Btw-vrijstelling vermogensbeheer bedrijfstakpensioenfonds afgewezen: geen beleggingsrisico
Een bedrijfstakpensioenfonds voert een middelloonregeling uit, waarbij de pensioenopbouw is gebaseerd op het gemiddelde loon en het aantal dienstjaren van de deelnemers. Het pensioenfonds heeft het beheer van zijn vermogen deels uitbesteed aan buitenlandse vermogensbeheerders en heeft ter zake van deze ingekochte diensten op aangifte omzetbelasting voldaan. Het fonds is echter van mening dat deze diensten zijn vrijgesteld van btw, omdat het naar eigen zeggen kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, en heeft derhalve bezwaar tegen de afdracht gemaakt.
In de procedure tussen het pensioenfonds en de Belastingdienst draait het om de vraag of het fonds daadwerkelijk kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, Wet OB, in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, Btw-richtlijn. De kern van dit geschil spitst zich toe op de vraag of de deelnemers aan de regeling het beleggingsrisico dragen. Het fonds stelt dat deelnemers dit risico wel degelijk lopen, omdat de pensioenuitkering in de praktijk mede afhankelijk is van het beleggingsresultaat, bijvoorbeeld door eventuele kortingen op de aanspraken of het wel of niet toekennen van indexaties. De Belastingdienst weerspreekt dit en stelt dat de pensioenaanspraak wordt bepaald aan de hand van dienstjaren en salaris, waardoor het pensioenfonds primair zelf het beleggingsrisico draagt, wat vergelijkbaar is met een verzekeringsmodel.
Rechtbank Noord-Holland stelt de Belastingdienst in het gelijk en oordeelt dat het fonds niet als gemeenschappelijk beleggingsfonds kwalificeert. Onder verwijzing naar ATP PensionService (HvJ EU 13 maart 2014, C-464/12) en Stichting BPL Pensioen (HvJ EU 5 september 2024, C-639/22 t/m C-644/22) overweegt de rechtbank dat deelnemers pas geacht worden het beleggingsrisico te dragen wanneer de hoogte van het pensioen in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten. Omdat bij de onderhavige middelloonregeling het jaarsalaris en de dienstjaren de basis vormen, variëren de pensioenrechten niet primair als gevolg van beleggingsresultaten. Eventuele toeslagen of kortingen functioneren als ultimum remedium en brengen hierin geen wezenlijke verandering aan. Ook een beroep op het fiscale neutraliteitsbeginsel faalt, aangezien de regeling juridisch en financieel wezenlijk verschilt van een individuele DC-regeling (beschikbarepremieregeling).
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-02-2026
Datum publicatie
01-05-2026
Zaaknummer
AWB – 23 _ 3098
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. In geschil is of eiseres (een bedrijfstakpensioenfonds) terecht naar haar verlegde omzetbelasting heeft voldaan ter zake van de door buitenlandse vermogensbeheerders verleende beheersdiensten. Daarbij gaat het om de vraag of eiseres is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de deelnemers in eiseres het beleggingsrisico dragen. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres niet als gemeenschappelijk beleggingsfonds kan worden aangemerkt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3098
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] (voorheen: [stichting] ), eiseres
(gemachtigde: dr. G.J. van Norden),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het bedrag aan omzetbelasting dat zij op aangifte heeft voldaan voor de periode 1 april 2022 tot en met 30 juni 2022 (het tweede kwartaal 2022). Bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2023 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Rechtbank Gelderland heeft op 5 en 6 oktober 2022 prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (HvJ). Eiseres heeft in het beroepschrift verzocht de behandeling van het beroep aan te houden tot op die prejudiciële vragen is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het HvJ heeft de prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 5 september 20241 (het BPL-arrest). Eiseres heeft op 6 november 2025 het beroepschrift aangevuld en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Namens eiseres zijn verschenen drs. [naam 1] , mr. [naam 2] bijgestaan door mr. [naam 3] (specialist actuariaat) en de gemachtigde bijgestaan door dr. mr. [naam 4] en [naam 5] LL.M.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is een bedrijfstakpensioenfonds dat de pensioenregeling uitvoert van de (voormalige) werknemers in de [bedrijfstak 1] (pensioenregeling A). Ook de bedrijven in de bedrijfstak [bedrijfstak 2] zijn bij deze regeling aangesloten. Daarnaast voert eiseres de pensioenregeling uit van bedrijven in de sector [bedrijfstak 3] (pensioenregeling B). Eiseres heeft het beheer van haar vermogen onder meer ondergebracht bij niet in Nederland gevestigde vermogensbeheerders.
2. Eiseres heeft op haar aangifte voor het tweede kwartaal van 2022 een bedrag van € 83.946 aan omzetbelasting voldaan. Dit bedrag betreft naar eiseres verlegde omzetbelasting van € 114.004 minus een bedrag aan voorbelasting van € 30.058. Van het bedrag van € 114.004 heeft € 82.964 betrekking op dienstverlening door de buitenlandse vermogensbeheerders.
3. De pensioenregelingen voor 2022 zijn vastgelegd in Pensioenreglement I en Pensioenreglement II van januari 2021. De uitvoering van deze pensioenregeling is vastgelegd in een Uitvoeringsreglement van januari 2022 (het Uitvoeringsreglement).
4. De pensioenregeling is een uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het gemiddelde loon (middelloonregeling).2 De pensioengrondslag van pensioenregeling A is het pensioengevend loon, verminderd met de franchise.3 Het pensioengevend loon in pensioenregeling A is het afgesproken vaste loon, vermeerderd met vakantietoeslag. Voor de bedrijfstakken [bedrijfstak 1] en [bedrijfstak 2] wordt het pensioengevend loon verder vermeerderd met eventuele ploegentoeslag en overwerkvergoeding van het voorafgaande kalenderjaar. Het pensioengevend loon in pensioenregeling B is het afgesproken vaste loon, vermeerderd met vakantietoeslag, vaste eindejaarsuitkeringen, vaste gratificaties en overige onderdelen van het inkomen die volgens de normale arbeidsduur tot het vaste loon behoren.4 Het opbouwpercentage voor pensioenregeling A bedraagt jaarlijks 1,67% en dat voor pensioenregeling B 1,875%.5
5. De werkgevers en de werknemers zijn voor de financiering van de pensioenregeling premie verschuldigd, gebaseerd op de pensioengrondslag.6 Voor pensioenregeling A bedraagt de totale premie 26,3%, voor pensioenregeling B 26,6%. De werkgever houdt de helft van deze premie in op het loon van de werknemer en draagt de totaal verschuldigde premie af aan eiseres.7
6. Indien de financiële positie van eiseres dat toelaat, kan zij jaarlijks besluiten de pensioenaanspraken en -rechten door middel van een toeslagverlening te verhogen met maximaal het Consumentenprijsindexcijfer. De beleidsdekkingsgraad moet daarvoor in ieder geval hoger zijn dan 110%. Indien in enig jaar geen toeslag heeft plaatsgevonden, kan eiseres besluiten tot een zogenoemde inhaaltoeslag. Voor de toeslag en de inhaaltoeslag wordt geen reserve gevormd en ook geen premie berekend.8
7. Eiseres kan onder voorwaarden korten op de pensioenrechten. Dit kan zich voordoen als de beleidsdekkingsgraad te laag is, eiseres niet in staat is om binnen een redelijke termijn het vermogen gelijk te krijgen aan het minimaal vereiste eigen vermogen of het vereist eigen vermogen zonder dat de belangen van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of de werkgevers onevenredig worden geschaad en alle overige maatregelen die in het herstelplan staan opgenomen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn uitgeput.9
8. In zijn brief van 19 september 201410 aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën in reactie op het arrest van het HvJ van 13 maart 2014 (ATP-arrest) 11 onder meer het volgende meegedeeld:
“Pensioenlichamen die individuele DC-pensioenregelingen uitvoeren, worden gefinancierd door de pensioenontvangers. Het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. Dergelijk fondsen kunnen als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De deelnemers ontvangen een pensioen waarvan de hoogte afhangt van de betaalde pensioenpremies en het rendement van de beleggingen. Bij een dergelijk pensioenfonds is de hoogte van de pensioenuitkering niet vooraf bepaald of gemaximeerd. Het beheer van dergelijke pensioeninstellingen is vrijgesteld van btw.
(…)
Het is echter ook mogelijk dat sprake is van een collectieve DC-pensioenregeling waarbij de pensioenafspraken van de individuele deelnemers wel zijn opgebouwd op een vergelijkbare wijze als gebruikelijk is bij de individuele DC-pensioenregeling. In die gevallen zal het beheer van een dergelijk pensioenfonds wel zijn vrijgesteld van btw.
In dit soort gevallen zal aan de hand van alle feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds en of de belastingheffing over de beheerdiensten wijzigt naar aanleiding van het ATP-arrest”.
Geschil
9. In geschil is of eiseres terecht naar haar verlegde omzetbelasting heeft voldaan ter zake van de door buitenlandse vermogensbeheerders verleende diensten (de beheersdiensten).
Daarbij gaat het primair om de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als een beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de vrijstelling) in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn). Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de deelnemers in eiseres het beleggingsrisico dragen.
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij moet worden aangemerkt als een beleggingsfonds als bedoeld in de vrijstelling. De beheersdiensten vallen daarom onder de vrijstelling. Volgens eiseres lopen de deelnemers in de pensioenregelingen het beleggingsrisico. Van tevoren staat niet vast op welke uitkering de deelnemers uiteindelijk recht hebben, omdat de hoogte van die uitkering mede afhankelijk is van het beleggingsresultaat van eiseres. Eiseres kan namelijk besluiten te korten op de pensioenaanspraken/pensioenrechten, het pensioen niet te indexeren of een inhaalindexatie te laten plaatsvinden en/of de toekomstige pensioenaanspraken te verlagen. De werkgevers hebben geen bijstortingsverplichting.
11. In de aanvulling van het beroepschrift van 6 november 2025 heeft eiseres daar nog aan toegevoegd dat het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten als bedoeld in het BPL-arrest.
Eiseres betoogt dat de zinsnede “in de eerste plaats” in de verklaring voor recht van het BPL-arrest moet worden beschouwd als een rangschikkingstoets, zodat een rangschikking moet worden gemaakt van de verschillende elementen die invloed hebben op het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen en bepaald moet worden of in deze rangschikking het beleggingsrisico op de eerste plaats staat. Dat het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen wordt bepaald op basis van inkomen en dienstjaren, is niet een te toetsen element maar vormt slechts de voorwaarde om het in het arrest geformuleerde toetsingskader te kunnen toepassen. Eiseres duidt dit aan als “het ingangsvereiste”. Vervolgens dient volgens eiseres de zogenoemde “prealabele toets” plaats te vinden of sprake is van fluctuatie in het bedrag van de pensioenrechten/aanspraken. Indien er geen fluctuatie is, wordt niet toegekomen aan de rangschikkingstoets. Niet vereist is dat er in ruime mate sprake is van fluctuatie. Volgens eiseres is het bij een pensioenfonds zonder bijstortingsverplichting per definitie voldoende als de invloed van de beleggingsresultaten op de hoogte van het bedrag meer dan marginaal, althans aanzienlijk is. Dan staat namelijk vast dat geen van de andere mogelijke invloeden op de eerste plaats kan komen. Voor haar standpunt dat de pensioenrechten en pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk zijn van de beleggingsresultaten verwijst eiseres naar een rapport met cijfermatige berekeningen van de adviserend actuaris van eiseres.
Dat in het pensioenreglement voor het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen niet wordt verwezen naar de resultaten van de beleggingen doet volgens eiseres niet ter zake. De volledige context van het Nederlandse pensioenlandschap en alle hiervoor beschikbare documentatie dient volgens eiseres in aanmerking te worden genomen. Dat beleggingsresultaten voor een pensioenfonds noodzakelijk zijn om haar verplichtingen te kunnen nakomen, is evident en van algemene bekendheid. Indien eiseres alleen zou sparen, zou zij op lange termijn niet genoeg geld hebben om alle pensioenen te kunnen betalen. In het rekeninstrument van de beleidsdekkingsgraad wordt tot uiting gebracht dat de hoogte van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen jaarlijks worden gecorrigeerd voor reeds behaalde en nog te verwachten beleggingsresultaten.
12. Eiseres heeft in de aanvulling van 6 november 2025 verder het standpunt ingenomen dat zij vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemers vergelijkbaar is met pensioenfondsen met een defined contribution regeling (DC-pensioenfondsen) die door Nederland worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in de vrijstelling. Zij verwijst daartoe naar de brief van de staatssecretaris van financiën van 19 september 2014 aangehaald onder 8. Volgens eiseres bieden beide regelingen de pensioendeelnemers geen recht op een van te voren vaststaand pensioen. In de opzet is de pensioenambitie van beide systemen identiek. De cijfermatige berekeningen van de adviserend actuaris van eiseres laten zien dat er na 40 jaar pensioenopbouw of premie-inleg op de eindstreep slechts een te verwaarlozen verschil is van ongeveer 1% tussen het systeem van eiseres en het DC-systeem. Verder volgt uit het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) dat eiseres voor de deelnemers vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie vergelijkbaar is met een DC-pensioenfonds. Het UPO geeft namelijk exact hetzelfde beeld voor de deelnemer, ongeacht het type regeling. Ook uit het feit dat eiseres een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds is, volgt volgens eiseres die vergelijkbaarheid. Ook is volgens eiseres sprake van vergelijkbare doelstellingen (voorzien in de oudedagsvoorziening van de deelnemers), een vergelijkbaar rechtskader (de Pensioenwet) en een vergelijkbaar toezichtregime (AFM en Nederlandsche Bank).
Verder voert eiseres aan dat de vergelijkbaarheid vanuit van het perspectief van de gemiddelde deelnemer niet enkel moet worden aangelegd met DC-pensioenfondsen. Eiseres betoogt dat zij vergelijkbaar is met pensioenfondsen op basis van een zogeheten ‘solidaire premieovereenkomst’ op grond van de Wet toekomst pensioenen. Zij wijst in dit kader op de memorie van toelichting en overige kamerstukken bij die wet. Voorts voert zij aan dat zij vergelijkbaar is met pensioenfondsen in België, waar in artikel 44, 8 3, onderdeel 11, sub d, Btw-wetboek 2006 het beheer van “de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening” van btw is vrijgesteld.
13. Eiseres concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, toekenning van een teruggaaf van € 82.964 en vergoeding van de proceskosten.
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen beleggingsfonds is als bedoeld in de vrijstelling. Volgens hem is eerder sprake van een verzekeringsmodel dan van een collectief beleggingsmodel. De hoogte van de pensioenaanspraken en -uitkeringen wordt niet bepaald naar gelang de resultaten van de beleggingen maar naar gelang het aantal dienstjaren en het bedrag van het gemiddeld verdiende loon. Het beleggingsrisico wordt gelopen door eiseres. Zij kan bij onvoldoende renderende investeringen haar verplichtingen jegens de deelnemers niet nakomen. Dit laatste is ook een risico voor de deelnemers, maar dat is niet anders dan in de situatie dat polishouders bij een verzekeraar lopen.
Eiseres is niet vergelijkbaar met een icbe. Eiseres geeft de gerealiseerde beleggingsresultaten niet rechtstreeks naar rato van de inleg door aan de deelnemers. De deelnemers hebben ongeacht het behaalde rendement recht op een maximale opbouw. Voor een hogere of lagere opbouw is een afzonderlijk besluit van het bestuur nodig en er kan alleen worden gekort als alle andere herstelmaatregelen zijn uitgeput. Er is bij eiseres geen sprake van een rechtstreekse koppeling tussen resultaten en uitkeringen omdat sprake is van een doorsneepremie waardoor jong en oud dezelfde premie betaalt, de solidariteit is daarbij ingebouwd. Bij een DC-regeling heeft de deelnemer een eigen potje. De uitkering is niet afhankelijk van de beleggingsresultaten, maar van de rekenrente en het aantal dienstjaren. De beleggingsresultaten zijn wel van belang voor de dekking, maar dat is volgens verweerder slechts indirect. Verder doet zich bij de regeling van eiseres ook de mogelijkheid van “vroeg-sterftewinst” voor, wat bij beleggingsfonds ontbreekt.
15. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
16. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is van omzetbelasting vrijgesteld het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn, op grond waarvan is vrijgesteld “het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als omschreven door de lidstaten”.
17. Pensioenfondsen zijn als zodanig geen beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij als bedoeld in de vrijstelling. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Uit de jurisprudentie volgt echter dat pensioenfondsen onder bepaalde omstandigheden toch onder de vrijstelling kunnen worden gerangschikt.
18. Het HvJ heeft in het ATP-arrest voor recht verklaard dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (thans artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat pensioenfondsen onder deze bepaling kunnen vallen wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds.
19. In het BPL-arrest heeft het HvJ verder het volgende voor recht verklaard:
“1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG (…), moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.”
20. Vrijstellingen vormen een uitzondering op de hoofdregel dat omzetbelasting wordt geheven over iedere dienst die door een ondernemer onder bezwarende titel wordt verricht en dienen daarom beperkt te worden uitgelegd. Op eiseres rust de bewijslast dat de vrijstelling van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van beheersdiensten, dat eiseres wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, dat het bijeengebrachte geld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en dat eiseres onder bijzonder overheidstoezicht staat. Eiseres dient daarom nog uitsluitend aannemelijk te maken dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen als omschreven in het BPL-arrest.
Beleggingsrisico
21. Uit het BPL-arrest volgt dat voor de beoordeling of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, moet worden vastgesteld of in de pensioenregeling het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen kan variëren als gevolg van de beleggingsresultaten van het pensioenfonds én daarmee in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen dient dus in de eerste plaats afhankelijk te zijn van de resultaten van de beleggingen.
22. Vaststaat dat in onderhavige zaak de basis voor de hoogte van de beoogde pensioenuitkering wordt gevormd door het jaarsalaris (vermeerderd met eventuele toeslagen) en het aantal dienstjaren. De eventuele beleggingsresultaten van eiseres spelen hierbij geen rol. Weliswaar kunnen de pensioenaanspraken en -rechten in geval van onderdekking als ultimum remedium naar evenredigheid worden verminderd en kunnen deze bij voldoende middelen worden geïndexeerd, maar dat brengt op zichzelf geen wijziging in de pensioengrondslag van jaarsalaris en dienstjaren. Die grondslag varieert dan ook niet als gevolg van de eventuele door eiseres behaalde beleggingsresultaten. Aangezien de pensioenpremie wordt vastgesteld op basis van de pensioengrondslag, varieert ook de pensioenpremie niet al naar gelang de beleggingsresultaten van eiseres.
23. Voor wat betreft de eventuele toeslagen die uitsluitend worden gefinancierd uit de beleggingsresultaten, is wel sprake van variatie als gevolg van beleggingsresultaten. Gesteld noch gebleken is echter dat, indien die toeslagen worden toegekend, deze in verhouding staan tot het daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaat. Zo dat al het geval is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit een zodanige grote invloed heeft dat het bedrag van de pensioenaanspraken en -rechten in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten.
24. De berekeningen van de adviserend actuaris van eiseres laten weliswaar zien dat uiteindelijk een groot deel van de pensioenuitkeringen wordt bekostigd uit het beleggingsresultaat, maar die berekeningen zien op de financiering van de pensioenuitkeringen. In punt 50 van het BPL-arrest overweegt het HvJ echter dat de vraag of de deelnemers beleggingsrisico lopen, moet worden beantwoord rekening houdend met alle kenmerken van de betrokken pensioenovereenkomsten. De wijze waarop de uiteindelijke pensioenuitkeringen worden gefinancierd is dus niet bepalend.
25. Gelet op al het voorgaande is eiseres niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers in onderhavige pensioenregeling een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling.
Neutraliteitsbeginsel
26. Het neutraliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke diensten, dat wil zeggen diensten die met elkaar concurreren, voor de heffing van de omzetbelasting verschillend worden behandeld.
In het BPL-arrest heeft het HvJ daarover het volgende voor recht verklaard:
“2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.”
27. In onderhavige zaak dient dan ook te worden beoordeeld of vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, onderhavige pensioenregeling vergelijkbaar is met een individuele Defined Contribution regeling (DC-regeling).
28. Deze regelingen verschillen reeds ingrijpend omdat bij de DC-regeling de deelnemer bij zijn pensionering met een, vooraf niet vast te stellen uitkeringsbedrag, zelf een pensioenregeling moet inkopen terwijl bij onderhavige pensioenregeling de deelnemer bij zijn pensionering een juridische aanspraak heeft op een pensioenuitkering. De toezegging op basis van inkomen en dienstjaren is wezenlijk anders dan een toezegging op basis van onzekere beleggingsresultaten. Verder lopen de deelnemers in onderhavige pensioenregeling, zoals onder 26 is geoordeeld, geen (noemenswaardig) beleggingsrisico. Uit de brief van de staatssecretaris van september 2014 blijkt echter expliciet dat bij de DC-regeling waarvoor hij het uitvoerende pensioenfonds aanmerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. De rechtbank acht dat vanuit het oogpunt van de gemiddelde deelnemer als een zodanig essentieel kenmerk, dat daarom geen sprake is van vergelijkbare regelingen.
29. De rechtbank gaat voorbij aan de vergelijking door eiseres met de solidaire premieovereenkomst uit de Wet toekomst pensioenen omdat dit type overeenkomst niet bestond in 2022. De verwijzing door eiseres naar pensioenregelingen in België kan haar evenmin baten. Uit de bij 26 aangehaalde verklaring voor recht, volgt dat uitsluitend dient te worden vergeleken met regelingen die door “de betrokken lidstaat”, oftewel Nederland, worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.
30. Gezien het voorgaande heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat zij op basis van het neutraliteitsbeginsel gelijk gesteld moet worden met pensioenfondsen die een DC-regeling uitvoeren.
conclusie
31. Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
32. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn.
Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
1HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2Hoofdstuk 4, van het Pensioenreglement I.
3Hoofdstuk 5, aanhef, van het Pensioenreglement I.
4Paragraaf 5.1, van het Pensioenreglement I.
5Bijlage 1, bij het Pensioenreglement I.
6Paragraaf 26.2, van het Pensioenreglement I.
7Paragraaf 26.1 in samenhang met Bijlage 1, van het Pensioenreglement I.
8Hoofdstuk 6, van het Pensioenreglement I.
9Hoofdstuk 31, van het Pensioenreglement I.
10Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 043, nr. 228.
11HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139.
Afbeelding: Nano Banana 2/ Canva