Btw-vrijstelling van toepassing op verhuur van squash- en padelbanen

Btw-vrijstelling van toepassing op verhuur van squash- en padelbanen

Rechtbank Den Haag heeft 2 uitspraken gedaan over de kwalificatie van de verhuur van squash- en padelbanen voor de btw. In beide zaken gaat het om de vraag of deze verhuur moet worden belast tegen het verlaagde btw-tarief van 9% als sportbeoefening, of dat er sprake is van een vrijgestelde verhuur van onroerend goed.

Eisers exploiteren diverse squash- en padelcentra, waarbinnen tevens horeca is gevestigd. Particuliere sporters kunnen via een online systeem een squash- of padelbaan voor een bepaalde tijdsduur huren, waardoor zij het exclusieve gebruiksrecht voor die specifieke baan verkrijgen. Buiten het horecapersoneel is er geen personeel direct bij de banen aanwezig en er wordt geen actief toezicht gehouden op de sportbeoefening. Verder maken sporters uitsluitend gebruik van de banen en passieve faciliteiten zoals kleed- en doucheruimten en toiletten. De Belastingdienst en eisers hadden een vaststellingsovereenkomst gesloten om (in afwachting van een rechterlijke uitspraak) voorlopig 9% omzetbelasting af te dragen, hoewel eisers meenden dat een volledige btw-vrijstelling van toepassing was.

In geschil is de vraag of de verhuur van squash- en padelbanen aan particulieren moet worden aangemerkt als het ‘gelegenheid geven tot sportbeoefening’ in de zin van Tabel I, post b.3, van de Wet OB, waarvoor het verlaagde btw-tarief van 9% geldt. Subsidiair is de vraag of er sprake is van de btw-vrijgestelde verhuur van onroerende zaken op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OB. De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat er sprake was van een 9%-tarief, omdat sporters naast de baan ook aanvullende diensten afnemen, zoals het gebruik van de aanwezige sanitaire voorzieningen en de horeca, waardoor de prestatie de ‘kale’ verhuur van onroerend goed zou overstijgen.

Rechtbank Den Haag oordeelt in het voordeel van eisers en stelt vast dat er sprake is van btw-vrijgestelde verhuur van onroerend goed. De rechtbank verwijst hierbij nadrukkelijk naar jurisprudentie van het HvJ, in het bijzonder de arresten Stockholm Lindöpark (HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34) en Régie communale autonome du stade Luc Varenne (HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29). Uit deze jurisprudentie volgt dat het wezenlijke kenmerk van verhuur van onroerend goed is dat aan een huurder tegen een vergoeding het exclusieve recht wordt verleend om het goed voor een overeengekomen tijdsduur te gebruiken en anderen daarvan uit te sluiten. Volgens de rechtbank verkrijgt de particuliere sporter precies dit exclusieve recht. De aanwezigheid van toiletten, douches en de mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen een horecamedewerker aan te spreken, maken niet dat er meer plaatsvindt dan de passieve terbeschikkingstelling van een baan.

RechtbankRechtbank

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2026
Datum publicatie
28-04-2026
Zaaknummer
AWB – 25 _ 4423
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
OB gelegenheid geven tot sportbeoefening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026042901
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 25/4423

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., c.s., gevestigd te Hillegom, eiseres

(gemachtigde: H. van den Berg),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting over de maand juni 2024.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.

Namens eiseres zijn, naast haar gemachtigde, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (ter bijstand) verschenen.

Namens verweerder zijn mr. [naam 5] en [naam 6] verschenen.

Bij het onderzoek ter zitting is gelijktijdig met onderhavige zaak het beroep met zaaknummer SGR 25/4427 behandeld.

Overwegingen
Feiten

1. Eiseres is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). De fiscale eenheid bestaat uit de vennootschappen: [BV 1] BV, [BV 2] BV, [BV 3] BV, [BV 4] BV, [BV 5] BV, [BV 6] BV, [BV 7] BV, [BV 8] BV, [BV 9] BV en [BV 10] BV.

2. Eiseres exploiteert squash- en padelcentra. In deze centra is ook altijd een horecagelegenheid gevestigd. Sporters kunnen voor een bepaalde tijdsduur, tegen een bepaald tarief per tijdseenheid of op basis van een abonnement een squash- of padelbaan huren.

3. Naast de exploitatie van squash- en padelcentra wordt binnen de fiscale eenheid onderling vastgoed verhuurd en wordt in [plaats] een onroerende zaak aan een kinderopvangorganisatie verhuurd.

4. Verder verricht eiseres de volgende diensten: het exploiteren van de horecavoorzieningen, het geven van squash- en padellessen, het bespannen van rackets, de verkoop van sportartikelen en kleding, reclame/sponsoring van bedrijven, onderhoudswerkzaamheden, advieswerkzaamheden, het in rekening brengen van administratiekosten, verhuur van ruimten aan onder andere een logistiek bedrijf en een masseur. Tussen partijen is niet in geschil dat de hiervoor genoemde activiteiten, met uitzondering van de verhuur van ruimten aan een logistiek bedrijf en een masseur, voor de omzetbelasting belaste activiteiten zijn.

5. Naar aanleiding van een teruggaafverzoek van eiseres over de maand juli 2023 en een daaropvolgend onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres vanaf de start van haar activiteiten geen omzetbelasting heeft afgedragen over de verhuur van de squash- en padelbanen omdat zij van mening is dat deze verhuur vrijgesteld is ingevolge artikel 11, eerste lid, letter b, van de Wet OB.

6. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten waarin onder andere is afgesproken dat eiseres met ingang van 1 januari 2024, overeenkomstig het standpunt van verweerder, over de verhuur van de squash- en padelbanen omzetbelasting afdraagt naar het verlaagde tarief van 9%, dit in afwachting van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

7. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen onder meer de teruggaafbeschikking naar aanleiding van haar aangifte omzetbelasting over de maand juni 2024, die leidde tot een teruggaaf van € 216 aan omzetbelasting. In haar bezwaarschrift heeft zij het standpunt ingenomen dat over de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters ten onrechte 9% omzetbelasting in rekening is gebracht. Eiseres verzoekt om een aanvullende teruggaaf van € 12. Bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Geschil
8. In geschil is of de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB en aldus belast is tegen het verlaagde tarief van 9%, of dat deze ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wet OB als vrijgestelde verhuur dient te worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
9. Eiseres stelt primair dat de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van onroerende zaken. Hiertoe voert eiseres onder meer aan dat er sprake is van een passieve handeling. Er is geen specifieke infrastructuur nodig en er zijn geen andere faciliteiten nodig om de sport squash of padel te kunnen beoefenen. Door het huren van een squash- of padelbaan verkrijgt de sporter het exclusieve gebruiksrecht om gedurende een vooraf bepaalde tijd gebruik te kunnen maken van die baan. Dit exclusieve gebruiksrecht kwalificeert als verhuur, aldus eiseres.

Subsidiair beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres wijst erop dat verweerder in een drietal gevallen heeft toegestemd of berust in de toepassing van de vrijstelling bij de verhuur van squashbanen.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de verhuur van squash- en padelbanen sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Deze prestatie is belast tegen het 9% tarief. Eiseres verricht aanvullende diensten ten behoeve van de sportbeoefening, zoals het beschikbaar stellen van kleed- en doucheruimte, sanitair en horecagelegenheid, zodat er geen sprake is van (kale) verhuur van een onroerende zaak. Met betrekking tot beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt verweerder dat dit niet kan slagen.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OB is de verhuur van onroerende zaken van omzetbelasting vrijgesteld.

12. Ingevolge artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB is het verlaagde tarief van toepassing op de levering van goederen en diensten vermeld in de bij de Wet OB behorende Tabel I. Post b.3 van Tabel I luidt: “het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden”.

13. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie1 volgt onder meer dat het wezenlijke kenmerk van het begrip ‘verhuur van onroerende goederen’ in de zin van artikel 135, eerste lid, letter l van de BTW-richtlijn 20062 (Zesde Richtlijn) erin bestaat dat aan een huurder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en om ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde overeenkomst beantwoordt aan deze definitie, moet rekening worden gehouden met alle eigenschappen van de handeling en met de omstandigheden ervan. Beslissend is dienaangaande de objectieve aard van de betrokken handeling, ongeacht hoe deze door de partijen wordt voorgesteld. Daarnaast is slechts sprake van verhuur van een onroerend goed in de zin voor de hiervoor genoemde bepaling van de Zesde Richtlijn wanneer is voldaan aan alle kenmerkende voorwaarden voor deze handeling, te weten de eigenaar van een onroerend goed heeft de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleend zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten. Ook heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Het is hierbij in beginsel de taak van de nationale rechterlijke instanties om gelet op de omstandigheden van elk concreet geval de wezenlijke kenmerken van de betrokken handeling vast te stellen teneinde deze handeling te kwalificeren uit het oogpunt van de Zesde Richtlijn.3

14. Ook in haar arrest van 18 januari 20014 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Verder heeft het Hof van Justitie in dit arrest onder meer geoordeeld dat diensten die verband houden met de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding zoveel mogelijk als één geheel moeten worden beschouwd. Om de aard van een belastbare handeling vast te stellen dienen alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking te worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. Indien een prestatie niet alleen het passief ter beschikking stellen van een terrein behelst, maar ook commerciële activiteiten omvat zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter en de terbeschikkingstelling van andere installaties, is de verhuur van het terrein, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet de overwegende prestatie.5 Het is aan de nationale rechter om uit te maken, of de in geding zijnde activiteiten al dan niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting.6

15. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters heeft eiseres ter zitting over de door haar verleende diensten onder meer het volgende verklaard. Een sporter reserveert via het online reserveringssysteem een squash- of padelbaan op een bepaald tijdstip voor een bepaalde tijdsduur. Hij verkrijgt hiermee het exclusieve gebruiksrecht tot die specifieke baan. Een baan is te reserveren tussen negen uur ochtends en één uur ’s nachts. Deze tijdspanne is gelijk aan de openingstijden van de horeca. Het personeel van de horeca opent en sluit het pand. Er is geen personeel aanwezig in de squash-/padelhal. Achter de bar in de horecagelegenheid zitten de lichtknoppen voor de banen. Het horecapersoneel ziet vanuit het horecagedeelte de banen niet en houdt er ook geen toezicht op. In bepaalde uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de verlichting niet werkt, kan een sporter zich melden bij de bar. Ten aanzien van het onderhoud en schoonmaak van de banen heeft eiseres verklaard dat de houten vloeren éénmaal in de twintig jaar vervangen worden en éénmaal in de vijf jaar geschuurd worden en van een nieuwe belijning worden voorzien. Verder onderhoud is niet noodzakelijk. De glaswanden worden één keer in de maand gezeemd. Naast de verhuur van de baan aan de sporter zijn er geen aanvullende diensten die de sporter kan afnemen, zoals de huur van rackets en ballen. Wel zijn er kleed- en doucheruimten en toiletten.

16. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen is overwegen onder 15, in het onderhavige geval sprake van vrijgestelde verhuur van onroerend goed aan de particuliere sporters. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de particuliere sporter door het maken van een reservering in het online reserveringssysteem een exclusief gebruiksrecht verkrijgt om op een bepaalde datum en gedurende een bepaalde tijd gebruik te maken van een bepaalde squash- of padelbaan. Het gebruik van die betreffende baan is gedurende die gereserveerde tijd voor anderen uitgesloten. Verweerders stelling dat een particuliere sporter een complex van diensten afneemt en er een vorm van toezicht aanwezig is waardoor de diensten van eiseres moeten worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB volgt de rechtbank niet. Het feit dat er toiletten en kleed- en doucheruimten aanwezig zijn en een sporter in uitzonderlijke gevallen een horecamedewerker kan aanspreken maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verhuur van de squash- of padelbanen meer inhoudt dan het passief ter beschikking stellen van een baan aan de sporter. Het feit dat de banen worden verhuurd aan personen die voornemens zijn om daar te gaan squashen of “padellen” (sporten), maakt het voorgaande niet anders.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het subsidiaire standpunt van eiseres behoeft geen verdere behandeling.

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Nu het bezwaar en beroep van eiseres in onderhavige zaak en in zaaknummer SGR 25/4427 zowel door verweerder als de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, aan beide belastingplichtigen rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van deze rechtsbijstandverlener zowel in bezwaar als beroep nagenoeg identiek kon zijn, is in beide fases sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb.

19. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van
€ 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb kent de rechtbank eiseres in onderhavige zaak de helft van dit bedrag toe (€ 1.600).

Beslissing
De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de teruggaafbeschikking over de maand juni 2024;

– draagt verweerder op de teruggaafbeschikking over de maand juni 2024 vast te stellen op een bedrag van € 228;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.600;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1 HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29 Régie communale autonome du stade Luc Varenne

2 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

3 Vgl. HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29, r.o. 21 tot en met 24

4 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34 Stockholm Lindöpark

5 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 26

6 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 28

ECLI:NL:RBDHA:2026:9436

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2026
Datum publicatie
28-04-2026
Zaaknummer
AWB – 25 _ 4427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
OB gelegenheid geven tot sportbeoefening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026042901
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 25/4427

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: H. van den Berg),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting over het tweede kwartaal 2024.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.

Namens eiseres zijn, naast haar gemachtigde, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (ter bijstand) verschenen.

Namens verweerder zijn mr. [naam 5] en [naam 6] verschenen.

Bij het onderzoek ter zitting is gelijktijdig met onderhavige zaak het beroep met zaaknummer SGR 25/4423 behandeld.

Overwegingen
Feiten

1. Eiseres exploiteert op een squashcentrum met horecagelegenheid. Sporters kunnen voor een bepaalde tijdsduur, tegen een bepaald tarief per tijdseenheid of op basis van een abonnement een squash- of padelbaan huren. De banen kunnen ook worden gehuurd voor het beoefenen van soccersquash.

2. Enig aandeelhouder van eiseres is [BV 1] B.V. Enig aandeelhouder van [BV 1] B.V. is [BV 2] B.V., waarvan de heer [naam 3] enig aandeelhouder is. Sinds 16 oktober 2024 maken eiseres en [BV 1] B.V. onderdeel uit van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

3. Naast de verhuur van squash- en padelbanen verricht eiseres de volgende diensten: het exploiteren van horecavoorzieningen, squash- en padellessen, het bespannen van rackets, de verkoop van sportartikelen en kleding, reclame/sponsoring van bedrijven en het in rekening brengen van administratiekosten. Tussen partijen is niet in geschil dat de hiervoor genoemde activiteiten voor de omzetbelasting belaste activiteiten zijn.

4. Overeenkomstig het standpunt van verweerder heeft eiseres in haar aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2024 over de verhuur van de squash- en padelbanen omzetbelasting afgedragen naar het verlaagde tarief van 9%. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten waarin onder andere is afgesproken dat eiseres, overeenkomstig het standpunt van verweerder, over de verhuur van de squash- en padelbanen omzetbelasting afdraagt naar het verlaagde tarief van 9%.

5. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen onder meer haar aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2024, die leidde tot een teruggaaf van € 310 aan omzetbelasting. In haar bezwaarschrift heeft zij het standpunt ingenomen dat over de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters ten onrechte 9% omzetbelasting in rekening is gebracht. Eiseres verzoekt om een aanvullende teruggaaf van € 4.815. Bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Geschil
6. In geschil is of de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB en aldus belast is tegen het verlaagde tarief van 9%, of dat deze ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wet OB als vrijgestelde verhuur dient te worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
7. Eiseres stelt primair dat de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van onroerende zaken. Hiertoe voert eiseres onder meer aan dat er sprake is van een passieve handeling. Er is geen specifieke infrastructuur nodig en er zijn geen andere faciliteiten nodig om de sport squash of padel te kunnen beoefenen. Door het huren van een squash- of padelbaan verkrijgt de sporter het exclusieve gebruiksrecht om gedurende een vooraf bepaalde tijd gebruik te kunnen maken van die baan. Dit exclusieve gebruiksrecht kwalificeert als verhuur, aldus eiseres.

Subsidiair beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres wijst erop dat verweerder in een drietal gevallen heeft toegestemd of berust in de toepassing van de vrijstelling bij de verhuur van squashbanen.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de verhuur van squash- en padelbanen sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Deze prestatie is belast tegen het 9% tarief. Eiseres verricht aanvullende diensten ten behoeve van de sportbeoefening, zoals het beschikbaar stellen van kleed- en doucheruimte, sanitair en horecagelegenheid, zodat er geen sprake is van (kale) verhuur van een onroerende zaak. Met betrekking tot beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt verweerder dat dit niet kan slagen.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OB is de verhuur van onroerende zaken van omzetbelasting vrijgesteld.

10. Ingevolge artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB is het verlaagde tarief van toepassing op de levering van goederen en diensten vermeld in de bij de Wet OB behorende Tabel I. Post b.3 van Tabel I luidt: “het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden”.

11. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie1 volgt onder meer dat het wezenlijke kenmerk van het begrip ‘verhuur van onroerende goederen’ in de zin van artikel 135, eerste lid, letter l van de BTW-richtlijn 20062 (Zesde Richtlijn) erin bestaat dat aan een huurder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en om ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde overeenkomst beantwoordt aan deze definitie, moet rekening worden gehouden met alle eigenschappen van de handeling en met de omstandigheden ervan. Beslissend is dienaangaande de objectieve aard van de betrokken handeling, ongeacht hoe deze door de partijen wordt voorgesteld. Daarnaast is slechts sprake van verhuur van een onroerend goed in de zin voor de hiervoor genoemde bepaling van de Zesde Richtlijn wanneer is voldaan aan alle kenmerkende voorwaarden voor deze handeling, te weten de eigenaar van een onroerend goed heeft de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleend zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten. Ook heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Het is hierbij in beginsel de taak van de nationale rechterlijke instanties om gelet op de omstandigheden van elk concreet geval de wezenlijke kenmerken van de betrokken handeling vast te stellen teneinde deze handeling te kwalificeren uit het oogpunt van de Zesde Richtlijn.3

12. Ook in haar arrest van 18 januari 20014 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Verder heeft het Hof van Justitie in dit arrest onder meer geoordeeld dat diensten die verband houden met de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding zoveel mogelijk als één geheel moeten worden beschouwd. Om de aard van een belastbare handeling vast te stellen dienen alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking te worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. Indien een prestatie niet alleen het passief ter beschikking stellen van een terrein behelst, maar ook commerciële activiteiten omvat zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter en de terbeschikkingstelling van andere installaties, is de verhuur van het terrein, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet de overwegende prestatie.5 Het is aan de nationale rechter om uit te maken, of de in geding zijnde activiteiten al dan niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting.6

13. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters heeft eiseres ter zitting over de door haar verleende diensten onder meer het volgende verklaard. Een sporter reserveert via het online reserveringssysteem een squash- of padelbaan op een bepaald tijdstip voor een bepaalde tijdsduur. Hij verkrijgt hiermee het exclusieve gebruiksrecht tot die specifieke baan. Een baan is te reserveren tussen negen uur ochtends en één uur ’s nachts. Deze tijdspanne is gelijk aan de openingstijden van de horeca. Het personeel van de horeca opent en sluit het pand. Er is geen personeel aanwezig in de squash-/padelhal. Achter de bar in de horecagelegenheid zitten de lichtknoppen voor de banen. Het horecapersoneel ziet vanuit het horecagedeelte de banen niet en houdt er ook geen toezicht op. In bepaalde uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de verlichting niet werkt, kan een sporter zich melden bij de bar. Ten aanzien van het onderhoud en schoonmaak van de banen heeft eiseres verklaard dat de houten vloeren éénmaal in de twintig jaar vervangen worden en éénmaal in de vijf jaar geschuurd worden en van een nieuwe belijning worden voorzien. Verder onderhoud is niet noodzakelijk. De glaswanden worden één keer in de maand gezeemd. Naast de verhuur van de baan aan de sporter zijn er geen aanvullende diensten die de sporter kan afnemen, zoals de huur van rackets en ballen. Wel zijn er kleed- en doucheruimten en toiletten.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen is overwegen onder 13, in het onderhavige geval sprake van vrijgestelde verhuur van onroerend goed aan de particuliere sporters. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de particuliere sporter door het maken van een reservering in het online reserveringssysteem een exclusief gebruiksrecht verkrijgt om op een bepaalde datum en gedurende een bepaalde tijd gebruik te maken van een bepaalde squash- of padelbaan. Het gebruik van die betreffende baan is gedurende die gereserveerde tijd voor anderen uitgesloten. Verweerders stelling dat een particuliere sporter een complex van diensten afneemt en er een vorm van toezicht aanwezig is waardoor de diensten van eiseres moeten worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB volgt de rechtbank niet. Het feit dat er toiletten en kleed- en doucheruimten aanwezig zijn en een sporter in uitzonderlijke gevallen een horecamedewerker kan aanspreken maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verhuur van de squash- of padelbanen meer inhoudt dan het passief ter beschikking stellen van een baan aan de sporter. Het feit dat de banen worden verhuurd aan personen die voornemens zijn om daar te gaan squashen of “padellen” (sporten), maakt het voorgaande niet anders.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het subsidiaire standpunt van eiseres behoeft geen verdere behandeling.

Proceskosten

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Nu het bezwaar en beroep van eiseres in onderhavige zaak en in zaaknummer SGR 25/4423 zowel door verweerder als de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, aan beide belastingplichtigen rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van deze rechtsbijstandverlener zowel in bezwaar als beroep nagenoeg identiek kon zijn, is in beide fases sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb.

17. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van
€ 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb kent de rechtbank eiseres in onderhavige zaak de helft van dit bedrag toe (€ 1.600).

Beslissing
De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de teruggaafbeschikking over het tweede kwartaal 2024;

– draagt verweerder op de teruggaafbeschikking over het tweede kwartaal 2024 vast te stellen op een bedrag van € 5.125;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.600;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1 HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29 Régie communale autonome du stade Luc Varenne

2 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

3 Vgl. HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29, r.o. 21 tot en met 24

4 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34 Stockholm Lindöpark

5 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 26

6 HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 28

ECLI:NL:RBDHA:2026:9437

Scroll naar boven