HvJ 13-11-2025 FLO VENEER C-639/24

HvJ FLO VENEER arrest

Kroatische handelsvennootschap FLO VENEER verkoopt eikenhouten stammen. Na een belastingcontrole bleek dat FLO VENEER facturen had uitgereikt voor leveringen aan een afnemer in Slovenië, waarvoor de vennootschap de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen had toegepast. FLO VENEER overlegde ter onderbouwing van de vrijstelling schriftelijke verklaringen van de afnemer, facturen, bewijzen van verzending en vrachtbrieven (CMR). De Kroatische belastingdienst legde echter een btw-aanslag op. Hoewel de Kroatische autoriteiten niet betwistten dat de goederen daadwerkelijk van Kroatië naar Slovenië waren vervoerd, werd de vrijstelling geweigerd op grond van de formele gebreken in de bewijsdocumentatie. Artikel 138 lid 1 btw-richtlijn stelt de materiële voorwaarden voor deze vrijstelling. Artikel 45 bis btw-verordening introduceerde een weerlegbaar vermoeden voor het bewijs van vervoer, mits de verkoper in het bezit is van specifieke, niet-tegenstrijdige bewijsstukken.

FLO VENEER stelde in beroep dat artikel 45 bis het bewijs van intracommunautaire leveringen moet vergemakkelijken, maar dat bij het ontbreken van de specifieke aldaar genoemde documenten, de belastingplichtige nog steeds per geval moet kunnen aantonen dat aan alle materiële vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De verwijzende rechter wees in dit verband op de vaste rechtspraak van het HvJ, met name het arrest Euro Tyre, waarin het HvJ oordeelde dat het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat de btw-vrijstelling wordt verleend wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, zelfs indien bepaalde formele vereisten niet zijn nageleefd.

Volgens het HvJ verzetten artikel 138 lid 1 btw-richtlijn en artikel 45 bis btw-verordening zich ertegen dat de btw-vrijstelling wordt geweigerd op de enkele grond dat het specifieke bewijs van intracommunautaire levering als bedoeld in artikel 45 bis niet is verstrekt. Het HvJ benadrukte dat artikel 45 bis een weerlegbaar vermoeden creëert om de bewijsvoering te vergemakkelijken en garanties te bieden, maar niet uitputtend de bewijsstukken opsomt die nodig zijn om aan te tonen dat een intracommunautaire levering heeft plaatsgevonden. De btw-richtlijn stelt de vrijstelling niet afhankelijk van de beschikbaarheid van specifieke bewijsstukken. Overeenkomstig het beginsel van fiscale neutraliteit, zoals uiteengezet in onder meer het arrest Euro Tyre, mogen formele voorwaarden het recht op btw-vrijstelling niet aantasten wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan. De niet-naleving van een formeel vereiste leidt enkel tot weigering indien er sprake is van opzettelijke fraude, of indien de niet-naleving heeft verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan. Het HvJ concludeerde dat nationale belastingdiensten de verplichting hebben om alle door de verkoper overgelegde bewijsstukken te beoordelen om, buiten de gevallen van het vermoeden van artikel 45 bis, vast te stellen of de goederen daadwerkelijk intracommunautair zijn verzonden of vervoerd (zie ook arrest B2 Energy, punt 36).

DictumArrestVerzoek

Artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018, en artikel 45 bis van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1912 van de Raad van 4 december 2018,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij, ten eerste, zich ertegen verzetten dat de btw-vrijstelling uit hoofde van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn wordt geweigerd op de enkele grond dat het bewijs van een intracommunautaire levering als bedoeld in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2018/1912, niet is verstrekt en, ten tweede, de nationale belastingdiensten ertoe verplichten om – buiten de gevallen waarin er sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 45 bis, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2018/1912 – alle overgelegde bewijsstukken te beoordelen om vast te stellen of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie.

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

13 november 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 138, lid 1 – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 – Artikel 45 bis – Voorwaarden voor de vrijstelling voor intracommunautaire goederenleveringen – Vermoeden – Vereiste bewijzen ”

In zaak C‑639/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upravni sud u Zagrebu (bestuursrechter in eerste aanleg Zagreb, Kroatië) bij beslissing van 18 september 2024, ingekomen bij het Hof op 30 september 2024, in de procedure

FLO VENEER d.o.o.

tegen

Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en A. Koričić als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018 (PB 2018, L 311, blz. 3) (hierna: „btw-richtlijn”), en van artikel 45 bis van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2011, L 77, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1912 van de Raad van 4 december 2018 (PB 2018, L 311, blz. 10) (hierna: „uitvoeringsverordening nr. 282/2011”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen FLO VENEER d.o.o. en de Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak (ministerie van Financiën van de Republiek Kroatië, dienst belast met de administratieve procedure van het tweede niveau) (hierna: „ministerie van Financiën”) over de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor intracommunautaire leveringen van goederen.

Toepasselijke bepalingen

Btw-richtlijn

3 Artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen die door of voor rekening van de verkoper of de afnemer worden verzonden of vervoerd naar een bestemming buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de [Europese] Gemeenschap, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de goederen worden geleverd aan een andere belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt;

b) de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon aan wie de levering wordt verricht, is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt, en heeft zijn btw-identificatienummer aan de leverancier meegedeeld.”

Uitvoeringsverordening nr. 282/2011

4 Artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bepaalt:

„1. Voor de toepassing van de in artikel 138 van richtlijn [2006/112] vastgestelde vrijstellingen geldt het vermoeden dat goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de [Europese] Gemeenschap in elk van de volgende gevallen:

a) de verkoper geeft aan dat de goederen door hemzelf of door een derde voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd, en ofwel is de verkoper in het bezit van ten minste twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken als bedoeld in lid 3, onder a), afgegeven door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer, ofwel is de verkoper in het bezit van één niet-tegenstrijdig bewijsstuk als bedoeld in lid 3, onder a), samen met één niet-tegenstrijdig bewijsstuk als bedoeld in lid 3, onder b), die de verzending of het vervoer bewijzen en die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer;

b) de verkoper is in het bezit van het volgende:

i) een schriftelijke verklaring van de afnemer waarin wordt bevestigd dat de goederen door de afnemer of door een derde voor rekening van de afnemer zijn verzonden of vervoerd, en waarin de lidstaat van bestemming van de goederen is vermeld; die schriftelijke verklaring bevat: de datum van afgifte; de naam en het adres van de afnemer; de hoeveelheid en de aard van de goederen; de datum en plaats van aankomst van de goederen; in het geval van levering van vervoermiddelen, het identificatienummer van het vervoermiddel; en de identificatie van de persoon die de goederen namens de afnemer aanvaardt, en

ii) ten minste twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken als bedoeld in lid 3, onder a), die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer, of één niet-tegenstrijdig bewijsstuk als bedoeld in lid 3, onder a), samen met één niet-tegenstrijdig bewijsstuk als bedoeld in lid 3, onder b), die de verzending of het vervoer bewijzen en die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer.

De afnemer moet de onder b), i), bedoelde schriftelijke verklaring uiterlijk op de tiende dag van de maand volgende op de levering aan de verkoper bezorgen.

2. Een belastingdienst kan een vermoeden uit hoofde van lid 1 weerleggen.

3. Voor de toepassing van lid 1 wordt het volgende aanvaard als bewijs van verzending of vervoer:

a) documenten met betrekking tot de verzending of het vervoer van de goederen, zoals een ondertekend CMR-document of een ondertekende CMR-vrachtbrief, een cognossement, een factuur voor het luchtvrachtvervoer van de goederen of een factuur van de vervoerder van de goederen;

b) de volgende documenten:

i) een verzekeringsovereenkomst voor de verzending of het vervoer van de goederen of bankdocumenten die de betaling van de verzending of het vervoer of de verzending staven;

ii) officiële documenten uitgereikt door een openbare instantie, zoals een notaris, waarin de aankomst van de goederen in de lidstaat van bestemming wordt bevestigd;

iii) een ontvangstbewijs van een entrepothouder afgegeven in de lidstaat van bestemming, waarin de opslag van de goederen in die lidstaat wordt bevestigd.”

Uitvoeringsverordening 2018/1912

5 Overwegingen 2 tot en met 5 van uitvoeringsverordening 2018/1912 luiden als volgt:

„(2) In richtlijn [2006/112] is een reeks voorwaarden vastgesteld om goederenleveringen bij bepaalde intracommunautaire transacties van de btw te mogen vrijstellen. Een van die voorwaarden is dat de goederen vanuit een lidstaat naar een andere zijn verzonden of vervoerd.

(3) De uiteenlopende aanpak van de lidstaten bij de toepassing van deze vrijstellingen voor grensoverschrijdende transacties heeft evenwel tot moeilijkheden en rechtsonzekerheid voor de bedrijven geleid. Dit staat haaks op het streven naar een uitbreiding van het intracommunautaire handelsverkeer en [op] de afschaffing van de fiscale grenzen. Het is derhalve belangrijk om de voorwaarden waaronder de vrijstellingen toepassing kunnen vinden, te specificeren en te harmoniseren.

(4) Aangezien grensoverschrijdende btw-fraude hoofdzakelijk samenhangt met de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, dienen bepaalde omstandigheden te worden gespecificeerd waarin goederen moeten worden geacht vanuit het grondgebied van de lidstaat van levering te zijn verzonden of vervoerd.

(5) Teneinde bedrijven een praktische oplossing aan te reiken alsook de belastingdiensten waarborgen te bieden, moeten in uitvoeringsverordening [nr. 282/2011] van de Raad twee weerlegbare vermoedens worden geïntroduceerd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6 FLO VENEER is een in Kroatië gevestigde handelsvennootschap die eikenhouten stammen verkoopt. Bij deze vennootschap is een belastingcontrole uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat zij voor de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2020 facturen had uitgereikt voor de levering van eikenhouten stammen aan een afnemer in Slovenië.

7 In het kader van deze belastingcontrole heeft FLO VENEER schriftelijke verklaringen van de afnemer als bedoeld in artikel 45 bis, lid 1, onder b), i), van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 overgelegd, alsmede facturen, bewijzen van verzending van de goederen en vrachtbrieven (CMR). Deze vrachtbrieven worden geregeld in het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het op 5 juli 1978 te Genève ondertekende protocol.

8 Op 8 oktober 2020 heeft de Ministarstvo financija, Porezna uprava, Područni ured Sisak (ministerie van Financiën, belastingdienst, regiokantoor Sisak, Kroatië) een btw-aanslag opgelegd, daar het ministerie van mening was dat FLO VENEER in strijd met de wet btw-vrijstelling had genoten over de betrokken goederenleveringen. Uit de motivering van deze belastingaanslag blijkt dat dit ministerie niet heeft betwist dat deze goederen daadwerkelijk van Kroatië naar Slovenië waren vervoerd. Het ministerie was evenwel van mening dat de door FLO VENEER overgelegde bewijsstukken niet aantoonden dat de voorwaarden voor btw-vrijstelling van artikel 45 bis, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 waren vervuld. Bij besluit van het ministerie van Financiën van 4 mei 2021 is het bezwaar van FLO VENEER tegen deze belastingaanslag afgewezen.

9 FLO VENEER heeft beroep ingesteld bij de Upravni sud u Zagrebu (bestuursrechter in eerste aanleg Zagreb, Kroatië), de verwijzende rechter. Zij betoogt dat artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 het belastingplichtigen dankzij de gedetailleerde beschrijving van de documenten inzake vrijgestelde intracommunautaire leveringen gemakkelijker maakt om aan te tonen dat is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden voor de levering van goederen die zijn verzonden of vervoerd naar een bestemming buiten een lidstaat maar binnen de Unie. Overeenkomstig deze bepaling worden de vrijstellingsvoorwaarden geacht te zijn vervuld indien belastingdiensten er niet in slagen dit vermoeden te weerleggen. Indien de belastingplichtige echter niet in het bezit is van de in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde documenten, moet hij per geval aantonen dat aan alle vrijstellingsvoorwaarden is voldaan.

10 De verwijzende rechter merkt op dat het Hof in het arrest van 9 februari 2017, Euro Tyre (C‑21/16, EU:C:2017:106, punten 36, 38, 39 en 42), heeft geoordeeld dat het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat de btw-vrijstelling wordt verleend wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet hebben voldaan aan bepaalde formele vereisten.

11 In deze context betwijfelt hij of de vrijstelling van artikel 138 van de btw-richtlijn toepassing kan vinden terwijl niet is voldaan aan de voorwaarden om het vermoeden van artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 in het leven te roepen. Voorts vraagt hij zich af of het in een dergelijk geval aan de belastingdienst is om alle bewijsstukken te onderzoeken teneinde vast te stellen of daarmee kan worden aangetoond dat de intracommunautaire levering heeft plaatsgevonden.

12 Tegen die achtergrond heeft de Upravni sud u Zagrebu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn, dat betrekking heeft op de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, en artikel 45 bis van [uitvoeringsverordening nr. 282/2011], dat betrekking heeft op het bewijs dat goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de [Unie], aldus worden uitgelegd dat aan een leverancier btw-vrijstelling moet worden geweigerd wanneer hij niet heeft aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 45 bis van [uitvoeringsverordening nr. 282/2011], of is de belastingdienst, ook wanneer de leverancier niet beschikt over voldoende bewijs voor het vermoeden van artikel 45 bis van [uitvoeringsverordening nr. 282/2011] maar wel kan bewijzen dat de goederen fysiek zijn overgebracht van de ene lidstaat naar de andere, gehouden om de overgelegde bewijsstukken te beoordelen en de feiten vast te stellen die relevant zijn voor de vrijstelling van artikel 138 van de btw-richtlijn, namelijk of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de [Unie]?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

13 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn en artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, ten eerste, de btw-vrijstelling uit hoofde van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn wordt geweigerd op de enkele grond dat het in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde bewijs van een intracommunautaire levering niet is verstrekt en, ten tweede, de nationale belastingdiensten weigeren alle overgelegde bewijsstukken te beoordelen om – buiten de gevallen waarin er sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 45 bis, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 – vast te stellen of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie.

14 Artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt in essentie dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor de levering van goederen die door of voor rekening van de verkoper of de afnemer worden verzonden of vervoerd naar een bestemming buiten hun respectieve grondgebied maar binnen de Unie, wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De goederen moeten worden geleverd aan een andere belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt. Voorts moet de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon aan wie de levering wordt verricht, voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van deze goederen aanvangt en zijn btw-identificatienummer aan de leverancier hebben meegedeeld.

15 In artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 zijn regels inzake de intracommunautaire goederenlevering vastgesteld voor de toepassing van de in artikel 138 van de btw-richtlijn opgenomen vrijstellingen. In het bijzonder bepaalt artikel 45 bis van deze uitvoeringsverordening in essentie dat goederen in de in lid 1, onder a) of b), van dit artikel bedoelde gevallen worden vermoed te zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie. Daarvoor moet de verkoper van deze goederen in essentie in het bezit zijn van documenten die voldoen aan de in deze bepalingen genoemde specifieke vereisten. Op grond van artikel 45 bis, lid 2, van deze uitvoeringsverordening kan een belastingdienst dit vermoeden echter weerleggen.

16 Wat de letterlijke uitlegging van artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 betreft, moet worden vastgesteld dat in dit artikel de gevallen zijn opgesomd waarin voor de btw-vrijstelling van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn het vermoeden bestaat dat de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie. Uit de bewoordingen van artikel 45 bis van die uitvoeringsverordening blijkt dat in dit artikel de gevallen zijn opgenomen waarin er een vermoeden geldt, maar niet uitputtend de bewijsstukken zijn opgesomd die nodig zijn om aan te tonen dat een intracommunautaire levering heeft plaatsgevonden. Wanneer niet aan de voorwaarden voor de toepassing van het vermoeden is voldaan, zijn belastingdiensten dus verplicht om alle door de verkoper van de goederen verstrekte bewijsstukken te beoordelen teneinde vast te stellen of hij heeft kunnen aantonen dat deze goederen intracommunautair zijn geleverd.

17 Ook stelt artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn de toekenning van de daarin bedoelde vrijstellingen niet afhankelijk van de omstandigheid dat de verkoper over specifieke bewijsstukken beschikt.

18 Deze uitlegging vindt steun in de doelstellingen van artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 en de btw-richtlijn. In de overwegingen 3 tot en met 5 van uitvoeringsverordening 2018/1912, waarbij artikel 45 bis in uitvoeringsverordening nr. 282/2011 is ingevoerd, wordt bevestigd dat het betrokken vermoeden in wezen is opgenomen om – in het belang van ondernemingen en belastingdiensten – de bewijsvoering voor de toepassing van de vrijstelling betreffende intracommunautaire leveringen te vergemakkelijken, zonder evenwel uit te sluiten dat andere bewijzen kunnen worden aangedragen dan die waarop dat vermoeden is gebaseerd.

19 Opgemerkt zij dat de inaanmerkingneming door de belastingautoriteiten van andere dan de in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde bewijsstukken niet in de weg staat aan de doelstellingen van uitvoeringsverordening 2018/1912, die erin bestaan het intracommunautaire handelsverkeer te bevorderen en fraude te voorkomen. Indien verkopers van goederen zich daarentegen niet op alle bewijsstukken konden beroepen, zou de betrokken vrijstelling worden ontzegd aan degenen die niet over de in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde bewijzen beschikken omdat een formeel vereiste niet wordt nageleefd, hoewel de intracommunautaire goederenlevering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarmee zou de doelstelling om het intracommunautaire handelsverkeer te bevorderen worden ondergraven.

20 Ook moet worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn de lidstaten verplicht om vrijstelling te verlenen voor goederenleveringen die voldoen aan de in die bepaling opgesomde voorwaarden. Voorts kunnen formele voorwaarden, volgens dezelfde rechtspraak, niet afdoen aan het recht van de verkoper op de btw-vrijstelling voor zover is voldaan aan de materiële voorwaarden voor een intracommunautaire levering. Het beginsel van fiscale neutraliteit vereist eveneens dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de btw-vrijstelling wordt verleend, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet voldoen aan bepaalde formele vereisten (zie in die zin arrest van 9 februari 2017, Euro Tyre, C‑21/16, EU:C:2017:106, punten 23, 32, 35 en 36). In dit verband zij eraan herinnerd dat de niet-naleving van een formeel vereiste slechts in twee gevallen kan leiden tot het verlies van het recht op btw-vrijstelling. Ten eerste kan een belastingplichtige die opzettelijk aan belastingfraude heeft deelgenomen en zo de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar heeft gebracht, zich niet op het beginsel van fiscale neutraliteit beroepen om btw-vrijstelling te verkrijgen. Ten tweede kan de niet-naleving van een formeel vereiste tot de weigering van de btw-vrijstelling leiden wanneer deze niet-naleving heeft verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan (arrest van 9 februari 2017, Euro Tyre, C‑21/16, EU:C:2017:106, punten 38, 39 en 42).

21 Uit de rechtspraak volgt ook dat de belastingdienst, met het oog op de btw-vrijstelling, naar behoren rekening moet houden met alle gegevens waarover zij beschikt bij het onderzoek of deze documenten in voorkomend geval kunnen staven dat de vervoerde goederen waarschijnlijk daadwerkelijk intracommunautair zijn geleverd (arrest van 29 februari 2024, B2 Energy, C‑676/22, EU:C:2024:186, punt 36).

22 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn en artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 aldus moeten worden uitgelegd dat zij, ten eerste, zich ertegen verzetten dat de btw-vrijstelling uit hoofde van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn wordt geweigerd op de enkele grond dat het in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bedoelde bewijs van een intracommunautaire levering niet is verstrekt en, ten tweede, de nationale belastingdiensten ertoe verplichten om alle overgelegde bewijsstukken te beoordelen om – buiten de gevallen waarin er sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 45 bis, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 – vast te stellen of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie.

Kosten

23 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018, en artikel 45 bis van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1912 van de Raad van 4 december 2018,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij, ten eerste, zich ertegen verzetten dat de btw-vrijstelling uit hoofde van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn wordt geweigerd op de enkele grond dat het bewijs van een intracommunautaire levering als bedoeld in artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2018/1912, niet is verstrekt en, ten tweede, de nationale belastingdiensten ertoe verplichten om – buiten de gevallen waarin er sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 45 bis, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2018/1912 – alle overgelegde bewijsstukken te beoordelen om vast te stellen of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de Unie.

ondertekeningen

* Procestaal: Kroatisch.

ECLI:EU:C:2025:888

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upravni sud u Zagrebu (Kroatië) op 30 september 2024 – FLO VENEER d.o.o. / Ministarstvu financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak

(Zaak C-639/24, FLO VENEER)

Procestaal: Kroatisch

Verwijzende rechter

Upravni sud u Zagrebu

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: FLO VENEER d.o.o.

Verwerende partij: Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak

Prejudiciële vraag

Moeten artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn1 , dat betrekking heeft op de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, en artikel 45 bis van uitvoeringsverordening nr. 282/20112 , dat betrekking heeft op het bewijs dat goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de [Unie], aldus worden uitgelegd dat aan een leverancier btw-vrijstelling moet worden geweigerd wanneer hij niet heeft aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 45 bis van voornoemde uitvoeringsverordening of is de belastingdienst, ook wanneer de leverancier niet beschikt over voldoende bewijs voor het vermoeden van artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening maar wel kan bewijzen dat de goederen fysiek zijn overgebracht van de ene lidstaat naar de andere, gehouden om de overgelegde bewijsstukken te beoordelen en de feiten vast te stellen die relevant zijn voor de vrijstelling van artikel 138 van de btw-richtlijn, namelijk of de goederen zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de [Unie]?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (herschikking) (PB 2011, L 77, blz. 1).

Scroll naar boven