Geen opgewekt vertrouwen omdat teruggaafbeschikking expliciet vermeldt dat terug te geven bedrag na controle alsnog kan worden gecorrigeerd 

zonnepanelen installeren poppetje met zonnepaneel en accuboormachine

Geen opgewekt vertrouwen omdat teruggaafbeschikking expliciet vermeldt dat terug te geven bedrag na controle alsnog kan worden gecorrigeerd 

A heeft een woning opgeleverd gekregen in 2001 met daarop zonnecollectoren/ zonnepanelen. Op 8 juli 2019 heeft A aangifte omzetbelasting gedaan waarin een bedrag van €10.083 aan btw is teruggevraagd. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd met een berekening van dit bedrag: €2.487 zonnepanelen + €7.596 bouwkosten (24%) = totaal €10.083. Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de Belastingdienst, conform het verzoek van A voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een teruggave verleend van €10.083. Naar aanleiding van een signaal van de BelastingTelefoon heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van €7.596.

Rechtbank Noord-Nederland was van oordeel dat het beroep van A op het vertrouwensbeginsel slaagt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is echter van oordeel dat het beroep van A op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat de teruggaafbeschikking expliciet vermeldt dat het terug te geven bedrag na controle alsnog door de Belastingdienst kan worden gecorrigeerd. Hiermee was voor A duidelijk dat hij er niet op kan vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Tussen partijen is niet in geschil dat A het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting tijdig bij aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, heeft gedaan. Voorts is niet in geschil dat A vanwege dit gebruik in beginsel ervoor kon kiezen alle met betrekking tot de oplevering in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek te brengen (HvJ P. Charles en T.S. Charles-Tijmens). Wel is in geschil of A de woning tijdig tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. De HR heeft bij arrest van 15 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3127) geoordeeld dat voor gevallen waarin op grond van artikel 14 Wet OB verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet worden voldaan en de aangifte vanwege de aftrek van omzetbelasting per saldo leidt tot een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 17 Wet OB artikel 31 lid 1 Wet OB uitsluitend eist dat het verzoek om teruggaaf moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Het Hof is van oordeel dat A bij het verzoek om teruggaaf bij aangifte van 8 juli 2019 de keuze heeft gemaakt de woning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, nu A in de bijlage bij het verzoek de omzetbelasting op de bouw van de woning deels in aftrek heeft gebracht. Het Hof is voorts van oordeel dat A dit verzoek tijdig heeft gedaan. In een arrest van 15 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ1213) heeft de Hoge Raad namelijk geoordeeld dat deze keuze op de voet van artikel 15 lid 4 tweede en vierde volzin Wet OB nog kan worden gemaakt bij de aangifte over het tijdvak waarin het pand in gebruik wordt genomen. Dit brengt mee dat A deze keuze kon maken bij het verzoek om teruggaaf bij aangifte over het tijdvak 2001 (tijdvak eerste ingebruikname), zoals A heeft gedaan.

GerechtshofRechtbank

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2023
Datum publicatie
17-11-2023
Zaaknummer
21/1632
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2021:4489, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
OB. Plaatsing zonnepanelen of zonnecollectoren? Keuzemoment ondernemingsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-11-2023
FutD 2023-2959
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/1150
V-N Vandaag 2023/2772
NLF 2023/2646
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 21/1632

uitspraakdatum: 7 november 2023

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 19 oktober 2021, nummer LEE 20/2911, ECLI:NL:RBNNE:2021:4489, in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.

1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, bepaald dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht moet vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord ing. J.W.F. Bouma, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren [in] 1961 en is gehuwd met mevrouw [naam3] (hierna: de echtgenote).

2.2.
Belanghebbende heeft op 5 juni 2000 samen met zijn echtgenote een koop/aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een vrijstaande woning.

2.3.
Op 21 juni 2000 heeft de levering van de bouwkavel plaatsgevonden. In de akte van levering is – voor zover hier van belang – in artikel 9 het volgende opgenomen:

“Koper verklaart zich uitdrukkelijk ermee bekend dat:

(…)

– op- en in de te bouwen woning door een nader door verkoper aan te wijzen (energie)bedrijf een zogenaamde “PV -installatie” zal worden casu quo wordt gerealiseerd;

(…)

– hij verplicht is deze installatie te allen tijde in stand te houden in de staat waarin deze wordt opgeleverd, deze installatie voldoende te onderhouden en deze installatie te verzekeren als onderdeel van de te stichten casu quo gestichte opstallen;

(…)

– verwarming van de onroerende zaak zal geschieden middels zonnecollectoren/ zonnepanelen met bijbehorende werken, een en ander in combinatie met- en in aansluiting op een warmtenet, waarvan de leidingen op een diepte van circa twee (2) meter in de grond van het hierbij verkochte perceel bouwterrein en haar naastlegers is casu quo zal worden aangelegd;”

2.4.
Met dagtekening 8 juli 2019 heeft (de gemachtigde van) belanghebbende een aangifte omzetbelasting (OB) (startende ondernemers) ingediend, die op 11 juli 2019 door de Inspecteur is ontvangen. In de aangifte wordt per saldo een bedrag van € 10.083 aan omzetbelasting teruggevraagd. Bij de aangifte OB is een bijlage gevoegd waarin – voor zover hier van belang – het volgende staat vermeld:

Bestaand BTW nummer: nee
Investering op nieuwbouwwoning ja
Tekeningen aanwezig ja
Woning opgeleverd: april 2001
Aankoop zonnepanelen: 44
Capaciteit per paneel 110
Totale capaciteit 4.840 BTW forfait gehele systeem € 100,00
Oppervlakte totale woning 120,8 m2
Oppervlakte zonnepanelen 37,2 m2
Totaal gebruikte oppervlakte 157,9 m2
Betaalde BTW i.v.m. zonnepanelen, excl. Nieuwbouw
BTW aankoop zonnepanelen € 2.586,55
BTW administratieve werkzaamheden
Totaal terug te vragen BTW, excl. Woning € 2.586,55
Totaal betaalde BTW op nieuwbouw € 34.856,30
Waarvan BTW op zonnepanelen € 2.586,55
Resteert als BTW op bouwkosten € 32.269,75
Bouwkosten toe te rekenen aan zonnepanelen € 7.596,22
BTW aangifte zonnepanelen, zonder bouwkosten
Af te dragen € 100,00
Voorheffing € 2.586,55
Teruggave € 2.486,55
BTW aangifte zonnepanelen, inclusief bouwkosten
Af te dragen € 100,00
Voorheffing € 10.182,77
Teruggave € 10.082,77

2.5.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de Inspecteur, conform het verzoek van belanghebbende om teruggaaf gedaan bij aangifte op 8 juli 2019, aan belanghebbende voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een teruggave verleend van € 10.083. De beschikking vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Op 11 juli 2019 heeft de Belastingdienst uw verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, op grond van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968., ontvangen.

Inhoud van de beslissing

De inspecteur komt aan het verzoek tegemoet. U heeft recht op teruggaaf van belasting. Het te verrekenen of terug te geven bedrag staat vermeld als eindbedrag in de rechterkolom. Het te verrekenen of terug te geven bedrag kan na controle alsnog door de inspecteur worden gecorrigeerd. Als u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u ertegen bij de inspecteur bezwaar maken. Het adres staat onderaan deze beschikking”

2.6.
Bij brief van 19 december 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het volgende medegedeeld:

“Naar aanleiding van een signaal via het KI&S (de voormalige BelastingTelefoon) heb ik contact gehad met uw cliënt, [belanghebbende] te [woonplaats] .

Naar aanleiding van dit signaal heb ik de aangifte, die de Belastingdienst op 11 juli 2019 van u, namens uw cliënt, ontving, opnieuw getoetst en geconstateerd dat het verzoek om een teruggaaf ook betrekking heeft op een gedeelte van de kosten, die gemaakt zijn tijdens de bouw van het dak van uw nieuwbouwwoning. Ik heb de heer [belanghebbende] verteld dat deze teruggaaf niet juist is.

U bent hier ook van op de hoogte aangezien u betrokken bent bij een aantal bezwaarzaken over afwijzingen van teruggaven voor de btw die ziet op de dakconstructie in combinatie met zonnepanelen. Toch heeft u voor uw cliënt een teruggaaf aangevraagd gebaseerd op onjuiste informatie die in strijd is met wettelijke regelingen. Op nakoming daarvan mag niet worden gerekend. Ik ben daarom van mening dat het te veel uitbetaalde bedrag terugbetaald en dus nageheven moet worden.

De woning met ondergrond is gekocht met het oogmerk om er zelf te gaan wonen. De gemaakte uitgaven zijn niet gedaan met het oog op de belaste prestatie (het leveren van stroom) maar op het (eigen) woongenot. De uitgaven zijn dan ook niet gemaakt in de hoedanigheid van ondernemer. Van belang is verder dat de uitgaven voor de levering van het bouwterrein en de bouw van de woning ook zouden zijn gemaakt wanneer uw cliënt geen elektriciteit zou leveren aan het elektriciteitsnet. De kosten vinden daarom niet hun uitsluitende directe oorzaak in de uitoefening van uw cliënt zijn economische activiteit.

Uw cliënt heeft wel recht op een teruggaaf van de btw voor de zonnepanelen. Volgens de begeleidende brief moet de teruggaaf van het bedrag aan btw voor de zonnepanelen € 2.487,- zijn.

Conclusie

Uw cliënt heeft geen recht op aftrek van de aan uw cliënt in rekening gebrachte btw over de kosten van de levering van het bouwterrein en de bouw van de woning. De teruggave komt uit op € 2.487,‑. De naheffingsaanslag zal (€ 1.0083 – € 2.487 =) € 7.596,- bedragen.

Ik stel u in de gelegenheid binnen 4 weken te reageren, hoor ik niets van u dan leg ik een naheffingsaanslag op.”

2.7.
Per e-mail van 23 december 2019 heeft belanghebbende op de aankondiging van de naheffing als volgt gereageerd:

“(…) Op grond van artikel 8 AWR moet een aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingediend.

De aangifte van de heer [belanghebbende] over het jaar 2001 is op 8 juli 2019 schriftelijk bij de belastingdienst ingediend. Bij deze aangifte is gespecificeerd aangegeven op welke wijze de BTW teruggave opgesteld is. Hierbij is aangegeven dat de gevraagde teruggaaf is opgebouwd uit een bedrag voor de aankoop van de panelen en een bedrag voor de bouwkosten van de woning. Dit blijkt mede uit uw reactie “volgens de begeleidende brief moet de teruggaaf van het bedrag aan BTW voor de zonnepanelen Eur 2.487 zijn”

Met de afwikkeling van deze aangifte heeft de belastingdienst gewacht tot de Hoge Raad een uitspaak over BTW teruggave op nieuwbouwwoningen. Op 27 september 2019 heeft de hoge raad het cassatieverzoek van de belastingdienst ongegrond verklaard.

Na deze uitspraak heeft de belastingdienst de BTW aangifte handmatig gecontroleerd. Op 21 november 2019 heeft de belastingdienst een beschikking omzetbelasting afgegeven, waarin is aangegeven dat de heer [belanghebbende] recht heeft op een teruggaaf van Eur 10.083. Deze teruggaaf is conform de ingediende aangifte en de gespecificeerde toelichting bij de aangifte.

Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden is de aangifte van de heer [belanghebbende] ingediend in lijn met de wet- en regelgeving, zoals deze op het moment van indiening van toepassing was. De aanslag is handmatig door de belastingdienst vastgesteld, waarbij al de gegevens voor de beoordeling van de aanslag bij de belastingdienst beschikbaar waren.

Op basis van bovenstaande gegevens is er m.i. geen aanleiding voor het opleggen van een naheffingsaanslag.”

2.8.
Met dagtekening 30 maart 2020 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 7.596.

2.9.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de naheffingsaanslag vernietigd. De Rechtbank heeft daarbij als volgt geoordeeld:

“(…)

3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. De rechtbank neemt daartoe het volgende in aanmerking.

3.5.
Eiser heeft zijn aangifte OB (startende ondernemers) (1.4.) voorzien van een bijlage (1.5.) waarin expliciet ook een teruggaaf van OB wordt gevraagd die ziet op de bouwkosten. Het totaalbedrag van de specificatie komt overeen met het totaalbedrag van de aangifte. In de specificatie is een splitsing gemaakt van de teruggevraagde OB die ziet op alleen de zonnepanelen (€ 2.486) en de OB die ziet op de totale bouwkosten (€ 7.596). De optelsom van die beide bedragen is gelijk aan het totaalbedrag van de gevraagde teruggaaf. Dit wordt onderstreept door het feit dat het bedrag van de naheffingsaanslag gelijk is aan de genoemde € 7.596. Hieruit volgt dat eiser alle relevante informatie aan de inspecteur heeft gegeven.

3.6.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de teruggaafbeschikking van verweerder (1.6.) is gegeven geruime tijd na indiening van eisers aangifte en relatief kort na het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019. In dat arrest verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie ongegrond. In de voorafgaande uitspraak oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat het aandeel zakelijk gebruik van een zakelijk geëtiketteerde woning waarop vervolgens zonnepanelen werden geplaatst, was toegenomen. Het deel van het dak waar de zonnepanelen daadwerkelijk op waren bevestigd, stond niet meer alleen ten dienste van de nuttige ruimtes in de woning, maar ook van de energieopwekking. De wijze van toerekening van die nuttige ruimtes door het Hof komt overeen met de wijze van toerekening die eiser in de specificatie heeft toegepast.

3.7.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat ook voorafgaand aan het arrest van 27 september 2019 (en daarna) in de fiscale vakliteratuur een discussie werd gevoerd over de aftrek van OB inzake bouwkosten van woningen, wanneer daarop zonnepanelen werden geplaatst. Ter illustratie wijst de rechtbank op de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 (de Hofuitspraak die daar aan voorafging, was van 7 mei 2019 en in de Conclusie van Advocaat-Generaal [naam4] voor het arrest komen de opvattingen uit de vakliteratuur aan de orde).

3.8.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn teruggaafbeschikking geen expliciet standpunt heeft ingenomen aangaande de aftrek van voorbelasting die ziet op de bouwkosten van de woning. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6. en 3.7. in aanmerking is genomen, overweegt de rechtbank dat wel sprake is van een impliciete standpuntbepaling. Gelet op die in aanmerking genomen omstandigheden mocht eiser er redelijkerwijs van uitgaan dat verweerder (bewust) positief had beslist op zijn verzoek om teruggaaf van OB die ziet op de bouwkosten. Daartoe is ook redengevend de chronologie van die omstandigheden: de bestaande discussie over deze specifieke kwestie, het wachten van verweerder met het geven van een teruggaafbeschikking en het ontvangen van deze beschikking door eiser ná en in lijn met het onder 3.6. vermelde arrest van de Hoge Raad.

3.9.
De rechtbank neemt ten slotte in aanmerking dat het impliciete standpunt van verweerder niet overduidelijk in strijd is met de toen geldende wet- en regelgeving. Er was immers juist discussie over de uitleg daarvan. Daar komt bij dat verweerder ter zitting zijn standpunt heeft ingetrokken dat de gemachtigde van eiser wel op de hoogte was dat de Belastingdienst het niet eens was met de benadering van de gemachtigde van eiser op dit punt.

4.1.
Nu de rechtbank reeds op deze grond tot de conclusie komt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen behandeling meer.

(…)”

2.10.
Ter zitting bij het Hof heeft de Inspecteur stukken overgelegd. Het gaat om prints van informatie van [naam5] en gegevens op de website van www.oozo.nl waarin staat dat andere woningen gelegen in dezelfde straat als de woning van belanghebbende en welke onderdeel zijn van hetzelfde project, zijnde [adres] 11 en [adres] 18 te [woonplaats] , zijn voorzien van zonnecollectoren.

2.11.
Ter zitting heeft belanghebbende – naar aanleiding van de stukken overgelegd door de Inspecteur (2.10) – een energienota met dagtekening 31 mei 2017 overgelegd. Deze nota vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Dhr. [belanghebbende] [adres] 20

[woonplaats]

Klantnummer: [nummer1]

Notadatum: 31 mei 2017

(…)

Beginstand Eindstand Verbruik (…)

09-05-2016 25-05-2017

(…)

Teruglevering enkeltarief 24.793 26.074 -1.281 kWh

(…)”

3Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij is specifiek in geschil of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Indien van een schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is, is in geschil of belanghebbende zonnepanelen dan wel zonnecollectoren heeft aangeschaft in 2001 en of belanghebbende de woning tijdig tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend.

4Beoordeling van het geschil
Vertrouwensbeginsel

4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door de naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende voert daartoe aan dat de teruggaafbeschikking is gegeven in overeenstemming met de in 2001 geldende fiscale wet- en regelgeving. Uit niets blijkt dat belanghebbende hoefde te twijfelen aan de juistheid van de teruggaafbeschikking. Verder voert belanghebbende aan dat uit niets blijkt dat de Inspecteur niet daadwerkelijk naar zijn aangifte heeft gekeken. Dat de Inspecteur ernaar heeft gekeken is logisch, omdat het een aangifte op papier was, die was voorzien van een bijlage. Gelet op het tijdsverloop is, zo stelt belanghebbende, duidelijk dat de Inspecteur heeft gewacht op het standpunt van de Hoge Raad (inzake de omzetbelasting in een vergelijkbare zaak die ook zag op bouwkosten1) voordat de teruggaafbeschikking is gegeven.

4.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Het verzoek om teruggaaf bij aangifte van belanghebbende van 8 juli 2019 is niet inhoudelijk beoordeeld. Het systeem van de omzetbelasting is erop gericht dat ondernemers snel over de teruggevraagde omzetbelasting kunnen beschikken. Dit houdt in dat eerst een teruggaaf wordt verleend en daarna eventueel controle plaatsvindt. Dit staat ook vermeld op de teruggaafbeschikking.

4.3.
Het Hof is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat de teruggaafbeschikking expliciet vermeldt dat het terug te geven bedrag na controle alsnog door de Inspecteur kan worden gecorrigeerd (zie 2.5). Hiermee was voor belanghebbende duidelijk dat hij er niet op kan vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou volgen.

4.4.
Voorts merkt het Hof op dat ook indien de hiervoor besproken passage niet zou staan onder de teruggaafbeschikking, geen sprake is van gewekt vertrouwen. Hierbij overweegt het Hof als volgt. De bewijslast dat sprake is van gewekt vertrouwen rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft wel gesteld dat de Inspecteur heeft gewacht op een arrest van de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak, maar belanghebbende heeft dit bij betwisting niet aannemelijk gemaakt. Hiervan gaat het Hof dan ook niet uit. Ook de stelling van belanghebbende dat het verzoek door de Inspecteur is bekeken, zo geeft belanghebbende ook zelf aan, ontbeert bewijs en kan om die reden, nu dit door de Inspecteur wordt betwist, niet worden gevolgd. Dan resteert het enkele feit dat de Inspecteur het verzoek om teruggaaf in eerste instantie heeft gevolgd, hetgeen niet voldoende is om in rechte te beschermen vertrouwen aan te nemen.

Zonnepanelen/ zonnecollectoren

4.5.
Nu het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, komt het Hof toe aan het materiële geschil. Hierbij is eerst in geschil of op de woning van belanghebbende in 2001 zonnepanelen of zonnecollectoren zijn geplaatst. Belanghebbende stelt het eerste, de Inspecteur het laatste.

4.6.
Het Hof acht aannemelijk dat op de woning van belanghebbende in 2001 zonnepanelen zijn geplaatst. Blijkens deze energienota van 31 mei 2017 is de beginstand van de teruggeleverde stroom voor de woning van belanghebbende op 9 mei 2016 24.793 kWh en is teruggeleverd in de periode 9 mei 2016 tot en met 25 mei 2017 1.281 Kwh. Hiermee staat vast dat de woning van belanghebbende op dat moment was voorzien van zonnepanelen, aangezien zonnecollectoren geen stroom leveren aan het net. De Inspecteur heeft aangevoerd dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat de zonnepanelen in 2001 op het dak van de woning zijn geplaatst, omdat het mogelijk is dat zonnecollectoren op enig moment zijn vervangen door zonnepanelen. Het Hof volgt de Inspecteur hierin niet. Zonder rekening te houden met het feit dat zonnepanelen in de loop van de tijd een afnemend resultaat kennen en ervan uitgaande dat het resultaat van de periode van 9 mei 2016 tot en met 25 mei 2017 gemiddeld is, wijst de nota erop dat op 9 mei 2016 reeds (24.793/1.281 = 19, 3) ruim 19 jaren energie wordt teruggeleverd aan het net. Hiermee heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat sinds het moment van de bouw van de woning en de ingebruikname in 2001 (dus ongeveer 15 jaar) stroom wordt teruggeleverd aan het net. Dat het werkelijk aantal jaren kleiner is past bij het gegeven dat zonnepanelen een afnemend resultaat kennen over de tijd. Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn stelling dat ook rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de teruggeleverde energie afkomstig is van andere, niet op de foto zichtbare, op een ander deel van de woning geplaatste zonnepanelen. Voor deze hypothese heeft de Inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, niets ter bewijs aangedragen.

Keuzemoment ondernemersvermogen

4.7.
Uitgaande van de aanleg van zonnepanelen op de woning van belanghebbende in 2001 is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende alsdan stroom heeft geleverd aan het net en dat belanghebbende voor het leveren van deze stroom ondernemer is voor de omzetbelasting. Dit brengt met zich dat het pand na de oplevering in gebruik is genomen voor zowel zakelijke doeleinden als privédoeleinden.

4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting tijdig bij aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, heeft gedaan. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende vanwege dit gebruik in beginsel ervoor kon kiezen alle met betrekking tot de oplevering in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek te brengen.2 Wel is in geschil of belanghebbende de woning tijdig tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend.

4.9.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 december 20173 geoordeeld dat voor gevallen waarin op grond van artikel 14 van Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet worden voldaan en de aangifte vanwege de aftrek van omzetbelasting per saldo leidt tot een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 17 van de Wet OB artikel 31, lid 1, van de Wet OB uitsluitend eist dat het verzoek om teruggaaf moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

4.10.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende bij het verzoek om teruggaaf bij aangifte van 8 juli 2019 de keuze heeft gemaakt de woning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, nu belanghebbende in de bijlage bij het verzoek de omzetbelasting op de bouw van de woning deels in aftrek heeft gebracht. Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbende dit verzoek tijdig heeft gedaan. In een arrest van 15 april 2011 heeft de Hoge Raad namelijk geoordeeld dat deze keuze op de voet van artikel 15, lid 4, tweede en vierde volzin, van de Wet OB nog kan worden gemaakt bij de aangifte over het tijdvak waarin het pand in gebruik wordt genomen.4 Dit brengt mee dat belanghebbende deze keuze kon maken bij het verzoek om teruggaaf bij aangifte over het tijdvak 2001 (tijdvak eerste ingebruikname), zoals belanghebbende heeft gedaan.

4.11.
Met vorenstaand oordeel van het Hof is tussen partijen niet in geschil dat alsdan de gehele naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Het Hof sluit zich daarbij aan.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Nu het Hof het hoger beroep ongegrond verklaart, zal van de Inspecteur griffierecht worden geheven.

5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

5.3.
De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 2.026. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

5.4.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 837).

6Beslissing
Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep van € 1.674, en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 541.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. M. Breij en mr. E. Polak in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.E. Keulemans)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 8 november 2023.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 HR 27 september 2019, nr. 18/00087, ECLI:NL:HR:2019:1438.

2 HvJ EU 14 juli 2005, C-434/03, ECLI:EU:C:2005:48 (P. Charles en T.S. Charles-Tijmens).

3 HR 15 december 2017, nr. 15/05937, ECLI:NL:HR:2017:3127.

4 HR 15 april 2011, nr. 10/00275, ECLI:NL:HR:2011:BQ1213.

ECLI:NL:GHARL:2023:9440

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
AWB – 20 _ 2911
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2023:9440, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel in een OB-zaak betreffende zonnepanelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-11-2021
V-N Vandaag 2021/2610
FutD 2021-3417
V-N 2021/55.2.5
NLF 2021/2142
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/2911

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: ing. J.W.F. Bouma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop
Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 aan eiser met dagtekening 30 maart 2020 een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting (OB) ten bedrage van € 7.596.

Bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2021.

Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is daar eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen
Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.
Eiser is geboren op [datum] 1961 en is gehuwd met [echtgenote] .

1.2.
Eiser heeft op [datum] 2000 samen met zijn echtgenote een koop/

aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een vrijstaande woning.

1.3.
Op [datum] 2000 vindt de levering van de bouwkavel plaats. In de akte van levering is in artikel 9 onder meer opgenomen:

“Koper verklaart zich uitdrukkelijk ermee bekend dat:

(…)

-verwarming van de onroerende zaak zal geschieden middels zonnecollectoren/ zonnepanelen met bijbehorende werken, een en ander in combinatie met- en in aansluiting op een warmtenet, waarvan de leidingen op een diepte van circa twee (2) meter in de grond van het hierbij verkochte perceel bouwterrein en haar naastlegers is casu quo zal worden aangelegd;”

1.4.
Met dagtekening 8 juli 2019 heeft (de gemachtigde van) eiser een aangifte OB (startende ondernemers) ingediend, die op 11 juli 2019 door verweerder is ontvangen. In de aangifte heeft (de gemachtigde van) eiser een bedrag van € 10.083 aan OB teruggevraagd.

De aangifte is als volgt opgesteld:

Leveringen/diensten belast met hoog tarief (forfait): € 100

Verschuldigde OB: € 100

Voorbelasting: € 10.183

Terug te vragen OB: € 10.083

1.5.
Bij de onder 1.4. vermelde aangifte OB heeft (de gemachtigde van) eiser een bijlage gevoegd, waarin het volgende is vermeld:

Bestaand BTW nummer: nee
Investering op nieuwbouwwoning ja
Tekeningen aanwezig ja
Woning opgeleverd: [maand] 2001
Aankoop zonnepanelen: 44
Capaciteit per paneel 110
Totale capaciteit 4.840 BTW forfait gehele systeem € 100,00
Oppervlakte totale woning 120,8 m2
Oppervlakte zonnepanelen 37,2 m2
Totaal gebruikte oppervlakte 157,9 m2
Betaalde BTW ivm zonnepanelen, excl. Nieuwbouw
BTW aankoop zonnepanelen 2.586,55
BTW administrtatieve werkzaamheden
Totaal terug te vragen BTW, excl. Woning 2.586,55
Totaal betaalde BTW op nieuwbouw 34.856,30
Waarvan BTW op zonnepanelen 2.586,55
Resteert als BTW op bouwkosten 32.269,75
Bouwkosten toe te rekenen aan zonnepanelen 7.596,22
BTW aangifte zonnepanelen, zonder bouwkosten
Af te dragen 100,00
Voorheffing 2.586,55
Teruggave 2.486,55
BTW aangifte zonnepanelen, inclusief bouwkosten
Af te dragen 100,00
Voorheffing 10.182,77
Teruggave 10.082,77

1.6.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft verweerder aan eiser voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een teruggave van € 10.083 aan OB verleend. Daarin heeft verweerder onder meer geschreven:

“Op 11 juli 2019 heeft de Belastingdienst uw verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, op grond van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968., ontvangen.

Inhoud van de beslissing
De inspecteur komt aan het verzoek tegemoet. U heeft recht op teruggaaf van belasting. Het te verrekenen of terug te geven bedrag staat vermeld als eindbedrag in de rechterkolom. Het te verrekenen of terug te geven bedrag kan na controle alsnog door de inspecteur worden gecorrigeerd. Als u het niet eens bent met deze beschikking kunt u ertegen bij de inspecteur bezwaar maken. Het adres staat onderaan deze beschikking.”

1.7.
Bij brief van 19 december 2019 heeft verweerder aan (de gemachtigde van) eiser onder meer geschreven:

“Naar aanleiding van een signaal via het KI&S (de voormalige BelastingTelefoon) heb ik contact gehad met uw cliënt, [eiser] te [woonplaats] .

Naar aanleiding van dit signaal heb ik de aangifte, die de Belastingdienst op 11 juli 2019 van u, namens uw cliënt, ontving, opnieuw getoetst en geconstateerd dat het verzoek om een teruggaaf ook betrekking heeft op een gedeelte van de kosten, die gemaakt zijn tijdens de bouw van het dak van uw nieuwbouwwoning. Ik heb [eiser] verteld dat deze teruggaaf niet juist is.

U bent hier ook van op de hoogte aangezien u betrokken bent bij een aantal bezwaarzaken over afwijzingen van teruggaven voor de btw die ziet op de dakconstructie in combinatie met zonnepanelen. Toch heeft u voor uw cliënt een teruggaaf aangevraagd gebaseerd op onjuiste informatie die in strijd is met wettelijke regelingen. Op nakoming daarvan mag niet worden gerekend. Ik ben daarom van mening dat het teveel uitbetaalde bedrag terugbetaald en dus nageheven moet worden.

De woning met ondergrond is gekocht met het oogmerk om er zelf te gaan wonen. De gemaakte uitgaven zijn niet gedaan met het oog op de belaste prestatie (het leveren van stroom) maar op het (eigen) woongenot. De uitgaven zijn dan ook niet gemaakt in de hoedanigheid van ondernemer. Van belang is verder dat de uitgaven voor de levering van het bouwterrein en de bouw van de woning ook zouden zijn gemaakt wanneer uw cliënt geen elektriciteit zou leveren aan het elektriciteitsnet. De kosten vinden daarom niet hun uitsluitende directe oorzaak in de uitoefening van uw cliënt zijn economische activiteit.

Uw cliënt heeft wel recht op een teruggaaf van de btw voor de zonnepanelen. Volgens de begeleidende brief moet de teruggaaf van het bedrag aan btw voor de zonnepanelen € 2.487,- zijn.

Conclusie
Uw cliënt heeft geen recht op aftrek van de aan uw cliënt in rekening gebrachte btw over de kosten van de levering van het bouwterrein en de bouw van de woning. De teruggave komt uit op € 2.487,-. De naheffingsaanslag zal (€ 1.0083 – € 2.487 =) € 7.596,- bedragen.
Ik stel u in de gelegenheid binnen 4 weken te reageren, hoor ik niets van u dan

leg ik een naheffingsaanslag op.”

1.8.
Per e-mail van 23 december 2019 heeft (de gemachtigde van) eiser aan verweerder onder meer als volgt gereageerd:

“Op grond van artikel 8 AWR moet een aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud

worden ingediend.

De aangifte van [eiser] over het jaar 2001 is op 8 juli 2019 schriftelijk bij de

belastingdienst ingediend. Bij deze aangifte is gespecificeerd aangegeven op welke wijze de BTW teruggave opgesteld is. Hierbij is aangegeven dat de gevraagde teruggaaf is opgebouwd uit een bedrag voor de aankoop van de panelen en een bedrag voor de bouwkosten van de woning. Dit blijkt mede uit uw reactie “volgens de begeleidende brief moet de teruggaaf van het bedrag aan BTW voor de zonnepanelen Eur 2.487 zijn”

Met de afwikkeling van deze aangifte heeft de belastingdienst gewacht tot de Hoge Raad

een uitspaak over BTW teruggave op nieuwbouwwoningen. Op 27 september 2019 heeft de hoge raad het cassatieverzoek van de belastingdienst ongegrond verklaard.

Na deze uitspraak heeft de belastingdienst de BTW aangifte handmatig gecontroleerd. Op 21 november 2019 heeft de belastingdienst een beschikking omzetbelasting afgegeven, waarin is aangegeven dat [eiser] recht heeft op een teruggaaf van Eur 10.083. Deze teruggaaf is conform de ingediende aangifte en de gespecificeerde toelichting bij de aangifte.

Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden is de aangifte van [eiser]

ingediend in lijn met de wet en regelgeving, zoals deze op het moment van indiening van

toepassing was. De aanslag is handmatig door de belastingdienst vastgesteld, waarbij al de gegevens voor de beoordeling van de aanslag bij de belastingdienst beschikbaar waren.

Op basis van bovenstaande gegevens is er m.i. geen aanleiding voor het opleggen van een

naheffingsaanslag.”

1.9.
Met dagtekening 30 maart 2020 heeft verweerder de onder het procesverloop vermelde naheffingsaanslag OB opgelegd.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de onder het procesverloop vermelde naheffingsaanslag OB aan eiser heeft opgelegd.

2.1.
Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe aan dat de woning één onsplitsbaar investeringsgoed is dat vanwege het zakelijke gebruik voor de OB als ondernemingsvermogen mag worden geëtiketteerd. De keuze om de woning tot het ondernemingsvermogen voor de OB te rekenen kon door eiser bij de aangifte over het tijdvak waarin de woning in gebruik is genomen, worden gemaakt. Omdat er geen termijn is waarbinnen een verzoek tot het uitreiken van een aangifteformulier OB moet worden gedaan, heeft eiser dit tijdig gedaan. In 2001 werd zowel de levering van elektriciteit aan het openbare net als het gebruik van onroerend goed voor andere dan bedrijfsdoeleinden aangemerkt als een voor de OB belaste activiteit. Eiser komt tot de conclusie dat de gehele op de bouw van de woning drukkende OB in 2001 in mindering mag worden gebracht. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag om een hogere teruggaaf van OB heeft gevraagd dan hij oorspronkelijk bij beschikking (1.6.) had gekregen. Daarbij hield eiser rekening met het feit dat vanwege de herzieningstermijn van tien jaar, jaarlijks een tiende van de OB die ziet op het privé-gedeelte van de woning moet worden herzien. De aldus herberekende teruggaaf aan OB van € 31.908 voor het jaar 2001 moet worden opgevat als extra argument voor de betwisting van de juistheid van de hoogte van de naheffingsaanslag OB met dagtekening 30 maart 2020. Alleen die naheffingsaanslag is in geschil. Ten slotte doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel.

2.2.
Verweerder beantwoordt de onder 2. vermelde vraag bevestigend en voert daartoe aan dat eiser de woning niet heeft betrokken als ondernemer waardoor deze geheel buiten de OB-sfeer is gehouden. Verweerder is van mening dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er echt sprake is geweest van de aanschaf van zonnepanelen (maar van zonnecollectoren) en als dat wel het geval is, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarmee elektriciteit levert aan het elektriciteitsnet. Voorts voert verweerder aan dat, mocht al sprake zijn van levering aan het elektriciteitsnet door middel van zonnepanelen, eiser de woning niet tijdig tot het ondernemingsvermogen voor de OB heeft gerekend. Meer subsidiair voert verweerder aan dat eiser slechts recht heeft op de voorbelasting voor zover die ziet op het deel van de kosten gerelateerd aan de levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Ten slotte is verweerder van mening dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

3. De rechtbank zal in het kader van een efficiënte geschilbeslechting eerst het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel behandelen.

3.1.
Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft eiser aangevoerd dat de teruggaafbeschikking (1.6.) is gegeven in overeenstemming met de in 2001 geldende fiscale wet- en regelgeving en dat uit niets blijkt dat eiser hoefde te twijfelen aan de juistheid van deze teruggaafbeschikking. Verder voert eiser aan dat hij geen bewijs heeft dat er niet daadwerkelijk naar zijn aangifte is gekeken door verweerder. Het was volgens eiser een aangifte op papier, die was voorzien van een specificatie. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder bewust heeft gewacht op het standpunt van de Hoge Raad inzake de OB die ziet op de bouwkosten, voordat de teruggaafbeschikking is gegeven.

3.2.
Inzake het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verweerder aangevoerd dat de aangifte omzetbelasting (startende ondernemers) van eiser van 8 juli 2019 niet feitelijk inhoudelijk is beoordeeld. Bovendien is verweerder van mening dat het teruggevraagde bedrag aan omzetbelasting niet ongewoon was, uitgaande van alleen zonnepanelen (de kosten van zonnepanelen lagen in 2001 aanmerkelijk hoger dan nu). Ten slotte voert verweerder aan dat er met het geven van de teruggaafbeschikking geen sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling.

3.3.
De rechtbank stelt voorop dat het er voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel niet om gaat wat verweerder daadwerkelijk bedoeld heeft, maar om de indruk die eiser redelijkerwijs mocht hebben van de gedragingen van verweerder. Het perspectief is dus niet dat van de inspecteur, maar dat van de belastingplichtige. Het gaat in dit geval om de vraag of eiser uit het toezenden van de teruggaafbeschikking (1.6.) redelijkerwijs heeft mogen opmaken dat hij in de ogen van de inspecteur in zijn specifieke situatie recht had op een teruggaaf van voorbelasting zoals gevraagd (inclusief de OB op de bouwkosten).

3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. De rechtbank neemt daartoe het volgende in aanmerking.

3.5.
Eiser heeft zijn aangifte OB (startende ondernemers) (1.4.) voorzien van een bijlage (1.5.) waarin expliciet ook een teruggaaf van OB wordt gevraagd die ziet op de bouwkosten. Het totaalbedrag van de specificatie komt overeen met het totaalbedrag van de aangifte. In de specificatie is een splitsing gemaakt van de teruggevraagde OB die ziet op alleen de zonnepanelen (€ 2.486) en de OB die ziet op de totale bouwkosten (€ 7.596). De optelsom van die beide bedragen is gelijk aan het totaalbedrag van de gevraagde teruggaaf. Dit wordt onderstreept door het feit dat het bedrag van de naheffingsaanslag gelijk is aan de genoemde € 7.596. Hieruit volgt dat eiser alle relevante informatie aan de inspecteur heeft gegeven.

3.6.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de teruggaafbeschikking van verweerder (1.6.) is gegeven geruime tijd na indiening van eisers aangifte en relatief kort na het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019.1 In dat arrest verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie ongegrond. In de voorafgaande uitspraak oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat het aandeel zakelijk gebruik van een zakelijk geëtiketteerde woning waarop vervolgens zonnepanelen werden geplaatst, was toegenomen. Het deel van het dak waar de zonnepanelen daadwerkelijk op waren bevestigd, stond niet meer alleen ten dienste van de nuttige ruimtes in de woning, maar ook van de energieopwekking. De wijze van toerekening van die nuttige ruimtes door het Hof komt overeen met de wijze van toerekening die eiser in de specificatie heeft toegepast.

3.7.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat ook voorafgaand aan het arrest van 27 september 2019 (en daarna) in de fiscale vakliteratuur een discussie werd gevoerd over de aftrek van OB inzake bouwkosten van woningen, wanneer daarop zonnepanelen werden geplaatst. Ter illustratie wijst de rechtbank op de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 (de Hofuitspraak die daar aan voorafging, was van 7 mei 2019 en in de Conclusie van Advocaat-Generaal Ettema voor het arrest komen de opvattingen uit de vakliteratuur aan de orde).2

3.8.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn teruggaafbeschikking geen expliciet standpunt heeft ingenomen aangaande de aftrek van voorbelasting die ziet op de bouwkosten van de woning. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6. en 3.7. in aanmerking is genomen, overweegt de rechtbank dat wel sprake is van een impliciete standpuntbepaling. Gelet op die in aanmerking genomen omstandigheden mocht eiser er redelijkerwijs van uitgaan dat verweerder (bewust) positief had beslist op zijn verzoek om teruggaaf van OB die ziet op de bouwkosten. Daartoe is ook redengevend de chronologie van die omstandigheden: de bestaande discussie over deze specifieke kwestie, het wachten van verweerder met het geven van een teruggaafbeschikking en het ontvangen van deze beschikking door eiser ná en in lijn met het onder 3.6. vermelde arrest van de Hoge Raad.

3.9.
De rechtbank neemt ten slotte in aanmerking dat het impliciete standpunt van verweerder niet overduidelijk in strijd is met de toen geldende wet- en regelgeving. Er was immers juist discussie over de uitleg daarvan. Daar komt bij dat verweerder ter zitting zijn standpunt heeft ingetrokken dat de gemachtigde van eiser wel op de hoogte was dat de Belastingdienst het niet eens was met de benadering van de gemachtigde van eiser op dit punt.

4.1.
Nu de rechtbank reeds op deze grond tot de conclusie komt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen behandeling meer.

4.2.
Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag OB ten bedrage van € 7.596 vernietigt.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 178 vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.026 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). Partijen hebben ter zitting met deze berekeningswijze ingestemd.

Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vernietigt de naheffingsaanslag OB voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiser te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.026.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. G. Kattenberg en mr. S.J. Swaters, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2021.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 ECLI:NL:HR:2019:1438.

2 ECLI:NL:HR:2021:1158.

ECLI:NL:RBNNE:2021:4489