holding B.V.] (Holding BV), [Handel B.V.] en [Beheer B.V.] (Beheer BV). Op 30 november 2022 is het faillissement van [Handel B.V.] uitgesproken. Vanaf 1 december 2022 bestaat belanghebbende daarom nog uit Holding BV en Beheer BV.
2.1.3.
[A] is 100% aandeelhouder van Holding BV. Holding BV is 100% aandeelhouder van [Handel B.V.] en Beheer BV. [A] is bestuurder van Holding BV en [Handel B.V.] , Holding BV is bestuurder van Beheer BV.
2.1.4.
[B] is in de periode 1 juni 2014 tot en met 1 oktober 2018 commercieel directeur en volledig gevolmachtigde van [Handel B.V.] .
2.1.5.
[C] is medewerker bij [Handel B.V.] . Zijn werkzaamheden hebben betrekking op logistiek en transport.
2.1.6.
De ondernemingsactiviteiten van [Handel B.V.] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:
– Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;
– Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;
– Het in- en verkopen van oude metalen; en
– Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.
Strafrechtelijk onderzoek en naheffingsaanslagen
2.2.1.
De FIOD is onder de naam [Onderzoek 1] een strafrechtelijk onderzoek gestart naar een vermoeden van btw-carrouselfraude waarbij Nederlandse bedrijven metaal zouden hebben geleverd aan zeven Britse afnemers die in het Verenigd Koninkrijk zouden hebben gefraudeerd met de omzetbelasting. Verdachten in dit strafrechtelijk onderzoek zijn onder meer [Handel B.V.] , Holding BV en Beheer BV. Onderzoek [Onderzoek 1] vloeit voort uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd [Onderzoek 2] , naar verdenking van btw-carrouselfraude bij – onder anderen – handelspartners van [Handel B.V.] .
2.2.2.
Naar aanleiding van informatie opgenomen in de processen-verbaal van de strafrechtelijke onderzoeken [Onderzoek 1] en [Onderzoek 2] , heeft een controlemedewerker van de belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting van belanghebbende over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Het onderzoek heeft zich beperkt tot de stukken die zijn verkregen van de FIOD en is beperkt tot een aantal Britse afnemers. De controlemedewerker is tot de conclusie gekomen dat [Handel B.V.] wist of had moeten weten dat ze met de beschreven transacties onderdeel uitmaakte van handelsketens waarin btw-fraude is gepleegd. [Handel B.V.] heeft volgens de controleambtenaar niet alles gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om dit te voorkomen. Daarom heeft belanghebbende, waarvan [Handel B.V.] tot haar faillissement deel uitmaakte, volgens de controlemedewerker voor een deel van haar intracommunautaire leveringen ten onrechte aanspraak gemaakt op het nultarief.
2.2.3.
De controlemedewerker heeft zijn bevindingen neergelegd in een controlerapport met dagtekening 1 december 2022. In het rapport wordt meegedeeld dat aan belanghebbende een naheffingsaanslag zal worden opgelegd ten bedrage van € 2.572.394 (21/121 * € 14.821.893). Deze bedragen zijn gebaseerd op de volgende bedragen die in de opgaven ICP van belanghebbende zijn opgenomen met betrekking tot de zeven Britse afnemers uit het onderzoek:
Naam afnemer
ICP 2016 (€)
[Ltd. 1]8.321.408
[Ltd. 2]–
[Ltd. 3]1.968.613
[Ltd. 4]–
[Ltd. 5]4.531.872
[Ltd. 6]–
[Ltd. 7]–
Totaal
14.821.893
2.2.4.
Met dagtekening 29 december 2022 is de naheffingsaanslag conform het controlerapport opgelegd.
2.2.5.
[Handel B.V.] is strafrechtelijk vervolgd voor het opzettelijk doen van onjuiste btw-aangiften in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 en voor het valselijk opmaken van haar bedrijfsadministratie in de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 november 2018. Bij vonnis van de strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2282, is [Handel B.V.] volledig vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd. De strafkamer van hof Amsterdam heeft vervolgens bij arrest van 24 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1784 bewezen verklaard dat [Handel B.V.] opzettelijk onjuiste btw-aangiften heeft gedaan en valselijk haar bedrijfsadministratie heeft opgemaakt. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1096, het cassatieberoep van [Handel B.V.] verworpen. In dit arrest is onder meer overwogen:
“3.3. (…) Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, terwijl zij tevoren bekend was met (het risico van) btw-fraude met schroot in het Verenigd Koninkrijk, in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 tientallen miljoenen euro’s aan vele verschillende Britse vennootschappen heeft gefactureerd voor metaalschroot. Daarbij was opvallend dat de btw-identificatienummers van de Britse vennootschappen aan wie de verdachte en haar mededaders hebben gefactureerd na verloop van tijd (vrijwel) steeds werden ingetrokken en dat die vennootschappen ook werden ontbonden.
Uit nader onderzoek naar twaalf van deze vennootschappen is gebleken dat geen van deze vennootschappen heeft voldaan aan haar fiscale verplichtingen, dat zij veelal namen en/of doelstellingen hadden die niet in verband kunnen worden gebracht met de handel in schroot en dat de Britse belastingdienst in tien van die gevallen geen contact heeft kunnen krijgen met deze vennootschappen. In de twee overige gevallen heeft de bestuurder van de vennootschap aangegeven een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan, of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven, wat naar het oordeel van het hof bijzonder is, gelet op de omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd.
De verklaring van mededader [medeverdachte 3] dat de verdachte zaken heeft gedaan met “bekende ondernemingen die al langer bestaan, waar we de directeuren van kennen en waarvan deze directeuren ook langs kwamen bij [verdachte] BV” valt volgens het hof met de constateringen die over deze ondernemingen zijn gedaan niet te rijmen.
Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte na verloop van tijd zonder zakelijke argumenten eerst mededader [A] B.V. en daarna mededader [D] B.V. als tussenschakels naar voren heeft geschoven. De verdachte had met die bedrijven een ongebruikelijk vergaande, niet bij een zakelijke relatie passende bemoeienis en alle betalingen die deze bedrijven van de Britse vennootschappen hebben ontvangen zijn (bijna) één-op-één overgeboekt naar de verdachte, wat niet uit een zakelijke relatie te verklaren is.
Op grond van dit alles heeft het hof de conclusie getrokken dat “voor het totaalbeeld van de Britse vennootschappen” geen andere logische verklaring bestaat dan dat zij vehikels zijn geweest voor het plegen van btw-fraude. Doordat zij “lege hulzen” c.q. katvangers waren aan wie het schroot niet kan zijn geleverd, is grotendeels verhuld wie de werkelijke afnemers van het schroot zijn geweest.
Gelet op dit alles kon het volgens het hof niet anders zijn dan dat de verdachte en haar mededaders hebben geweten van de btw-fraude, maar dat zij desondanks facturen hebben uitgereikt aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers. Daardoor hebben zij zelf btw-fraude gepleegd.
Dat oordeel is (…) toereikend gemotiveerd.”.
Verloop afnemers in het Verenigd Koninkrijk
2.3.
In het proces-verbaal […] is een “VIESOUT-trappetje” opgenomen waaruit het verloop van de afnemers in het Verenigd Koninkrijk volgt vanaf het eerste kwartaal 2015 tot en met eerste kwartaal 2019. Uit het VIESOUT-trappetje volgt dat de onderstaande bedragen door [Handel B.V.] (witte vlakken) en de fiscale eenheid (zwarte vlakken) zijn opgenomen in de opgaven ICP.
Onderzoek naar de afnemers in het Verenigd Koninkrijk (algemeen)
2.4.1.
[B] is in 2013 via [B.V. 8] als aandeelhouder betrokken bij [B.V. 9] , een vennootschap met vergelijkbare activiteiten als [Handel B.V.] . De Inspecteur heeft op 6 maart 2013 een waarschuwingsbrief aan [B.V. 9] , ter attentie van de heer [B] , gestuurd waarin de vennootschap wordt gewaarschuwd voor intracommunautaire btw-fraude en de kenmerken daarvan. De vennootschap wordt onder meer erop gewezen dat zij zorgvuldig moet zijn bij de keuze van de handelspartners om te voorkomen dat zij onderdeel wordt van btw-fraude ( […] ).
2.4.2.
[C] heeft over de relatie tussen de Belastingdienst en [B.V. 9] en de waarschuwingsbrief verklaard:
“Ze kwamen voor hetzelfde als waar ze voor bij [Handel B.V.] kwamen. lk weet nog dat we bezoek kregen en dat ze riepen over btw-fraude en carrouselfraude. lk weet nog dat ik een formulier kreeg waarin kenmerken stonden waar je op moest letten bij internationale handel. We hadden er nooit over nagedacht dat de btw in Engeland niet verlegd is, zoals in Nederland of België. Maar we zijn nooit teruggefloten door de Belastingdienst die zei dat dit raar was of dat niet kon. Sterker nog we hebben gevraagd aan de Belastingdienst of ze per klant wilden aangeven of een klant goed was om zaken mee te doen of niet, maar dat was ook niet nodig. Vanaf toen wist ik ook hoe belangrijk het was om je KYC op orde te brengen. [B.V. 9] heeft niet lang bestaan.”
( […] p.6)
2.4.3.
Er zijn verschillende verklaringen afgelegd over het onderzoek door belanghebbende naar de afnemers in het Verenigd Koninkrijk (KYC (‘know your customer’)-onderzoek). Zo heeft [A] op de vraag wie onderzoek naar afnemers deden verklaard:
“Voornamelijk [D] en [H] . [C] zou dit af en toe ook gedaan kunnen hebben. Zij checken of het btw-nummer geldig is. Zelf doe ik ook wel eens wat hiervoor. We worden via bijvoorbeeld onze website door bedrijven uit de hele wereld benaderd om te handelen. Als bijvoorbeeld een nieuwe Indische afnemer voor het eerst contact opneemt om zaken te doen met [Handel B.V.] , dan kijk ik eerst of ik het bedrijf ken of bel ik bijvoorbeeld eerst mensen om te vragen of deze Indische afnemer te vertrouwen is. lk vraag dan of ik hun bijvoorbeeld op krediet kan leveren. Kortom het is voor mij niet te doen om voor elk bedrijf dat ons benadert onderzoek te doen. Als het serieuzer wordt dan wil ik het liefst werken met vooruitbetaling en anders LC’s of CAD. Hiermee ben je meer zeker dat je je geld krijgt. Je moet weten dat er zoveel bij komt kijken. Wat mij betreft is de check van de afnemer niet anders voor een Europese afnemer of een niet-Europese afnemer.
Uitgaande van de standaard checks ga ik ervan uit dat van [Ltd. 1] het btw-nummer is gecheckt. Je moet aan [B] vragen of hij hiervoor navraag heeft gedaan bij bekenden. Wel weet ik dat daarnaast [kredietverzekeraar] voor [Handel B.V.] [Ltd. 1] heeft doorgelicht. Daarbij heeft [kredietverzekeraar] een kredietcheck uitgevoerd. [kredietverzekeraar] is onze kredietverzekeraar en heeft gezegd dat [Ltd. 1] een goed bedrijf is en heeft een krediet gegeven van 2 tot 3 ton euro. Het exacte bedrag weet ik niet, maar het is voor mij wel een teken dat [Ltd. 1] een kredietwaardig bedrijf is. lk ga er dus vanuit dat als het btw-nummer van [Ltd. 1] zou zijn ingetrokken, dan had [kredietverzekeraar] [Ltd. 1] dit niet zo beoordeeld. lk vraag mij af hoe een bedrijf als [Handel B.V.] , met haar beperkte middelen, een bedrijf als [Ltd. 1] door kan lichten. Als zelfs een onderneming als [kredietverzekeraar] [Ltd. 1] als kredietwaardig beoordeelt, hoe had [Handel B.V.] dat dan moeten doen?”
( […] , p. 3)
[C] heeft verklaard:“Meestal gaan er eerst meerdere fysieke gesprekken en/of telefoongesprekken aan vooraf. We willen de mensen leren kennen. Ook vragen we vaak een vooruitbetaling. Uitzondering hierop is als een afnemer goede referenties heeft. Hiervoor hebben we in het verleden met [kredietverzekeraar] gewerkt, een kredietverzekeraar. Bij hun vroegen we om een advies over een afnemer. Afhankelijk van hun advies kon om een vooruitbetaling worden gevraagd. Nu doen we geen zaken meer met [kredietverzekeraar] , omdat we een issue hebben met hun. Dit betreft een niet-betalende debiteur waarvan ze niet willen uitbetalen. Deze debiteur betreft [Ltd. 1] . Deze onderneming is geen missing trader.
Inmiddels hebben we zoveel in Engeland zaken gedaan dat we benaderd worden door afnemers daar en het komt ook voor dat we afnemers weigeren. Het komt ook voor dat Britse afnemers voor de poort staan en dat we moeten weigeren om te laden. Wij weigeren dan bijvoorbeeld omdat de prijs die ze willen betalen dan niet goed genoeg is. Bij elke afnemer vragen we een KYC Pack. Dit houdt in dat we een btw-check doen via VIES, een kopie paspoort van de directeur opvragen en een inschrijving in het lokale handelsregister opvragen. Deze KYC Pack wordt door mij opgevraagd bij Engelse afnemer. Mijn werkzaamheden zijn logistieke taken en toezicht op de werkzaamheden op de werf.”
( […] , p. 3)
en
“Soms zitten er gegevens van de afnemer bij de eerste factuur en soms bij een latere factuur.
Maar we bewaren dit niet altijd in een apart klantendossier. Als het met een e-mail is ontvangen, dan kun je dat terugvinden in de e-mail. Maar waarom moeten we dit doen. Als je bij de Albert Heijn boodschappen doet of bij een fietsenmaker komt dan wordt er toch ook geen onderzoek naar je gedaan?”
( […] , p. 5)
[D] , administratief medewerker bij [Handel B.V.] , heeft op de vraag op welke wijze onderzoek werd gedaan naar nieuwe afnemers verklaard:“Dat doe ik niet. Je vraagt hoe wij weten hoe iemand kan betalen, wanneer de vracht is geladen worden de gegevens van de afnemer gecheckt zoals ik daarnet heb verteld. Hiermee bedoel ik in ieder geval de bedrijfsgegevens en het BTW-nummer van de afnemer. Op het moment dat [C] de vracht heeft gewogen, neemt hij contact op met de afnemer. De vracht wordt pas verzonden nadat een betaling van de afnemer is ontvangen.”
( […] , p. 4)
2.4.4.
Twee medewerkers van de Belastingdienst hebben op 15 augustus 2017 [Handel B.V.] bezocht in het kader van SCAC-verzoeken over [Bedrijf 10] en [Ltd. 2] . In een proces-verbaal van een getuigenverhoor staat daarover:
“De heer […] en de heer […] hebben alle SCAC-verzoeken bij [Handel B.V.] behandeld en terug gerapporteerd aan het Verenigd Koninkrijk en [buitenland] . De Belastingdienst medewerkers moesten aantonen of de ICP-leveringen juist waren. De heer […] heeft mij vertelt dat tijdens hun onderzoek geen dingen geconstateerd zijn die niet juist waren. De leveringen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en zijn in dat kader dus intracommunautair. Daarnaast zijn door [Handel B.V.] ook de desbetreffende btw-nummers van de afnemers gecontroleerd. In ieder geval van [Bedrijf 10] . Volgens de heer […] en de heer […] ging alles, voorzover ze dat konden zien, volgens de regels.
De heer […] heeft aan mij aangegeven dat de Belastingdienst [Handel B.V.] niet heeft aangegeven of ze moesten stoppen met de handel. De Belastingdienst blijft in dit soort gevallen altijd heel algemeen. De Belastingdienst gaat nooit adviseren of men moeten stoppen of doorgaan met de handel, aldus de heer […] . Volgens de heer […] duidde alles erop dat het om ICP’s ging. De aangeleverde documenten door [Handel B.V.] aan de Belastingdienst waren in orde. De heer […] en […] hebben geen onvolkomenheden ontdekt die tot enige twijfel zou moeten leiden.
De Belastingdienst heeft zich puur gericht op het onderzoek naar de specifieke vragen in de bovengenoemde SCAC-verzoeken. Zij hebben geen andere transacties meegenomen en/of onderzocht.”
( […] , p. 2)
[Ltd. 1]2.5.
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Ltd. 1] :
Oprichting
De vennootschap is op 7 februari 2013 opgericht onder de naam [Ltd. 11]
( […] , p. 3 / […] , p. 1)
De directeur [E] is naast directeur van [Ltd. 1] , bij in totaal tien andere ondernemingen betrokken (geweest). Van deze tien ondernemingen zijn zes ondernemingen op 7 en 12 juli 2010 ontbonden/in liquidatie gegaan.
( […] , p. 3-4)
Activiteiten volgens handelsregister
“Agents involved in the sale of fuels, ores, metals and industrial chemicals” en “Fund Management Activities”
( […] , p. 1)
Inhoud KYC-pack
Uit het digitale beslag volgt dat [Ltd. 1] op 24 oktober 2016 in een e-mail aan [Handel B.V.] het bedrijfsregistratienummer, het btw-nummer en algemene bedrijfsinformatie heeft opgenomen. In het onderzoek is verder geen informatie over KYC-onderzoek, zoals inzage in het handelsregister, door [Handel B.V.] naar [Ltd. 1] aangetroffen.
[A] heeft verklaard dat [kredietverzekeraar] de kredietwaardigheid van [Ltd. 1] heeft onderzocht.( […] , p. 6 / […] , p. 1 / […] , p. 3)
Klantenbestand
In het klantenbestand van [Handel B.V.] is het e-mailadres [e-mailadres] opgenomen als e-mailadres van [Ltd. 1] .
( […] , p. 6)
Milieuvergunning
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling “Environment Agency” die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Ltd. 1] beschikte pas vanaf 19 oktober 2017 over een vergunning.
( […] , p. 2)
Afleveradres goederen
De goederen zijn afgeleverd op een ander adres dan het vestigingsadres van [Ltd. 1] .
( […] , p. 4)
Goederenstroom
De belastingautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (HMRC) heeft de Belastingdienst in juni 2016 om informatie verzocht. In dit verzoek staat:
“ [Ltd. 1] is suspected of MTIC fraud and also possible money laundering. The known deal chain: [B.V. 12] (NL) > [Ltd. 1] (UK) > [Ltd. 13] (UK) or [Ltd. 14] (UK).”
( […] , p. 7)
[Handel B.V.] was de grootste leverancier van [B.V. 12] . [B.V. 12] heeft intracommunautaire leveringen aan afnemers in het Verenigd Koninkrijk verricht en is betrokken in hetzelfde strafrechtelijk onderzoek als [Handel B.V.] . [Handel B.V.] heeft zelf ook intracommunautaire leveringen aan [Ltd. 1] verricht.Verplichtingen [Ltd. 1] in het Verenigd Koninkrijk
In een namens HMRC afgelegde getuigenverklaring staat dat [Ltd. 1] (nagenoeg) geen omzetbelasting heeft voldaan in het Verenigd Koninkrijk door het opnemen van fictieve aankopen van goederen in het Verenigd Koninkrijk in de aangiften omzetbelasting:
“ [Ltd. 1] did not fulfil its tax (VAT) obligations with HMRC. The total VAT debt owing to HMRC was £11,904,502.38.
(…)
[Ltd. 1] did pay its small VAT liabilities due. The VAT returns rendered to HMRC did not include VAT repayments. [Ltd. 1] was a UK buffer type trader. [Ltd. 1] was not a UK missing trader. Its day-to-day UK trading address was in [Engelse woonplaats] . [Ltd. 1] had a live UK VAT number of […] from 21/07/2014 to 31/08/2017. [Ltd. 1] had its UK VAT number compulsory taken away by HMRC using the abuse argument (Ablessio). From 01/09/2017 the UK VAT number of […] was not live. [Ltd. 1] was involved In MTIC / Supply Chain Fraud against HMRC. [Ltd. 1] had eight Kittel denial decisions taken against them. The VAT periods Involved and Input Tax (VAT) denied is shown below:11/15 £431,010.00
02/16 £1,438,383.00
05/16 £1,865,175.00
08/16 £1,419,948.00
11/16 £2,524,541.00
02/17 £1,946,180.00
05/17 £914,020.00
99/99 £888,942.00
HMRC did not take any criminal investigation action against [Ltd. 1] .
[Ltd. 1] acquired goods from the EU and these were offset by false UK purchases. The goods purchased in the UK from defaulters were not sold on anywhere. No onwards sales invoices and no UK business bank statements were provided by [Ltd. 1] to support the transactions (deals).”( […] , p. 1-2)
[Ltd. 3]2.6.
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Ltd. 3] :
Oprichting
De Britse onderneming [Ltd. 3] is opgericht op 21 juli 2015. ( […] )
Activiteiten volgens handelsregister
“Agents involved in the sale of fuels, ores, metals and industrial chemicals.” en “Management consultancy activities, other than financial management.” ( […] , blz. 11)
Inhoud KYC-pack
Uit het onderzoek naar het fysiek en digitaal beslag bij [Handel B.V.] volgt niet dat KYC-informatie is aangetroffen.
( […] , p. 5-8)
Milieuvergunning
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling “Environment Agency” die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Ltd. 3] beschikte pas vanaf 18 oktober 2017 over een vergunning.
( […] , p. 2)
Afleveradres goederen
Het vestigingsadres van [Ltd. 3] is een postadres. ( […] en […] )
De goederen zijn afgeleverd op een ander adres dan het vestigingsadres van [Ltd. 3] .
( […] )
Goederenstroom
De belastingdienst heeft de belastingautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (HMRC) in november 2017 om informatie verzocht over [Ltd. 3] . [Ltd. 3] heeft naar aanleiding van dit verzoek onder meer verklaard dat:
– [Handel B.V.] voor [Ltd. 3] een leverancier van grondstoffen is,
– de goederen zijn afgeleverd op [Engels adres 1] ,
– de goederen verkocht zijn aan [Ltd. 15] ,
– de transporteur niet bekend was bij [Ltd. 3] , omdat het transport wordt geregeld door de leverancier. Dit was een onderdeel van de overeenkomst,
– [Ltd. 3] niet kan bevestigen wie de eigenaar van het vervoersmiddel is, aangezien de leverancier het vervoer regelt.
( […] , p. 8)
Verplichtingen [Ltd. 3] in het Verenigd Koninkrijk
De belastingdienst heeft de belastingautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (HMRC) in november 2017 om informatie verzocht over [Ltd. 3] . In de reactie van HRMC op dit verzoek staat onder meer:
“Our officer contacted the UK trader who replied by email and answered the questions (please see below). The UK trader has not responded to requests for a meeting and HMRC have subsequently deregistered the trader. The company was deregistered with effect from 17/01/2018.”
( […] , p. 8)
De FIOD heeft een Europees Onderzoeksbevel over [Ltd. 3] verstuurd naar de HMRC. Als reactie op het bevel heeft de FIOD een getuigenverklaring van de HMRC ontvangen. Hierin staat onder meer:
“We have made contact with Mr [F] the director of [Ltd. 3] and he has advised us that he does not want to assist us with your request.”
En
“(1) Did [Ltd. 3] fulfil its tax obligations (VAT)?
No.
(…)
(3) Did these VAT returns include Intra-Community acquisitions? If so, which period and what amount.
Only the VAT return for the period ended 30.11.17 shows £4,422,936 of acquisitions.
(4) Did [Ltd. 3] pay the VAT to the UK authorities correctly (or did they only receive VAT refunds)? If no, which period and what amount?
No, [Ltd. 3] have an outstanding VAT debt for the period ended 30.11.17 in the amount of £2,364.55 and a surcharge for the period ended 30.11.17 in the amount of £236.45.
(5) Is [Ltd. 3] a missing trader? If so, what investigation did HMRC conduct to come to this conclusion?
HMRC has concluded that [Ltd. 3] is a missing trader. An unannounced visit to the company was made by an HMRC officer on 9th January 2018 to [Engels adres 2]
which was a mail drop address. A letter was left for the company to contact HMRC and they did not responded to their letter by 16th January 2018.
(…)
(9) Did [Ltd. 3] ever occur in a criminal investigation or tax investigation in the
UK? If so, what did the investigation relate to?
[Ltd. 3] was not the subject of any criminal or tax investigation in the UK but the name of the company did feature in connection with a UK operation involving VAT fraud.”( […] , p. 1 en 4)
[Ltd. 5]2.7.
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Ltd. 5] :
Oprichting
De Britse onderneming [Ltd. 5] is opgericht op 25 november 2015. ( […] )
Activiteiten volgens handelsregister
“Wired telecommunications activities”
( […] )
Inhoud KYC-pack
Uit het onderzoek naar het fysiek en digitaal beslag bij [Handel B.V.] volgt niet dat KYC-informatie is aangetroffen.
( […] , p. 4-6)
Milieuvergunning
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling “Environment Agency” die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Ltd. 5] beschikte niet over een vergunning.
( […] , p. 2)
Afleveradres goederen
Het vestigingsadres van [Ltd. 5] is een woonadres. ( […] , p. 10)
Goederenstroom
[Ltd. 5] heeft ook goederen afgenomen van [B.V. 12] . Uit debankafschriften van [Ltd. 5] volgt dat [B.V. 12] in de periode 22 februari 2017 tot en met 15 juni 2017 in totaal GBP 3.588.063,98 heeft ontvangen van [Ltd. 5] . In de periode 27 februari 2017 tot en met 2 juni 2017 heeft [B.V. 12] GBP 3.661.813,98 overgeboekt naar [Handel B.V.] . De GBP 3.588.063,98 afkomstig van [Ltd. 5] maken onderdeel uit van de GBP 3.661.813,98. Het geldspoor is, met uitzondering van enkele vermengingen, bijna een op een te volgen van [Ltd. 5] via [B.V. 12] naar [Handel B.V.] .
( […] en […] )
Verplichtingen [Ltd. 5] in het Verenigd Koninkrijk
De belastingdienst heeft de belastingautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (HMRC) om informatie verzocht over [Ltd. 5] . In de reactie van HRMC op dit verzoek staat onder meer:
“It was agreed that [G] would be available on 22 May 2017 to answer questions. On 22 May, [G] telephoned to cancel the visit and indicated that would phone again to arrange a new meeting. After that, HMRC has not heard anything from [G] anymore and has been unable to contact him.
Subsequently, [Ltd. 5] was deregistered for VAT purposes due to default of payment as from 10 June 2017. [Ltd. 5] also has not yet filed any VAT returns. In the SCAC request, HMRC states that [Ltd. 5] was a defaulter (i.e. missing trader).”
( […] , p. 10)
De FIOD heeft een Europees Onderzoeksbevel over [Ltd. 5] verstuurd naar de HMRC. Als reactie op het bevel heeft de FIOD een getuigenverklaring van de HMRC ontvangen. Hierin staat onder meer:
“I can confirm that data on HMRC systems indicates the following.
[Ltd. 5] did not fulfil Its tax obligations and was registered on 19/03/2016 and was cancelled on 9/06/2017, during which time the company filed NIL returns”( […] , p. 3)
WhatsApp-gesprekken
2.8.1.
In het strafdossier zijn gesprekken uit een whatsappgroep ‘ [naam 1] ’, opgenomen waarin [I] (R), en [C] , [A] en [B] en [J] deelnemen:
26/11/2015
“R: So lett me know about invoices. And I Immediately send invoice
[J] : Load 31 […]Weight 26,240 @ £3047
Total £79,953.28
Any reject to be agreed and deducted from the next load
Did you send this one [I] ?
[J] : This was payment made just nowR: Tomorrow T look if T have sent this invoice. Otherwise, T make that tomorrow morning
[J] : Thanks mate”( […] )
en
27/11/2015
“ [J] : Load 35 […] 26,460 — R 150 from […] net weight 26,310 @ £3073 total £80,850.63
[B] : ok mate thx [J] : Please invoice [B] : Is [I] awake to invoice (…)R: I send invoice to [Ltd. 1] And […] in 5 min
[C] 2: Ok [J] : 1st payment done swift in 15 mins(…)
[B] : So today 1 more payment is coming? [J] : Yes mate [B] : Check also Cu try to fix another 150 mt. [B] : 200 also good @ 3100 GBP [het hof begrijpt hier en hierna: Britse ponden](…)
[J] : 2nd payment only 24MT paid [J] : I put details later when I’m at homeR: Let me know. So 1 can make invoice monday
[J] : Yes mate no invoice until I discuss with [B] thanks have nice weekend”( […] )
en
“[30-11-15 10:24:03] [J] :
so you know on all loads we will check reject later as our client is invoicing on ‘weight ticket so he gets paid faster and his client will process and advise after what reject is then we discuss agree and minus off next load so please check here for weights to invoice and price etc.
Load 37 […]
weight 26,160 @ 3073
£80,389.68
Please invoice
[30-11-15 10:41:39] R: I make invoice in 2 hour(…)
[30-11-15 14:46:44] [C] 2: Mate, because of accounting reasons we need to invoice all the loads today that we’ve send in November [30-11-15 14:47:05] [C] 2: We can not wait until we have your approval [30-11-15 14:48:04] [C] 2: So I will let [B.V. 12] invoice all @3073 and then afterwards we can make claim invoices and price adjustments”( […] )
2.8.2.
Het strafdossier vermeldt in […] onder meer:
“Whatsapp
[…] p.9 Op 22 december 2015 geeft [J] in de groeps-App de
factuurgegevens door, het nettogewicht wordt gecorrigeerd van
26,420 naar 25,553:
[22-12-15 13:41:15] [J] : Load 65 […]26,420 – Reject 867
Net 25,553 @ £3035
£77,553.35
Please Invoice
[…] In de inbeslaggenomen administratie van [B.V. 12] is bijbehorende factuur aan [Ltd. 1] aangetroffen. […] Tevens is de factuur van [Handel B.V.] aan [B.V. 12] aangetroffen waarophet verschil gecorrigeerd wordt.
[…] p.11Aangifte [Ltd. 1] bij HMRCOp de aangifte van [Ltd. 1] is de inkoopfactuur 20150115 op 22 december 2015 vermeld.
Op 23-12-2015 is 25,453 mt door [Ltd. 1] verkocht aan [Ltd. 13] , Ref 100126 met 20% VAT = GBP 11.092,64 (verkoopprijs GBP 55.463,20).
Vermoedelijk is dit bovengenoemde vracht ( […] ), en lijdt [Ltd. 1] een verlies van GBP 22.090,15.”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Weigering nultarief
12. [Handel B.V.] heeft in 2017, voor zover hier van belang, de volgende intracommunautaire leveringen verricht:
– In maart 2017 aan [Ltd. 1] voor een bedrag van € 470.060.
– In april 2017 aan [Ltd. 5] voor een bedrag van € 2.892.799.
– In mei 2017 aan [Ltd. 1] voor een bedrag van € 508.920 en aan [Ltd. 5] voor een bedrag van € 1.639.073.
– In juni 2017 aan [Ltd. 1] voor een bedrag van € 1.602.961.
– In juli 2017 aan [Ltd. 1] voor een bedrag van € 2.909.525
– In augustus 2017 aan [Ltd. 1] voor een bedrag van € 3.129.942 en aan [Ltd. 3] voor € 133.769.
– In september 2017 aan [Ltd. 3] voor een bedrag van € 315.974.
– In oktober 2017 aan [Ltd. 3] voor een bedrag van € 471.086 en aan [Ltd. 1] voor € 95.400.
– In november 2017 aan [Ltd. 3] voor een bedrag van € 1.047.784 en aan [Ltd. 1] voor een negatief bedrag van € 95.400.
13. Niet in geschil is dat de leveringen aan deze drie afnemers, ter zake waarvan eiseres aanspraak maakt op de toepassing van het nultarief, zijn aan te merken als intracommunautaire leveringen van goederen en dat op zichzelf is voldaan aan de materiële en formele voorwaarden voor de toepassing van dat nultarief. Verweerder stelt evenwel dat deze afnemers btw-fraude hebben gepleegd in de handelsketens waarvan ook [Handel B.V.] deel uitmaakte en dat [Handel B.V.] dit wist dan wel had moeten weten.
14. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat nationale autoriteiten en rechtelijke instanties de rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik moeten weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering.[5]
15. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het aan de belastingdienst om -overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels en zonder de doeltreffendheid van het Unierecht aan te tasten – aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat hij met zijn transacties onderdeel was van een dergelijke fraude. Het is vervolgens aan de nationale rechter om na te gaan of de belastingdienst het bestaan van dergelijke objectieve gegevens heeft aangetoond.[6]
16. In zijn arrest van 19 januari 2018[7] heeft de Hoge Raad over dat te leveren bewijs, voor zover hier van belang, geoordeeld:
“Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.”
Is sprake van btw-fraude in de handelsketens?
17. Verweerder heeft met betrekking tot de hiervoor genoemde drie afnemers het volgende aangevoerd.
[Ltd. 1]18. [Handel B.V.] heeft goederen geleverd aan [Ltd. 1] en [Ltd. 1] heeft de goederen vervolgens geleverd aan [Ltd. 14] en aan [Ltd. 13] . [Ltd. 14] en [Ltd. 13] zijn gevestigd in het VK. In het VK is de binnenlandse levering van oude metalen een prestatie waarop de verleggingsregeling van toepassing is.
19. [Ltd. 1] heeft btw-aangiften gedaan tot het einde van het ondernemerschap. Een aantal van deze btw-aangiften bevatten de intracommunautaire verwervingen van schroot en de binnenlandse doorleveringen. [Ltd. 1] voldeed het relatief kleine saldo dat voortvloeide uit de btw-aangiften ( […] ). HMRC verdenkt [Ltd. 1] van btw-carrouselfraude en witwassen ( […] ).
20. De btw-fraude heeft betrekking op de volgende werkwijze. [Ltd. 1] verwerkt valse inkoopfacturen met Britse voorbelasting in de administratie, waardoor op aangifte geen of een laag te betalen btw-bedrag volgt uit de aangegeven binnenlandse leveringen van in het buitenland aangekochte schroot. In […] staat: “The goods purchased in the UK from defaulters were not sold anywhere. No onwards sales invoices and no UK business bank statements were provided by [Ltd. 1] to support the transactions (deals).” Hieruit kan geconcludeerd worden dat HMRC vermoedt dat de inkopen in het geheel niet hebben plaatsgevonden.
21. HMRC heeft daarom in totaal £ 7.380.383 aan geclaimde voorbelasting geweigerd ( […] , […] ) in acht naheffingen over de periode 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2017 (pagina 11/14 van […] ).
22. Door de voorbelasting van deze fictieve inkoopfacturen op te nemen in de aangiften omzetbelasting wordt door [Ltd. 1] bewerkstelligd dat de verschuldigde btw over de binnenlandse leveringen van de oude metalen aan [Ltd. 14] en [Ltd. 13] per saldo niet betaald hoefde te worden. Deze handelswijze van het opnemen van fictieve inkoopfacturen wordt ook wel cross-invoicing genoemd.
23. Ook is gebleken dat er in 2017 sprake is van een prijsval in de handel tussen [Ltd. 1] en haar afnemers. Een dergelijke prijsval is kenmerkend voor btw-fraude.
[Ltd. 3] 24. [Handel B.V.] heeft goederen geleverd aan [Ltd. 3] en [Ltd. 3] levert die goederen door aan [Ltd. 15] . Het betreft leveringen van (koper)schroot. Deze leveringen zijn in het VK belast tegen het algemene tarief.25. [Handel B.V.] heeft voor een bedrag van € 1.968.613 over de periode augustus tot en met november op het nummer […] van [Ltd. 3] gelist. Afnemer [Ltd. 3] heeft in de periode eindigend 30 november 2017 een bedrag van £ 4.422.936 opgegeven als verwervingen. In eerdere aangiften zijn geen verwervingen opgenomen.
26. [Ltd. 3] heeft de goederen verkocht aan [Ltd. 15] . De goederen die in het kader van de levering van [Handel B.V.] aan [Ltd. 3] zijn vervoerd naar het VK, zijn op een ander adres ( [Engelse woonplaats] ) afgeleverd dan het vestigingsadres van [Ltd. 15] , aan wie [Ltd. 3] de goederen heeft doorverkocht ( […] ).
27. Voor het bedrag waarvoor [Ltd. 3] (£ 4.422.936) volgens de aangifte goederen heeft verworven zou bij binnenlandse verkoop een bedrag van £ 884.587 aan btw verschuldigd zijn. [Ltd. 3] heeft de goederen verkocht aan [Ltd. 15] . Een verschuldigdheid van btw in het VK zou hiervan het gevolg moeten zijn. In de aangifte is echter slechts opgenomen een bedrag aan verschuldigde btw van £ 2.364.
28. Dit betekent hetzij dat de aangifte onjuist is ingevuld, hetzij dat er facturen zijn tegen geboekt (cross-invoicing) teneinde een verschuldigdheid van btw te voorkomen. Door de voorbelasting van deze fictieve inkoopfacturen op te nemen in de aangiften omzetbelasting wordt door [Ltd. 3] bewerkstelligd dat de verschuldigde btw over de binnenlandse leveringen van de oude metalen aan [Ltd. 15] . per saldo niet betaald hoefde te worden. Deze handelswijze van het opnemen van fictieve inkoopfacturen wordt – zoals eerder aangegeven – ook wel cross-invoicing genoemd.
29. Een vergissing ligt niet voor de hand gezien de met de transacties gemoeide bedragen. Door [Ltd. 3] is opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting ingediend met betrekking tot de goederen verkregen van belanghebbende. HMRC concludeert dat [Ltd. 3] een missing trader is.
[Ltd. 5]30. [Handel B.V.] heeft goederen geleverd aan [Ltd. 5] en [Ltd. 5] levert de goederen door aan afnemers in het VK.
31. Door [Handel B.V.] is voor een bedrag van € 4.531.872 gelist op [Ltd. 5] ( […] ).
32. [Ltd. 5] heeft geen aangiften omzetbelasting ingediend, ondanks het feit dat zij wel een btw-identificatienummer had, zij omvangrijke aankopen deed en het daarmee aannemelijk is dat zij met de verworven goederen btw belaste leveringen verrichtte. Gezien de aankopen bij [Handel B.V.] , zou [Ltd. 5] in ieder geval voor een bedrag van € 906.000 in het VK aan omzetbelasting verschuldigd zijn. Vanwege de hoogte van de bedragen waarvoor aankopen bij [Handel B.V.] zijn gedaan, de daarmee verwachtte omzet en ter zake verschuldigde omzetbelasting, ligt een (incidentele) vergissing niet voor de hand en moet worden uitgegaan van opzettelijk nalaten van het doen van aangiften omzetbelasting en het verantwoorden van verschuldigde omzetbelasting in de aangiften.
33. De fraude in geval van [Ltd. 5] , als afnemer van [Handel B.V.] , bestaat erin dat [Ltd. 5] geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend en daarmee feitelijk fraude heeft gepleegd: het daadwerkelijk niet aangeven van wettelijke verschuldigde belasting zowel ter zake van de verwerving als voor de daaropvolgende verkoop (HvJ Astonel 28 juli 2016, C-332/15).
34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft gesteld en de door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van btw-fraude in de handelsketens waarvan [Handel B.V.] deel uitmaakte. De afnemers [Ltd. 3] en [Ltd. 5] hebben niet aan hun fiscale verplichtingen voldaan. Gelet op de stukken van het geding acht de rechtbank niet aannemelijk dat deze afnemers per abuis te lage aangiften respectievelijk geen aangiften hebben ingediend. [Ltd. 1] heeft weliswaar in haar aangiften omzetbelasting de intracommunautaire verwervingen en de doorleveringen vermeld, maar ook zij heeft per saldo te weinig omzetbelasting voldaan door fictieve inkopen op te voeren. Had [Ltd. 1] daadwerkelijk elektronicagoederen ingekocht, dan had zij redelijkerwijs daarvan enig bewijs kunnen overleggen. Dat bewijs heeft [Ltd. 1] niet aan HMRC kunnen overleggen. Het opvoeren van valse inkoopfacturen is eveneens een vorm van btw-fraude.
35. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat uit een onderzoek van de heren […] en […] van de belastingdienst blijkt dat er geen sprake is geweest van btw-fraude. Deze medewerkers van de belastingdienst hebben op 15 augustus 2017 [Handel B.V.] bezocht in het kader van SCAC-verzoeken inzake [Bedrijf 10] en [Ltd. 2] . De medewerkers van de belastingdienst moesten controleren of de intracommunautaire leveringen daadwerkelijk waren verricht. Weliswaar hebben zij toen geen ongeregeldheden geconstateerd en waren de door [Handel B.V.] aangeleverde documenten in orde, maar hieruit volgt nog niet dat er geen sprake is geweest van btw-fraude in de handelsketens waarvan [Handel B.V.] deel uitmaakte. Immers, de medewerkers van de belastingdienst hebben zich enkel gericht op de specifieke vragen in de SCAC-verzoeken. Andere transacties zijn toen niet onderzocht. Het onderzoek van deze medewerkers was dus zeer beperkt en geeft geen volledig beeld van de handelstransacties van [Handel B.V.] .
Wist of had eiseres moeten weten dat sprake was van btw-fraude in de handelsketens?
36. In zijn algemeenheid heeft te gelden dat (edel)metaal een risicogoed is. Een professionele handelaar in dergelijke goederen dient zich daarvan bewust te zijn en dient daarom extra zorgvuldig te handelen. Verder staat vast dat twee medewerkers van [Handel B.V.] , te weten de commercieel directeur en een logistiek medewerker, eerder werkzaam zijn geweest bij [B.V. 9] , een onderneming met vergelijkbare activiteiten als [Handel B.V.] .
Bij brief van de inspecteur van 6 maart 2013 is [B.V. 9] gewaarschuwd voor intracommunautaire btw-fraude en is zij gewezen op de kenmerken daarvan. Zij is erop gewezen dat zij extra zorgvuldig diende te zijn bij de keuze van de handelspartners om te voorkomen dat zij onderdeel zou worden van btw-fraude. De brief was gericht aan de persoon die later commercieel directeur werd van [Handel B.V.] . De persoon die later logistiek medewerker van [Handel B.V.] werd, was echter ook op de hoogte van deze waarschuwingsbrief. Hij heeft hierover het volgende verklaard[8]:
“Ze kwamen voor hetzelfde als waar ze voor bij [Handel B.V.] kwamen. Ik weet nog dat we
bezoek kregen en dat ze riepen over btw-fraude en carrouselfraude. Ik weet nog dat ik een
formulier kreeg waarin kenmerken stonden waar je op moest letten bij internationale handel.
We hadden er nooit over nagedacht dat de btw in Engeland niet verlegd is, zoals in
Nederland of België. Maar we zijn nooit teruggefloten door de Belastingdienst die zei dat dit raar was of dat niet kon. Sterker nog we hebben gevraagd aan de Belastingdienst of ze per klant wilden aangeven of een klant goed was om zaken mee te doen of niet, maar dat was ook niet nodig. Vanaf toen wist ik ook hoe belangrijk het was om je KYC op orde te brengen. [B.V. 9] heeft niet lang bestaan.”
37. Deze waarschuwingsbrief is weliswaar gericht aan een andere onderneming. Toch acht de rechtbank deze brief wel van belang nu de voormelde twee werknemers door die waarschuwingsbrief op de hoogte waren van de risico’s van btw-fraude in de metaalhandel en van de kenmerken van btw-fraude. Deze kennis was evengoed van belang voor het werk bij [Handel B.V.] , aangezien [Handel B.V.] dezelfde activiteiten verrichtte als [B.V. 9] , te weten de handel in metaal.
38. Desondanks heeft [Handel B.V.] geen, althans geen noemenswaardig KYC-onderzoek gedaan naar haar afnemers. Als zij dat wel had gedaan, dan had zij kunnen weten dat geen van de drie afnemers (tijdig) beschikte over een registratie bij de overheidsinstelling “Environment Agency” en de bijbehorende benodigde vergunningen. Die vergunningen, die bedrijven en personen die in het VK betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen moeten hebben, zijn te raadplegen in het openbare register van de voormelde overheidsinstelling. [Ltd. 5] beschikt in 2017 helemaal niet over een registratie bij de “Environment Agency” en [Ltd. 1] en [Ltd. 3] beschikken pas vanaf half oktober 2017 over een dergelijke registratie. Ook had eiseres, als zij wel KYC-onderzoek had gedaan, kunnen weten dat volgens het handelsregister de activiteiten van [Ltd. 5] niets van doen hebben met de handel in metaal. Eiseres heeft aldus niet de zorgvuldigheid betracht die van haar mocht worden verwacht.
39. Ook andere omstandigheden maken dat [Handel B.V.] alert had moeten zijn op mogelijke btw-fraude. Zo diende [Handel B.V.] de goederen voor [Ltd. 1] af te leveren op een ander adres dan haar vestigingsadres en diende [Handel B.V.] de goederen voor [Ltd. 3] af te leveren bij de afnemer van [Ltd. 3] , maar op een ander adres dan het vestigingsadres van die afnemer. Ook ontving [Handel B.V.] pas betalingen voor haar leveringen nadat haar afnemers op hun beurt waren betaald voor leveringen die zij hadden gedaan.
40. Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat er in de periode eerste kwartaal 2015 tot en met eerste kwartaal 2019 sprake is van een snelle afwisseling en opvolging van de verschillende afnemers in het VK. [Handel B.V.] heeft telkens leveringen verricht aan vennootschappen in het VK waarvan de btw-nummers na verloop van tijd (vrijwel) steeds zijn ingetrokken en die ook zijn ontbonden. In de stukken van het geding is dit overzichtelijk opgenomen in een zogeheten VIES OUT-trappetje. Met elke afnemer wordt slechts een aantal kwartalen gehandeld. Soms zelfs maar één kwartaal.
41. Op enig moment is [Handel B.V.] ook goederen gaan leveren aan [B.V. 12] en aan [B.V. 16] . [B.V. 12] en [B.V. 16] leveren op hun beurt aan dezelfde afnemers als [Handel B.V.] .
42. Uit een ambtsedige verklaring intracommunautaire prestaties is gebleken dat [B.V. 12] over de jaren 2016 en 2017 voor in totaal € 46.751.913 heeft geleverd aan [Ltd. 1] . ( […] ). [B.V. 12] heeft vervolgens de betalingen van [Ltd. 1] kort na ontvangst overgeboekt naar [Handel B.V.] . Het geldspoor is, met uitzondering van enkele vermengingen, bijna een op een te volgen van [Ltd. 1] via [B.V. 12] naar [Handel B.V.]
43. Uit bankafschriften van [Ltd. 5] volgt dat [B.V. 12] in de periode 22 februari 2017 tot en met 15 juni 2017 in totaal £ 3.588.063,98 heeft ontvangen van [Ltd. 5] . In de periode 27 februari 2017 tot en met 2 juni 2017 heeft [B.V. 12] £ 3.661.813,98 overgeboekt naar [Handel B.V.] . De £ 3.588.063,98 afkomstig van [Ltd. 5] maken onderdeel uit van de £ 3.661.813,98. Het geldspoor is, met uitzondering van enkele vermengingen, bijna een op een te volgen van [Ltd. 5] via [B.V. 12] naar [Handel B.V.] .
44. Van zakelijke argumenten voor deze handelwijze is niets gebleken. In het strafrechtelijk onderzoek is op de vraag waarom [Handel B.V.] op een gegeven moment is gaan leveren via [B.V. 12] door verdachten geantwoord dat zij het een vriend ook gunden om wat geld te verdienen. Deze verklaring is ongeloofwaardig gezien de enorme omzet die [B.V. 12] daarmee heeft behaald ten koste van [Handel B.V.] . Verder is opvallend dat [B.V. 12] binnen zeer korte tijd na haar oprichting een miljoenenomzet behaalt. Desondanks lijkt [B.V. 12] geen economisch belang te hebben gehad bij de handelsketen, want uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de door [B.V. 12] van haar afnemers ontvangen bedragen vrijwel één op één werden overgeboekt naar [Handel B.V.] . Verder blijkt uit chatberichten tussen de verschillende verdachten in het strafrechtelijk onderzoek dat de bestuurder van [B.V. 12] is geïnstrueerd over de te verzenden facturen voor leveringen van [B.V. 12] .
45. Hetzelfde heeft te gelden voor [B.V. 16] . Uit de stukken van het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat [B.V. 16] over de periode september 2017 tot en met januari 2018 goederen heeft geleverd aan [Ltd. 3] . In het beslag bij [Handel B.V.] zijn verkoopfacturen aangetroffen van [Handel B.V.] aan [B.V. 16] . Achter deze facturen zitten weeg- en vervoersdocumenten (vrachtbrieven) van [Handel B.V.] naar [B.V. 16] en van [B.V. 16] naar [Ltd. 3] . Het is niet gebruikelijk dat een leverancier beschikt over informatie die betrekking heeft op leveringen die verderop in de handelsketen plaatsvinden. Verder is uit onderzoek naar bankrekeningen gebleken dat tussen [B.V. 16] en [Ltd. 3] meerdere banktransacties hebben plaatsgevonden. In de periode 14 september 2017 tot en met 15 januari 2018 heeft [B.V. 16] in totaal £ 2.745.263,31 ontvangen van [Ltd. 3] . Alles wat [B.V. 16] van [Ltd. 3] heeft ontvangen, is meteen overgeboekt naar [Handel B.V.] . [B.V. 16] lijkt dus evenmin enig economisch belang te hebben gehad bij de handelsketen.
46. Hetgeen hiervoor onder 42 tot en met 45 is overwogen, wijst erop dat [B.V. 12] en [B.V. 16] geen zakelijk belang hadden bij de transacties maar slechts als buffer hebben gefungeerd tussen [Handel B.V.] en de afnemers in het VK en dat [Handel B.V.] zich in vergaande mate heeft bemoeid met deze vennootschappen.
47. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [Handel B.V.] , en daarmee ook eiseres nu [Handel B.V.] tot haar faillissement deel uitmaakte van eiseres, wist, dan wel had moeten weten dat er sprake was van btw-fraude in de handelsketens waar [Handel B.V.] deel van uitmaakte. Nu [Handel B.V.] noch eiseres de zorgvuldigheid heeft betracht die nodig is om te voorkomen dat [Handel B.V.] betrokken zou raken bij btw-fraude is terecht de toepassing van het nultarief geweigerd. De naheffingsaanslag is daarom terecht aan eiseres opgelegd.
Slotsom
48. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
49. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[5] HvJ 18 december 2014, gevoegde zaken C131/13, C163/13 en C164/13, Staatssecretaris van Financiën tegen Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti vof en Turbu.com BV Turbu.com Mobile Phone’s BV tegen Staatssecretaris van Financiën, ECLI:EU:C:2014:2455, r.o. 49. [6] HvJ EU 11 november 2021, Ferimet, C281/20, ECLI:EU:C:2021:910, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak en ook HvJ EU van 1 december 2022, Aquila Part Prod Com, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950. [7] HR 19 januari 2018, 16/06245, ECLI:NL:HR:2018:51. [8] […] p6”Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake was van btw-fraude in de handelsketen met [Handel B.V.] en de drie afzonderlijke afnemers in het Verenigd Koninkrijk en of belanghebbende wist of had moeten weten dat zij onderdeel uitmaakte van een handelsketen waarin deze fraude plaatsvond. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan [Handel B.V.] de toepassing van het nultarief terecht is geweigerd nu [Handel B.V.] noch belanghebbende de zorgvuldigheid heeft betracht die nodig is om te voorkomen dat [Handel B.V.] betrokken zou raken bij btw-fraude. Hiervan uitgaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat de naheffingsaanslag dus terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het Hof sluit zich aan bij deze oordelen en de motivering die de Rechtbank daarbij in haar uitspraak in overweging 12 tot en met 46 heeft gegeven. Het Hof vult dit oordeel als volgt aan.
5.2.1.
In overweging 34 van haar uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur met hetgeen hij heeft gesteld en de door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van btw-fraude in de handelsketens waarvan [Handel B.V.] deel uitmaakte. Belanghebbende stelt dat zij zich niet met dit oordeel kan verenigen omdat de Rechtbank daarmee miskent dat, voor zover al ervan wordt uitgegaan dat [Ltd. 1] valse inkoopfacturen aan de administratie heeft toegevoegd, zulks niet is gebeurd in de handelsketen met belanghebbende. Hetzelfde geldt in relatie tot [Ltd. 3] en [Ltd. 5] . Als deze entiteiten al fraude hebben gepleegd in het Verenigd Koninkrijk dan gebeurde dit niet in de handelsketen met belanghebbende. Belanghebbende wijst hierbij op een passage uit de uitspraak van de strafkamer van de Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2022:2282 (zie 2.2.5):
“Ook als wordt aangenomen dat bij [Ltd. 1] sprake was van btw-fraude, dan is dat gelet op het weergegeven toetsingskader nog niet voldoende om toepassing van het nultarief te weigeren. De genoemde fraude vindt plaats in de handelsketen tussen Britse leveranciers en [Ltd. 1] als afnemer. Betrokkenheid of wetenschap van [Handel B.V.] bij die handelsketen blijkt niet uit het dossier en deze vooraftrek ziet in elk geval niet op de leveringen van [Handel B.V.] aan [Ltd. 1] .
Dit betekent dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [Handel B.V.] en [Ltd. 1] . Dit betekent ook dat [Handel B.V.] de ICL’s aan [Ltd. 1] in de aangiften omzetbelasting (oktober en december 2016 en maart, mei, juni, juli, augustus, oktober en november 2017) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [Ltd. 1] onjuist zijn.”
5.2.2.
Verder kan belanghebbende zich niet verenigen met het oordeel van de Rechtbank in overweging 47 van haar uitspraak dat belanghebbende wist of had moeten weten van btw-fraude in de handelsketen. Zij voert hiertoe aan dat:
– de Rechtbank ten onrechte waarde hecht aan de waarschuwingsbrief uit 2013;
– de informatie die de Belastingdienst en de FIOD naar aanleiding van hun informatieverzoeken hebben ontvangen naar hun aard niet geschikt zijn om de wetenschap bij belanghebbende te onderbouwen. Het moet namelijk gaan om de kennis van belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte;
– de door belanghebbende ingeschakelde externe professionals, zoals het administratiekantoor dat de aangiften omzetbelasting voor belanghebbende verzorgde, geen aanwijzingen voor fraude hebben ontdekt op het moment dat de transacties plaatsvonden;
– de kredietverzekeraar [kredietverzekeraar] onderzoek heeft gedaan met betrekking tot [Ltd. 1] en vervolgens een krediet heeft verschaft aan belanghebbende van € 300.000 met betrekking tot [Ltd. 1] ;
– [Ltd. 1] al jaren actief was op het gebied van metaalschroothandel- en verwerking op het moment dat belanghebbende met [Ltd. 1] ging handelen;
– het afleveren op een ander adres dan het vestigingsadres van [Ltd. 1] niet de conclusie kan dragen dat belanghebbende wist of had moeten weten van btw-fraude in de handelsketen, omdat [Ltd. 1] een tussenhandelaar was en daarom kon volstaan met een postadres, laptop en mobiele telefoon.
5.3.1.
Het Hof kan belanghebbende niet volgen in haar stellingen en overweegt daartoe als volgt.
5.3.2.
De toepassing van het nultarief mag in beginsel niet worden geweigerd als aan de voorwaarden wordt voldaan. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat hierop een uitzondering wordt gemaakt, indien op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik. Dat geldt niet alleen wanneer de betrokken ondernemer zich zelf schuldig maakt aan btw-fraude, maar ook wanneer hij wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was (HvJ 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455, BNB 2015/61, punt 50).
5.3.3.
Het hangt van de omstandigheden van het concrete geval af – en in het bijzonder van de vraag of er al dan niet aanwijzingen zijn op grond waarvan de betrokken ondernemer kan vermoeden dat sprake is van onregelmatigheden of fraude – welke zorgvuldigheid van de belastingplichtige vereist is en welke maatregelen redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij niet betrokken raakt bij een handeling die onderdeel is van btw-fraude in de handelsketen. Van hem kan evenwel niet worden verwacht dat hij complexe en grondige controles verricht, zoals die welke de belastingdienst kan uitvoeren (vgl. HvJ 11 januari 2024, Global Ink Trade Kft, ECLI:EU:C:2024:6, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan de belastingdienst om ten eerste de bestanddelen van de fraude nauwkeurig te omschrijven en het bewijs van frauduleuze handelingen te leveren, en ten tweede aan te tonen dat de belastingplichtige actief heeft deelgenomen aan die fraude of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht werd gemaakt, onderdeel was van die fraude. Het bewijs van het bestaan van fraude en van de betrokkenheid van de belastingplichtige bij de fraude betekent evenwel niet noodzakelijkerwijs dat is vastgesteld wie allemaal bij deze fraude betrokken is en welke respectieve handelingen zij hebben verricht (HvJ 1 december 2022, Aquila Part Prod Com, ECLI:EU:C:2022:950, punt 36).
5.3.4.
Om het nultarief te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten (HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51, BNB 2018/77, punt 3.4.1). Of de belastingplichtige had moeten weten dat de door hem verrichte transactie deel uitmaakte van een keten van transacties waarin fraude werd gepleegd, hangt volgens het Unierecht onder meer af van het antwoord op de vraag of de belastingplichtige voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft de mate van zorgvuldigheid die in dit kader moet worden betracht, geldt dat van een marktdeelnemer mag worden verlangd dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden geëist om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude. Het hangt van de omstandigheden van het concrete geval af welke maatregelen de belastingplichtige in dat bepaalde geval redelijkerwijs moet nemen om ervoor te zorgen dat zijn handelingen geen deel uitmaken van fraude door een marktdeelnemer in een eerder of later stadium van de keten van transacties (HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135).
5.3.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, geoordeeld dat op de Inspecteur niet een zwaardere bewijslast rust dan dat hij met betrekking tot het weigeren van de toepassing van het nultarief de daartoe benodigde feiten aannemelijk moet maken.
Is sprake van fraude in de handelsketens?
5.4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de formele en materiële voorwaarden voor de toepassing van het nultarief is voldaan. Uit 5.3.2 tot en met 5.3.5 volgt dat de Inspecteur in een dergelijke situatie de toepassing van het nultarief toch mag weigeren, indien hij de feiten aannemelijk maakt waaruit volgt dat in de handelsketen waar belanghebbende onderdeel van uitmaakt, btw-fraude is gepleegd en dat belanghebbende dat wist dan wel behoorde te weten. De Inspecteur is hierin geslaagd.
5.4.2.
Belanghebbende heeft in 2017 intracommunautaire leveringen verricht aan de drie afnemers in het Verenigd Koninkrijk, waarbij het metaal is vervoerd van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. De Belastingdienst heeft mede op basis van gegevensuitwisseling met HMRC in enkele concrete gevallen kunnen vaststellen dat de afnemer het metaal heeft doorgeleverd aan andere partijen in het Verenigd Koninkrijk (zie 2.5, 2.6). In de overige gevallen is sprake van een dood spoor. Gelet op de aard van de goederen, de bedragen van de transacties en het feit dat de handelingen van de afnemers naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op het geheim houden van de identiteit van hun afnemers (zie 2.5 tot en met 2.7), is aannemelijk dat de drie afnemers van belanghebbende ook in die gevallen het metaal hebben doorgeleverd aan partijen in het Verenigd Koninkrijk.
5.4.3.
Het is bovendien aannemelijk dat sprake is van btw-fraude in de handelsketens. Voor de handelsketen met [Ltd. 1] geldt dat weliswaar omzetbelasting over de intracommunautaire verwervingen en doorleveringen van het metaal is aangegeven, maar door het opvoeren van fictieve aankopen van elektronicagoederen heeft [Ltd. 1] nagenoeg geen btw voldaan. Daarbij heeft [Ltd. 1] niet onderbouwd dat die aankopen van elektronicagoederen daadwerkelijk zijn verricht (zie 2.5). Onder die omstandigheden kunnen de doorleveringen van het metaal en de aankopen van de elektronicagoederen niet los van elkaar worden gezien. Het opvoeren van fictieve aankopen om onder de voldoening van omzetbelasting uit te komen, is ook een vorm van btw-fraude, die binnen de Europese Unie niet wordt geaccepteerd en dient te worden bestreden.
5.4.4.
De afnemer [Ltd. 3] heeft in het Verenigd Koninkrijk weliswaar omzetbelasting over intracommunautaire verwervingen aangegeven, maar in verhouding nagenoeg geen verschuldigde omzetbelasting over de doorleveringen van het metaal (zie 2.6). De afnemer [Ltd. 5] heeft voor de desbetreffende tijdvakken geen btw-aangiften ingediend in het Verenigd Koninkrijk en geen btw voldaan (zie 2.7). Voor de handelwijze van deze vennootschappen is op basis van de gedingstukken geen andere verklaring te geven dan dat zij het oogmerk hadden voldoening van de verschuldigde omzetbelasting in het Verenigd Koninkrijk te ontgaan. Daarbij komt dat HMRC veelal geen contact heeft kunnen krijgen met deze Britse afnemers (zie 2.6, 2.7). Deze elementen behoren standaard tot het patroon van carrouselfraude.
5.4.5.
Het Hof concludeert dat in de ketens btw-fraude is gepleegd. Belanghebbende heeft hierin de functie vervuld van leverancier aan ‘buffers’ of ‘missing traders’.
Had belanghebbende moeten weten dat btw-fraude in de handelsketens plaatsvond?
5.5.1.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van het door [Ltd. 1] opvoeren van fictieve aankopen om onder de voldoening van omzetbelasting uit te komen, de berispelijke wetenschap hiervan ontbreekt bij belanghebbende.
5.5.2.
Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende wist dan wel behoorde te weten dat btw-fraude in de handelsketens plaatsvond.
5.5.3.
Belanghebbende is een professionele handelaar in risicogoederen (schroot) en de heren [B] en [C] zijn expliciet op de risico’s van btw-fraude met de handel in schroot in het Verenigd Koninkrijk gewezen (zie 2.4.1 en 2.4.2).
5.5.4.
Uit de listing gegevens van [Handel B.V.] blijkt dat zij leveringen heeft verricht aan vennootschappen in het Verenigd Koninkrijk waarvan de btw-nummers na verloop van tijd (vrijwel) steeds zijn ingetrokken en die ook zijn ontbonden (zie 2.3).
5.5.5.
[Handel B.V.] heeft zowel rechtstreeks gefactureerd aan de Britse vennootschappen als aan [B.V. 12] en [B.V. 16] Deze laatstgenoemde twee vennootschappen hebben weer (door)gefactureerd aan Britse vennootschappen. [B] en [C] waren onderdeel van een WhatsApp-groep ‘ [naam 1] ’. Uit de berichten van de heren [B en C] in die groep volgt dat zij instructies gaven aan [I] (R), middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 12] , om facturen uit te reiken aan de Britse vennootschappen (2.8.1). Hetzelfde geldt voor een later aangemaakte WhatsApp-groep ‘ [naam 2] ’. Ook in deze whatsappgroep krijgt [B.V. 12] van [Handel B.V.] instructies over de inhoud van door [B.V. 12] uit te reiken facturen aan Britse vennootschappen. Ook blijkt uit die WhatsApp-groep dat de marge die [I] ontvangt, wordt bepaald door de heren [B en C] ( […] ). Met betrekking tot de goederen die [Handel B.V.] via [B.V. 12] aan [Ltd. 5] heeft geleverd, geldt dat [B.V. 12] de betalingen van [Ltd. 5] na ontvangst vrijwel een op een heeft overgeboekt naar [Handel B.V.] (2.7).
5.5.6.
[K] , bestuurder van [B.V. 16] , wordt toegevoegd aan voormelde WhatsAppgroep ‘ [naam 2] ’. Hij houdt de groep op de hoogte van de ontvangst van betalingen van de Britse vennootschappen ( […] ). In dit verband geldt dat de betalingen van [Ltd. 3] door [B.V. 16] vrijwel een op een werden doorgeboekt naar [Handel B.V.] , zonder dat aan [B.V. 16] een winstmarge werd toegekend ( […] ).
5.5.7.
Verder volgt uit het strafdossier ( […] en […] ) dat de heren [B en C] veelvuldig contact hadden met [J] . [J] was als contactpersoon betrokken bij Britse afnemers van [Handel B.V.] , waaronder [Ltd. 1] , terwijl hij geen officiële relatie had met deze Britse ondernemingen. Hij had toegang tot de bankrekening van [Ltd. 1] waarmee hij betalingen deed aan [B.V. 12] . Via WhatsApp gaf [J] gegevens door van geloste vrachten in het Verenigd Koninkrijk zodat [B.V. 12] facturen kon opstellen (2.8.1 en 2.8.2). Aan de hand hiervan gaven de heren [B en C] instructies aan [B.V. 12] over de op te stellen facturen. Verder had [J] toegang tot de bankrekening van [Ltd. 1] waarmee hij betalingen deed aan [B.V. 12] , welke betalingen vervolgens vrijwel een op een werden doorgeboekt naar [Handel B.V.] . Zoals de Rechtbank in overweging 44 van haar uitspraak al heeft overwogen, is van zakelijke argumenten voor deze handelwijze niets gebleken. De door belanghebbende gegeven verklaring ter zitting dat ‘het altijd gezeur was met de Engelse afnemers over de kwaliteit en de hoeveelheden’ en dat zij de transacties daarom aan de genoemde vennootschappen gunde zodat zij ook verantwoordelijk zouden worden voor de customer care, kan het Hof niet volgen. Het is niet geloofwaardig dat een ondernemer deze verantwoordelijkheid op zich wil nemen zonder dat hier enige winstmarge of vergoeding tegenover staat. Bovendien heeft belanghebbende zich wel degelijk intensief bemoeid met de afwikkeling van deze transacties en zelf de contacten onderhouden met de personen die beweerdelijk namens de Britse handelspartners optraden (zie 5.6.1).
5.5.8.
Daarbij komt dat belanghebbende geen dan wel nagenoeg geen KYC-onderzoek naar de drie afnemers in het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan en soms is pas informatie ontvangen nadat al leveringen hadden plaatsgevonden (zie 2.5 tot en met 2.7). Over de omvang van het KYC-onderzoek en wie dat onderzoek zou hebben gedaan, zijn (deels) tegenstrijdige verklaringen afgelegd (zie 2.4.3). Een eenvoudig onderzoek in het handelsregister had bovendien uitgewezen dat de activiteiten van [Ltd. 5] volgens de omschrijving in dat handelsregister niets van doen hadden met de handel in metaal. Ook beschikte in ieder geval [Ltd. 1] en [Ltd. 5] voorafgaand of op het moment van de leveringen niet over de vereiste milieuvergunning om te handelen in metaal (zie 2.5 tot en met 2.7).
5.5.9.
Verder geldt dat de goederen door belanghebbende (vrijwel) steeds zijn afgeleverd op een ander adres dan het vestigingsadres van de afnemers en dat belanghebbende derdenbetalingen heeft ontvangen. [Handel B.V.] ontving bovendien pas betalingen voor haar leveringen nadat haar afnemers op hun beurt waren betaald voor leveringen die zij hadden gedaan.
5.6.1.
Gelet op het nauwe contact vanuit [Handel B.V.] met de contactpersoon van de Britse afnemers over de geloste vrachten waarna [Handel B.V.] instructies gaf aan [B.V. 12] over de uit te reiken facturen door [B.V. 12] , de een op een doorbetalingen door [B.V. 12] en [B.V. 16] naar [Handel B.V.] , het snelle verloop van de Britse afnemers en de wijze waarop belanghebbende KYC-onderzoek heeft gedaan naar de Britse afnemers terwijl bij belanghebbende bekend was dat zij in risicogoederen handelde, komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende wist dan wel behoorde te weten dat btw-fraude in de handelsketens plaatsvond waarvan zij deel uitmaakte.
5.6.2.
Dat belanghebbende niet wist dat [Ltd. 1] fictieve aankopen opvoerde om onder de voldoening van omzetbelasting uit te komen, wat van die stelling verder ook zij, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, voldoende is dat de betrokkenheid van belanghebbende bij de fraude aannemelijk wordt gemaakt (zie 5.3.3 en 5.3.5).
5.6.3.
Dat [kredietverzekeraar] onderzoek heeft gedaan naar [Ltd. 1] en deze vennootschap als bonafide partij heeft beschouwd, leidt ook niet tot een ander oordeel. Zoals de Inspecteur ter zitting terecht heeft opgemerkt, doet [kredietverzekeraar] onderzoek naar een afnemer met een andere doelstelling dan een fiscale. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.
5.7.
Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur belanghebbenden terecht de toepassing van het nultarief geweigerd voor de intracommunautaire leveringen aan de drie afnemers in 2017.
Belastingrente
5.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra L.D.M.A Reijs
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. – de naam en het adres van de indiener;
b. – de dagtekening;
c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. – de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.