Rechter veegt ChatGPT-analyse als bewijs voor wanprestatie van tafel

Rechter veegt ChatGPT-analyse als bewijs voor wanprestatie van tafel

AIH BV heeft op basis van een offerte een overeenkomst van opdracht gesloten met UMS BV voor de ontwikkeling van een businessplan ter waarde van € 188.000, waarvan 20% vooraf en 80% bij afronding betaald diende te worden. UMS heeft het voorschot van 20% en een deelbetaling van € 25.000 voldaan, maar de rest van de eindfactuur onbetaald gelaten. AIH heeft op 21 mei 2024 de definitieve versie van het businessplan aan UMS opgeleverd.

AIH vordert betaling van het resterende factuurbedrag van € 156.894, vermeerderd met rente en kosten. UMS weigert betaling en beroept zich op opschorting en gedeeltelijke ontbinding, omdat het businessplan inhoudelijk ontoereikend en onvolledig zou zijn. Om deze tekortkoming te bewijzen, bracht de advocaat van UMS een document in het geding dat door ChatGPT was gegenereerd; de AI concludeerde hierin dat het plan ongeschikt was en UMS terecht de betaling had opgeschort.

Rechtbank Oost-Brabant wijst de vordering van AIH volledig toe en gaat volledig voorbij aan de ingebrachte ChatGPT-analyse, omdat de advocaat van UMS de ingevoerde prompt niet kon overleggen, de AI-’temperatuur’ niet had ingesteld (wat het risico op hallucinaties meebrengt) en de analyse was gebaseerd op een incompleet conceptrapport in plaats van de definitieve versie. Nu dit AI-document terzijde wordt geschoven, oordeelt de rechtbank dat het verweer inzake een toerekenbare tekortkoming onvoldoende is gemotiveerd; zonder de ChatGPT-analyse blijft er van de onderbouwing van UMS namelijk vrijwel niets over. Deze afwijzing onderstreept voor de rechtspraktijk dat het inzetten van generatieve AI als bewijsmiddel kansloos is wanneer fundamentele transparantie over de ingevoerde parameters (zoals de prompt en temperatuur) en de gebruikte brondata ontbreekt.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2026
Datum publicatie
14-04-2026
Zaaknummer
C/01/414091 / HA ZA 25-219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak,Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht tot opstellen businessplan, gebruikmaking van ChatGPT bij vergelijking offerte-businessplan, geen tekortkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/414091 / HA ZA 25-219

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

AIH GROUP B.V.,

te Hengelo,

eisende partij,

hierna te noemen: AIH,

advocaat: mr. M. Kampman,

tegen

URBAN MOBILITY SYSTEMS B.V.,

te Oss,

gedaagde partij,

hierna te noemen: UMS,

advocaat: mr. M.P.M. Riep.

1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding
– de conclusie van antwoord
– de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

– de aanvullende productie 4 van UMS

– de akte overlegging producties van AIH

– akte overlegging producties (25 t/m 28) van AIH

– de aanvullende productie 5 van UMS

– de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten
2.1.
AIH is een Nederlandse vennootschap die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd collectief van consultancy ondernemingen en van ondernemingen die gespecialiseerd zijn in de industriële sector. UMS is een Nederlandse vennootschap en is leverancier van emissievrije aandrijflijnen voor de elektrificatie van bouwmachines en voertuigen.

2.2.
AIH heeft op 15 augustus 2023 een offerte uitgebracht voor de ontwikkeling van een businessplan voor UMS (het Businessplan). In de offerte is onder meer opgenomen:

The fixed price for the proposed work is €188,000 (excluding VAT) including travel and living expenses.

The proposed payment schedule is as follows:

• 20% on presentation of the purchase order

• 80% on completion.

Payment terms are net 15 days from presentation of the invoice.

2.3.
De betreffende offerte is vervolgens door UMS geaccepteerd via haar inkooporder van 18 oktober 2023. Hiermee is een overeenkomt tussen partijen tot stand gekomen die kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. AIH heeft op 22 januari 2024 een eerste conceptversie en op 6 maart 2024 een tweede conceptversie van het Businessplan aan UMS verstrekt. AIH heeft daarop commentaar ontvangen van diverse personen binnen UMS en heeft dit commentaar steeds verwerkt of becommentarieerd in de opvolgende conceptversies.

2.4.
UMS heeft op 2 januari 2024 een bedrag van € 45.496,- aan AIH voldaan, zijnde 20% van de opdrachtsom. Op 29 januari 2024 heeft UMS een tweede factuur ontvangen van AIH voor de resterende 80% van de overeengekomen prijs van de opdracht. UMS heeft op 22 december 2024 € 25.000,- betaald. Voor het overige deel is deze tweede factuur onbetaald gebleven.

3Het geschil
3.1.
AIH vordert – samengevat – betaling van € 156.894,- te vermeerderen met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW alsmede buitengerechtelijke incassokosten, de gemaakte kosten voor de conservatoire beslagen en de proceskosten, alle te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.
UMS voert verweer. UMS concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van AIH, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van AIH en subsidiair tot toewijzing van de vordering zonder dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat AIH zekerheid stelt tot het bedrag dat door de rechtbank wordt toegekend. Een en ander met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van AIH in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.
UMS stelt dat het Businessplan inhoudelijk ontoereikend is, dat niet is voldaan aan haar verwachtingen en aan hetgeen is overeengekomen. Zij stelt dat AIH toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarnaast stelt zij dat de vordering van AIH nog niet opeisbaar is, omdat partijen hebben afgesproken dat er pas betaald hoeft te worden “on completion” en er nog geen sprake is van “completion” van de opdracht. Zij heeft bij conclusie van antwoord tevens gesteld dat zij nog niet de bijlagen (het Data Pack) bij het Businessplan heeft ontvangen en dat het Businessplan daardoor niet volledig is. Subsidiair wordt een beroep gedaan op opschorting en op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met AIH op 5 juni 2025.

3.4.
Om haar beroep op een tekortschieten door AIH te onderbouwen, heeft (de advocaat van) UMS een document in het geding gebracht dat is opgesteld door ChatGPT (productie 3 bij antwoord). De advocaat heeft aangegeven dat hij ChatGPT de opdracht heeft gegeven om te beoordelen in hoeverre het Businessplan (productie 6 bij dagvaarding) beantwoordt aan de offerte van AIH (productie 3 bij dagvaarding). De conclusie en vervolgens de eindconclusie in het document van ChatGPT zijn:

(…)

4. Conclusie

Het businessplan zoals opgesteld door AIH voldoet niet aan de kernvereisten die voortvloeien uit de offerte en uit industriële best practices. De tekortkomingen zijn dusdanig dat het document:

• Niet geschikt is als input voor de opzet van een productielijn;

• Niet bruikbaar is voor investeerders- of subsidieaanvragen;

• Geen grond biedt voor facturering op basis van “voltooide prestatie”.

Op basis hiervan is de opschorting van betaling door UMS technisch en inhoudelijk gerechtvaardigd.

(…)

Eindconclusie

Het plan dat AIH heeft opgeleverd is:

• Niet concreet genoeg;

• Onbruikbaar voor het opzetten van een echte productielijn;

• Onvoldoende onderbouwd om financiering aan te vragen.

Daarom is UMS van mening dat AIH haar werk niet goed heeft gedaan en dat UMS terecht weigert om het volledige bedrag te betalen.

3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling
Is het Businessplan niet volledig aan UMS is verstrekt?

4.1.
Als eerste wordt het verweer dat het Businessplan niet volledig is verstrekt, beoordeeld.

4.2.
Ter zitting heeft AIH aangegeven dat zij in eerste instantie het Data Pack bij het concept-Businessplan niet heeft verstrekt omdat UMS haar eerste factuur veel te laat had betaald (op 2 januari 2024). Tegelijkertijd stelt AIH dat zij in maart 2024 alsnog het Data Pack heeft opengesteld via haar drive om door UMS te worden gelezen en daarnaast het Data Pack ook op een UBS-stick is overgedragen aan UMS tijdens een bespreking in Arnhem waar partijen persoonlijk aanwezig waren. UMS heeft verklaard dat zij de USB-stick heeft ontvangen, maar dat zij niet weet wat er op de USB-stick staat.

4.3.
De rechtbank is van oordeel dat uit niets blijkt dat de definitieve versie van het Businessplan van 21 mei 2024 niet volledig is verstrekt en merkt de versie van deze datum dan ook aan als de definitieve versie. De discussie tussen partijen na deze datum lijkt voornamelijk te gaan over het onvermogen van UMS om de factuur te betalen en over het aangaan van een betalingsregeling. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de (onweersproken) notulen van AIH, die zij op 15 november 2024 heeft verstuurd aan onder andere UMS en waarin is vermeld: “Settlement of the outstanding invoice by UMS was discussed and Lars confirmed that payment will be made by the end this calendar year”. Een tussen partijen overeengekomen betalingsregeling is door UMS op 22 december 2024 slechts voor € 25.000,- nagekomen.

4.4.
De stelling dat de vordering nog niet opeisbaar is omdat AIH het Businessplan nog niet volledig heeft verstrekt is, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende onderbouwd door UMS. UMS betwist niet dat zij toegang heeft gehad tot de bijlagen bij het Businessplan, het Data Pack, en erkent dat zij een USB-stick met data heeft gekregen. Dit verweer slaagt daarom niet.

Is het Businessplan inhoudelijk ontoereikend?

4.5.
Een tweede verweer ziet op de kwaliteit en inhoud van het Businessplan.

4.6.
De toelichting die de advocaat in de conclusie van antwoord op dit punt heeft opgenomen, is gebaseerd op hetgeen ChatGPT heeft geschreven en dat aangevuld is met de stellingen van UMS. De advocaat heeft aangegeven dat zijn cliënt de bronnen die ChatGPT in de analyse noemt, heeft gecontroleerd.

4.7.
De rechtbank heeft ter zitting een aantal vragen gesteld over het document van ChatGPT. Ten eerste is de advocaat verzocht welke opdracht (prompt) aan ChatGPT is gegeven. De advocaat heeft aangegeven dat hij niet meer beschikt over het exact gegeven prompt. Het betrof de vraag in hoeverre het rapport beantwoordt aan de offerte. De rechtbank heeft gevraagd hoe het kan dat ChatGPT in het document als antwoord aangeeft dat de analyse “in het kader van de gerechtelijk procedure met nummer 20250034.01 is”, en tot conclusies komt als: “Op basis hiervan is de opschorting van betaling door UMS technisch en inhoudelijk gerechtvaardigd.” en “Daarom is UMS van mening dat AIH haar werk niet goed heeft gedaan en dat UMS terecht weigert om het volledige bedrag te betalen.”. De advocaat heeft hierop aangegeven dat hij ook processtukken heeft ingeladen. Daarnaast is de advocaat gevraagd om aan te geven welke temperatuur hij heeft opgegeven in ChatGPT. De temperatuur is mede bepalend voor hoe feitelijk, consistent en nauwkeurig de antwoorden zijn (bij een lage temperatuur) danwel creatief met meer risico op hallucinaties (bij een hoge temperatuur). De advocaat heeft aangegeven dat hij geen temperatuur heeft opgegeven en de vraag niet te begrijpen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat het rapport dat de advocaat in ChatGPT heeft ingevoerd (productie 6 bij dagvaarding) een concept Businessplan van 28 februari 2024 betrof zonder de bijlagen, terwijl de definitieve versie van 21 mei 2024 niet is gebruikt. Dit heeft gevolgen voor het antwoord van ChatGPT. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank geen acht slaan op productie 3 bij antwoord en hetgeen de advocaat hierover naar voren heeft gebracht. Het beroep op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door AIH, in die zin dat het Businessplan inhoudelijk ontoereikend is, is onvoldoende gemotiveerd omdat er zonder de inhoud van het antwoord van ChatGPT vrijwel niets overblijft.

Mocht UMS betaling opschorten?

4.8.
UMS beroept zich subsidiair op opschorting van haar verplichting om de tweede factuur van AIH te betalen.

4.9.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat UMS de betaling van de tweede factuur van AIH mocht opschorten tot “completion” op 21 mei 2024. UMS was vanaf die datum in het bezit van het definitieve Businessplan en een tekortkoming van AIH is niet komen vast te staan. Het bedrag van de tweede factuur van AIH was daarom opeisbaar. UMS is echter na die datum niet (binnen de overeengekomen termijn van 15 dagen) overgegaan tot volledige betaling van die tweede factuur.

4.10.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan de overige stellingen van AIH, waaronder dat UMS te laat heeft geklaagd.

4.11.
Nu de betwistingen en verweren van UMS geen stand houden, kan de vordering van AIH tot veroordeling van UMS tot betaling van € 156.894,- worden toegewezen.

Mocht UMS de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden?

4.12.
Het beroep van UMS op een toerekenbare tekortkoming van AIH in de nakoming van de overeenkomst slaagt niet, zodat haar beroep op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens de gestelde tekortkoming geen stand houdt.

Wettelijke handelsrente

4.13.
AIH vordert wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 BW vanaf 7 februari 2024, althans de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling. De rechtbank stelt vast dat AIH ter zitting heeft aangegeven dat zij de definitieve versie van het Businessplan op 21 mei 2024 heeft opgeleverd. De factuur mocht conform de overeenkomst vanaf “completion” toegezonden worden met een betalingstermijn van 15 dagen. De rechtbank zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf 5 juni 2024.

Buitengerechtelijke kosten

4.14.
AIH vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). AIH heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. AIH heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Op basis van het toegewezen bedrag zal een bedrag van € 2.343,94 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Beslagkosten

4.15.
AIH vordert UMS te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.200,76 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 2.051,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 2.051,00), totaal € 4.965,76.

Proceskosten

4.16.
UMS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AIH worden begroot op:

– kosten van de dagvaarding

122,35

– griffierecht

6.147,00

– salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

– nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.560,35

4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad?

4.18.
De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te

verklaren of daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden, zoals UMS

verzoekt. Dat UMS mogelijk hoger beroep zal instellen en dat de uitkomst daarvan mogelijk

anders zal zijn, oordeelt de rechtbank daarvoor onvoldoende.

5De beslissing
De rechtbank

5.1.
veroordeelt UMS om aan AIH te betalen een bedrag van € 156.894,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,

5.2.
veroordeelt UMS om aan AIH te betalen een bedrag van € 2.343,94 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.3.
veroordeelt UMS in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.965,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.4.
veroordeelt UMS in de proceskosten van € 10.560,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als UMS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.
veroordeelt UMS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

ECLI:NL:RBOBR:2026:2232

Scroll naar boven