HvJ 17-01-2013 BGZ Leasing C-224/11

Leasing Auto Kentekenplaat

HvJ BGZ Leasing arrest

Leasingdienst + verzekering van geleased goed – Eén enkele samengestelde prestatie of twee onderscheiden prestaties – Vrijstelling handeling ter zake van verzekering

De dienst bestaande in de verzekering van het geleasede goed en de dienst bestaande in de leasing zelf moeten voor de btw in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige diensten. Het is de taak van de verwijzende rechter om, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, uit te maken of de betrokken handelingen in die mate onderling verbonden zijn dat zij moeten worden beschouwd als één enkele prestatie dan wel als zelfstandige prestaties.

Wanneer de leasinggever het geleasede goed zelf verzekert en de kosten van de verzekering ongewijzigd aan de leasingnemer doorberekent, vormt een dergelijke handeling, een handeling ter zake van verzekering in de zin van de verzekeringsvrijstelling.

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

17 januari 2013 (*)

„Btw – Leasingdienst die gepaard gaat met verzekering van geleased goed, die leasinggever afsluit en aan leasingnemer doorberekent – Kwalificatie – Eén enkele samengestelde prestatie of twee onderscheiden prestaties – Vrijstelling – Handeling ter zake van verzekering”

In zaak C‑224/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) bij beslissing van 7 april 2011, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2011, in de procedure

BGŻ Leasing sp. z o.o.

tegen

Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), waarnemend voor de president van de Zesde kamer, U. Lõhmus en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 september 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        BGŻ Leasing sp. z o.o., vertegenwoordigd door T. Rolewicz en M. Chomiuk, doradcy podatkowi,

–        de Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie, vertegenwoordigd door O. Dąbrowski, T. Tratkiewicz en J. Kaute als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar, A. Kraińska en A. Kramarczyk als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann en C. Soulay als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, lid 1, sub c, 28 en 135, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BGŻ Leasing sp. z o.o. (hierna: „BGŻ Leasing”) en de Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie (directeur van de fiscale kamer van Warschau) over diens weigering om de handeling bestaande in de verzekering van een geleased goed vrij te stellen van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) wanneer deze verzekering samengaat met de leasing, die zelf aan btw is onderworpen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn luidt:

„Bij elke handeling is de btw, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de btw waarmede de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.”

4        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

[…]

c)      de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

5        Artikel 24 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Als ,dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.

[…]”

6        Artikel 28 van deze richtlijn bepaalt:

„Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, wordt de betrokken belastingplichtige geacht deze dienst zelf te hebben afgenomen en te hebben verricht.”

7        Ingevolge artikel 73 van de btw-richtlijn omvat de maatstaf van heffing voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 ervan, alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.

8        Artikel 78 van deze richtlijn bepaalt:

„In de maatstaf van heffing moeten de volgende elementen worden opgenomen:

[…]

b)      bijkomende kosten, zoals kosten van commissie, verpakking, vervoer en verzekering, die de leverancier de afnemer in rekening brengt.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea mogen de lidstaten uitgaven die bij afzonderlijke overeenkomst zijn geregeld, als bijkomende kosten beschouwen.”

9        Artikel 135 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)      handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen;

[…]”

10      Artikel 401 van de btw-richtlijn luidt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een lidstaat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van een omzetbelasting bezitten, mits de heffing van deze belastingen, rechten en heffingen in het verkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geeft tot formaliteiten in verband met grensoverschrijding.”

Poolse regeling

11      In artikel 5, lid 1, van de wet inzake de belasting op goederen en diensten (ustawa o podatku od towarów i usług) van 11 maart 2004 (Dz. U. nr. 54, volgnr. 535; hierna: „btw-wet”) wordt bepaald:

„De maatstaf van heffing voor de belasting op goederen en diensten, hierna ,belasting’, bestaat uit:

1)      de goederenleveringen en de diensten die op het nationale grondgebied onder bezwarende titel zijn verricht;

[…]”

12      Artikel 29, lid 1, van deze wet bepaalt:

„De maatstaf van heffing bestaat uit de waarde van de handeling, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 2 tot en met 21, de artikelen 30 tot en met 32, artikel 119, en artikel 120, leden 4 en 5. De waarde van de handeling komt overeen met het voor de verkoop verschuldigde bedrag, verminderd met het bedrag van de verschuldigde belasting. Het verschuldigde bedrag omvat alle door de afnemer te verrichten betalingen. Het wordt vermeerderd met subsidies, toelagen en andere soortgelijke ontvangen bijdragen wanneer zij rechtstreeks invloed hebben op de prijs (het verschuldigde bedrag) van de door de belastingplichtige geleverde goederen of verrichte diensten, verminderd met het bedrag van de verschuldigde belasting.”

13      In artikel 30, lid 3, van de btw-wet wordt bepaald:

„Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, omvat de maatstaf van heffing het voor de dienstverrichting verschuldigde bedrag, verminderd met het bedrag van de belasting.”

14      Artikel 43, lid 1, van deze wet bepaalt:

„Van de belasting zijn vrijgesteld:

1)      de in bijlage 4 bij deze wet genoemde diensten;

[…]”

15      Punt 3 van bijlage 4 bij de btw-wet bepaalt:

„rubriek 4 – diensten van financiële bemiddeling, met uitzondering van: […] diensten van adviesverlening ter zake van verzekeringen en schattingen voor verzekeringsmaatschappijen (PKWiU ex. 67.20.10- 00.20, -00.30), behalve diensten van verzekeringsmaatschappijen in de zin van de wetten betreffende het verzekeringswezen en diensten die in deze sector worden verricht door personen die op naam en voor rekening van een verzekeringsmaatschappij handelen”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      BGŻ Leasing is een leasingmaatschappij.

17      Volgens de algemene voorwaarden voor de contracten die BGŻ Leasing met haar klanten sluit, blijven de door de leasinggever geleasede goederen eigendom van de leasinggever voor de gehele duur van de leasingovereenkomst. De leasingnemer betaalt de leasinggever een leaseprijs en ook de overige kosten en lasten in verband met het geleasede goed zijn voor rekening van de leasingnemer. Voorts is, steeds volgens deze algemene voorwaarden, de leasingnemer voor de duur van de leasingovereenkomst als enige aansprakelijk voor onder meer schade, verlies en waardevermindering van het geleasede goed, behalve voor normale slijtage van het goed.

18      BGŻ Leasing verlangt dat een verzekering wordt aangegaan voor alle goederen die zij leaset.

19      Daartoe biedt BGŻ Leasing haar klanten een optionele verzekering aan. Zo de klant dat wenst, sluit BGŻ Leasing de passende verzekering bij een verzekeringsonderneming en wordt de prijs ervan aan de klant doorberekend.

20      Uit haar btw-aangifte voor februari 2008 blijkt dat volgens BGŻ Leasing bij de doorberekening van de prijs van de verzekering voor het geleasede goed geen btw in rekening moest worden gebracht.

21      De Naczelnik Drugiego Mazowieckiego Urzędu Skarbowego w Warszawie (directeur van de belastingdienst II van het woiwodschap Mazovië te Warschau) was evenwel van mening dat de handeling bestaande in het verstrekken van deze verzekering een bijkomende dienst bij de leasing vormde en dus zoals de hoofddienst zijnde de leasing tegen het tarief van 22 % aan de btw moest worden onderworpen.

22      Dat standpunt werd bevestigd door de Dyrektor Izby Skarbowey w Warszawie, die bovendien eraan twijfelde of het BGŻ Leasing wel was toegestaan de verzekering in verband met het leasingcontract aan de leasingnemers door te berekenen tegen dezelfde voorwaarden als de verzekeraar.

23      BGŻ Leasing heeft tegen de beslissing van de Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie beroep ingesteld bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (administratieve rechtbank van het woiwodschap Warschau). Deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat ingevolge artikel 78 van de btw-richtlijn de maatstaf van heffing voor een dienstverrichting ook de bijkomende kosten omvat, zoals de kosten van een verzekering die de leverancier aan de afnemer of de leasingnemer in rekening brengt. Deze rechterlijke instantie heeft benadrukt dat een handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat, niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald omdat anders de goede werking van het btw-stelsel zou worden aangetast. In dit verband heeft zij geoordeeld dat wanneer een leasingdienst gepaard gaat met een dienst ter zake van de verzekering van het geleasede goed, het om één enkele dienstverrichting gaat die zowel de leasing als de verzekering omvat. De maatstaf van heffing voor een dergelijke dienstverrichting omvat naast de leaseprijs ook de kosten voor de verzekering en dus geldt één enkel btw-tarief voor alle elementen waaruit deze dienst bestaat, namelijk het tarief dat geldt voor de hoofddienst zijnde de leasing.

24      BGŻ Leasing heeft tegen dat vonnis cassatieberoep ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny (administratief hooggerechtshof) op grond dat de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie met name de artikelen 2, lid 1, sub c, 24, lid 1, 28, 73 en 78, sub b, van de btw-richtlijn onjuist had uitgelegd.

25      Daarop heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 2, lid 1, sub c, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de verzekering van een geleased voorwerp, en de leasingdienst als zelfstandige dienstverrichtingen dan wel als één en dezelfde samengestelde dienstverrichting moeten worden behandeld?

2)      Zo op de eerste vraag wordt geantwoord dat de dienst bestaande in de verzekering van een geleased voorwerp, en de leasingdienst als onderscheiden dienstverrichtingen moeten worden behandeld, moet artikel 135, lid 1, sub a, gelezen in samenhang met artikel 28 van [de btw-richtlijn], dan aldus worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de verzekering van een geleased voorwerp van btw is vrijgesteld wanneer de leasinggever het geleasede voorwerp verzekert en de kosten van verzekering aan de leasingnemer aanrekent?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

26      De twee vragen die het Hof zijn gesteld, betreffen verschillende aspecten van het geval in het hoofdgeding.

27      In de eerste vraag gaat het erom of alle betrokken handelingen, bestaande in een leasing en een verzekering, voor de toepassing van de btw één enkele prestatie vormen. De tweede vraag, die berust op de premisse dat het om twee onderscheiden diensten gaat, betreft daarentegen in hoofdzaak de doorberekening van de kosten van de verzekering en inzonderheid de eventuele btw-vrijstelling voor deze handeling op grond van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn.

Eerste vraag

28      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in omstandigheden als in het hoofdgeding de verstrekking van een leasingdienst en de verstrekking van een dienst ter zake van de verzekering van het geleasede goed voor de toepassing van de btw één enkele prestatie vormen, waarop één en hetzelfde btw-tarief moet worden toegepast, dan wel of het gaat om zelfstandige prestaties die dus afzonderlijk moeten worden beoordeeld om uit te maken of zij aan de btw zijn onderworpen.

29      Voor de toepassing van de btw moet elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn (zie arrest van 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat in bepaalde omstandigheden verschillende formeel onderscheiden prestaties die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling wanneer zij niet zelfstandig zijn (arresten van 21 februari 2008, Part Service, C‑425/06, Jurispr. blz. I‑897, punt 51, en 2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, Jurispr. blz. I‑12359, punt 23). Er is met name sprake van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn (arresten van 27 oktober 2005, Levob Verzekeringen en OV Bank, C‑41/04, Jurispr. blz. I‑9433, punt 22, en 29 maart 2007, Aktiebolaget NN, C‑111/05, Jurispr. blz. I‑2697, punt 23). Dat is ook het geval wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten die het fiscale lot van de hoofddienst delen (arrest van 25 februari 1999, CPP, C‑349/96, Jurispr. blz. I‑973, punt 30, en arrest Part Service, reeds aangehaald, punt 52).

31      Het Hof heeft voorts geoordeeld dat niet alleen elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, maar ook dat de handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat, niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald omdat anders de goede werking van het btw-stelsel zou worden aangetast (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punt 29, en arrest van 22 oktober 2009, Swiss Re Germany Holding, C‑242/08, Jurispr. blz. I‑10099, punt 51).

32      Om uit te maken of de verrichte diensten verschillende zelfstandige prestaties dan wel één enkele prestatie vormen, moet worden nagegaan wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn (zie in die zin reeds aangehaalde arresten CPP, punt 29; Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 20, en Field Fisher Waterhouse, punt 18). Nochtans bestaat geen absolute regel om de omvang van een handeling uit het oogpunt van de btw te bepalen en moet voor het bepalen van de omvang van een handeling bijgevolg rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling is verricht (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punten 27 en 28).

33      In het kader van de krachtens artikel 267 VWEU ingevoerde samenwerking is het aan de nationale rechterlijke instanties om te bepalen of de belastingplichtige in een concreet geval één enkele prestatie verricht en om alle definitieve feitelijke vaststellingen dienaangaande te doen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten CPP, punt 32, en Part Service, punt 54; arrest van 10 maart 2011, Bog e.a., C‑497/09, C‑499/09, C‑501/09 en C‑502/09, Jurispr. blz. I‑1457, punt 55, en beschikking van 19 januari 2012, Purple Parking en Airparks Services, C‑117/11, punt 32). Het is echter de taak van het Hof om die rechterlijke instanties alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de voor hen dienende zaak (arrest Levob Verzekeringen en OV Bank, reeds aangehaald, punt 23).

34      In het hoofdgeding vertoont de betrokken handeling, zoals blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier, met name de volgende twee kenmerkende elementen:

–        een leasingdienst, die is overeengekomen tussen de partijen bij de leasingovereenkomst, te weten de leasinggever en de leasingnemer, en

–        een dienst ter zake van verzekering van het geleasede goed, waarbij de leasinggever, eigenaar van het goed, de verzekering bij een verzekeraar afsluit en de kosten van deze verzekering, voor een ongewijzigd bedrag, doorberekent aan de leasingnemer.

35      Teneinde vast te stellen of deze elementen voor de toepassing van de btw één enkele handeling vormen, zij allereerst erop gewezen dat deze twee elementen weliswaar samen kunnen worden verricht daar een verband bestaat tussen de verrichting van de leasingdienst en de verstrekking van een verzekering voor het geleasede goed nu deze verzekering voor dat goed slechts met betrekking tot dat goed nut heeft.

36      Evenwel vertoont elke verzekeringsverrichting per definitie een verband met het goed dat wordt verzekerd. Het geleasede goed en de verzekering ervan vertonen bijgevolg noodzakelijkerwijs een zekere onderlinge samenhang. Toch kan een dergelijk verband op zich niet volstaan om te bepalen of er voor de toepassing van de btw kan worden gesproken van één enkele samengestelde prestatie. Zo elke verzekeringsverrichting aan de btw zou worden onderworpen naargelang de handeling betreffende het goed waarop deze verzekeringsverrichting betrekking heeft, aan de btw is onderworpen, zou de doelstelling zelf van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn, te weten de vrijstelling van handelingen ter zake van verzekering, immers in het gedrang komen.

37      Vervolgens zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof leasingactiviteiten, daar niet is voorzien in de overdracht van de eigendom van het geleasede goed aan de leasingnemer, in de regel moeten worden aangemerkt als diensten (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Eon Aset Menidjmunt, C‑118/11, punt 33). Voorts volgt uit die rechtspraak dat deze diensten in bepaalde omstandigheden toch kunnen worden gelijkgesteld met de verkrijging van een investeringsgoed. Dat is met name het geval wanneer de leasingnemer beschikt over wezenlijke attributen van de eigendom van het geleasede goed, met name omdat het merendeel van de aan de juridische eigendom verbonden voordelen en risico’s op hem overgaat en de geactualiseerde optelsom van de termijnen praktisch gelijk is aan de verkoopwaarde van het goed (zie arrest Eon Aset Menidjmunt, reeds aangehaald, punt 40). Het is de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of gelet op de omstandigheden van het concrete geval is voldaan aan deze criteria.

38      Dergelijke leasingverrichtingen zijn als diensten in de regel aan de btw onderworpen krachtens artikel 2, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn en de maatstaf van heffing wordt bepaald overeenkomstig artikel 73 van deze richtlijn (zie arrest Part Service, reeds aangehaald, punt 61). Verzekeringsverrichtingen zijn daarentegen normaliter van btw vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn.

39      Overeenkomstig de in punt 29 van het onderhavige arrest uiteengezette regel, volgens welke elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, moet worden aangenomen dat een leasingdienst en de verzekering van het geleasede goed in de regel niet zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij één enkele handeling vormen. Het feit dat deze prestaties afzonderlijk worden beoordeeld, kan op zich immers niet ertoe leiden dat één enkele economische handeling kunstmatig uit elkaar wordt gehaald zodat de goede werking van het btw-stelsel in gevaar zou kunnen komen.

40      Dus dient te worden onderzocht of er voor de omstandigheden van het hoofdgeding kenmerkende redenen zijn waarom moet worden aangenomen dat de betrokken elementen één enkele handeling vormen.

41      In de eerste plaats wordt, overeenkomstig de in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof betreffende het begrip één enkele handeling, een prestatie als bijkomend bij een hoofddienst beschouwd met name wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (zie reeds aangehaalde arresten CPP, punt 30, en Part Service, punt 52).

42      Hoewel dankzij de verzekering van het geleasede goed de risico’s die de leasingnemer loopt, normaliter kleiner worden vergeleken met een situatie waarin geen dergelijke verzekering wordt genomen, vloeit deze omstandigheid voort uit de aard zelf van de verzekering. Deze omstandigheid impliceert op zich niet dat deze verzekering bijkomend is bij de leasingdienst waarmee zij samengaat. Hoewel deze verzekering die via de leasinggever aan de leasingnemer wordt verstrekt, het genot van de leasingdienst in de hierboven beschreven zin vergemakkelijkt, vormt zij voor de leasingnemer immers hoofdzakelijk een doel op zich en is zij niet alleen een middel om deze dienst voor hem zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

43      Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het feit dat de leasinggever verlangt dat het geleasede goed wordt verzekerd, zoals dit blijkt het geval te zijn voor de handeling in het hoofdgeding. Met name zij opgemerkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding de leasingnemer, hoewel hij ervoor moet zorgen dat het geleasede goed verzekerd is, een verzekering voor dat goed kan nemen bij de verzekeringsmaatschappij van zijn keuze. Het vereiste dat het geleasede goed wordt verzekerd, kan dus op zich niet impliceren dat een verzekering die via de leasinggever wordt verstrekt, zoals in het hoofdgeding, onlosmakelijk verbonden is met of bijkomend is bij de leasingdienst.

44      Bovendien kan de wijze waarop de prijs wordt doorberekend of getarifeerd, ervoor of ertegen pleiten dat het gaat om één enkele prestatie (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punt 31). Zo pleiten een afzonderlijke facturatie en een onderscheiden tarifering van prestaties voor de stelling dat sprake is van zelfstandige prestaties hoewel dit niet voor doorslaggevend belang is (zie in die zin beschikking Purple Parking en Airparks Services, reeds aangehaald, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      De methode die in het hoofdgeding is gebruikt, te weten een onderscheiden tarifering en een afzonderlijke facturatie, blijkt de belangen van de contractspartijen weer te geven. De leasingnemer wenst immers in eerste instantie een leasingdienst en pas in tweede instantie wenst hij de verzekering die de leasinggever van hem verlangt. Zo de leasingnemer beslist ook via de leasinggever de verzekering te nemen, dan staat deze beslissing los van zijn beslissing om een leasingovereenkomst te sluiten.

46      Ten slotte blijkt volgens de algemene voorwaarden voor de tussen BGŻ Leasing en haar klanten afgesloten leasingovereenkomsten, zoals die uit het aan het Hof overgelegde dossier blijken, dat de leasinggever in bepaalde gevallen het recht heeft de leasingovereenkomst op te zeggen wanneer de leasingnemer in gebreke blijft een andere vergoeding dan de contractueel bepaalde leaseprijs te betalen.

47      In de veronderstelling dat een dergelijke vergoeding, waarvan niet-betaling de leasinggever het recht geeft de leasingovereenkomst op te zeggen, tevens ziet op de premies voor de verzekering van het geleasede goed, is een soortgelijk contractueel beding, hoewel het in andere omstandigheden ervoor kan pleiten dat er sprake is van één enkele prestatie, niet relevant ingeval de betrokken onderscheiden handelingen objectief gezien niet kunnen worden beschouwd als één enkele prestatie (zie in die zin arrest Field Fisher Waterhouse, reeds aangehaald, punten 23 en 25). Ondanks een dergelijk contractueel beding kunnen leasingdiensten en verzekeringsdiensten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, dus zelfstandige prestaties vormen.

48      In de tweede plaats volgt uit de voorgaande overwegingen en uit die in punt 36 van het onderhavige arrest a fortiori dat niet kan worden aangenomen dat de verzekeringsverrichting en de leasingdienst waarover het gaat in het hoofdgeding, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele onlosmakelijk verbonden economische prestatie vormen waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen, zoals bedoeld in de in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

49      Teneinde de verwijzende rechter een volledig antwoord te geven zij voor de uitlegging van artikel 78 van de btw-richtlijn erop gewezen dat voor de leasingdienst en de verzekering voor het geleasede goed, wanneer zij zelfstandige prestaties vormen, niet dezelfde maatstaf van heffing geldt. Een verzekeringsverrichting, die voor de afnemer een zelfstandige prestatie en een doel op zich vormt, kan dus in de zin van dat artikel 78 geen bijkomende kosten van een leasingdienst opleveren, die voor de berekening van de maatstaf van heffing voor deze dienst in aanmerking moeten worden genomen. In dergelijke omstandigheden vormden de kosten voor de verzekering immers de tegenprestatie van de verzekering van het geleasede goed, en niet de tegenprestatie van de leasingdienst zelf.

50      Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de dienst bestaande in de verzekering van het geleasede goed en de dienst bestaande in de leasing zelf voor de toepassing van de btw in beginsel moeten worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige diensten. Het is de taak van de verwijzende rechter om, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, uit te maken of de betrokken handelingen in die mate onderling verbonden zijn dat zij moeten worden beschouwd als één enkele prestatie dan wel als zelfstandige prestaties.

Tweede vraag

51      De tweede vraag wordt gesteld voor het geval de dienst ter zake van verzekering van het geleasede goed en de leasingdienst zelf als onderscheiden prestaties moeten worden aangemerkt. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een handeling in het kader waarvan de leasinggever het geleasede goed bij een derde verzekert en de kosten van deze verzekering aan de leasingnemer doorberekent, een vrijgestelde verzekeringsverrichting in de zin van deze bepaling is.

52      Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat in het hoofdgeding niet in geding is dat de verzekering die de leasinggever voor het geleasede goed verstrekt, wordt aangemerkt als handeling ter zake van verzekering in de zin van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn. De verwijzende rechter vraagt zich wel af of een handeling bestaande in zowel deze verzekering als de doorberekening aan de leasingnemer van de kosten van deze verzekering door de leasinggever ook van btw moet worden vrijgesteld.

53      Uit de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de betrokken verzekeringsverrichting in eerste instantie door de verzekeraar wordt verkocht aan BGŻ Leasing, die in tweede instantie de kosten ervan aan haar klant – de leasingnemer – doorberekent. Het Hof beschikt evenwel niet over gegevens betreffende de exacte inhoud van dat verzekeringscontract of enig contractueel beding waarin de leasingnemer en de leasinggever zijn overeengekomen hoe de kosten van deze verzekering worden doorberekend.

54      Teneinde uit te maken of deze handeling, die niet alleen een verzekeringsverrichting maar ook de doorberekening van de kosten van de verzekering aan de leasingnemer omvat, van btw is vrijgesteld, moet de draagwijdte van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn worden afgebakend.

55      Volgens deze bepaling verlenen de lidstaten vrijstelling voor de „handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen”.

56      De bewoordingen waarin de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, aangezien deze vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (arrest van 19 juli 2012, Deutsche Bank, C‑44/11, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo is het vaste rechtspraak dat de vrijstellingen van dat artikel autonome begrippen van Unierecht zijn, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punt 15, en arrest van 8 maart 2001, Skandia, C‑240/99, Jurispr. blz. I‑1951, punt 23).

57      Het begrip „handelingen ter zake van verzekering” wordt in de btw-richtlijn niet gedefinieerd.

58      Volgens de rechtspraak van het Hof wordt voor het begrip „handelingen ter zake van verzekering” evenwel algemeen als kenmerkend aangenomen dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te doen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen (zie met name arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C‑8/01, Jurispr. blz. I‑13711, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien impliceert een handeling ter zake van verzekering naar haar aard dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico’s door de verzekering zijn gedekt, dat wil zeggen de verzekerde (reeds aangehaalde arresten Skandia, punt 41, en Taksatorringen, punt 41).

59      Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat de term „handelingen ter zake van verzekering” in artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn in beginsel ruim genoeg is om ook de dekking van een verzekering te omvatten die wordt geboden door een belastingplichtige die zelf geen verzekeraar is, maar die in het kader van een collectieve verzekering zijn klanten een dergelijke dekking verschaft door gebruik te maken van de diensten van een verzekeraar die het verzekerde risico op zich neemt (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punt 22).

60      Tegen deze achtergrond rijst de vraag of het begrip „handelingen ter zake van verzekering” mede de verstrekking omvat van een verzekering die een verzekerde, zoals een leasinggever, neemt en waarvan hij de kosten in het kader van een leasingdienst doorberekent aan zijn klant, de leasingnemer, die zich door deze verzekering jegens de leasinggever indekt tegen risico’s.

61      In beginsel moet op deze vraag bevestigend worden geantwoord.

62      Een verzekeringsverrichting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan immers niet aan de btw worden onderworpen louter op grond dat de kosten van de verzekering zonder meer worden doorberekend overeenkomstig het contractuele beding dat de partijen bij een leasingovereenkomst hebben afgesloten. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de leasinggever op verzoek van zijn klanten bij een derde de verzekering sluit en vervolgens de door deze derde in rekening gebrachte kosten ongewijzigd doorberekent. In dergelijke omstandigheden vormt het doorberekende bedrag, voor zover de betrokken verzekeringsverrichting geen wijzigingen ondergaat, in feite de tegenprestatie van deze verzekering en dus moet deze handeling niet aan de btw worden onderworpen daar zij krachtens artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn is vrijgesteld.

63      Aangaande de vraag of artikel 28 van de btw-richtlijn, dat bepaalt dat „[w]anneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, […] de betrokken belastingplichtige [wordt] geacht deze dienst zelf te hebben afgenomen en te hebben verricht”, relevant is gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, zij opgemerkt, ten eerste, dat zo BGŻ Leasing de betrokken verzekeringsovereenkomst op eigen naam en voor eigen rekening heeft gesloten, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, de betrokken handeling niet binnen de werkingssfeer van dat artikel 28 valt (zie naar analogie arrest van 3 mei 2012, Lebara, C‑520/10, punt 43). Ten tweede, mocht dat verzekeringscontract voor rekening van een ander zijn gesloten, dan vindt vrijstelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling steun in de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 28 van de btw-richtlijn.

64      Aangezien artikel 28 onder titel IV van de btw-richtlijn „Belastbare handelingen” valt en in algemene bewoordingen is geformuleerd zonder enige beperking van werkingssfeer of draagwijdte, betreft dit artikel volgens deze rechtspraak ook de toepassing van de btw-vrijstellingen van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 14 juli 2011, Henfling e.a., C‑464/10, Jurispr. blz. I‑6219, punt 36).

65      Volgens vaste rechtspraak verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich in elk geval ertegen dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, voor de heffing van btw verschillend worden behandeld (arrest van 10 november 2011, The Rank Group, C‑259/10 en C‑260/10, Jurispr. blz. I‑10947, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Verzekeringsverrichtingen die ertoe strekken verzekeringsdekking te bieden voor het geleasde goed, dat eigendom van de leasinggever blijft, mogen in omstandigheden als die in het hoofdgeding derhalve niet anders worden behandeld naargelang dergelijke diensten door een verzekeringsmaatschappij rechtstreeks ten behoeve van de leasingnemer worden verricht of de leasingnemer verzekeringsdekking krijgt via de leasinggever, die deze verzekering bij een verzekeraar sluit en de kosten ervan ongewijzigd aan de leasingnemer doorberekent.

67      Bovendien wordt deze uitlegging gestaafd door het doel van de btw-richtlijn, die handelingen ter zake van verzekering vrijstelt maar de lidstaten in artikel 401 de mogelijkheid biedt een belasting op verzekeringsovereenkomsten te handhaven of in te voeren. Indien de uitdrukking „handelingen ter zake van verzekering” alleen door de verzekeraars zelf verrichte handelingen zou omvatten, zou de eindconsument, zoals een leasingnemer, in omstandigheden als die in het hoofdgeding bijgevolg niet alleen in deze laatste belasting kunnen worden aangeslagen, maar, zo via de leasinggever een verzekeringsdienst wordt verricht, ook in de btw. Dit resultaat zou in strijd zijn met het doel van de vrijstelling van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn (zie in die zin arrest CPP, reeds aangehaald, punt 23).

68      Ten slotte dient te worden benadrukt dat deze redenering uitgaat van de veronderstelling dat de leasinggever de kosten van de verzekering ongewijzigd doorberekent, en niet kan gelden ingeval het bedrag dat aan de leasingnemer voor de kosten van de verzekering wordt aangerekend, groter is dan het door de verzekeraar aan de leasinggever in rekening gebrachte bedrag.

69      Derhalve dient te worden aangenomen dat een handeling waarbij in het kader van een leasingactiviteit de kosten van de verzekering voor het geleasede goed ongewijzigd worden doorberekend, zoals in het hoofdgeding, een handeling ter zake van verzekering in de zin van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn vormt.

70      Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat wanneer de leasinggever het geleasede goed zelf verzekert en de kosten van de verzekering ongewijzigd aan de leasingnemer doorberekent, een dergelijke handeling, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, een handeling ter zake van verzekering in de zin van artikel 135, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn vormt.

Kosten

71      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      De dienst bestaande in de verzekering van het geleasede goed en de dienst bestaande in de leasing zelf moeten voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige diensten. Het is de taak van de verwijzende rechter om, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, uit te maken of de betrokken handelingen in die mate onderling verbonden zijn dat zij moeten worden beschouwd als één enkele prestatie dan wel als zelfstandige prestaties.

2)      Wanneer de leasinggever het geleasede goed zelf verzekert en de kosten van de verzekering ongewijzigd aan de leasingnemer doorberekent, vormt een dergelijke handeling, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, een handeling ter zake van verzekering in de zin van artikel 135, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

ondertekeningen


* Procestaal: Pools.

ECLI:EU:C:2013:15