In aftrek gebrachte btw na niet-betaling facturen weer verschuldigd

insolventie failliet blut

In aftrek gebrachte btw na niet-betaling facturen weer verschuldigd

Fiscale eenheid A is geëindigd naar aanleiding van het faillissement van een van de vennootschappen. De Belastingdienst heeft een naheffingsaanslag opgelegd omdat de door A in aftrek gebrachte btw in de laatste drie kwartaalaangiften / laatste negen maandaangiften voor een aanzienlijk deel betrekking heeft op onbetaald gebleven facturen (artikel 29 lid 7 Wet OB). In de bezwaarfase heeft A een crediteurenoverzicht overgelegd met een bedrag aan openstaande facturen die door de vennootschap niet zijn betaald. In de bezwaarfase heeft de Belastingdienst conform het door A overgelegde overzicht crediteuren de naheffingsaanslag verminderd.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft A btw in aftrek gebracht op facturen die uiteindelijk niet zijn betaald. Het is dan A die op grond van artikel 29 Wet OB het afgetrokken bedrag weer verschuldigd wordt. De Belastingdienst heeft de naheffingsaanslag dus terecht aan A opgelegd. De rechtbank verwerpt de stelling van A dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met de btw met betrekking tot een factuur die door A (nog) niet is betaald. Ook heeft A niet aannemelijk gemaakt dat in het naheffingstijdvak recht bestond op teruggaaf op grond van artikel 29 Wet OB.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
BRE – 18 _ 3255
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Artikel 29 van de Wet OB

Belanghebbende heeft omzetbelasting in aftrek gebracht op facturen die uiteindelijk niet zijn betaald. Het is dan belanghebbende die op grond van artikel 29 van de Wet OB het afgetrokken bedrag weer verschuldigd wordt. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag dus terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met de omzetbelasting met betrekking tot een factuur die door belanghebbende (nog) niet is betaald. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in het naheffingstijdvak recht bestond op teruggaaf op grond van artikel 29 van de Wet OB. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-7-2021
FutD 2021-2079
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/3255

uitspraak van 18 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft op 25 januari 2018 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.7501) omzetbelasting opgelegd van € 58.000 (hierna: de naheffingsaanslag).

1.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2018 de naheffingsaanslag verminderd tot € 33.189.

1.3.
Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 23 mei 2018, ontvangen bij de rechtbank op 24 mei 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338.

1.4.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [heer X] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. [Vennootschap] (hierna: de vennootschap) maakte in ieder geval tot en met 30 september 2017 deel uit van de fiscale eenheid. De fiscale eenheid met de vennootschap is geëindigd op 21 november 2017 naar aanleiding van het faillissement van de vennootschap.

2.2.
De inspecteur geeft in het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag aan dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag ervan wordt uitgegaan dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte OB in de laatste drie kwartaalaangiften OB / de laatste negen maandaangiften OB voor een aanzienlijk deel betrekking heeft op onbetaald gebleven facturen en dat die op aangifte in aftrek gebrachte bedragen op grond van artikel 29, zevende lid, van de Wet OB weer verschuldigd zijn. In verband hiermee bestaat het voornemen 75% van de over de betreffende tijdvakken in aftrek gebrachte voorbelasting, € 58.000, na te heffen.

2.3.
De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.

2.4.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende een crediteurenoverzicht overgelegd met een bedrag aan openstaande facturen die door de vennootschap niet zijn betaald van € 258.928,01 en een bedrag aan omzetbelasting van € 33.189,74.

2.5
In de bezwaarfase heeft de inspecteur conform het door belanghebbende overgelegde overzicht crediteuren de naheffingsaanslag verminderd tot € 33.189.

3Geschil
3.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.

3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4Beoordeling van het geschil
Is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?

4.1.
Artikel 29, zevende lid, van de Wet OB (tekst 2017), luidt als volgt:

“De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel geheel of gedeeltelijk heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Artikel 14, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.”

4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd. Volgens belanghebbende is de vooraftrek verleend aan de fiscale eenheid, maar de onbetaald gebleven facturen waren gericht aan de vennootschap. De naheffingsaanslag moet daarom aan de vennootschap opgelegd worden. Belanghebbende verwijst hiertoe naar een brief die de ontvanger op 27 november 2017 aan de curator van de vennootschap heeft verzonden en leidt hieruit af dat de inspecteur mag kiezen aan wie de naheffingsaanslag wordt opgelegd.

4.3.
Vast staat dat belanghebbende de omzetbelasting, vermeld op de onbetaald gebleven facturen, in aftrek heeft gebracht. Alsdan brengt artikel 29, zevende lid, van de Wet OB mee dat bij het niet of niet geheel betalen van de facturen (de vergoeding) belanghebbende degene is die de omzetbelasting verschuldigd is. Dat het om facturen gericht aan de vennootschap gaat, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag dus terecht aan belanghebbende opgelegd.

Hoogte naheffingsaanslag

4.4.
Artikel 29, achtste lid, van de Wet OB (tekst 2017), luidt als volgt:

“Ingeval de ondernemer, bedoeld in het zevende lid, nadat hij de belasting, bedoeld in dat lid, heeft voldaan alsnog de vergoeding geheel of gedeeltelijk betaalt, ontstaat voor hem op dat tijdstip opnieuw recht op aftrek van de ter zake alsnog voldane belasting als ware het belasting bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing, waarbij voor de toepassing van artikel 15, vierde lid, eerste volzin, de aftrek plaatsvindt overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting ter zake van de levering daarvan in rekening is gebracht. Een eventuele herziening van de aftrek ter zake van de belastingtijdvakken tussen het tijdstip waarop het recht op aftrek aanvankelijk en het tijdstip waarop dat opnieuw ontstond, geschiedt in het tijdvak waarin het recht op aftrek opnieuw ontstaat. De toepassing van de tweede en derde volzin geschiedt overeenkomstig de in de desbetreffende tijdvakken geldende wettelijke bepalingen.”

4.5
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de vennootschap veroordeeld is om een openstaande schuld aan haar crediteur [crediteur] (hierna: [crediteur] ) voor een bedrag van € 21.138,09 te voldoen. Ten aanzien van deze factuur heeft belanghebbende een bedrag van € 1.197 in aftrek gebracht. Nu belanghebbende de openstaande schuld moet betalen, dient de naheffingsaanslag met € 1.197 te worden verminderd.

4.6.
De rechtbank volgt belanghebbende niet. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de factuur van [crediteur] nog niet is betaald zodat niet aan de voorwaarden van artikel 29, achtste lid, van de Wet OB wordt voldaan. Voor zover dit bedrag in de toekomst alsnog wordt betaald, ontstaat in dat tijdvak opnieuw recht op aftrek.

Oninbare vorderingen

4.5.
De regels voor teruggaaf van omzetbelasting wegens (gedeeltelijke) niet-betaling zijn opgenomen in artikel 29 van de Wet OB. Dit artikel is per 1 januari 2017 gewijzigd.1Artikel 29, tweede lid, van de Wet OB, luidt sindsdien als volgt:

“Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling of de prijsvermindering komen vast te staan, met dien verstande dat in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.”

4.6.
Bij deze wijziging is voorzien in overgangsrecht,2 dat als volgt luidt:

“Met betrekking tot vergoedingen die opeisbaar zijn geworden vóór 1 januari 2017 maar die op dat tijdstip niet of gedeeltelijk niet zijn ontvangen en ter zake waarvan vóór die datum nog geen recht op teruggaaf vanwege oninbaarheid van de vordering bestond ingevolge de vóór 1 januari 2017 geldende wetgeving, wordt de termijn van één jaar, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, geacht te zijn aangevangen met ingang van 1 januari 2017. Voorts wordt voor vergoedingen die opeisbaar zijn geworden in het jaar 2015 voor de toepassing van artikel 29, zevende lid, tweede volzin, van laatstgenoemde wet het tijdstip van opeisbaarheid geacht gelegen te zijn op 1 januari 2016.”

In de memorie van toelichting3 staat het volgende:

“De overgangsbepaling opgenomen in dit artikel heeft betrekking op vergoedingen die opeisbaar zijn geworden vóór 1 januari 2017, die op die datum nog niet zijn ontvangen, maar ter zake waarvan vóór die datum nog geen recht op teruggaaf vanwege oninbaarheid is ontstaan ingevolge de tot die datum geldende wetgeving. Ter zake van dergelijke niet-betaalde vergoedingen is bepaald dat de termijn van één jaar, opgenomen in het in deze wet voorgestelde gewijzigde artikel 29, tweede lid, van de Wet OB 1968, begint te lopen op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Dit betekent dat al die op 1 januari 2017 al voor langere of kortere tijd opeisbare vorderingen als oninbaar worden aangemerkt op 1 januari 2018, voor zover het verschuldigde bedrag op die datum in zijn geheel of gedeeltelijk nog steeds niet is ontvangen. Wanneer de oninbaarheid van dergelijke vorderingen al eerder, in de loop van 2017, is komen vast te staan ontstaat uiteraard al op dat moment het recht op teruggaaf. (…)”

4.7.
Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat haar beroep op artikel 29, tweede lid, van de Wet OB alleen betrekking heeft op de debiteuren tegen wie een civiele procedure aanhangig is. Belanghebbende heeft toegelicht dat de rechtbank op 14 oktober 2020, in de civiele procedure in het voordeel van de vennootschap heeft geoordeeld. De betreffende debiteuren hebben echter hoger beroep aangetekend en trachten een minnelijke schikking te treffen met de curator van de vennootschap. Op dit moment hebben de debiteuren nog niet betaald. Belanghebbende stelt dat reeds in het onderhavige tijdvak recht op teruggaaf bestond als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet OB.

4.8.
De rechtbank stelt voorop dat – anders dan waarvan belanghebbende mogelijk uitgaat – in het kader van de beoordeling van de hoogte van de naheffingsaanslag het er niet om gaat of op enig moment recht op teruggaaf bestaat in verband met – kort gezegd – oninbare vorderingen. De naheffingsaanslag kan slechts verminderd worden indien vastgesteld kan worden dat in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft recht op teruggaaf bestaat. Het gaat dus om het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 (hierna: het naheffingstijdvak).

Tegen deze achtergrond brengt artikel 29, tweede lid, van de Wet OB in combinatie met het overgangsrecht het volgende mee voor dit geval:


Met betrekking tot vergoedingen die opeisbaar zijn geworden vóór 1 januari 2017 en ter zake waarvan vóór die datum al recht op teruggaaf is ontstaan op basis van de dan geldende wetgeving, bestaat geen recht op teruggaaf in het naheffingstijdvak;


Met betrekking tot andere vergoedingen, kan alleen recht bestaan op teruggaaf in het naheffingstijdvak indien vastgesteld kan worden dat aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan in het naheffingstijdvak.

De rechtbank merkt op dat, gelet op dit laatste gedachtestreepje, de rechtbank het niet eens is met de (aanvankelijke) wijze van uitleg door de inspecteur van het overgangsrecht ter zitting, inhoudende dat het overgangsrecht meebrengt dat recht op teruggaaf pas kan ontstaan in tijdvakken na 1 januari 2018. Die uitleg gaat eraan voorbij dat de termijn van één jaar als bedoeld in het overgangsrecht ziet op het bestanddeel ‘uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden’ in artikel 29, tweede lid, van de Wet OB en dus geen beperking inhoudt ter zake van de mogelijkheid dat het recht op teruggaaf eerder ontstaat dan na één jaar. Dit vindt ook steun in de laatste zin van het citaat uit de memorie van toelichting in 4.6.

4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in het naheffingstijdvak recht bestond op teruggaaf op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wet OB. Belanghebbende heeft met de overgelegde gegevens niet aannemelijk gemaakt dat de vorderingen oninbaar zijn geworden in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag ziet.

4.9
Belanghebbende heeft aangeboden om (alsnog) meer stukken over te leggen waaruit blijkt dat sprake is van oninbare vorderingen. De rechtbank passeert het bewijsaanbod. Belanghebbende had die stukken vóór de zitting kunnen en moeten overleggen, zeker nu de oninbaarheid van de vorderingen een geschilpunt betreft. Daar komt bij dat belanghebbende niet heeft toegelicht waarom het bewijsaanbod pas ter zitting is gedaan. Een redelijke afweging van de belangen van partijen en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de zaak maakt dat de rechtbank aan dit bewijsaanbod voorbij gaat.

4.10.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. T.H.J. Verhagen rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Fiscale vereenvoudigingswet 2017, Stb. 2016, 546, artikel VI.

2 Fiscale vereenvoudigingswet 2017, Stb. 2016, 546, artikel VII.

3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2016-2017, 34 554, nr. 3, p. 35 en 36

ECLI:NL:RBZWB:2021:3131