HvJ 06-12-1990 Witzemann C-343/89

HvJ Witzemann arrest

1 ) Het gemeenschapsrecht moet aldus worden uitgelegd, dat er geen douaneschuld kan ontstaan bij de invoer van vals geld in het douanegebied van de Gemeenschap.

2 ) Artikel 2 van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat geen BTW bij invoer kan worden geheven bij de invoer van vals geld in de Gemeenschap .

ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 6 DECEMBER 1990

MAX WITZEMANN TEGEN HAUPTZOLLAMT MUENCHEN-MITTE. – VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT MUENCHEN – DUITSLAND. – DOUANERECHTEN – OMZETBELASTING BIJ INVOER – VALS GELD. – ZAAK C-343/89.

Trefwoorden


++++

Gemeenschappelijk douanetarief – Douanerechten – Toepassing op vals geld – Ontoelaatbaarheid – Strafrechtelijke vervolging van inbreuken – Bevoegdheid van Lid-Staten

Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Belasting bij invoer – Toepassing op vals geld – Ontoelaatbaarheid – Strafrechtelijke vervolging van inbreuken – Bevoegdheid van Lid-Staten

( Richtlijn 77/388 van de Raad, artikel 2 )

Samenvatting


Daar voor vals geld in alle Lid-Staten een absoluut invoer – en verhandelingsverbod geldt, moet het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd, dat er geen douaneschuld kan ontstaan bij de invoer van vals geld in het douanegebied van de Gemeenschap .

Invoer van vals geld in de Gemeenschap valt buiten de bepalingen van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting . Mitsdien moet artikel 2 van deze richtlijn aldus worden uitgelegd, dat geen BTW bij invoer kan worden geheven bij de invoer van vals geld in de Gemeenschap .

Deze vaststellingen laten geheel onverlet de bevoegdheid van de Lid-Staten om inbreuken op hun wetgeving inzake valsemunterij met gepaste sancties te vervolgen, met alle gevolgen van dien, ook op geldelijk gebied .

Partijen


In zaak C-343/89,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen

Max Witzemann

en

Hauptzollamt Muenchen-Mitte,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, 9 en 12 tot en met 29 EEG-Verdrag alsmede van artikel 2 van de Zesde richtlijn ( 77/388/EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB 1977, L 145, blz . 1 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),

samengesteld als volgt : G . F . Mancini, kamerpresident, T . F . O’ Higgins, M . Díez de Velasco, C . N . Kakouris, P . J . G . Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal : F . G . Jacobs

griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 2 oktober 1990,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 1990,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 21 juni 1989, ingekomen ten Hove op 6 november daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, 9 en 12 tot en met 29 EEG-Verdrag alsmede van artikel 2 van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB 1977, L 145, blz . 1; hierna : de Zesde richtlijn ).

2 De vraag is gerezen in een geschil tussen M . Witzemann en het Hauptzollamt Muenchen-Mitte ( hierna : Hauptzollamt ) ter zake van de betaling van douanerechten en belasting over de toegevoegde waarde ( hierna : BTW ) bij invoer wegens het binnenbrengen van valse bankbiljetten op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland .

3 Bij vonnis van het Landgericht Muenchen I van 16 februari 1982 werd Witzemann ingevolge de artikelen 146 en volgende van het Duitse Strafgesetzbuch wegens valsemunterij tot gevangenisstraf veroordeeld . Volgens de vaststellingen in dit in kracht van gewijsde gegaan vonnis had Witzemann in 1981 een partij valse US-dollarbiljetten, die hij in Italië in ontvangst had genomen, op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd .

4 Op basis van die vaststellingen vorderde het Hauptzollamt van Witzemann betaling van douanerechten en omzetbelasting bij invoer over het valse geld . De heffing van douanerechten berustte kennelijk op het feit dat de communautaire oorsprong van de goederen niet was aangetoond .

5 Witzemann ging van deze beschikking in beroep bij het Finanzgericht Muenchen met het betoog, dat de heffing van douanerechten en BTW bij invoer indruiste tegen de artikelen 9 en 12 tot en met 29 EEG-Verdrag .

6 Daarop heeft het Finanzgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld :

“Moeten de artikelen 3, sub b, 9, lid 1, en 12 tot en met 29 EEG-Verdrag en artikel 2, sub 2, van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat niet gerechtigd is douanerechten en omzetbelasting bij invoer te heffen over illegaal ingevoerde goederen, waarvan de vervaardiging en verhandeling – zoals bij vals geld – in alle Lid-Staten verboden zijn?”

7 Voor een nadere uiteenzetting van het rechtskader en de voorgeschiedenis van het hoofdgeding alsmede van het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

8 Vooraf zij opgemerkt dat de vraag van de verwijzende rechter uit twee onderdelen bestaat, die betrekking hebben op de heffing van douanerechten respectievelijk BTW bij invoer over vals geld .

De douanerechten

9 Daar uit de processtukken van het hoofdgeding niet duidelijk blijkt, op welke grond het Hauptzollamt betaling van douanerechten heeft gevorderd over een partij vals geld afkomstig uit een andere Lid-Staat, moet om te beginnen worden opgemerkt dat invoerrechten alleen kunnen worden geheven over uit een derde land in het douanegebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen en niet over uit andere Lid-Staten afkomstige goederen ( artikelen 9 en 12 tot en met 15 EEG-Verdrag ).

10 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van de vraag aldus worden verstaan, dat de verwijzende rechter in hoofdzaak wenst te vernemen of door de invoer van vals geld in het douanegebied van de Gemeenschap een douaneschuld kan ontstaan .

11 Dienaangaande moet worden herinnerd aan de arresten van 26 oktober 1982 ( zaken 221/81, Wolf, Jurispr . 1982, blz . 3681, en 240/81, Einberger I, Jurispr . 1982, blz . 3699 ), waarin het Hof voor recht verklaarde dat bij de invoer van verdovende middelen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte economisch circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden, geen douaneschuld ontstaat .

12 Het Hof kwam tot deze slotsom na te hebben overwogen, dat de invoer en verhandeling van verdovende middelen buiten dat streng gecontroleerde economisch circuit in alle Lid-Staten verboden zijn, overeenkomstig de door hen ter zake aangegane internationale verplichtingen . Het Hof concludeerde daaruit dat de invoer van verdovende middelen die niet in de handel kunnen worden gebracht en niet in het economisch verkeer van de Gemeenschap kunnen worden opgenomen, geen douaneschuld kan doen ontstaan .

13 Het Hof overwoog voorts, dat de in artikel 3, sub b, EEG-Verdrag voorziene invoering van het gemeenschappelijk douanetarief plaatsvond met het oog op de doelstellingen van de Gemeenschap ingevolge artikel 2 en de gedragslijnen die artikel 29 voor het beheer van de douane-unie vaststelt . Importen van verdovende middelen in de Gemeenschap, die slechts tot strafmaatregelen aanleiding kunnen geven, zijn geheel vreemd aan die doelstellingen en gedragslijnen .

14 Deze zienswijze geldt te meer voor vals geld . In de eerste plaats is er ook voor vals geld een internationale overeenkomst gesloten, te weten het Verdrag ter bestrijding van de valse – munterij ( Stb . 1932, 285 ), waarbij alle Lid-Staten, behalve Luxemburg, thans partij zijn . Artikel 3 van dit verdrag verplicht de verdragsluitende partijen, als gemeenrechtelijke delicten onder meer te bestraffen iedere bedriegelijk vervaardiging of verandering van munt, het bedrieglijk in omloop brengen van valse munt, het binnen het land invoeren of het ontvangen of zich verschaffen van valse munt, waarvan men weet, dat zij vals is, ten einde deze in omloop te brengen . In de tweede plaats zijn de vervaardiging, het bezit, de invoer en het verhandelen van vals geld, of het nu nationale dan wel vreemde munt betreft, in alle Lid-Staten verboden .

15 Uit het voorgaande volgt dat voor vals geld in alle Lid-Staten een absoluut invoer – en verhandelingsverbod geldt, terwijl de handel in en het gebruik van verdovende middelen voor medische en wetenschappelijke doeleinden geoorloofd blijven .

16 Derhalve moet op het eerste onderdeel van de gestelde vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd dat geen douaneschuld kan ontstaan bij de invoer van vals geld in het douanegebied van de Gemeenschap .

BTW bij invoer

17 Met het tweede onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 2 van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat bij de invoer van vals geld in de Gemeenschap BTW kan worden geheven .

18 Dienaangaande stelde het Hof in het arrest van 28 februari 1984 ( zaak 294/82, Einberger II, Jurispr . 1984, blz . 1177 ) reeds vast, dat omzetbelasting bij invoer en douanerechten enkele belangrijke kenmerken gemeen hebben : zij worden verschuldigd doordat goederen in de Gemeenschap worden ingevoerd en vervolgens in het economisch verkeer van de Lid-Staten worden gebracht, en vormen een element van de koopprijs, dat door de opeenvolgende marktdeelnemers op gelijke wijze wordt berekend . Dit parallellisme wordt bevestigd in artikel 10, lid 3, van de Zesde richtlijn, op grond waarvan de Lid-Staten het belastbare feit en het verschuldigd worden van omzetbelasting bij invoer mogen verbinden met het belastbare feit en het verschuldigd worden van douanerechten .

19 Met betrekking tot de illegale importen van verdovende middelen in de Gemeenschap, die slechts tot strafmaatregelen aanleiding kunnen geven, concludeerde het Hof derhalve dat dergelijke transacties volledig buiten de bepalingen van de Zesde richtlijn betreffende de vaststelling van de belastinggrondslag vallen en bijgevolg geen aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van een omzetbelastingschuld .

20 Om de hierboven ten aanzien van de douanerechten genoemde redenen gelden de overwegingen van het Hof ten aanzien van de illegale invoer van verdovende middelen a fortiori voor de invoer van vals geld .

21 Op het tweede onderdeel van de door het Finanzgericht Muenchen gestelde vraag moet bijgevolg worden geantwoord, dat artikel 2 van de Zesde richtlijn ( 77/388/EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag – aldus moet worden uitgelegd dat geen BTW bij invoer kan worden geheven bij de invoer van vals geld in de Gemeenschap .

22 Deze vaststelling, evenals die ten aanzien van de douanerechten, laat geheel onverlet de bevoegdheid van de Lid-Staten om inbreuken op hun wetgeving inzake valsemunterij met gepaste sancties te vervolgen, met alle gevolgen van dien, ook op geldelijk gebied .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

23 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 21 juni 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :

1 ) Het gemeenschapsrecht moet aldus worden uitgelegd, dat er geen douaneschuld kan ontstaan bij de invoer van vals geld in het douanegebied van de Gemeenschap .

2 ) Artikel 2 van de Zesde richtlijn ( 77/388/EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag – moet aldus worden uitgelegd, dat geen BTW bij invoer kan worden geheven bij de invoer van vals geld in de Gemeenschap .

ECLI:EU:C:1990:445