HvJ 26-05-2016 National Exhibition Centre C-130/15

0
139
Tickets Kaartjes kopen

HvJ National Exhibition Centre arrest

De btw-vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen is niet van toepassing op een zogeheten dienst van „verwerking van de betalingen met debetkaart of met kredietkaart”, wanneer iemand via deze dienstverrichter een kaartje koopt voor een voorstelling of een ander evenement dat deze in naam en voor rekening van een andere entiteit verkoopt, en die persoon met debetkaart of met kredietkaart betaalt.

DictumArrestVerzoek

Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde die hierin is bepaald voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen niet van toepassing is op een zogeheten dienst van „verwerking van de betalingen met debetkaart of met kredietkaart”, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die wordt verleend door een belastingplichtige, de verrichter van deze dienst, wanneer iemand via deze dienstverrichter een kaartje koopt voor een voorstelling of een ander evenement dat deze in naam en voor rekening van een andere entiteit verkoopt, en die persoon met debetkaart of met kredietkaart betaalt.

Dit arrest is niet in het Nederlands gepubliceerd.

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 mei 2016 –
National Exhibition Centre

(Zaak C‑130/15) (1)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Zesde richtlijn 77/388/EEG – Vrijstelling – Artikel 13, B, onder d), punt 3 – Handelingen betreffende betalingen en overmakingen – Begrip – Aankoop van kaartjes voor voorstellingen of andere evenementen – Betaling met debetkaart of met kredietkaart – Zogeheten dienst ‚van verwerking van de betaling met kaart’”

1.                     Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Vrijstellingen voorzien in de Zesde richtlijn – Bankverrichtingen bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 3 – Overmakingen en betalingen in de zin van dat artikel – Criteria voor vaststelling [Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 13, B, d), punt 3] (cf. punten 35, 36, 38)

2.                     Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Vrijstellingen voorzien in de Zesde richtlijn – Bankverrichtingen bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 3 – Begrip – Aankoop van kaartjes voor voorstellingen of voor andere evenementen – Betaling met debetkaart of met kredietkaart – Zogenoemde „dienst van verwerking van de betaling met kaart” – Daarvan uitgesloten [Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 13, B, d), punt 3] (cf. punt 52 en dictum)

Dictum

Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde die hierin is bepaald voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen niet van toepassing is op een zogeheten dienst van „verwerking van de betalingen met debetkaart of met kredietkaart”, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die wordt verleend door een belastingplichtige, de verrichter van deze dienst, wanneer iemand via deze dienstverrichter een kaartje koopt voor een voorstelling of een ander evenement dat deze in naam en voor rekening van een andere entiteit verkoopt, en die persoon met debetkaart of met kredietkaart betaalt.


1 PB C 190 van 8.6.2015.

ECLI:EU:C:2016:357

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (Verenigd Koninkrijk) op 13 maart 2015 – Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs / National Exhibition Centre Limited

(Zaak C-130/15)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs

Verwerende partij: National Exhibition Centre Limited

Prejudiciële vragen

Wat zijn, voor de btw-vrijstelling in artikel 13B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag)1 zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest Sparekassernes Datacenter/Skatteministeriet, C-2/95 (EU:C: 1997:278), de relevante beginselen die moeten worden toegepast bij de bepaling of een dienst „leid[t] tot een overmaking van geld en […] dus juridische en financiële wijzigingen meebreng[t]” in de zin van punt 66 van dat arrest? In het bijzonder:

1.1.    Is de vrijstelling van toepassing op een dienst zoals die in de onderhavige zaak door de belastingplichtige wordt verricht, waarbij de belastingplichtige geen rekeningen onder zijn controle debiteert of crediteert, maar die, wanneer een overmaking van geld plaatsvindt, oorzakelijk is voor de overmaking, die door een onafhankelijke financiële instelling wordt verricht?

1.2.    In het geval van betaling per krediet of debetkaart, maakt het voor het antwoord op vraag 1.1 verschil of de dienstverrichter autorisatiecodes zelf rechtstreeks van de bank van de kaarthouder dan wel via zijn merchant acquirer verkrijgt?

1.3.    Op basis van welke factoren moet worden onderscheiden tussen (a) een dienst die bestaat in het verstrekken van financiële informatie zonder welke geen betaling zou plaatsvinden maar die niet onder de vrijstelling valt (zoals in het arrest Nordea Pankki Suomi Oyj, C-350/10, (EU:C:2011:532), en (b) een gegevensverwerkingsdienst die de functie van overmaking van geld vervult en die volgens het Hof van Justitie derhalve binnen de werkingssfeer van de vrijstelling kan vallen (zoals in punt 66 van het arrest SDC)?

Wat zijn de relevante beginselen die moeten worden toegepast om te bepalen of een dienst zoals die in de onderhavige zaak door de belastingplichtige wordt verricht, al dan niet onder de werkingssfeer van de uitzondering voor de „invordering van schuldvorderingen” in artikel 13B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn? Inzonderheid, als een dienst waarbij betalingen worden verricht via een bepaalde methode (zoals een debet of kredietkaart) volgens de beginselen van het arrest Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs/AXA UK plc, C-175/09 (EU:C:2010:646) zou bestaan in de „invordering van schuldvorderingen” wanneer deze dienst wordt verleend aan degene aan wie de betaling verschuldigd is (de ontvanger), bestaat die dienst dan ook in de „invordering van schuldvorderingen” wanneer de dienst wordt verleend aan degene die de betaling verschuldigd is (de betaler)? Meer in het bijzonder, is er in de omstandigheden van de voorliggende zaak überhaupt sprake van „invordering” van een „schuldvordering”?

____________

____________

1 PB L 145, blz. 1.