Btw-correcties gehandhaafd: bewijslast nultarief, cacaoveegsel en carrouselfraude

Btw-correcties gehandhaafd: bewijslast nultarief, cacaoveegsel en carrouselfraude

A BV exploiteert een groothandelsonderneming en handelt onder meer in kikkererwten, hout, cacaoveegsel en Makita-gereedschap. Voor de handel in kikkererwten en hout heeft de onderneming het btw-nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast, terwijl voor het cacaoveegsel (achtergebleven cacaobonen in een scheepsruim) de verleggingsregeling voor afval werd gehanteerd. Naar aanleiding van informatie van de Portugese Belastingdienst en inzage in het strafrechtelijk onderzoek ‘Madagascar’ kwam de Belastingdienst tot de conclusie dat de onderneming bij de in- en verkoop van het Makita-gereedschap betrokken was bij btw-carrouselfraude via een zogeheten plof-bv. De Belastingdienst heeft vervolgens omvangrijke naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2018 en 2019 opgelegd, evenals een vergrijpboete.

De kern van het geschil is of de Belastingdienst de naheffingsaanslagen en de boete terecht heeft opgelegd. Ten eerste is de vraag of het nultarief voor de leveringen van hout en kikkererwten terecht is geweigerd. Ten tweede is in geschil of cacaoveegsel kwalificeert als ‘afval voor hergebruik’ in de zin van artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit, waardoor de verleggingsregeling van toepassing zou zijn. Ten slotte houdt partijen verdeeld of de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting voor de handel in het gereedschap mocht weigeren op grond van de stelling dat de ondernemer wist of had moeten weten van deelname aan een fraudeketen, en of de opgelegde vergrijpboete terecht is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de Belastingdienst op alle punten in het gelijk. Het nultarief is terecht geweigerd omdat de ondernemer, onder meer verwijzend naar HvJ Italmoda 18 december 2014, C-131/13, de materiële voorwaarden voor grensoverschrijdend vervoer niet met objectieve gegevens (zoals facturen en buitenlandse betalingen) kon aantonen. Ten aanzien van het cacaoveegsel benadrukt de rechtbank, in navolging van de strikte uitleg van de richtlijn in HvJ Promociones y Construcciones 13 juni 2013, C-125/12, dat de verleggingsregeling een uitzondering is die restrictief moet worden toegepast; cacaoveegsel valt niet onder de specifieke afvalcategorieën van de regeling. Wegens de btw-fraude weigerde de Belastingdienst de voorbelasting eveneens terecht. Op basis van onder andere HvJ Mahageben en David 21 juni 2012, C-80/11 en C-142/11 en HvJ PPUH Stehcemp 22 oktober 2015, C-277/14 concludeert de rechtbank dat de ondernemer door de ongebruikelijke marges en bestelroutes had moeten weten van de fraude en zelfs actief winstafspraken met de tussenschakel maakte. De vergrijpboete wegens (voorwaardelijk) opzet blijft in stand, maar wordt gematigd vanwege ‘undue delay’ (overschrijding van de redelijke termijn).

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2026
Datum publicatie
29-04-2026
Zaaknummer
BRE – 25 _ 4427 en 25 _ 4429
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de toepassing van het nultarief op leveringen van hout en kikkererwten terecht heeft geweigerd. De levering van cacaobonen die bij het laden en lossen van een andere – niet aan belanghebbende toebehorende – partij cacaobonen zijn overgebleven in het ruim van een schip (het cacaoveegsel) valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder de reikwijdte van artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit, zodat de verleggingsregeling niet van toepassing is op de levering van het cacaoveegsel. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende wist, althans had moeten weten, dat zij ter zake van de handel in Makita gereedschap deelnam aan een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting ter zake van deze leveringen terecht geweigerd en terecht een vergrijpboete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026042906
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 25/4427 en 25/4429

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 juli 2025.

1.1.
De inspecteur heeft over de tijdvakken gelegen in de perioden 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (2018) en 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (2019) naheffingsaanslagen omzetbelasting aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur boeten aan belanghebbende opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:

Zaaknr.

Jaar

Soort

Dagtekening

Aanslagnummer

Belasting

Boete

Rente

25/4427

2018

OB

27 oktober 2022

[aanslagnummer] .F.02.8502

€ 87.237

€ 10.368

€ 12.313

25/4429

2019

OB

27 oktober 2022

[aanslagnummer] .F.02.9501

€ 513.990

€ 242.924

€ 51.987

1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen. Het bezwaar tegen de belastingrentebeschikking is gesplitst in een deel dat valt onder de massaal bezwaarprocedure1 en een deel dat valt onder het reguliere proces.

1.3.
De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen verminderd, de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig verminderd, de boeten bij de naheffingsaanslag 2018 en de verzuimboete bij de naheffingsaanslag 2019 vernietigd, en de vergrijpboete bij de naheffingsaanslag OB 2019 verminderd. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:

Zaaknr.

Jaar

Soort

Dagtekening

Aanslagnummer

Belasting

Boete

Rente

25/4427

2018

OB

27 oktober 2022

[aanslagnummer] .F.02.8502

€ 77.056

€ 0

€ 10.876

25/4429

2019

OB

27 oktober 2022

[aanslagnummer] .F.02.9501

€ 505.747

€ 233.338

€ 51.153

1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [bestuurder belanghebbende] en de gemachtigde, en namens de inspecteur [inspecteur 1] MSc, mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen, de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 en de belastingrentebeschikkingen, zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen, de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 en de belastingrentebeschikkingen, zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd. De boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 moet nog wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten
3. Belanghebbende is een besloten vennootschap, gevestigd in Nederland. [bestuurder belanghebbende] is sinds 6 oktober 2017 via [B.V. 1] bestuurder en enig aandeelhouder van belanghebbende.

3.1.
De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel uit de exploitatie van een groothandelsonderneming.

3.2.
Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

3.3.
[bestuurder belanghebbende] dient namens belanghebbende onder meer de aangiften omzetbelasting en opgaven intracommunautaire prestaties in bij de Belastingdienst.

3.4.
In 2018 en 2019 bestond de in- en verkoop hoofdzakelijk uit kikkererwten, hout, cacao sweepings en Makita gereedschap. Belanghebbende heeft in 2018 en 2019 de leveringen van de kikkererwten en het hout aangemerkt als intracommunautaire levering. Op de leveringen van de cacao sweepings heeft belanghebbende een verleggingsregeling2 toegepast.

3.5.
De inspecteur heeft op 20 augustus 2019 in het kader van spontane gegevensuitwisseling van de Portugese belastingautoriteit informatie ontvangen over een mogelijk frauduleuze transactie waar belanghebbende bij zou zijn betrokken. Naar aanleiding van deze informatie heeft de inspecteur een boekenonderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van (onder meer) de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019.

3.6.
Gedurende het boekenonderzoek heeft de inspecteur verschillende derdenonderzoeken gedaan.

3.7.
Op 21 april 2020 heeft de inspecteur op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de Officier van Justitie om gegevens uit het strafrechtdossier betreffende belanghebbende verzocht. De naam van het strafrechtelijk onderzoek is Madagascar. Gedurende het strafrechtelijk onderzoek ontstond de verdenking dat de heer [bestuurder belanghebbende] en belanghebbende een belangrijke schakel zijn in een keten van ondernemers die zich bezighouden met het plegen van OB (carrousel)fraude.

3.8.
De inspecteur heeft bij de FIOD inzage gehad in het strafrechtdossier en ook een groot aantal stukken uit het strafrechtdossier ontvangen.

3.9.
De inspecteur heeft op grond van artikel 55 van de AWR ook aan de rechtbank Oost-Brabant verzocht om een afschrift te verstrekken van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2021 in de strafzaak tegen [persoon 1] , [parketnummer] . De rechtbank Oost-Brabant heeft een afschrift van het vonnis verstrekt aan de inspecteur. De rechtbank Oost-Brabant heeft [persoon 1] veroordeeld vanwege het feitelijk leiding gegeven aan het door [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ) laten doen van valse aangiften voor de omzetbelasting. In het vonnis staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“U toont mij de documenten DOC-004 tot en met DOC-066, door [B.V. 2] uitgeschreven

verkoopfacturen over het 1e en 2e kwartaal 2019. Ik ben op enig moment benaderd door (…) uit [plaats 3] . Dat is een commissionair. (…) zei tegen mij dat hij een handel in Makita gereedschap kon opzetten en hij zocht een bedrijf dat gereedschappen kon bestellen en factureren en dat was mijn [B.V. 2] . Daar hebben deze facturen betrekking op. Er zat een winstmarge van 8% op zo zei (…) tegen mij. De verdeling was ieder 4%. De zaken liepen via Makita Engeland waarvoor ik destijds een intentieverklaring heb getekend. Zij konden dan controleren of [B.V. 2] capabel is of was om aan te leveren. Denk hierbij aan controle van BTW nummer, verder werden er geen specifieke eisen gesteld. Mijn bestellingen liepen niet rechtstreeks via Makita, maar via twee bedrijven namelijk, (…) en (…). Ik moest de goederen aan [belanghebbende] leveren, dat was de afspraak met (…). De praktijk was dat (…) de bestelling plaatste bij een van de twee voornoemde bedrijven. Na de bestelling kwam de factuur vanuit Engeland naar [B.V. 2] waarna [B.V. 2] doorfactureerde naar [belanghebbende] . [belanghebbende] betaalt [B.V. 2] . [B.V. 2] betaalt een van de partijen in Engeland en de goederen werden rechtstreeks vanuit Engeland geleverd bij de [belanghebbende] .

(…)

Het zat zo in mekaar: [belanghebbende] en (…) bestelde goederen in mijn naam voor een bedrag

inclusief de BTW min de 8%. Dan kwam de rekening naar [B.V. 2] en ik factureerde door naar [belanghebbende] . Vervolgens betaalde [belanghebbende] deze factuur en [B.V. 2] rekende af met de

Engelsen.”

3.10.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

3.10.1. “2.5
“2.5 Handel in Makita gereedschap

(…)

Uiteindelijk werd in eerste instantie door [bestuurder belanghebbende] tweemaal rechtstreeks bij [bedrijf 5] in Engeland ingekocht met de factuurdatums 25 januari 2019 en 13 februari 2019 van beide € 26.802, dus totaal € 53.604. De factuur was in Engelse ponden. Bij beide facturen betrof het 50 stuks Makita DLX6072PT 18v (is gereedschap combi set) á £ 470,25. Dit bleven de enige twee rechtstreekse transacties waarbij de heer [bestuurder belanghebbende] aangaf dat zijn inkoopprijs te hoog was om ook te kunnen verkopen.

Enkele dagen later kwam [persoon 2] met een nieuw voorstel naar de heer [bestuurder belanghebbende] . De [belanghebbende] B.V. zou Makita gereedschap gaan inkopen bij [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ) met als directeur [persoon 1] . De heer [bestuurder belanghebbende] gaf aan dat [persoon 1] voor een betere prijs gereedschap kon inkopen. Hierna zijn eerst 1 à 2 transacties geprobeerd dat wil zeggen inkoop bij [B.V. 2] en doorverkoop aan [B.V. 4] B.V. Naderhand werd een afname/agency overeenkomst voor een half jaar aangegaan met [B.V. 2] met betrekking tot de afname van Makita gereedschap.

(Uit het [B.V. 2] -vonnis blijkt dat [persoon 1] aangaf dat hij op een gegeven moment werd benaderd door een zekere [persoon 2] uit [plaats 3] . Een commissionair die aangaf dat hij een handel in Makita gereedschap kon opzetten en hij een bedrijf zocht dat gereedschappen kon leveren en factureren).

De onderlinge handel tussen [B.V. 2] en De [belanghebbende] B.V. start begin 2019 met plotseling grote aantallen en transacties waarbij De [belanghebbende] B.V. nagenoeg alles inkoopt bij [B.V. 2] (ploffer) en 99% hiervan door levert aan [B.V. 4] In de periode januari-september 2019 voor een bedrag van 2,5 miljoen euro, voorheen was er nimmer handel in Makita. Ten tijde van het boekenonderzoek werd dit al minder en de handel was in december 2019 weer nagenoeg nihil.

(…)

Uit de verkregen inkoopfacturen van De [belanghebbende] BV en de verstrekte handmatige overzichten van waaruit de aangiften omzetbelasting worden gedaan blijken de volgende gegevens ten aanzien van de inkopen en de voorbelasting:

Jaar 2019

excl. Btw

btw

incl. Btw

1e kw

321.727,0

67.562,7

389.289,7

2e kw

983.803,5

206.598,7

1.190.402,2

3e kw

964.360,0

202.515,6

1.166.875,6

2.269.890,5

476.677,0

2.746.567,5

3.10.2.
En:

“2.8 In- en verkoop hout, verkoop tegen 0%

(…)

Gang van zaken: het betreffende hout werd per vrachtschip middels containers verscheept naar Antwerpen. Mede door de moesson werd het hout pas recentelijk (in juli 2019) ontvangen (3 shipments). De inkoopfactuur werd toen ook pas ontvangen maar was bij aanvang van dit boekenonderzoek nog niet ingeboekt. Uit de overige documenten (bill of lading, vervoersdocumenten et cetera blijkt dat goederen daadwerkelijk zijn vervoerd met Maersk en middels MCS (container dienstverlener) van Ecuador naar Antwerpen en uiteindelijk via een expediteur in Breda ingeklaard.

De werkwijze bij aankomst in Antwerpen is als volgt: bij aankomst worden de goederen gecontroleerd, in gescand en geverifieerd door de douane. Middels een zogenaamd T1 transit document werden de goederen naar een douane-entrepot vervoerd in Breda. Doordat De [belanghebbende] B.V. geen eigen opslagruimte heeft, zijn de goederen een tijdje opgeslagen bij de transporteur [transporteur] . De goederen werden geleverd CIF Antwerpen, wat inhoudt dat de kosten vanaf de kade van de haven van Antwerpen voor rekening zijn voor De [belanghebbende] B.V. Pas na betaling worden de goederen vrijgegeven. Vaak moeten de goederen overigens ook nog naar de Nederlandse douane op de Maasvlakte en worden ze nog een keer gescand.

(…)

De heer [bestuurder belanghebbende] gaf aan dat het betreffende hout op dat moment al was verkocht.

Middels pro forma facturen werden onderstaande bedragen per bank ontvangen:

datum

incl. btw

btw

excl. Btw

bedrijf

omschrijving

3-8-2018

57.500

9.973

(…)

[bedrijf 1] LT

(…)

16-8-2018

38.448

6.673

(…)

[bedrijf 1] LT

(…)

31-8-2018

14.714

2.554

(…)

[bedrijf 1] LT

(…)

31-8-2018

10.878

1.888

(…)

[bedrijf 1] LT

(…)

7-9-2018

31.952

5.545

(…)

[bedrijf 2]

(…)

26-9-2018

20.000

3.471

(…)

[bedrijf 3]

(…)

27-9-2018

20.000

3.471

(…)

[bedrijf 3]

(…)

1-10-2018

17.000

2.950

(…)

[bedrijf 3]

(…)

4-10-2018

3.000

521

(…)

[bedrijf 3]

(…)

15-10-2018

100

17

(…)

[bedrijf 3]

(…)

7-11-2018

28.800

4.998

(…)

[bedrijf 4] LDA

(…)

7-11-2018

56.600

9.823

(…)

[bedrijf 4] LDA

(…)

14-11-2018

57.600

9.997

(…)

[bedrijf 4] LDA

(…)

15-11-2018

1.000

174

(…)

[bedrijf 4] LDA

(…)

22-11-2018

86.400

14.995

(…)

[bedrijf 4] LDA

(…)

Totaal

443.992

77.057

(…)

– Van deze per bank betalende partijen zijn nagenoeg géén gegevens bekend, geen contactgegevens, geen offertes of bevestigingen. Alleen pro forma invoices.

– De gegevens van de veelal buitenlandse kopende partijen zijn gecontroleerd in het VIES systeem. Hieruit kwam naar voren dat alle ondernemingen voor slechts een beperkte periode een geregistreerd btw-nummer hebben gehad maar alle beëindigd zijn

– [bedrijf 4] (Portugal): btw-id geldig van 6-2-2019 tot 13-5-2019

– [bedrijf 3] ( [kenmerk 1] ): btw-id geldig van 26-2-2008 tot 29-6-2020

– [bedrijf 2] Ltd ( [kenmerk 2] ): btw-id geldig van 1-6-15 tot 24-1-18.

– [bedrijf 1] LTD ( [kenmerk 3] ): btw-id geldig van 8-10-2015 tot 24-1-2019.

(…)

– De heer [bestuurder belanghebbende] verklaart dat het hout EXW (=de verkoper maakt de goederen beschikbaar) is verkocht aan deze bedrijven. Hij gaf aan dat De [belanghebbende] B.V. conform deze leveringsvoorwaarden het hout aan de kopers ter beschikking hebben gesteld in een magazijn in [plaats 2] gelegen aan de [adres] . De heer [bestuurder belanghebbende] geeft aan dat onder overlegging van de factuur en een ophaalreferentienummer aan de magazijnmedewerker(s) van de eigenaar of exploitant van het magazijn, de kopers het hout:

– zelf opgehaald hebben,

– zelf geladen hebben,

– zelf transport geregeld en betaald of met eigen vervoer vervoerd hebben én

– zelf voorzien in alle formaliteiten voor levering en vervoer buiten Nederland.

De heer [bestuurder belanghebbende] gaf aan dat naar zijn informatie de goederen van de desbetreffende bedrijven niet buiten Europa zijn vervoerd.

– De heer [bestuurder belanghebbende] verklaart dat alle bedrijven het door hen betaalde hout opgehaald hebben. Alleen [bedrijf 4] heeft een deel niet opgehaald. Het gedeelte dat niet is

opgehaald is niet terugbetaald aan [bedrijf 4] ”

3.10.3.
En:

“Totale correctie omzetbelasting:

Na te heffen omzetbelasting

Jaar 2018

Jaar 2019

Makita gereedschap

0

476.677

[B.V. 3] transacties

10.180

2.138

Cacao transacties

0

35.175

Hout transacties

77.057

0

Totale naheffing

87.237

513.990

3.11.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen omzetbelasting (zie 1.1) conform zijn bevindingen in het controlerapport vastgesteld. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur boeten aan belanghebbende opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

3.12.
Belanghebbende heeft tijdens het hoorgesprek in de bezwaarfase onder meer verklaard dat het op 7 september 2018 van [bedrijf 2] Ltd. ontvangen bedrag van € 31.952 (zie 3.10.2) betrekking heeft op de levering van kikkererwten. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de correctie van de voorbelasting op de transacties met [B.V. 3] teruggedraaid, de correctie op de leveringen van het cacaoveegsel verminderd tot € 29.070 en de correctie van het nultarief op de leveringen van hout (en kikkererwten) verminderd tot € 77.056 (zie 3.10.3). Verder heeft de inspecteur de boeten bij de naheffingsaanslag 2018 en de verzuimboete bij de naheffingsaanslag 2019 vernietigd. De vergrijpboete bij de naheffingsaanslag OB 2019 heeft de inspecteur verminderd tot 50% van de nageheven omzetbelasting in verband met de correctie Makita gereedschap, verminderd met € 5.000 in verband met undue delay.

Motivering
Naheffingsaanslag OB 2018

4. Het geschil over de naheffingsaanslag OB 2018 ziet in beroep alleen op de correctie van het nultarief op de leveringen van hout en kikkererwten voor een bedrag van in totaal € 77.056 (zie 3.10.2, 3.10.3 en 3.12). De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de toepassing van nultarief op deze leveringen terecht heeft geweigerd.

4.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet OB in samenhang bezien met post a.6, van de bij de Wet OB horende Tabel II, bedraagt de belasting nihil (het nultarief) voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het nultarief in beginsel niet mag worden geweigerd indien de materiële voorwaarden zijn vervuld.

4.2.
Op het uitgangspunt dat bij voldoening aan de materiële voorwaarden het nultarief niet mag worden geweigerd, bestaan twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is dat als gevolg van het niet voldoen aan de formele voorwaarden voor toepassing van het nultarief, niet kan worden gecontroleerd of aan de materiële voorwaarden is voldaan. De tweede uitzondering is dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij deelnam aan een keten waarin BTW-fraude werd gepleegd.3

4.3.
Op de verkoper rust de verplichting aannemelijk te maken dat het nultarief terecht is toegepast. Deze bewijslast is tweeledig. Enerzijds dient de verkoper aannemelijk te maken dat de goederen in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd. Anderzijds dient hij aannemelijk te maken dat de goederen in die andere lidstaat zijn ontvangen door een (rechts)persoon die in dat kader belasting ter zake van een intracommunautaire verwerving verschuldigd is en dat deze (rechts)persoon beschikte over een geldig BTW-nummer.

4.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met haar boeken en bescheiden4 niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hout en de kikkererwten in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd. De facturen, de zogenoemde deliverynotes en betalingen vanaf een buitenlandse bankrekening zijn daartoe onvoldoende.

4.4.1.
Op de facturen aan [bedrijf 1] Ltd ter zake van de leveringen van hout staat de Incoterm CIF (Cost, Insurance and Freight) vermeld, hetgeen inhoudt dat de verkoper verantwoordelijk is voor de kosten, verzekering en vracht van de goederen tot aan de overeengekomen haven van bestemming. De verkoper regelt het transport en de verzekering, en de koper neemt het risico over zodra de goederen aan boord van het schip zijn in de haven van vertrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de enkele vermelding van een Incoterms-regel op de factuur en de ontvangst van een betaling van een buitenlandse bankrekening niet aannemelijk gemaakt dat de goederen daadwerkelijk naar het buitenland zijn vervoerd.

4.4.2.
Op de factuur aan [bedrijf 1] Ltd. van € 31.952,04 ter zake van een levering kikkererwten staat geen Incoterms-regel vermeld. Deze factuur is weliswaar betaald vanaf de buitenlandse bankrekening van [bedrijf 2] Ltd., maar daaruit blijkt niet dat de goederen ook naar het buitenland zijn vervoerd.

4.4.3.
Op de definitieve facturen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] Unipessoal LDA is de Incoterms-regel EX Works (EXW) vermeld, hetgeen inhoudt dat de goederen in Nederland door de afnemer worden afgehaald. Op de proforma facturen (die volgens belanghebbende dienen als offerte, betaalverzoek, orderconfirmatie en -omschrijving en leveringsvoorwaarden) aan [bedrijf 3] staat de Incoterm CIF vermeld. Uit de deliverynotes blijkt het feitelijke vervoer en de feitelijke ontvangst in een andere lidstaat niet. De deliverynotes zijn opgesteld op het briefpapier van belanghebbende en niet ondertekend door de afnemer of een vervoerder. Uit de vermelding van een adres in een andere lidstaat en de Incoterms op de facturen en de betalingen vanaf een buitenlandse bankrekening kan niet worden afgeleid dat sprake is van een afnemer in een andere lidstaat waarnaar de goederen in het kader van de levering ook daadwerkelijk zijn vervoerd.

4.5.
Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het hout en de kikkererwten in een andere lidstaat zijn afgenomen door een (rechts)persoon die in dat kader belasting ter zake van een intracommunautaire verwerving verschuldigd is. Belanghebbende heeft in dat verband geen dan wel onvoldoende gemotiveerde stellingen betrokken.

4.6.
Gelet op het vorenstaande luidt de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief op de leveringen van hout en kikkererwten. Dat betekent dat de naheffingsaanslag OB 2018, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, in stand blijft.

Naheffingsaanslag OB 2019

5. Het geschil over de naheffingsaanslag OB 2019 ziet in beroep alleen nog op de toepassing van de verleggingsregeling op de levering van cacaoveegsel (€ 35.175) en op de correctie van de voorbelasting ter zake van het Makita gereedschap (€ 476.677). De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de toepassing van de verleggingsregeling terecht heeft geweigerd en of de inspecteur de voorbelasting terecht heeft gecorrigeerd.

Cacaoveegsel

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om de levering van cacaobonen die bij het laden en lossen van een andere – niet aan belanghebbende toebehorende – partij cacaobonen zijn overgebleven in het ruim van een schip (het cacaoveegsel). Wat partijen verdeeld houdt is of de levering van dit product onder de reikwijdte van artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit valt, als gevolg waarvan de verleggingsregeling van toepassing is en de verplichting om voor deze leveringen de verschuldigde btw te voldoen niet op belanghebbende zelf rust, maar op degene aan wie de leveringen zijn verricht.

5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Nederland heeft gebruik gemaakt van de in artikel 199 van de Btw-richtlijn5 aan de lidstaten geboden mogelijkheid een verleggingsregeling in te voeren. Artikel 12 van de Wet OB luidt voor zover relevant:

“1 De belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht.

(…)

5 In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen wordt onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen de belasting, ten einde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen, geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend.”

5.3.
De in artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB bedoelde aanwijzing van gevallen heeft plaatsgevonden in artikel 24b, vijfde lid, artikel 24ba en artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit. Voor deze zaak is alleen deze laatste bepaling relevant, die als volgt luidt:

“1. Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet, worden tevens aangewezen de gevallen waarin sprake is van de levering aan een ondernemer van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en van bepaalde goederen en diensten, voorzover het betreft:

de levering van resten en afval van ferro- en non-ferroproducten en oude materialen, halffabrikaten daaronder begrepen, die het resultaat zijn van het verwerken, vervaardigen of smelten van ferro- en non-ferrometalen of legeringen daarvan;

de levering van ferro- en non-ferrohalffabrikaten en daarmee samenhangende verwerkingsdiensten;

de levering van residuen en andere materialen voor hergebruik bestaande uit ferro- en non-ferrometalen, legeringen daarvan, slakken, assen, bladders en industriële residuen die metalen of legeringen daarvan bevatten, alsmede de diensten bestaande in het scheiden, snijden, fragmenteren en samenpersen van deze producten;

e levering van en verwerkingsdiensten met betrekking tot afval van ferro- en non-ferroproducten alsmede snippers, schroot, resten en afval, en oud materiaal en materiaal voor hergebruik bestaande uit glasscherven en glas, papier en karton, lompen, beenderen, leder, kunstleder, perkament, huiden en vellen, pezen en zenen, bindgaren, touw en kabel, rubber en kunststof;

de levering van de in dit lid genoemde materialen na bewerking in de vorm van reinigen, polijsten, scheiden, snijden, fragmenteren, samenpersen of gieten tot ingots;

de levering van resten en afval dat ontstaat bij de bewerking van grondstoffen.”

5.4.
Belanghebbende stelt dat de verleggingsregeling van toepassing is reeds omdat sprake is van afval voor hergebruik. Het cacao veegsel kan niet op dezelfde manier worden verkocht als de rest van de inhoud van de zakken. Het residu dat in het ruim van een schip achterblijft is afval. Het wordt rechtstreeks verkocht en de afnemer maakt het dan gereed voor hergebruik.

5.5.
Volgens de inspecteur worden de cacaobonen in dezelfde staat waarin ze zijn aangetroffen verhandeld en hergebruikt. Daarom voldoet het product niet aan een van de categorieën in artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit. Het product ontstaat niet bij verwerking van een grondstof, maar bij het overladen ervan. Het is een secundair product, maar het blijft een cacaoboon.

5.6.
De rechtbank volgt het standpunt van belanghebbende niet. De zinsnede “voor zover het betreft” aan het slot van het eerste lid van artikel 24bb impliceert dat slechts die leveringen onder de regeling vallen die zien op (onder meer) afval voor hergebruik dat kan worden gerangschikt onder de in onderdelen a tot en met f genoemde categorieën. Deze taalkundige uitleg vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de bewoordingen van artikel 199, eerste lid, onderdeel d, van de Btw-richtlijn. Ook strookt deze uitleg volgens de rechtbank met de doelstelling van de verleggingsregeling, die ertoe strekt regelgeving te vereenvoudigen en belastingfraude en -ontwijking te bestrijden6. De verleggingsregeling heeft betrekking op prestaties in economische sectoren die zeer moeilijk te controleren zijn gebleken, bijvoorbeeld vanwege de aard of de structuur van de bedrijfstak.7 Een uitleg waarbij de regeling van toepassing zou zijn op alle soorten afval of restanten, zou de reikwijdte daarvan aanzienlijk verruimen en daarmee verder gaan dan met die doelstelling is beoogd. Een dergelijke ruime uitleg past niet binnen de context van de regeling, die een uitzondering vormt op het in artikel 193 van de Btw-richtlijn neergelegde beginsel dat de btw is verschuldigd door de belastingplichtige die de belastbare prestatie en daarom strikt moet worden uitgelegd8.

5.7.
Gelet op het voorgaande is dus beslissend of het cacaoveegsel kan worden gerangschikt onder de in onderdelen a tot en met f van artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit genoemde categorieën. De rechtbank begrijpt dat sprake is van cacaobonen die na reiniging door de afnemer alsnog worden gebruikt voor de productie van chocola. Het cacaoveegsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gerangschikt onder de in onderdelen a tot en met f van artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit genoemde categorieën.

5.8.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat hij de verleggingsregeling heeft toegepast nadat hij van een medewerker van de Belastingtelefoon had gehoord dat de verleggingsregeling van toepassing is op de levering van het cacaoveegsel. De inspecteur heeft dit betwist.

5.9.
Naar de rechtbank begrijpt, doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat door een medewerker van de Belastingtelefoon het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat de verleggingsregeling van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daarin niet geslaagd. Belanghebbende heeft, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de Belastingtelefoon toezeggingen heeft gedaan of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De enkele stelling van belanghebbende is daartoe onvoldoende. De rechtbank concludeert dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

5.10.
Het voorgaande betekent dat de verleggingsregeling niet kan worden toegepast op de levering van het cacaoveegsel en dat belanghebbende de ter zake van die leveringen verschuldigde btw dient te voldoen. Voor dat geval is niet in geschil dat de correctie van € 35.175 door de inspecteur terecht is aangebracht. De rechtbank laat de naheffingsaanslag OB 2019 in zoverre dan ook in stand.

Aftrek van voorbelasting

5.11.
Op basis van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB kan een ondernemer de aan hem door een ondernemer op een voorgeschreven factuur in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen. Op de ondernemer rust de last om aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. In beginsel kan hij hierbij volstaan met het overleggen van de desbetreffende facturen.

5.12.
Indien aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat een ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen en/of diensten, moet die aanspraak worden geweigerd.9

5.13.
Of een belastingplichtige had moeten weten dat de door hem verrichte transactie deel uitmaakte van een keten van transacties waarin fraude werd gepleegd, hangt volgens het Unierecht onder meer af van het antwoord op de vraag of de belastingplichtige voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

5.14.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie10 volgt dat marktdeelnemers die alles doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hun handelingen geen onderdeel vormen van een fraudeketen moeten kunnen vertrouwen op de rechtmatigheid van deze handelingen zonder het risico te lopen hun recht op aftrek van voorbelasting te verliezen, en dat het voornamelijk van de omstandigheden van het concrete geval afhangt welke maatregelen in een bepaald geval redelijkerwijs kunnen worden verlangd van een belastingplichtige.

5.15.
De bewijslast dat sprake is van een keten waarin btw-fraude is gepleegd en dat belanghebbende wist of had moeten weten dat zij deelnam aan deze keten rust op de inspecteur. De inspecteur stelt dat de leveringen van Makita gereedschap alle kenmerken van btw-fraude vertonen. Daarbij wijst de inspecteur onder meer op het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2021 in de strafzaak tegen [persoon 1] (zie 3.9) en de bevindingen uit het controlerapport (zie 3.10.1). De inspecteur stelt dat [bestuurder belanghebbende] wist of had moeten weten dat belanghebbende deelnam aan een keten waarin btw-fraude wordt gepleegd en stelt dat deze wetenschap van [bestuurder belanghebbende] aan belanghebbende moet worden toegerekend.

5.16.
De rechtbank acht de inspecteur erin geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van fraude in de keten. Uit de stukken, in het bijzonder het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2021 in de strafzaak tegen [persoon 1] , komt naar voren dat [B.V. 2] het Makita gereedschap bij een partij in het Verenigd Koninkrijk heeft ingekocht, maar de intracommunautaire verwerving niet heeft aangegeven in Nederland en de aan haar gefactureerde omzetbelasting ook niet op aangifte heeft voldaan. [B.V. 2] heeft het Makita gereedschap vervolgens verder verhandeld aan onder meer belanghebbende tegen een prijs die lager ligt dan de inkoopprijs. De omzetbelasting die verschuldigd is op de levering aan onder meer belanghebbende wordt door [B.V. 2] niet op aangifte voldaan. Daardoor is [B.V. 2] , ondanks het hanteren van lagere verkoopprijzen, toch in staat om een (beperkte) marge te realiseren. Deze gang van zaken vormt naar het oordeel van de rechtbank btw-fraude.

5.17.
De rechtbank acht de inspecteur ook erin geslaagd om aannemelijk te maken belanghebbende wist of had moeten weten dat zij deelnam aan een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. Uit de stukken volgt dat [bestuurder belanghebbende] al vóór de tussenschakeling van [B.V. 2] rechtstreeks contact had met de leverancier in het Verenigd Koninkrijk en zelf ook rechtstreeks een bestelling bij die leverancier heeft geplaatst. Hij wist dus dat belanghebbende door tussenkomst van [B.V. 2] een significant lagere inkoopprijs betaalde dan zonder die tussenschakel mogelijk was. Ook wist hij of had hij moeten weten dat [B.V. 2] binnen de keten geen reële economische of financiële functie vervulde, omdat de goederen rechtstreeks vanuit het Verenigd Koninkrijk bij belanghebbende werden afgeleverd, dat [B.V. 2] geen rol speelde in het vervoer en dat [B.V. 2] in feite slechts als doorgeefluik in de factuur- en betalingsstroom fungeerde. Onder deze omstandigheden moest het voor [bestuurder belanghebbende] duidelijk zijn dat de lagere prijzen bij [B.V. 2] niet konden voortvloeien uit normale marktwerking, maar samenhingen met het niet voldoen van omzetbelasting. [bestuurder belanghebbende] heeft ondanks deze omstandigheden niet alles gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden om te zorgen dat belanghebbende geen onderdeel vormt van een fraudeketen. Integendeel, uit het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant volgt juist dat [bestuurder belanghebbende] met [B.V. 2] afspraken heeft gemaakt over de verdeling van de winstmarge die door [B.V. 2] werd behaald en dus actief deelnam aan de fraudeketen. Nu [bestuurder belanghebbende] enig bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende is, kan zijn wetenschap naar het oordeel van de rechtbank worden toegerekend aan belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende wist, althans had moeten weten, dat zij deelnam aan een keten waarin btw-fraude werd gepleegd.

5.18.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur terecht het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de leveringen van Makita gereedschap heeft gecorrigeerd. De rechtbank laat de naheffingsaanslag OB 2019 daarom ook in zoverre in stand.

Boete

6. De inspecteur heeft aan belanghebbende bij de naheffingsaanslag OB 2019 een vergrijpboete11 opgelegd van 50% van de nageheven belasting als gevolg van de correcties van het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de levering van Makita gereedschap over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2019. Volgens de inspecteur is het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan.

6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.12 De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan.

6.2.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

6.3.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de inspecteur het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de levering van Makita gereedschap terecht heeft gecorrigeerd (zie 5.18). Dat betekent dat belanghebbende over het eerste, tweede en derde tijdvak van 2019 te weinig belasting op aangifte heeft voldaan.

6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er ook in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat over het eerste, tweede en derde tijdvak van 2019 te weinig belasting op aangifte is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank wist [bestuurder belanghebbende] , althans had hij moeten weten, dat belanghebbende deelnam aan een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. Deze wetenschap kan naar het oordeel van de rechtbank aan belanghebbende worden toegerekend. De rechtbank verwijst in dat verband naar (haar beoordeling van) de door de inspecteur gestelde feiten (zie 5.17). De rechtbank acht de inspecteur ook binnen het bewijskader dat geldt voor een boete geslaagd in het bewijs dat belanghebbende deze wetenschap had en dat deze kan worden toegerekend. Door niettemin aftrek van voorbelasting te claimen ter zake van de leveringen van het Makita gereedschap, heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er te weinig belasting op aangifte zou worden voldaan. Dat betekent dat de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 terecht aan belanghebbende is opgelegd.

6.5.
De rechtbank acht, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, een boete van € 233.338 passend en geboden. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 26 augustus 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 21 april 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en acht maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en acht maanden.13 De boete wordt daarom als uitgangspunt gematigd met 15%. Omdat de matiging in dat geval meer bedraagt dan € 10.000, wordt de matiging gemaximeerd op € 10.000.14 Nu de inspecteur de boete bij uitspraak op bezwaar reeds met € 5.000 heeft verminderd in verband met undue delay, zal de rechtbank de boete verder matigen met € 5.000. Dat betekent dat de rechtbank de boete vermindert tot € 228.338.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting en de belastingrentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraken op bezwaar, in stand blijven. De boete wordt in verband met ‘undue delay’ verminderd tot € 228.338.15

7.1.
Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing
De rechtbank:


verklaart de beroepen ongegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019;


vermindert de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 tot € 228.338.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en prof. dr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzitter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.16

Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

1 Op basis van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 april 2025, nr. 2025-96279, Stcrt. 2025, 15207.

2 Artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB jo. artikel 24bb van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (het Uitvoeringsbesluit).

3 HvJ EU 18 december 2014, [vof] e.a., gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13, ECLI:EU:C:2014:2455; zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5911.

4 In de zin van artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

5 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn).

6 Zie overweging 42 van de considerans van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, Pb. 2018, L 150, p. 109; en COM(2005) 89 def, p. 3-4; en HvJ 26 april 2017, [naam 1] , C-564/15, ECLI:EU:C:2017:302, punt 24; HvJ 26 mei 2016, [naam 2] , C-550/14, ECLI:EU:C:2016:354, punt 40; HvJ 13 juni 2013, [naam 3] BJ 200, C-125/12, ECLI:EU:C:2013:392, punten 25 en 28.

7 COM(2005) 89 def, p. 8-9.

8 In overeenstemming met HvJ 13 juni 2013, [naam 3] BJ 200, C-125/12, ECLI:EU:C:2013:392, punt 31.

9 HvJ EU 18 december 2014, gevoegde zaken C131/13, C163/13 en C164/13, [naam 4] , ECLI:EU:C:2014:2455, Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:442 en Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51.

10 HvJ 21 juni 2012, [naam 5] , C80/11 en C142/11, ECLI:EU:C:2012:373, punten 53 en 59 en HvJ 22 oktober 2015, [naam 6] , C277/14, ECLI:EU:C:2015:719, punt 51.

11 Op basis van artikel 67f van de AWR en de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

12 Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.

13 Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.

14 Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

15 Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).

16 Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.

ECLI:NL:RBZWB:2026:3243

Scroll naar boven