Magische truffels vallen onder het algemene btw-tarief

Magische truffels vallen onder het algemene btw-tarief

A BV verkoopt zogenoemde magische truffels (sclerotia), die psychoactieve stoffen bevatten en bij consumptie psychedelische effecten geven. Vanwege deze effecten worden de truffels slechts in kleine hoeveelheden geconsumeerd. De Belastingdienst publiceerde in 2019 op zijn website het standpunt dat magische truffels als genotmiddelen zijn aan te merken, waardoor de levering is belast met het algemene omzetbelastingtarief en niet het verlaagde btw-tarief voor voedingsmiddelen. A BV heeft de btw over de truffels op aangifte voldaan naar het algemene tarief, maar maakte hiertegen bezwaar omdat zij van mening is dat de truffels als voedingsmiddelen kwalificeren.

De vraag is of magische truffels kwalificeren als eetwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie (post a.1, letter a, van Tabel I bij de Wet OB), waardoor het verlaagde btw-tarief van toepassing zou zijn. Subsidiair beroept A BV zich op het rechtszekerheidsbeginsel. Zij stelt dat de Hoge Raad in eerdere jurisprudentie inzake paddo’s (ECLI:NL:HR:2014:3611, ECLI:NL:HR:2014:3613 en ECLI:NL:HR:2015:1671) heeft geoordeeld dat eetbare paddenstoelen als voedingsmiddel worden aangemerkt, ook al worden ze als genotmiddel geconsumeerd, en dat deze lijn moet worden doorgetrokken naar truffels.

De Hoge Raad oordeelt dat het verlaagde btw-tarief niet van toepassing is. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het HvJ arrest X overweegt de Hoge Raad dat een product niet als levensmiddel kwalificeert als het een verwaarloosbare hoeveelheid voedingsstoffen bevat en uitsluitend wordt geconsumeerd voor andere effecten. Omdat truffels uitsluitend in kleine hoeveelheden worden ingenomen voor de hallucinogene werking, is de inname van voedingsstoffen verwaarloosbaar. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt: de eerdere paddo-arresten zagen op vruchtlichamen van een schimmel (paddenstoelen, die onder groenten vallen), terwijl magische truffels (sclerotia) ondergrondse schimmelstructuren zijn en niet als groente kunnen worden aangemerkt.

Inhoudelijk zijn alle tien op 10 april 2026 gewezen arresten over dit onderwerp identiek. Het enige verschil zit in de procedurele afdoening rondom de overschrijding van de redelijke termijn: in enkele zaken kent de Hoge Raad een vergoeding voor immateriële schade toe, terwijl dit in de overige zaken niet aan de orde is. Zie hieronder voor alle ECLI-nummers.

Tab naam

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2026
Datum publicatie
10-04-2026
Zaaknummer
23/03016
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:1581
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; levensmiddelen voor menselijke consumptie; magische truffels; rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NDFR Nieuws 2026/558
Viditax (FutD) 2026041020
V-N Vandaag 2026/697
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/488
FutD 2026-0617
NTFR 2026/629 met annotatie van mr. E.H.A.M. Thijssen
V-N 2026/17.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/03016

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juni 2023, nrs. BK-22/00537 en BK-22/005381, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/3423 en SGR 21/8117) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 en 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021.

1Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.

1.2
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door A.J.C. Perdaems, advocaat, en voor de Staatssecretaris door W.l. Wisman en L.J. Overwater, advocaten.

1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 21 september 2023 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is verkoper van zogenoemde magische truffels. Magische truffels zijn schimmelstructuren die tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen onder de grond groeien (sclerotia).
Magische truffels bevatten psychoactieve stoffen, te weten psilocine en psilocybine, die bij consumptie psychedelische effecten geven. Het innemen van magische truffels leidt tot hallucinaties, het feller zien van kleuren, het intenser beleven van geluiden en dergelijke ervaringen. Magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd. Zij worden meestal rauw gegeten.
Magische truffels vallen niet onder de Opiumwet zodat zij vrij kunnen worden gekweekt en verhandeld.

2.2
Op 13 september 2019 heeft de Belastingdienst op zijn website meegedeeld dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddelen moeten worden aangemerkt en dat de levering daarvan is belast naar het in artikel 9, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vermelde algemene omzetbelastingtarief. Volgens de Belastingdienst zijn magische truffels geen voedingsmiddelen als bedoeld in post a.1 van Tabel I bij de Wet (hierna: Tabel I) waarvan de levering op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet is belast naar het verlaagde omzetbelastingtarief.

2.3
Belanghebbende heeft over de betrokken tijdvakken in 2020 en 2021 ter zake van de leveringen van magische truffels op aangifte omzetbelasting naar het algemene tarief voldaan. Zij heeft telkens bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en daarbij het standpunt ingenomen dat magische truffels voedingsmiddelen zijn in de zin van post a.1 van Tabel I, zodat – gelet op artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet – op de levering daarvan het verlaagde tarief van toepassing is.

3De oordelen van het Hof
3.1.1 Voor het Hof was primair in geschil of de levering van magische truffels op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.1, letter a, van Tabel I is onderworpen aan het verlaagde tarief.

3.1.2 Het Hof heeft geoordeeld dat het verlaagde tarief niet van toepassing is, omdat magische truffels naar het oordeel van het Hof niet zijn aan te merken als eetwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie zoals bedoeld in post a.1, letter a, van Tabel I. Hoewel de magische truffels noodzakelijke voedingsstoffen bevatten, worden deze naar het oordeel van het Hof uitsluitend geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van die voedingsstoffen, te weten voor de hiervoor in 2.1 omschreven psychedelische effecten. De magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd waardoor de inname van noodzakelijke voedingsstoffen via de magische truffels verwaarloosbaar is. Volgens het Hof ligt het dan ook niet voor de hand dat de gemiddelde consument die trek of honger heeft, voor magische truffels kiest.

3.2.1 Subsidiair heeft belanghebbende voor het Hof het standpunt ingenomen dat het beginsel van rechtszekerheid meebrengt dat de levering van magische truffels in de betrokken tijdvakken is onderworpen aan het verlaagde tarief. Belanghebbende voerde daartoe aan dat de Hoge Raad in de arresten van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3611 en ECLI:NL:HR:2014:3613 (hierna samen: de arresten van 19 december 2014), en het arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1671 (hierna: het arrest van 19 juni 2015), heeft geoordeeld over het toepasselijke tarief op soortgelijke producten als magische truffels, te weten paddo’s. Volgens het middel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aangezien paddo’s eetbaar zijn, zij moeten worden aangemerkt als voedingsmiddelen waarvan de levering is belast naar het verlaagde tarief, en dat daaraan niet afdoet dat paddo’s als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd.

3.2.2 Het Hof heeft het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Belanghebbende kan naar het oordeel van het Hof aan de hiervoor bedoelde arresten van de Hoge Raad niet de door haar beoogde rechtszekerheid ontlenen.
De arresten van 19 december 2014 hebben, aldus het Hof, betrekking op de uitleg van het begrip “pootgoed voor de teelt van groenten en fruit” in post a.3 van Tabel I en niet op de uitleg van het begrip voedingsmiddel in post a.1 van Tabel I. Bovendien volgt uit de in die arresten gegeven uitleg van de begrippen groente en fruit als bedoeld in post a.3 van Tabel I niet dat een schimmel als een in post a.1 van Tabel I bedoeld voedingsmiddel kan worden aangemerkt. In het arrest van 19 juni 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat paddo’s voedingsmiddelen zijn als bedoeld in post a.1 van Tabel I, waarbij het Hof aantekent dat volgens dat arrest niet in geschil was dat paddo’s eetbaar zijn. Aan dit oordeel van de Hoge Raad heeft belanghebbende volgens het Hof dan ook niet in algemene zin de zekerheid kunnen ontlenen dat magische truffels als voedingsmiddelen in de zin van post a.1 van Tabel I kunnen worden aangemerkt. Verder heeft het Hof belanghebbende erop gewezen dat de Hoge Raad in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2082 (hierna: het arrest van 18 december 2020), al bij arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:643, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vragen heeft gesteld die hebben geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2020, X, C-331/19, ECLI:EU:C:2020:786 (hierna: het arrest X). Ten tijde van het doen van de aangiften voor de omzetbelasting over de betrokken tijdvakken in 2020 en 2021 was het voor belanghebbende dus kenbaar dat in de rechtspraak over de uitleg van post a.1 van Tabel I onduidelijkheid bestond, aldus het Hof.

4Beoordeling van de middelen
Voedingsmiddelen als bedoeld in post a.1, letter a, van Tabel I
4.1
Middel 1 richt zich tegen de hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof met deze oordelen heeft miskend dat uit punt 26 van het arrest X volgt dat de vaststellingen dat een product is bestemd voor menselijke consumptie en dat het voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van het menselijk organisme noodzakelijke voedingsstoffen bevat, voldoende is om dat product aan te merken als levensmiddel voor menselijke consumptie in de zin van punt 1 van bijlage III van BTW-richtlijn 2006, en daarmee als voedingsmiddel bedoeld in post a.1, letter a, van Tabel I. Dat is, aldus het middel onder verwijzing naar punt 35 van het arrest X, ook het geval als met de consumptie van dat product tevens andere effecten worden beoogd. Uit punt 36 van het arrest X volgt dat slechts indien een product geen of een te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen bevat, relevant is of andere effecten met het consumeren van dat product worden beoogd. In dit kader betoogt middel 1 dat het Hof in het licht van zijn vaststelling dat magische truffels noodzakelijke voedingsstoffen bevatten, met zijn hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordelen een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in punt 36 van het arrest X gebezigde “geen of een te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen” dan wel is het oordeel van het Hof dat magische truffels een te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen in de zin van punt 36 van het arrest X bevatten, onbegrijpelijk. Het oordeel dat magische truffels geen of een volstrekt te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen bevatten omdat zij slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd, miskent dat het gaat om de voedingsstoffen die een product bevat en niet de per keer ingenomen hoeveelheid voedingsstoffen, aldus het middel.

4.2.1
Op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.1, aanhef en letter a, van Tabel I is aan het verlaagde tarief onderworpen de levering van:

“voedingsmiddelen, te weten:
a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie;”.

Met deze bepalingen heeft de wetgever gebruik gemaakt van de in artikel 98 van BTW-richtlijn 2006 in samenhang gelezen met punt 1 van bijlage III van die richtlijn aan de lidstaten geboden mogelijkheid om een verlaagd tarief toe te passen op de levering van – voor zover hier van belang – de volgende producten:

”Levensmiddelen (met inbegrip van dranken, maar met uitsluiting van alcoholhoudende dranken) voor menselijke (…) consumptie, levende dieren, zaaigoed, planten en ingrediënten die gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen (…)”.

Post a.1, letter a, van Tabel I moet worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met punt 1 van bijlage III van BTW-richtlijn 2006 zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie.

4.2.2
Het Hof van Justitie heeft in het arrest X over de uitlegging van punt 1 van bijlage III van BTW-richtlijn 2006 het volgende voor recht verklaard:

“De begrippen „levensmiddelen voor menselijke consumptie” en „producten die gewoonlijk bestemd zijn ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen” in punt 1 van bijlage III bij richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op alle producten met voedingsstoffen die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme, die worden geconsumeerd om die stoffen toe te dienen.”

Voor zover van belang voor de beoordeling van middel 1 heeft het Hof van Justitie aan die verklaring voor recht onder meer het hierna volgende ten grondslag gelegd:

“25. Betreffende in de eerste plaats de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de termen waarmee de begrippen worden omschreven, dient ten eerste te worden opgemerkt dat „levensmiddelen voor menselijke consumptie” in beginsel alle producten omvatten met voedingsstoffen die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme, die worden geconsumeerd om die stoffen toe te dienen, zoals de advocaat-generaal in de punten 18, 19 en 27 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt.

26. Aangezien deze voedingsfunctie bepalend is voor de kwalificatie van een product als „voor menselijke consumptie bestemd levensmiddel”, volgens de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van deze termen, is het irrelevant of het product al dan niet heilzame effecten heeft voor de gezondheid, of de inname ervan de consument al dan niet een bepaald genot brengt en of het in een bepaalde maatschappelijke context wordt genuttigd. Derhalve is het in dit verband niet van belang dat de consumptie van dat product positieve gevolgen heeft voor het libido van degene die het inneemt.

(…)

35. Tegen deze achtergrond valt elk product dat bestemd is voor menselijke consumptie en dat het menselijk organisme voorziet van voedingstoffen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme onder de categorie in punt 1 van bijlage III bij de btw-richtlijn, ook als met de consumptie van dat product tevens andere effecten worden beoogd.

36. Een product dat geen of een volstrekt te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen bevat en waarvan de consumptie uitsluitend andere effecten beoogt dan die welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van het menselijk organisme, kan daarentegen niet onder die categorie vallen.

(…)“

4.2.3
Uit het arrest X volgt dat het begrip “eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie” in de zin van post a.1, letter a, Tabel I ziet op eetbare producten die i) voedingsstoffen bevatten die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme, en ii) worden geconsumeerd om deze voedingsstoffen toe te dienen.2

4.2.4
Met zijn hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordelen heeft het Hof in essentie geoordeeld dat het verlaagde tarief niet kan worden toegepast op de levering van magische truffels, omdat i) magische truffels vanwege de psychedelische effecten ervan slechts in kleine hoeveelheden kunnen worden geconsumeerd waardoor de inname van noodzakelijke voedingsstoffen via de magische truffels verwaarloosbaar is, en ii) magische truffels uitsluitend worden geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van noodzakelijke voedingsstoffen.
Deze oordelen van het Hof geven – buiten redelijke twijfel – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet in het licht van hetgeen het Hof van Justitie in punt 36 van het arrest X heeft overwogen. Aan het oordeel dat magische truffels uitsluitend worden geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van voedingsstoffen, heeft het Hof ten grondslag kunnen leggen de omstandigheid dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking slechts in kleine hoeveelheden kunnen worden geconsumeerd zodat bij inname van magische truffels in die kleine hoeveelheden de hoeveelheid noodzakelijke voedingsstoffen verwaarloosbaar is geworden. Dit oordeel, dat van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk is, kan in cassatie niet met succes worden bestreden.

4.2.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.4 is overwogen, faalt middel 1.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.3
Middel 2 is gericht tegen de verwerping door het Hof van het door belanghebbende gedane beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoogt dat de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het Hof onverlet laten dat uit de arresten van 19 december 2014 en het arrest van 19 juni 2015 helder en duidelijk blijkt dat, om producten te kunnen aanmerken als voedingsmiddelen in de zin van post a.1 van Tabel I, voldoende is dat zij eetbaar zijn en dat het feit dat een eetbaar product als genotmiddel pleegt te worden geconsumeerd daaraan niet afdoet. De volgens middel 2 met deze arresten verkregen rechtszekerheid dat ook magische truffels onder het verlaagde tarief kunnen worden gebracht, wordt volgens het middel niet doorbroken met het arrest van 19 april 2019 noch met het arrest X en het arrest van 18 december 2020, omdat die drie arresten zien op een wezenlijk ander product. Belanghebbende mocht zich daarom bij het doen van de aangiften over de betrokken tijdvakken in 2020 en 2021 beroepen op de uitleg van post a.1 van Tabel I zoals de Hoge Raad in de arresten van 19 december 2014 en 19 juni 2015 heeft gegeven, aldus het middel.

4.4.1
In de arresten van 19 december 2014 en het arrest van 19 juni 2015 is met betrekking tot het begrip pootgoed voor de teelt van groenten en fruit zoals bedoeld in post a.3 van Tabel I geoordeeld dat de in die post genoemde groenten en fruit behoren tot de in post a.1 van Tabel I bedoelde voedingsmiddelen en dat alle voor menselijke consumptie bestemde (dat wil zeggen eetbare) planten en plantendelen, vruchten en ook paddenstoelen (de vruchtlichamen van een zwam of schimmel) moeten worden begrepen onder de in post a.3 van Tabel I vermelde begrippen ‘groenten’ en ‘fruit’. Daarvan uitgaande heeft de Hoge Raad geoordeeld dat paddo’s als eetbare paddenstoelen behoren tot de in post a.1 van Tabel I vermelde voedingsmiddelen, en dat daaraan niet afdoet dat zij vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd.
Anders dan middel 2 betoogt, is met de hiervoor vermelde oordelen niet geoordeeld, noch ligt in deze oordelen het oordeel van de Hoge Raad besloten, dat alle mogelijk eetbare producten, ongeacht soort, samenstelling, voedingswaarde of vorm, onder voedingsmiddelen in de zin van post a.1, letter a, van Tabel I worden begrepen. Sclerotia zijn – anders dan paddenstoelen, dat wil zeggen de eetbare vruchtlichamen van een zwam of schimmel – niet als een groente te beschouwen. Aan de arresten van 19 december 2014 en het arrest van 19 juni 2015 kan daarom niet de zekerheid worden ontleend dat ook de schimmels die tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen onder de grond groeien (sclerotia) tot de in post a.1 van Tabel I vermelde voedingsmiddelen behoren.

4.4.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.1 is overwogen, heeft het Hof terecht het door belanghebbende gedane beroep op het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Middel 2 faalt daarom ook.

5Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 21 september 2023 verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.

5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 2 augustus 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden. Het financiële belang bij deze procedure bedraagt meer dan € 1.000.3 Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.000.

6Proceskosten
6.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.

6.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.4

7Beslissing
De Hoge Raad:

– verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

– veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.000, en

– veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

1 ECLI:NL:GHDHA:2023:1581.

2 Vgl. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2082, rechtsoverweging 2.2.

3 Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

4 Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.

ECLI:NL:HR:2026:450

De andere 9 arresten van de Hoge Raad van 10 april 2026 (inzake de magische truffels):
ECLI:NL:HR:2026:572
ECLI:NL:HR:2026:573
ECLI:NL:HR:2026:574
ECLI:NL:HR:2026:579
ECLI:NL:HR:2026:580
ECLI:NL:HR:2026:581
ECLI:NL:HR:2026:582
ECLI:NL:HR:2026:584
ECLI:NL:HR:2026:585

Scroll naar boven