Ambtshalve boetevermindering in cassatie en weigering van administratief herstel achteraf

Ambtshalve boetevermindering in cassatie en weigering van administratief herstel achteraf

A BV exploiteert een kermisattractie en een oliebollenkraam. Uit een boekenonderzoek door de Belastingdienst kwam naar voren dat de administratie over de jaren 2016 en 2017 ernstige gebreken vertoonde; zo ontbraken onder meer een kasadministratie, facturen, een agenda en diverse bankafschriften. Vanwege deze onvolledigheden heeft de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting geweigerd en naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, inclusief belastingrente en een vergrijpboete.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de naheffingsaanslag en de boetebeschikking reeds verminderd.

In hoger beroep is primair in geschil of de naheffingsaanslag, de boete en de belastingrente, zoals deze door de rechtbank waren vastgesteld, nog verder verminderd moeten worden. A BV heeft hierbij verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld de vastgestelde gebreken in de administratie alsnog te mogen herstellen. Het gerechtshof oordeelt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822), dat een administratie regelmatig moet worden bijgehouden en dat een achteraf opgestelde administratie het risico in zich bergt dat de werkelijkheid onjuist wordt weergegeven. Om die reden wordt het verzoek tot herstel achteraf afgewezen.

In cassatie verwerpt de Hoge Raad het beroep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad oordeelt echter ambtshalve dat de redelijke termijn in de cassatiefase met minder dan zes maanden is overschreden. Omdat A BV niet uitdrukkelijk om vergoeding van immateriële schade heeft verzocht (conform HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337), wordt deze voor de aanslag en rente niet toegekend. Wel wordt de resterende boete wegens de termijnoverschrijding ambtshalve met 5 procent verminderd tot € 9.076, in overeenstemming met HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.

Hoge RaadGerechtshof

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2026
Datum publicatie
24-04-2026
Zaaknummer
24/00950
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken,Cassatie
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026042406
FutD 2026-0716
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00950

Datum 24 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/007941, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/4622) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F. Marijnissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2Beoordeling van de klacht
De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 18 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.

3.2
Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Wat betreft de bestreden naheffingsaanslag en de rentebeschikking kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe.2

3.3
De opgelegde boete beloopt, na vermindering daarvan door de Rechtbank, meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure gevolgen te verbinden en zal de boete zoals nader vastgesteld door de Rechtbank, verder verminderen met 5 procent tot € 9.076.3

4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5Beslissing
De Hoge Raad:

– verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

– vernietigt de uitspraken van het Hof, van de Rechtbank en van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikking, en

– vermindert de boete tot € 9.076.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

1 ECLI:NL:GHSHE:2024:514.

2 Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2.

3 Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.

ECLI:NL:HR:2026:728

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2024
Datum publicatie
27-03-2024
Zaaknummer
22/00794
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:819, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Voor de geconstateerde gebreken in de administratie geeft het hof belanghebbende geen herstelmogelijkheid. Een administratie moet regelmatig worden bijgehouden om een goede vastlegging van de werkelijkheid te garanderen. Een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie brengt het risico met zich dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2024/721
NLF 2024/0864
Viditax (FutD) 2024032703
FutD 2024-0779
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/00794

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland -West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 februari 2022, nummer BRE 19/4622, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2023 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting het hof bericht dat namens haar niemand aanwezig zal zijn. Het hof heeft vervolgens de inspecteur telefonisch bericht dat zijn aanwezigheid niet nodig is, aangezien het hof geen vragen voor de inspecteur heeft. Namens de inspecteur is niemand verschenen.

1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2Feiten
2.1.
Belanghebbende is in de hier in geschil zijnde periode geregistreerd als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. De onderneming is gestart op 22 februari 2016. De onderneming wordt gedreven in de vorm van een besloten vennootschap. De ondernemingsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een kermisattractie (Breakdance) alsmede de exploitatie van een oliebollenkraam. Daarnaast wordt ook materieel voor attracties aan derden verhuurd. Directeur-enig aandeelhouder is [persoon] (hierna: [persoon] ).

2.2.
Belanghebbende heeft in 2016 en 2017 kwartaalaangiften omzetbelasting gedaan.

De aangiften werden gedaan door [persoon] .

2.3.
De door belanghebbende aangegeven omzet in 2016 bedroeg € 212.630. Belanghebbende heeft omzetbelasting voldaan tegen het verlaagde tarief. De aangegeven omzetbelasting bedroeg € 8.330 en de geclaimde aftrek voorbelasting € 22.889. Over 2016 heeft belanghebbende een teruggave van € 14.559 gekregen.

2.4.
De door belanghebbende aangegeven omzet in 2017 bedroeg € 104.830.

Belanghebbende heeft omzetbelasting voldaan tegen het verlaagde tarief. De aangegeven omzetbelasting bedroeg € 3.200 en de geclaimde aftrek voorbelasting € 14.627. Over 2017 heeft belanghebbende een teruggave van € 11.427 gekregen.

2.5.
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de over 2016 en 2017 ingediende kwartaalaangiften omzetbelasting. Van het boekenonderzoek is een rapport met dagtekening 7 september 2018 opgemaakt.

2.6.
In het rapport van het boekenonderzoek is over de administratie van belanghebbende onder meer het volgende opgenomen:

” 3.1 Bevindingen

De bedoeling was om daadwerkelijk het boekenonderzoek op te kunnen starten. Echter bleek de aanwezige administratie verre van volledig.

De volgende omissies zijn op dat moment geconstateerd;

– Er is geen kasadministratie opgemaakt,

– er is geen agenda overlegd,

een registratie van de inschrijvingen op de betreffende kermissen is niet aanwezig,

– er is op geen enkele wijze een administratie of anderszins een vastlegging van de kosten of opbrengsten bijgehouden,

– er ontbraken inkoopfacturen en/of niet alle bonnetjes/facturen zijn bewaard,

– niet alle bankafschriften waren aanwezig op het controle-adres,

– er ontbraken diverse verkoopfacturen,

– aansluitingen in de administratie ontbreken.

4 Omzetbelasting

(…)

4.2
Bevindingen

4.2.1
Toedeling kosten/inkomsten

De kosten van de diverse ondernemingen van de heer [persoon] worden klaarblijkelijk voornamelijk in de V.O.F. [persoon] geboekt en van daaruit betaald. Ook wordt geen onderscheid gemaakt in de contante inkomsten van de diverse ondernemingen. Er vindt vooralsnog ook geen verrekening plaats in een onderlinge rekeningcourantverhouding.

4.2.2
Opbrengsten/verkoopadministratie

Ondanks dat de inkomsten voornamelijk á contant worden geïncasseerd, heeft belastingplichtige nagelaten een (gedegen) kasadministratie bij te houden. Ook worden de opbrengsten op geen enkele andere wijze vastgelegd.

4.2.3
Aansluiting omzet 2016/2017

In verband met het ontbreken van een gedegen administratie is geen aansluiting te maken met de aangifte(n) omzetbelasting. Ook is gebleken dat over de jaren 2016 en 2017 geen aangifte vennootschapsbelasting is ingediend.”

2.7.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de constateringen uit het boekenonderzoek de verschuldigde omzetbelasting gecorrigeerd naar € 12.758 voor 2016 en € 6.290 voor 2017, op basis van de door belanghebbende aangegeven omzet naar het verlaagde tarief van 6%. Daarnaast heeft de inspecteur de aftrek van voorbelasting geweigerd.

2.8.
In het conceptrapport van 20 augustus 2018 heeft de inspecteur aangekondigd dat hij naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek voornemens is een vergrijpboete op te leggen. Hierbij is aan belanghebbende de gelegenheid gegeven om binnen een gestelde termijn haar bezwaren kenbaar te maken tegen het voornemen een boete op te leggen.

2.9.
Met dagtekening 27 november 2018 heeft de inspecteur deze naheffingsaanslag opgelegd. Naast de genoemde correcties van in totaal € 45.034 heeft de inspecteur € 2.798 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 11.258 zijnde 25 procent van de gecorrigeerde belasting opgelegd.

2.10.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 44.961, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 9.554. Daarnaast heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 vergoedt.

3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de daarbij gegeven boete- en belastingrentebeschikkingen, zoals deze zijn verminderd door de rechtbank, nog verder moeten worden verminderd.

3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden
Ten aanzien van het geschil

4.1.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven en voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.
Belanghebbende verzoekt in hoger beroep de door de inspecteur geconstateerde gebreken te kunnen en mogen herstellen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Voor zover belanghebbende hiermee bedoelt te stellen dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld de gebreken in de administratie te herstellen, wijst het hof er op dat een administratie regelmatig moet worden bijgehouden om een goede vastlegging van de werkelijkheid te garanderen. Een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie brengt het risico met zich dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven.1 Nu de naheffingsaanslag ziet op de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017, kan redelijkerwijs niet meer worden verwacht dat belanghebbende nu alsnog een deugdelijke administratie overlegt. Daarnaast heeft belanghebbende het beroep en het hoger beroep niet aangegrepen om nieuwe feiten of argumenten aan te voeren die tot het oordeel kunnen leiden dat de naheffingsaanslag en de boete- en rentebeschikkingen verder verminderd dienen te worden.

Tussenconclusie

4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5Beslissing
Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, P. Fortuin en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De griffier De voorzitter,

M.A.M. van den Broek E.P.A. Brakeboer

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822.

ECLI:NL:GHSHE:2024:514

Scroll naar boven